Siberische tjiftjaf in Nieuwegein. Nou hadden we vorig jaar nog een fraaie sibtjif langs de Kooidijk nabij fort Ruigenhoek. Dat was voor mij vlakbij dus een paar keer heen geweest en prachtig gezien. Soms op amper een meter afstand. Ik hoef dat soort zeldzaamheden niet perse ieder jaar, wat zeldzaam is moet zeldzaam blijven immers (hoewel dat niet voor elke zeldzaamheid opgaat), dus ik had met de Nieuwegein-vogel niet zo veel haast. Maar uiteindelijk liet ik me toch verleiden. Sta ik daar in Nieuwegein en wat denk je? Geen spoor van sibtjif. Natuurlijk niet. Anderhalf uur lang niet. (Later op de dag weer wel, las ik op Waarneming.nl.) En dus is die sibtjif ineens belangrijk geworden. Moet ik nog een keer tegen de wind in, niet hard maar wel koud en venijnig, helemaal naar Nieuwegein fietsen om daar een uur lang koud van het zweet te gaan staan wachten op een sibtjif.
Kent u dat?
Of neem die witgat op de Hoogekampse plas. Ja mensen, stop de persen, op de Hoogekampse plas zit een witgat! Dat wil zeggen, als ik daar niet ben. Als ik er wel ben, zit-ie er niet. Laatst stond ik daar weer eens, geen witgat te bekennen, fiets ik naar huis, berichtje van Hein: witgat op de Hoogekampse plas! En vandaag was ik in Beukenburg, een flinke steenworp van de plas vandaan, en kwam daar Cecile tegen. Op de Hoogekampse plas zat de witgat weer, vertelde ze. Hoe mijn gebrek aan witgat lokaal nieuws is geworden, is me een raadsel, maar bedankt, alsnog. Ik naar de plas: geen witgat. Wel drie nonnetjes, eigenlijk veel mooier, vooral het mannetje. Maar hoe hard ik ook zoek, geen witgat.
Kun je zeggen, ach, witgat, wat is nou een witgat? Die komt heus wel een keer, komende weken. Hoef je geen moeite voor te doen. En zo niet, ondenkbaar natuurlijk maar wat dan nog? Toch is zo'n witgat nu ineens enorm belangrijk geworden. Ik moet terug, want ik moet en zal die witgat op de Hoogekampse plas.
Vogelen, vermoeiend is het wel.
24 januari 2021
Meer dips: Praktijkles omgaan met teleurstellingen
maandag 25 januari 2021
vrijdag 22 januari 2021
Escapisme
Een dag niet gevogeld is een dag niet geleefd, om maar eens een oude tegeltjeswijsheid te parafraseren. (Beloofd: ik zal proberen de ergste clichés verder zoveel mogelijk achterwege te laten.) Er wordt in deze coronatijden nogal eens gepraat over escapisme. Over manieren om even aan alle rottigheid te ontsnappen. Om het even allemaal te vergeten. Boeken lezen, via internet concerten en festivals bijwonen, films kijken, Netflixen. Ik doe dat ook hoor, The Queen’s Gambit is geweldig en ik kan ook Sex Education van harte aanbevelen, en Crazy Ex-Girlfriend natuurlijk. Maar niemand heeft het over vogelen. Hoeft van mij ook niet hoor, voor je het weet neem je deel aan een soort competitie om je eigen vorm van escapisme boven aan de ranglijst te krijgen, en persoonlijk hoef ik niet zo nodig nog meer mensen aan het vogelen te krijgen. Straks wordt het nog zo druk dat vogelen ineens niet meer zo’n veilige bezigheid is in deze coronatijden. Maar vogelen is bij uitstek een manier om heel dat corona helemaal van je af te zetten. Om even aan alle rottigheid te ontsnappen, om het even allemaal te vergeten. Je moet iets hè, om het nog een beetje leuk te houden, en dan is vogelen nog steeds een van de veiligste manieren. Kan het iedereen aanraden.
Dit betreft natuurlijk vogelen in brede zin. Kan ook wandelen in het bos zijn en af en toe in gedachten een meesje of goudhaantje noteren. Vandaag noteerde ik onderweg welgeteld twee grote zilverreigers en een appelvink. Als je al te veeleisend bent kun je je afvragen of je dat nog wel vogelen mag noemen. Maar intussen waren er ook honderden ganzen in het veld, een handvol ooievaars en een paar ringmussen langs de Kooidijk, terug van een tijdje weggeweest. Soorten die ik een beetje voor lief neem, die ik zelden invoer op Waarneming.nl, eigenlijk alleen op 1 januari, maar die net zo goed je dag kunnen opvrolijken. En intussen was ik er effe uit en was voor een tijdje dat hele corona helemaal vergeten. En dat lijkt dezer dagen de hoogste staat van verlichting te zijn.
20 januari 2021
Meer lezen? Een jaar corona
Dit betreft natuurlijk vogelen in brede zin. Kan ook wandelen in het bos zijn en af en toe in gedachten een meesje of goudhaantje noteren. Vandaag noteerde ik onderweg welgeteld twee grote zilverreigers en een appelvink. Als je al te veeleisend bent kun je je afvragen of je dat nog wel vogelen mag noemen. Maar intussen waren er ook honderden ganzen in het veld, een handvol ooievaars en een paar ringmussen langs de Kooidijk, terug van een tijdje weggeweest. Soorten die ik een beetje voor lief neem, die ik zelden invoer op Waarneming.nl, eigenlijk alleen op 1 januari, maar die net zo goed je dag kunnen opvrolijken. En intussen was ik er effe uit en was voor een tijdje dat hele corona helemaal vergeten. En dat lijkt dezer dagen de hoogste staat van verlichting te zijn.
20 januari 2021
Meer lezen? Een jaar corona
donderdag 14 januari 2021
Vier jaargetijden corona
Soms varieer ik eens wat, neem eens een straatje linksom of neem eens een straatje rechtsom maar altijd beland ik over de loopbrug over de Karl Marxdreef heen in de Gagelpolder. Eerst in het speelbos, het nieuwbouwbos met speeltoestellen en picknickbanken, dat is aangelegd om de mensen uit Overvecht hun huis uit en de natuur in te lokken want dat is goed voor ze. Het is er vaak druk, in coronatijd, maar zelfs als het er druk is, is het er plezierig, op een bepaalde manier. Voorbij het speelbos is het oude natuurgebied, het moerasbos met zijn stille wateren dat er al was, lang voordat het recreatieschap van de gemeente er fietspaden en wandelroutes omheen ging aanleggen. Het is er stil, leeg en roerloos momenteel, winters. Vaalgele kragen van riet waar bovenuit de kale, zwarte takkenbossen van het zompige woud, met hier en daar witte berkenstammetjes ertussen. En waar het bos zich terugtrekt, open weiden met eilandjes van kreupelhout waar in het voorjaar eerst de gagel bloeit en daarna de krenten en waar in de zomer de orchideeën hun paarse trossen boven de schrale vegetatie uit steken. Nu niets van dat alles, nu is het winter: nog slechts het decor rest van de pracht die hier in lente, zomer en herfst weer zal groeien. Een paar oude knotwilgen, een boomstronk bekleed met wit omrande zwammetjes, een menigte houten staken die als een soort bezemstelen hun takkenbossen ten hemel dragen: decorstukken die staan af te wachten tot straks de blauwborsten weer hun blauwe borsten tonen, de rietzangers weer de stilte bekrassen, de zwanenbloemen en het blaasjeskruid weer bloeien aan de waterkant en de zeldzaamste libellen weer patrouilleren boven de waterleliebladen. Kortom: tot het leven, het volgende bedrijf, het decor weer in bezit gaat nemen.
Al bijna een jaar lang kom ik er meer dan wekelijks. Ook daarvoor kwam ik er natuurlijk wel, maar sinds corona uitbrak is het gebiedje gaan aanvoelen als mijn privé-achtertuin. Heb ik bijna een intieme relatie opgebouwd met die steenuil die af en toe zit te rusten in een van die oude knotwilgen, met de roerdomp die zich van de zomer af en toe blootgaf tussen de rietvelden, en met de stilte die in de huidige grijze tijden alles overheersend is. Ik was er in de lente toen de eerste tjiftjaffen terugkeerden en de eerste zwaluwen en toen de dotterbloemen bloeiden in de slootkanten. Ik was er op die zorgeloze zomerdagen toen corona even ver weg leek, toen de warmte zwaar tussen de bosranden hing en gierzwaluwen hun rondjes draaiden in de blauwe lucht. En ik was er in de herfst toen in kalende boompjes kramsvogels en koperwieken scholen tussen de laatste herfstbladeren. Pas wanneer je iets te dichtbij gekomen was en ze allemaal tegelijk opvlogen, zag je met hoeveel ze waren. Nu is het winter en is de cirkel bijna rond. Het is tijd dat dat virusje ons met rust gaat laten.
11 januari 2021
Meer lezen? Escapisme
Al bijna een jaar lang kom ik er meer dan wekelijks. Ook daarvoor kwam ik er natuurlijk wel, maar sinds corona uitbrak is het gebiedje gaan aanvoelen als mijn privé-achtertuin. Heb ik bijna een intieme relatie opgebouwd met die steenuil die af en toe zit te rusten in een van die oude knotwilgen, met de roerdomp die zich van de zomer af en toe blootgaf tussen de rietvelden, en met de stilte die in de huidige grijze tijden alles overheersend is. Ik was er in de lente toen de eerste tjiftjaffen terugkeerden en de eerste zwaluwen en toen de dotterbloemen bloeiden in de slootkanten. Ik was er op die zorgeloze zomerdagen toen corona even ver weg leek, toen de warmte zwaar tussen de bosranden hing en gierzwaluwen hun rondjes draaiden in de blauwe lucht. En ik was er in de herfst toen in kalende boompjes kramsvogels en koperwieken scholen tussen de laatste herfstbladeren. Pas wanneer je iets te dichtbij gekomen was en ze allemaal tegelijk opvlogen, zag je met hoeveel ze waren. Nu is het winter en is de cirkel bijna rond. Het is tijd dat dat virusje ons met rust gaat laten.
11 januari 2021
Meer lezen? Escapisme
maandag 11 januari 2021
Reünie
Sinds alweer een week verblijft er op het Veerse meer een kortbekzeekoet. Zeer zeldzame gast uit arctisch gebied die normaliter niet zuidelijker dan Noorwegen overwintert. Het zou pas de elfde voor Nederland zijn, inclusief de op het strand dood aangespoelde exemplaren die van de voorgaande tien de meerderheid uitmaken. Voor mij zou het alweer de tweede zijn dus ik had er, ook met het oog op de coronaperikelen, niet heel veel haast mee. Maar uiteindelijk moest-ie natuurlijk toch even worden binnengetikt. Mijn plan was de trein te nemen naar Middelburg en vandaar de benodigde 15 kilometer per vouwfiets te overbruggen. Zou, gezien het voorspelde zonnige weer met weinig wind, ondanks de kou best een aangenaam tochtje worden en bovendien goed tegen de coronakilo's, al geloof ik niet dat ik momenteel minder beweeg dan vóór de pandemie. Maar ik kreeg een lift aangeboden dus het werd toch de auto. Dat biedt natuurlijk meer mogelijkheden: het zou een volwaardig dagje Delta worden, altijd een van de hoogtepunten van het jaar.
Een stralend dagje Delta, met inderdaad volop zon maar inderdaad wel koud. Nachtvorst. Onderweg op de vluchtstrook af en toe de nasleep van verraderlijke gladheid: opgepast, er dreigde vandaag meer gevaar dan alleen dat virusje! Maar heelhuids bereikten we de Veerse dam waar men ons de koet meteen kon aanwijzen. Hij zat weliswaar vrij ver maar was op het betrekkelijk vlakke, windloze water gemakkelijk terug te vinden. En prima te herkennen ook, hoewel nog niet zo mooi als we gehoopt hadden. Het lukte net niet het witte snavelstreepje te onderscheiden en dat maakt bij kortbekzeekoet net het verschil tussen een perfecte waarneming en een modale, al is het natuurlijk de vraag of je bij kortbekzeekoet ooit kunt spreken van een modale waarneming. Maar dat moest dus zo mogelijk nog beter. We namen ons voor straks nog even terug te komen als-ie wie weet wat dichterbij zou zitten en in elk geval de zon, nu pal tegen, wat gunstiger zou staan. Nog even geoorde futen noteren, middelste zaagbekken en kleine zilverreiger, en nog even het mooie zicht op de contouren van Veere achter de verre oever aanschouwen, ja ook daar moet je af en toe oog voor hebben vind ik. We begroetten nog enkele bekenden en gingen verder.
De ergste kou was er inmiddels wel af en het slipgevaar grotendeels geweken, toen we ons door de Walcherense binnenlanden richting Westkapelle begaven. Twee rosse franjepoten lokten ons naar de Noordervroon. Ze zaten meteen paraat, prachtig dichtbij op het ijs, maar gingen er al kort na onze aankomst vandoor. Waren we nou net op het nippertje geweest? Dat viel mee: even later zaten ze er weer, hoewel niet zo dichtbij als eerder. (Een klein halfuur later echter waren ze opnieuw opgevlogen en daarna zijn ze door niemand meer teruggezien. Toch betrekkelijk op het nippertje dus.)
Volgende bezienswaardigheid moesten de grote en kleine burgemeester op de zeedijk bij Westkapelle zijn. Die bleken echter (ook al) zojuist gevlogen. Gezelschap van ongeveer dezelfde mensen als die we zojuist bij de koet al hadden begroet, stond vergeefs de meeuwen af te turen. Jan van genten en drieteenmeeuwen boven zee, paarse strandlopers beneden op de dijk en toen het bericht dat kleine burgemeester anderhalve kilometer verderop was teruggevonden. Die gaf daar een fraaie show weg, het was weer genieten, totdat Toon een jaloersmakende foto appte: kortbekzeekoet schitterend dichtbij en vol in het zonnetje. Precies zoals we gehoopt hadden. Dus werd weer koers gezet naar het Veerse meer, waar we opnieuw dezelfde bekenden troffen als eerder bij Westkapelle en daarvoor hier aan het Veerse meer, heel wat mensen hadden blijkbaar dezelfde gedachte gehad en dezelfde route in hun hoofd, en waar we vanaf de westoever langs de Vrouwenpolderse duintjes kortbek precies zoals we gehoopt hadden van dichtbij en met prachtig licht in beeld kregen. Snavelstreepje nu duidelijk zichtbaar: de perfecte apotheose.
Waarna nog een halve dag Zeeuwse Delta restte. Met fraaie kuifduikers op de Oosterschelde, zwarte ruiters en zilverplevieren en meer in de Schelphoek buitendijks, lepelaars en kleine zilverreigers in de Prunje, een fraaie zeearend die met kalme slag koers zette naar het oosten, zo gewoon als-ie ook geworden is, het blijft een belevenis, en een vracht aan nieuwe jaarsoorten want het was nog altijd pas 9 januari dus veel soorten stonden vanmorgen op het toen nog omvangrijke verlanglijstje. We sloten af met de Brouwersdam, waar we naast de gebruikelijk typjes (ijseend, ijsduiker en parelduiker verdienen nog wel een aparte vermelding) deels weer diezelfde bekenden tegenkwamen als bij het Veerse meer, bij Westkapelle en opnieuw bij het Veerse meer. Ik noem geen namen, van sommigen weet ik die niet eens, maar het is ook wel een beetje een reünie, zo’n dagje kortbekzeekoet.
9 januari 2021
Een stralend dagje Delta, met inderdaad volop zon maar inderdaad wel koud. Nachtvorst. Onderweg op de vluchtstrook af en toe de nasleep van verraderlijke gladheid: opgepast, er dreigde vandaag meer gevaar dan alleen dat virusje! Maar heelhuids bereikten we de Veerse dam waar men ons de koet meteen kon aanwijzen. Hij zat weliswaar vrij ver maar was op het betrekkelijk vlakke, windloze water gemakkelijk terug te vinden. En prima te herkennen ook, hoewel nog niet zo mooi als we gehoopt hadden. Het lukte net niet het witte snavelstreepje te onderscheiden en dat maakt bij kortbekzeekoet net het verschil tussen een perfecte waarneming en een modale, al is het natuurlijk de vraag of je bij kortbekzeekoet ooit kunt spreken van een modale waarneming. Maar dat moest dus zo mogelijk nog beter. We namen ons voor straks nog even terug te komen als-ie wie weet wat dichterbij zou zitten en in elk geval de zon, nu pal tegen, wat gunstiger zou staan. Nog even geoorde futen noteren, middelste zaagbekken en kleine zilverreiger, en nog even het mooie zicht op de contouren van Veere achter de verre oever aanschouwen, ja ook daar moet je af en toe oog voor hebben vind ik. We begroetten nog enkele bekenden en gingen verder.
De ergste kou was er inmiddels wel af en het slipgevaar grotendeels geweken, toen we ons door de Walcherense binnenlanden richting Westkapelle begaven. Twee rosse franjepoten lokten ons naar de Noordervroon. Ze zaten meteen paraat, prachtig dichtbij op het ijs, maar gingen er al kort na onze aankomst vandoor. Waren we nou net op het nippertje geweest? Dat viel mee: even later zaten ze er weer, hoewel niet zo dichtbij als eerder. (Een klein halfuur later echter waren ze opnieuw opgevlogen en daarna zijn ze door niemand meer teruggezien. Toch betrekkelijk op het nippertje dus.)
Volgende bezienswaardigheid moesten de grote en kleine burgemeester op de zeedijk bij Westkapelle zijn. Die bleken echter (ook al) zojuist gevlogen. Gezelschap van ongeveer dezelfde mensen als die we zojuist bij de koet al hadden begroet, stond vergeefs de meeuwen af te turen. Jan van genten en drieteenmeeuwen boven zee, paarse strandlopers beneden op de dijk en toen het bericht dat kleine burgemeester anderhalve kilometer verderop was teruggevonden. Die gaf daar een fraaie show weg, het was weer genieten, totdat Toon een jaloersmakende foto appte: kortbekzeekoet schitterend dichtbij en vol in het zonnetje. Precies zoals we gehoopt hadden. Dus werd weer koers gezet naar het Veerse meer, waar we opnieuw dezelfde bekenden troffen als eerder bij Westkapelle en daarvoor hier aan het Veerse meer, heel wat mensen hadden blijkbaar dezelfde gedachte gehad en dezelfde route in hun hoofd, en waar we vanaf de westoever langs de Vrouwenpolderse duintjes kortbek precies zoals we gehoopt hadden van dichtbij en met prachtig licht in beeld kregen. Snavelstreepje nu duidelijk zichtbaar: de perfecte apotheose.
Waarna nog een halve dag Zeeuwse Delta restte. Met fraaie kuifduikers op de Oosterschelde, zwarte ruiters en zilverplevieren en meer in de Schelphoek buitendijks, lepelaars en kleine zilverreigers in de Prunje, een fraaie zeearend die met kalme slag koers zette naar het oosten, zo gewoon als-ie ook geworden is, het blijft een belevenis, en een vracht aan nieuwe jaarsoorten want het was nog altijd pas 9 januari dus veel soorten stonden vanmorgen op het toen nog omvangrijke verlanglijstje. We sloten af met de Brouwersdam, waar we naast de gebruikelijk typjes (ijseend, ijsduiker en parelduiker verdienen nog wel een aparte vermelding) deels weer diezelfde bekenden tegenkwamen als bij het Veerse meer, bij Westkapelle en opnieuw bij het Veerse meer. Ik noem geen namen, van sommigen weet ik die niet eens, maar het is ook wel een beetje een reünie, zo’n dagje kortbekzeekoet.
9 januari 2021
vrijdag 1 januari 2021
2020
Ach, 2020. Laat ik beginnen met een open deur. 2020 was een raar jaar, zeggen we elkaar na. 2020 stond voor iedereen volledig in het teken van corona. In het licht van die wereldwijde ramp en alle consequenties die die had en wellicht nog gaat krijgen, was al het andere onbeduidend, klein bier. Maar aangezien de ramp mij als druktemijder, als iemand die liever in zijn eentje in het veld is dan in de massa in de koopgoot, nauwelijks persoonlijk trof en de consequenties nog even op zich zullen laten wachten, zal ik het doen met dat klein bier.
Want mij persoonlijk heeft corona maar licht geraakt, letterlijk en figuurlijk. Wat ik toch altijd al het vaakst en het liefst deed, kon ik ook afgelopen jaar tamelijk ongestoord blijven doen. Natuurlijk had corona ook voor mij consequenties, maar ik kon in ieder geval altijd nog mijn wandelrondje maken rond het natuurgebiedje in de westelijke Gagelpolder, of op de fiets de polder in, mijn ’eigen’ polder, week in week uit, en daar de gestage voortgang van de seizoenen waarnemen, voortgang die zich door geen corona liet bedwingen. En in periodes van minder strenge lockdown kon ik ook mijn reisjes naar een paar mooie soorten nog wel maken. Naar een (van de vele) fantastische zingende struikrietzanger(s), in de Millingerwaard in dit geval. Naar een prachtige bende vale gieren bij Vlaardingen. Naar een nog lang niet onomstreden kwikstaart die me in elk geval een heerlijk dagje nostalgie in de duinen van Voorne opleverde. Of naar een paar in Spanje geringde flamingo’s in IJdoorn die door die ringen ineens elegante schoonheden waren geworden in plaats van kitscherige tuinornamenten.
Wat vogels betreft was het voor mij een wisselvallig jaar. En niet alleen vanwege corona. De lijst met gemiste soorten is bepaald indrukwekkender dan die met waargenomen soorten. Urenlang heb ik bij enkele vakantiehuisjes in de kop van Goeree vergeefs staan wachten op een goudlijster. In Den Bosch ben ik uit de trein gestapt toen steppearend bij Goes gevlogen was. En ik heb me zitten verbijten terwijl op Texel een groene fitis of op Walcheren een steppeplevier onbereikbaar waren. Maar ik wil mezelf liever niet kwellen met de herinneringen aan wat ik allemaal gemist heb, dus laat een opsomming verder achterwege. Liever herinner ik me die fraaie noordse boszanger eind september bij Katwijk, of die prachtige izabeltapuit op Texel begin oktober: binnen een week tijd twee van mijn meest gewenste niet-lifers. En als om die nobo te accentueren had ik in september ook nog een hele fraaie (en zelf herontdekte) grauwe fitis langs de Hondsbossche zeewering.
Uiteindelijk bracht de herfst ook nog twee heerlijke mega’s die alle missers deden vergeten: zwartkopzanger op Texel (eerste voor Nederland, ‘vergezeld’ van mijn mooiste vale gierzwaluwen in Nederland ooit) en vale lijster in Paesens. Zodat 2020 definitief en onafhankelijk van het oordeel over die dubieuze kwikstaart bij Rockanje, niet zonder lifers voorbij is gegaan.
En alsof de duvel ermee speelde hadden we juist in dit coronajaar, om de lockdown draaglijk te maken, ook nog heel veel leuks in de eigen regio, gemakkelijk en veilig want per fiets bereikbaar: een zwartkeellijster in Hoograven, diverse beflijsters her en der, liefst twee keer reuzensterns, een breedbekstrandloper en een gestreepte strandloper op de Hoogekampse plas, witvleugelstern bij Kortenhoef, slangenarend over de Ruigenhoekse dijk, adulte roze spreeuw bij de Haarrijnse plas en prachtige duinpiepers te Soesterberg, plus nog het een en ander dat ik ben misgelopen. Dat daarvan één van de twee gevallen van reuzensterns en de slangenarend eigen ontdekkingen waren en ik daarnaast onder andere nog zwarte wouw en engelse kwikstaart vond, droeg ook nog wat bij aan de feestvreugde dit jaar.
En dan heb ik nog niet eens de vorkstaartmeeuw aan de Friese waddenkust genoemd, of de bonapartes strandloper op Texel, de dougalls stern bij Camperduin, de draaihalzen op de Hoge Veluwe en op het Leersumse veld, twee kleine vliegenvangers, kleine klapekster, humes bladkoning, waterspreeuw en kleine geelpootruiter, onder andere. Bij deze. Ook leuk dit jaar waren enkele soorten die ik mooier zag dan ooit of minstens mooier dan sinds lang: naast wat hierboven al is genoemd buidelmezen bij Berkel en Rodenrijs, velduilen bij Bunschoten, amerikaanse smient langs de Overijsselse Vecht en siberische tjiftjaf bij Ruigenhoek.
Want mij persoonlijk heeft corona maar licht geraakt, letterlijk en figuurlijk. Wat ik toch altijd al het vaakst en het liefst deed, kon ik ook afgelopen jaar tamelijk ongestoord blijven doen. Natuurlijk had corona ook voor mij consequenties, maar ik kon in ieder geval altijd nog mijn wandelrondje maken rond het natuurgebiedje in de westelijke Gagelpolder, of op de fiets de polder in, mijn ’eigen’ polder, week in week uit, en daar de gestage voortgang van de seizoenen waarnemen, voortgang die zich door geen corona liet bedwingen. En in periodes van minder strenge lockdown kon ik ook mijn reisjes naar een paar mooie soorten nog wel maken. Naar een (van de vele) fantastische zingende struikrietzanger(s), in de Millingerwaard in dit geval. Naar een prachtige bende vale gieren bij Vlaardingen. Naar een nog lang niet onomstreden kwikstaart die me in elk geval een heerlijk dagje nostalgie in de duinen van Voorne opleverde. Of naar een paar in Spanje geringde flamingo’s in IJdoorn die door die ringen ineens elegante schoonheden waren geworden in plaats van kitscherige tuinornamenten.
Wat vogels betreft was het voor mij een wisselvallig jaar. En niet alleen vanwege corona. De lijst met gemiste soorten is bepaald indrukwekkender dan die met waargenomen soorten. Urenlang heb ik bij enkele vakantiehuisjes in de kop van Goeree vergeefs staan wachten op een goudlijster. In Den Bosch ben ik uit de trein gestapt toen steppearend bij Goes gevlogen was. En ik heb me zitten verbijten terwijl op Texel een groene fitis of op Walcheren een steppeplevier onbereikbaar waren. Maar ik wil mezelf liever niet kwellen met de herinneringen aan wat ik allemaal gemist heb, dus laat een opsomming verder achterwege. Liever herinner ik me die fraaie noordse boszanger eind september bij Katwijk, of die prachtige izabeltapuit op Texel begin oktober: binnen een week tijd twee van mijn meest gewenste niet-lifers. En als om die nobo te accentueren had ik in september ook nog een hele fraaie (en zelf herontdekte) grauwe fitis langs de Hondsbossche zeewering.
Uiteindelijk bracht de herfst ook nog twee heerlijke mega’s die alle missers deden vergeten: zwartkopzanger op Texel (eerste voor Nederland, ‘vergezeld’ van mijn mooiste vale gierzwaluwen in Nederland ooit) en vale lijster in Paesens. Zodat 2020 definitief en onafhankelijk van het oordeel over die dubieuze kwikstaart bij Rockanje, niet zonder lifers voorbij is gegaan.
En alsof de duvel ermee speelde hadden we juist in dit coronajaar, om de lockdown draaglijk te maken, ook nog heel veel leuks in de eigen regio, gemakkelijk en veilig want per fiets bereikbaar: een zwartkeellijster in Hoograven, diverse beflijsters her en der, liefst twee keer reuzensterns, een breedbekstrandloper en een gestreepte strandloper op de Hoogekampse plas, witvleugelstern bij Kortenhoef, slangenarend over de Ruigenhoekse dijk, adulte roze spreeuw bij de Haarrijnse plas en prachtige duinpiepers te Soesterberg, plus nog het een en ander dat ik ben misgelopen. Dat daarvan één van de twee gevallen van reuzensterns en de slangenarend eigen ontdekkingen waren en ik daarnaast onder andere nog zwarte wouw en engelse kwikstaart vond, droeg ook nog wat bij aan de feestvreugde dit jaar.
En dan heb ik nog niet eens de vorkstaartmeeuw aan de Friese waddenkust genoemd, of de bonapartes strandloper op Texel, de dougalls stern bij Camperduin, de draaihalzen op de Hoge Veluwe en op het Leersumse veld, twee kleine vliegenvangers, kleine klapekster, humes bladkoning, waterspreeuw en kleine geelpootruiter, onder andere. Bij deze. Ook leuk dit jaar waren enkele soorten die ik mooier zag dan ooit of minstens mooier dan sinds lang: naast wat hierboven al is genoemd buidelmezen bij Berkel en Rodenrijs, velduilen bij Bunschoten, amerikaanse smient langs de Overijsselse Vecht en siberische tjiftjaf bij Ruigenhoek.
Er was dat hele fijne weekje Zuid Limburg, met Gerendal en Eijserbeekdal, en met rode wouw, vuurvliegjes, orpheusspotvogel en geelbuikvuurpad. En de twee weken Cadzand Bad, met het Zwin naast de deur, de verdronken zwarte polder op een half uurtje fietsen en de door eeuwenlange invloed van de zee getekende Zeeuws Vlaamse binnenlanden om ons heen. Met zomertortels en graszangers en meer. En dan heb ik ook dit jaar weer enkele zorgeloze zomerdagen besteed aan leuke insectentwitches, met als hoogtepunten de gaffellibellen bij Paarlo en de sleedoornpages bij Langbroek. In al hun onbelangrijkheid hebben ze er wat mij betreft toch een fantastisch jaar van gemaakt, ondanks corona. Dus mij hoor je niet klagen over dit k*tjaar.
maandag 14 december 2020
Bosscherweg, Maastricht
Een van de leuke dingen aan twitchen is toch dat het je altijd weer op zulke interessante plekken brengt. In een bocht in de Maas ten noorden van Maastricht is, aan de westkant van de rivier, tussen enkele kunstmatige aftakkingen zo’n interessante plek ontstaan. Enkele oude waterlopen, soms uitmondend in een smalle beek; in de Maas enkele grindbanken en tussen dit alles een uitgestrekte laagte met een afwisseling van ruige vegetaties, drassige stukken en ondiepe plasjes. Die nattigheid had, naast onder andere een paar handen vol zilverreigers en in de winter minder gangbare types als oeverloper en witgat, een kleine geelpootruiter ertoe verleid er een weekje of langer de winter door te brengen. Hoe lang, dat moet nog blijken, de winter duurt nog even en de vogel zal de weg terug naar huis niet zo heel gemakkelijk kunnen vinden. Dat huis bevindt zich in zijn geval namelijk ergens aan de overkant van de oceaan, in Canada of de Verenigde Staten. Wat automatisch betekent dat we hier met een zeldzaamheid van doen hebben waar menig vogelaar wel een dagje en een reisje aan wil besteden. De vogel, een fraai rank ruitertje die met zijn felgele poten zijn naam alle eer aan doet, zat waar-ie al een week zit en was dus gauw gevonden. Eerst aan deze kant van het plasje, dicht onder de dijk en daardoor geweldig zichtbaar. Later, na een bedrijvige wandeling door de drassige overgangszone tussen plas en ruigtevegetatie, wat verder weg langs de tegenoverliggende oever. De als immer aanwezige fotografen waren daar niet zo blij mee maar voor iemand die er genoeg aan heeft de vogel te observeren, was het prima zo.
Na geruime tijd aan dit prachtvogeltje besteed te hebben, onderwierp ik het gebied zelf aan een nadere inspectie. Ik belandde aan de overkant van de laagte, op een dijkje langs de Maas. Kribbig kreupelhout, karige boompjes en in de rivier een monumentale oude stuw. Het was een bijna on-Nederlandse plek waar het water via een rivierbrede opeenvolging van watervallen tussen enkele torens van kasteelachtige allure enkele meters omlaag denderde. Het geraas dat dat teweegbracht ontnam de plek de stilte die haar zo goed zou passen. Blijkbaar moest het maaswater een hoogteverschil overwinnen dat het niet geacht werd op eigen kracht te kunnen. Dat had ik ook kunnen constateren aan de kant waar ik zojuist een kleine geelpootruiter had staan bekijken. Daar mondde een gegraven aftakking, een kalme watergang langs rechte, betonnen kades en bedaarde woonboten, ineens uit in een wilde, bergachtige stroomversnelling waarna het water zijn weg vervolgde als een smal soort bergbeek. Het zag er allemaal prachtig uit maar bevaarbaar lijkt de rivier hier bepaald niet. Hier noch in de hoofdstroom aan de overkant. Men heeft dan ook, leert een blik op Google Maps, een aftakking gegraven, het Julianakanaal, dat in grote lijnen de koers van de Maas volgt maar zich pas voorbij Roermond weer bij de moederrivier voegt. Een knap staaltje watermanagement, waar een klein land … Het zal daar wel niet om te doen zijn geweest maar het heeft wel tot gevolg dat de natuur hier gevrijwaard blijft van scheepvaart en de industrialisatie die daarmee gepaard gaat en dat zich een wildernis als deze vrij heeft kunnen ontwikkelen. Met zilverreigers, met zaagbekken en brilduikers zoals ik die aantrof bij de grindbanken in de rivier, met ijsvogels en voor zolang als het duurt zelfs met een zeldzame kleine geelpootruiter.
Na geruime tijd aan dit prachtvogeltje besteed te hebben, onderwierp ik het gebied zelf aan een nadere inspectie. Ik belandde aan de overkant van de laagte, op een dijkje langs de Maas. Kribbig kreupelhout, karige boompjes en in de rivier een monumentale oude stuw. Het was een bijna on-Nederlandse plek waar het water via een rivierbrede opeenvolging van watervallen tussen enkele torens van kasteelachtige allure enkele meters omlaag denderde. Het geraas dat dat teweegbracht ontnam de plek de stilte die haar zo goed zou passen. Blijkbaar moest het maaswater een hoogteverschil overwinnen dat het niet geacht werd op eigen kracht te kunnen. Dat had ik ook kunnen constateren aan de kant waar ik zojuist een kleine geelpootruiter had staan bekijken. Daar mondde een gegraven aftakking, een kalme watergang langs rechte, betonnen kades en bedaarde woonboten, ineens uit in een wilde, bergachtige stroomversnelling waarna het water zijn weg vervolgde als een smal soort bergbeek. Het zag er allemaal prachtig uit maar bevaarbaar lijkt de rivier hier bepaald niet. Hier noch in de hoofdstroom aan de overkant. Men heeft dan ook, leert een blik op Google Maps, een aftakking gegraven, het Julianakanaal, dat in grote lijnen de koers van de Maas volgt maar zich pas voorbij Roermond weer bij de moederrivier voegt. Een knap staaltje watermanagement, waar een klein land … Het zal daar wel niet om te doen zijn geweest maar het heeft wel tot gevolg dat de natuur hier gevrijwaard blijft van scheepvaart en de industrialisatie die daarmee gepaard gaat en dat zich een wildernis als deze vrij heeft kunnen ontwikkelen. Met zilverreigers, met zaagbekken en brilduikers zoals ik die aantrof bij de grindbanken in de rivier, met ijsvogels en voor zolang als het duurt zelfs met een zeldzame kleine geelpootruiter.
woensdag 2 december 2020
Parkstad Arnhem
Het was weer een fijn weekend, als we dat begrip even ruim nemen. Vrijdag is mijn traditionele vrije dag en geldt dus voor mij als de eerste dag van mijn weekend. Deze vrijdag was ik naar Geldermalsen voor een mooie humes bladkoning, niet meer zo exclusief als vroeger maar nog altijd een hele goeie soort. Kan dat zomaar, in deze coronatijden? Ja, dat kan zomaar. Stille treinen, een mooi verlept parkje waar we gemakkelijk de ruimte konden nemen terwijl we naar het vogeltje stonden te loeren dat af en toe half verscholen tussen de takjes en de blaadjes scharrelde maar zich af en toe ineens open en bloot vertoonde, en sowieso zijn er nog geen gevallen bekend van vogelaars die tijdens het uitoefenen van hun hobby corona opliepen.
Vandaag in een wederom tamelijk rustige trein naar Arnhem gereisd om daar parken en landgoederen in en rond de stad te gaan bezichtigen. Een keten van parken, het een nog fraaier dan het ander, doorkruist de stad en voert je als vanzelf naar de omliggende landgoederen. Glooiende velden, steile bosranden waaraan hier en daar nog de laatste restanten herfst hangen, waterlopen die keer op keer via stenige stroomversnellingen de hoogteverschillen overwinnen, af en toe waan je je midden in de stad midden op het platteland en je vraagt je weleens af waar al die ruim 150 duizend inwoners die Wikipedia in 2015 telde, allemaal wonen.
Ik begon, waar anders, in Sonsbeek. Een oude watermolen, een smalle waterloop met stenen oevers, een nieuwere watermolen, een kunstmatige waterval met stenige plateaus waar het water overheen vloeit en daarnaast de glooiende velden en de steile bosranden zoals hierboven al genoemd. Later bevond ik me in de kasteeltuin van kasteel Rosendael, zelf een fraai landhuis omringd door een tuinencomplex met waterpartijen, stroompjes en nog meer stenige stroomversnellingen. Terug in Arnhem bezocht ik Angerenstein, ook al zo’n fraai landschapspark met velden, bosranden en waterpartijen.
Gisteren ontmoette ik aan de Hoogekampse plas een man die nogal wat te klagen had, vond hij. Nederland, vertelde hij, daar had hij toch zo genoeg van. Die natuur hier, dat is toch helemaal geen natuur? Allemaal aangelegd, allemaal van menselijke makelij. Nee, dan Afrika. Toen-ie er even later, ik dacht al dat ik van ‘m af was, toch weer op terugkwam, was Afrika Noorwegen geworden. Daar had je pas natuur! Waarop ik hem adviseerde dan maar te vertrekken en op te houden met zaniken. Dat zou-ie graag doen, als ik pakweg honderdduizend euro voor hem had. Die had ik niet.
Ik moest daar weer aan denken in die parken van Arnhem. Allemaal aangelegd, allemaal van menselijke makelij. Maar wat zou dat? Ze zijn er niet minder fraai om. En al zou dat geen natuur mogen heten (mij een biet, eerlijk gezegd), op de Hoogekampse plas zaten op de door de mens aangelegde eilandjes tientallen kieviten. En in de Arnhemse parken en landgoederen huist naar verluidt al enige tijd een waterspreeuw. Die mogen we toch wel natuur noemen, mag ik hopen?
Al die door de mens ontworpen en aangelegde landschapjes waarvan je je als je wilt inderdaad kunt afvragen of je ze natuur mag noemen, vormen een voedingsbodem voor wat echt wel echte natuur is, natuur die opportunistisch is en zich overal vestigt waar hem de gelegenheid wordt geboden.
Eerlijkheid gebiedt me toe te geven dat ik natuurlijk niet louter voor die parken en landgoederen naar Arnhem was gegaan, maar wel degelijk voor die waterspreeuw. Mooie soort, alweer een paar jaar niet gezien, ja, die lustte ik nog wel, zo op het eind van het jaar. Maar dat viel nog helemaal niet mee. Al die waterloopjes, al die stroomversnellingen, al die watervalletjes, allemaal zeer geschikt voor een waterspreeuw. Maar daar was er maar één van, dus bij verreweg de meeste van die waterloopjes, stroomversnellingen en watervalletjes zat er geen. Ik begon in Sonsbeek, waar-ie vooral bij die waterval geregeld gezien was. Vanochtend niet. Bij de waterpartijen van Rosendael hadden gisteren nog velen van zijn aanwezigheid kunnen genieten. Vandaag geen spoor. En ook in Angerenstein was-ie de afgelopen week gemeld. Maar niet vandaag. Terug naar Sonsbeek, terug naar de waterval. Het was er druk met zondagse wandelaars. Te druk voor waterspreeuw, veronderstelde ik: nog steeds geen spoor. Dat werd weer eens een jammerlijk dipje. Terug langs de waterloop en langs de nieuwere watermolen, en ineens een vogel die in snelle vlucht laag over het water langs me heen vliegt. Daarna voor me een vogel op de stenen oever die telkens een beetje door de knietjes zakte. Verrekijker erop: waterspreeuw! Prachtig en uiteindelijk ook erg dichtbij, en later nogmaals bij de oude watermolen waar ik vanmorgen mijn zoektocht begonnen was: een heerlijk besluit van een sowieso al heerlijke dag.
29 november 2020
Meer urban birding: Een geweldig weekend
Vandaag in een wederom tamelijk rustige trein naar Arnhem gereisd om daar parken en landgoederen in en rond de stad te gaan bezichtigen. Een keten van parken, het een nog fraaier dan het ander, doorkruist de stad en voert je als vanzelf naar de omliggende landgoederen. Glooiende velden, steile bosranden waaraan hier en daar nog de laatste restanten herfst hangen, waterlopen die keer op keer via stenige stroomversnellingen de hoogteverschillen overwinnen, af en toe waan je je midden in de stad midden op het platteland en je vraagt je weleens af waar al die ruim 150 duizend inwoners die Wikipedia in 2015 telde, allemaal wonen.
Ik begon, waar anders, in Sonsbeek. Een oude watermolen, een smalle waterloop met stenen oevers, een nieuwere watermolen, een kunstmatige waterval met stenige plateaus waar het water overheen vloeit en daarnaast de glooiende velden en de steile bosranden zoals hierboven al genoemd. Later bevond ik me in de kasteeltuin van kasteel Rosendael, zelf een fraai landhuis omringd door een tuinencomplex met waterpartijen, stroompjes en nog meer stenige stroomversnellingen. Terug in Arnhem bezocht ik Angerenstein, ook al zo’n fraai landschapspark met velden, bosranden en waterpartijen.
Gisteren ontmoette ik aan de Hoogekampse plas een man die nogal wat te klagen had, vond hij. Nederland, vertelde hij, daar had hij toch zo genoeg van. Die natuur hier, dat is toch helemaal geen natuur? Allemaal aangelegd, allemaal van menselijke makelij. Nee, dan Afrika. Toen-ie er even later, ik dacht al dat ik van ‘m af was, toch weer op terugkwam, was Afrika Noorwegen geworden. Daar had je pas natuur! Waarop ik hem adviseerde dan maar te vertrekken en op te houden met zaniken. Dat zou-ie graag doen, als ik pakweg honderdduizend euro voor hem had. Die had ik niet.
Ik moest daar weer aan denken in die parken van Arnhem. Allemaal aangelegd, allemaal van menselijke makelij. Maar wat zou dat? Ze zijn er niet minder fraai om. En al zou dat geen natuur mogen heten (mij een biet, eerlijk gezegd), op de Hoogekampse plas zaten op de door de mens aangelegde eilandjes tientallen kieviten. En in de Arnhemse parken en landgoederen huist naar verluidt al enige tijd een waterspreeuw. Die mogen we toch wel natuur noemen, mag ik hopen?
Al die door de mens ontworpen en aangelegde landschapjes waarvan je je als je wilt inderdaad kunt afvragen of je ze natuur mag noemen, vormen een voedingsbodem voor wat echt wel echte natuur is, natuur die opportunistisch is en zich overal vestigt waar hem de gelegenheid wordt geboden.
Eerlijkheid gebiedt me toe te geven dat ik natuurlijk niet louter voor die parken en landgoederen naar Arnhem was gegaan, maar wel degelijk voor die waterspreeuw. Mooie soort, alweer een paar jaar niet gezien, ja, die lustte ik nog wel, zo op het eind van het jaar. Maar dat viel nog helemaal niet mee. Al die waterloopjes, al die stroomversnellingen, al die watervalletjes, allemaal zeer geschikt voor een waterspreeuw. Maar daar was er maar één van, dus bij verreweg de meeste van die waterloopjes, stroomversnellingen en watervalletjes zat er geen. Ik begon in Sonsbeek, waar-ie vooral bij die waterval geregeld gezien was. Vanochtend niet. Bij de waterpartijen van Rosendael hadden gisteren nog velen van zijn aanwezigheid kunnen genieten. Vandaag geen spoor. En ook in Angerenstein was-ie de afgelopen week gemeld. Maar niet vandaag. Terug naar Sonsbeek, terug naar de waterval. Het was er druk met zondagse wandelaars. Te druk voor waterspreeuw, veronderstelde ik: nog steeds geen spoor. Dat werd weer eens een jammerlijk dipje. Terug langs de waterloop en langs de nieuwere watermolen, en ineens een vogel die in snelle vlucht laag over het water langs me heen vliegt. Daarna voor me een vogel op de stenen oever die telkens een beetje door de knietjes zakte. Verrekijker erop: waterspreeuw! Prachtig en uiteindelijk ook erg dichtbij, en later nogmaals bij de oude watermolen waar ik vanmorgen mijn zoektocht begonnen was: een heerlijk besluit van een sowieso al heerlijke dag.
29 november 2020
Meer urban birding: Een geweldig weekend
Abonneren op:
Posts (Atom)























