vrijdag 11 juni 2021

Zuidlaardermeer

Ik ging natuurlijk 180 graden de verkeerde kant op vandaag. In het zuidwesten moest je zijn: daar zou de zon gaan schijnen en de temperatuur zomerse waarden bereiken. In het noordoosten zou het grijs blijven, guur en mogelijk af en toe zelfs wat miezerig. Maar ja, ik wilde de sterntjes van het Zuidlaardermeer. Dus fietste ik door de grijze lente van Groningen door lichte miezervlagen en wenste af en toe dat ik mijn handschoenen, in een vlaag van optimisme of onachtzaamheid thuis gelaten, bij me had gehad. Maar ik wilde de sterntjes van het Zuidlaardermeer en ik kreeg de sterntjes van het Zuidlaardermeer. Ik fietste nog maar over de Osdijk de Oostpolder in en ik had mijn eerste witwangsterns al binnen. Twee van deze fraaie sterntjes foerageerden boven de hier nog heel gewoontjes ogende sloten tussen de hier nog heel gewoontjes ogende weilandpercelen. Maar gewoontjes oogden de sterntjes bepaald niet: buiten het Zuidlaardermeer en wijde omgeving is het in Nederland hard zoeken naar dit type dat zich met zijn witte wangen en opvallend lichtgrijze vleugels onderscheidt van de veel gewonere zwarte stern.
Verderop, waar het natter is, waar plassen zijn en rietvelden en drassige vegetatie, waar snor zingt en rietzanger en waar de zwarte sterns soms met tientallen boven die drassige vegetatie foerageren, daar vond ik die andere zeldzame moerasstern: witvleugelstern. Gek genoeg checkte ik zorgvuldig alle zwarte sterns die in beeld kwamen, alsof ik bang was dat ik anders witvleugel over het hoofd zou zien, terwijl je die als je hem ziet helemaal niet missen kunt. Die knalt er echt uit, met zijn witte vleugels, zwarte rug en witte stuit en staart. En van onder natuurlijk de inktzwarte vleugeldekveren. Een bonte verschijning die je niet gemakkelijk over het hoofd ziet tussen de veel egaler grijs-zwarte zwarte sterns, en bovenal natuurlijk (ook al) een prachtige vogel. Twee vlogen er af en toe boven de vegetatie rond. Of die samen een paartje zijn of ieder een half paartje is mij niet bekend, maar het is verheugend dat ze er weer zijn dit jaar, want dat is niet elk jaar het geval.
Verheugend zijn hier ook de nog steeds heel behoorlijke aantallen tureluurs en grutto’s die nog fanatiek (zo leek het in elk geval) hun kroost, verborgen in het nog hoge gras, verdedigden. Ik vond één kemphaan, een man in vol ornaat. En ook hier witwangsterns: twee zaten er stilletjes op een droog open plekje en gingen na enige tijd weer boven het gebied foerageren. Een steltkluut, ook al zo’n mooie soort, vloog fel achter een passerende kraai aan, zijn ontstellend lange poten achter zich aan slepend. Even later vond ik hem terug in een plasdrasje vlak langs het fietspad.
Een andere mooie soort hier is de geoorde fuut. Die vond ik vooral aan de andere kant van de Osdijk, waar de wateren zich uitstrekken tot in de Onnerpolder verderop. Diverse paartjes met jongen zwommen daar rond, sommige tot vlak onder het dijkje, dicht genoeg bij om ook de rode ogen te kunnen zien, waarover Koos van Zomeren ooit schreef: ‘Volgens Peter was dat trouwens net teveel van het goede. ‘Als ik de schepper was’, had hij gezegd, ‘had ik dat maar weggelaten’.’ Ik geloof niet dat ik het met ze eens ben.
Dit alles om maar te illustreren wat een paradijsje het Zuidlaardermeer en zijn ommelanden toch is.

Ten noorden van de Oostpolder ligt de Onnerpolder. Ook daar uitgestrekte plasdras en ook daar witwangsterns. Af en toe vliegen ze vlak langs je heen en vanaf de uitkijkbunker midden in de polder heb je zicht op een kleine kolonie in de naastgelegen Westerbroekstermadepolder, aan de overkant van het Drentsche Diep. De nesten zag ik niet, maar je zag er wel de sterns rondvliegen en af en toe neerstrijken in of opvliegen uit de vegetatie. Verder ook hier geoorde futen en hier ook diverse zomertalingen. Onder meer. Witvleugelsterns zijn er hier dan weer niet. Die zijn toch nog ietsje exclusiever dan de witwangen.

Van de gehoopte opklaringen in de middag kwam niets terecht. Het was en bleef fris en uit het noordwesten naderden telkens opnieuw de net wat donkerder grijze wolkenpartijen die nieuwe miezer aankondigden. Ik besloot het hier maar bij te laten en in de rechtst mogelijke lijn terug te keren naar Haren. Het was mooi geweest, in alle opzichten.

6 juni 2021

dinsdag 8 juni 2021

Twitchdriedaagse

Wij vogelaars zijn een gezegend menstype. Kunnen onbedaarlijk gelukkig worden van zoiets eenvoudigs als een vaal grijsgroen vogeltje dat de hele godganse dag wietwietwietwietwiet roept. Of van een uiltje dat de hele nacht lang de buurt wakker houdt met fluittonen die bij de omwonenden de vraag opriepen wie toch de hele nacht lang zijn autoalarm liet afgaan. Kon die niet een keertje zijn bed uit om het effe uit te zetten? Een klein, rossig gekleurd minireigertje in een rietrand krijgt het ook voor elkaar: in een staat van algehele euforie keren we huiswaarts.
Ik had net een fijne vijfdaagse in Drenthe achter de rug, met veel regen maar tussendoor ook net voldoende zon en veel bos en hei en veen tussen de buien door, heel prettig allemaal maar intussen waren er elders in het land wel een paar hele goeie soorten neergestreken dus ik voelde me na thuiskomst gedwongen tot een daverende twitchdriedaagse om een en ander in te halen. Dat begon met een mooie lenteavond bij Bussum. Daar had zich, in het Gijzenveen dat overigens officieel aan Hilversum toebehoort, sinds enkele dagen een ralreiger genesteld, zeer aantrekkelijke zeldzaamheid uit Zuid Europa. Een mooie plas met venige oeverlanden en rietoevers. Bij aankomst was het reigertje uit beeld, zodat we aandacht konden besteden aan de ronduit spectaculaire vegetatie in de venige oeverlanden voor ons. Daar bloeide niet alleen het zeldzame moeraskartelblad, maar ook het naar mijn gevoel nog veel zeldzamere heidekartelblad. Al kan dat gevoel van mij best veroorzaakt zijn door het gegeven dat ik in mijn omgeving diverse plekken ken waar moeraskartelblad groeit terwijl heidekartelblad vooral een plant is van de hogere veengronden in het oosten des lands, ver buiten mijn dagelijkse actieradius. Voor mij was het in elk geval alweer jaren geleden dat ik nog heidekartelblad gevonden had. Een mooie bonus of een troostprijs? Dat was aanvankelijk nog even de vraag maar het werd een bonus: ralreiger kwam aan de overkant uit het riet gestapt en liet zich door ons uitvoerig bezichtigen. Een mooie vogel, subtiel rossig gekleurd en met mooie sierveren aan kop en hals. Deel een van de driedaagse was alvast geslaagd.

Deel twee volgde vrijdagavond. In Delft bivakkeert sinds enkele dagen een dwergooruil, zeer zeldzame gast uit het middellandse zeegebied met in Nederland nog maar 12 eerdere aanvaarde gevallen. Een motje dus. Het was weer zo’n typisch gewone-mensen-buitenwijkgevalletje: een plantsoentje, een pleintje met speeltoestellen, hoge bomen, om ons heen hedendaagse doorzonwoningen met aangeharkte tuintjes en af en toe verbaasd toekijkende dan wel belangstellend informerende omwonenden. We waren vroeg aanwezig dus ik dacht, dat wordt wachten, maar we waren er nog maar net of hij begon in de verte al te roepen. Enig speurwerk, wat lastig was want het was tussen de huizen moeilijk om de herkomst van het geluid te bepalen maar uiteindelijk stonden we langs een watergang in een boom aan de overkant te turen, waar we de vogel tussen het wat minder dichte gebladerte zagen zitten: een klein, compact uiltje met rudimentaire oortjes dat daar enige tijd druk op en neer zat te bewegen. Later vonden we hem dieper in de wijk terug. Te zien was-ie niet meer, in de steeds latere schemer en het daar veel dichter gebladerte, maar te horen was-ie des te beter. Hij zat veelvuldig te roepen en toen we weer vertrokken was-ie daar nog lang niet klaar mee.

Soms kiezen de vogels jou, als het ware, dan laten ze in feite geen keus, dan moet je wel. Zoals die dwergooruil. Eigenlijk kies ik liever zelf de soortjes uit die ik mee wil pikken. Vaak genoeg gaan overigens beide samen. Zoals die bergfluiter op de Veluwe: prachtige soort en die had ik in Nederland alweer jaren niet meer gezien. Bovendien was dit, naar het scheen, een onberispelijke bergfluiter, eentje zonder de gebreken, zonder de onregelmatigheden die we de laatste jaren nogal eens zien bij bergfluiters in Nederland en die mogelijk wijzen op een hybride al is daar het laatste woord nog niet over gesproken. Een raar verschijnsel, vroeger zagen we dat volgens mij zelden of nooit, maar misschien keken we toen niet goed genoeg. Hoe dan ook, deze niet. Deze zong als een bergfluiter en zag eruit als een bergfluiter: een bleek phyllootje met karige koptekening, opvallend witte onderzijde, korte handpennen en van boven meer grijs dan geelgroen, met alleen geelgroene tinten op stuit en op tertials. Uit het boekje dus, hier gaan we geen hybride van maken.
Het was zeventien kilometer fietsen vanaf Apeldoorn, maar dan heb je ook wat. Meteen bij aankomst liet de vogel al van zich horen. Hij zong vrijwel permanent, continu en aanhoudend en hield daar niet mee op voordat ik vertrokken was. En vermoedelijk ook daarna niet. Wat verder weg zong ook een fluiter, zodat je goed kon vergelijken. Een fluiter die zijn eerste, wat slomere tonen weglaat, kan best verwarrend zijn maar het trillertje van bergfluiter is korter, ietsje trager en klinkt helderder en afgeronder dan dat van fluiter. Daarbij liet hij zich geregeld prachtig zien. En dat maakte drie uit drie. Waarna ik natuurlijk nog even een rondje maakte over bos en hei. Zandverstuivingen, heidebulten, eenzame vliegdennen, vergroeide bosranden, alles tezamen zo’n typisch stukje Veluwe dat eruit ziet zoals je aanneemt dat het er honderd jaar geleden ook al uitzag. Boompiepers, veldleeuweriken, gekraagde roodstaart, bonte vliegenvanger en toen ineens een heel ander roepje. Een zacht, abrupt, rollend pruut, zoals de ANWB-gids dat zo treffend omschrijft. Ik zoek de lucht af en dan vind ik hem: bijeneter over de bosrand naar oost. Dat mag je nog eens een bonus noemen, menig bankdirecteur zou er jaloers op zijn.

29 mei 2021






zondag 6 juni 2021

Thyencamp

Op de camping in misschien wel de natste week in misschien wel het natste voorjaar sinds mensenheugenis. Goed, we zitten in een trekkershut, dat scheelt natuurlijk, en bovendien op Thyencamp, de paradijselijke camping van Loes en Ronald midden in de Drentse binnenlanden, maar ook hier is regen nat, ook hier zijn de grasvelden plaatselijk verzopen en getransformeerd tot moddervlaktes en ook hier haasten we ons van tijd tot tijd door de regen naar het WC-gebouw. Ja, we hadden het beter kunnen treffen. Maar ach, het is wat het is, zoals een bekende Amerikaanse ex-president zou zeggen. Regen, een bui, een beetje zon, af en toe droog, soms zelfs langdurig, dan weer regen. Het was al aangekondigd en zo is het al zowat de hele lente, en zo is het nu dus ook. Gemiddeld veel wind maar niet altijd. Gemiddeld behoorlijk fris maar niet altijd. Er valt mee te leven en het heeft niet kunnen verhinderen dat het iedere dag gelukt is om iets moois mee te maken.
Zo was er die ene in weerwil van alle sombere prognoses stralende ochtend: helder en vrijwel windstil. Ik dacht, pakken wat je pakken kan dus rond 5 uur opgestaan en om 6 uur vertrokken richting Fochteloërveen. Om 8 uur stond ik aan het Kolonieveld te luisteren naar twee fanatiek baltsroepende draaihalzen, met backing vocals van wielewaal en in de verte kraanvogels, terwijl over de bosrand een zeearend vloog! Zeearend en kraanvogels: het leek Estland wel. En het werd nog mooier: enige tijd later vond ik na lang zoeken draaihals luid roepend boven in een eik langs het pad. Ik pak de telescoop met het idee: die is vast gevlogen wanneer die klaarstaat, maar nee: beeldvullend in de scoop! En ik had nog zowat een hele dag te gaan! Een hele dag met kraanvogels (vooral gehoord, meest van ver maar het blijft een zinnenprikkelend geluid), met paapjes (ook heel mooi zingend, zo anders, zo veel klankrijker en melancholischer dan neef roodborsttapuit), met Fluiter, lavendelhei, geelgorzen, alles onder een komen en gaan van buienluchten die aanvankelijk niets aan nattigheid nalieten. Later wel maar ach ...
Als dit het enige hoogtepunt van onze Drentse vijfdaagse was geweest, was ik daar volmaakt tevreden mee. Maar dat was het niet. Zo fietsten we al op onze eerste middag tussen de buien door het Hijkerveld op. De licht glooiende heidevelden en de ondiepe plasjes ingeklemd tussen meest verre en soms ineens nabije bosranden, ze lagen er nog precies zo als we ze vijf jaar geleden hadden achtergelaten, leek het. Boompiepers, graspiepers, veldleeuweriken, een raaf. Daarna Diependal: toen we na de lange tunnel uit de grond in de hut midden tussen de plassen opdoken, vonden we bijna meteen roodhalsfuut, doelsoort van deze locatie. Twee zelfs, twee fraaie adult zomer roodhalsfuten in een nabije plas, die zijn samen genoeg om een week lang gelukkig te zijn. Ook wilde zwaan was aanwezig: al jaren lang een bekend geval maar het blijft eind mei een spectaculaire soort.

Ja, ondanks alle meteorologisch onheil lukte het ons elke dag om iets mee te maken dat we ons zullen herinneren. Maandag: prachtige luchten, felle buien, vage miezer en in de ochtend naar Westerbork waar ook af en toe de zon scheen. Mooie, indrukwekkende plek vol van tragische verhalen, nou ja, is bekend natuurlijk maar toch. Op de achtergrond de radiotelescopen van de radiosterrenwacht. Het merkwaardige contrast daar is al eerder opgemerkt. Er riep ook nog een draaihals.
Aan het eind van de middag maakten we nog een korte maar erg mooie eind-van-de-middagwandeling. Vlak achter de camping het land in langs zware eikenlanen, langs een mooi ondergelopen stuk land waarboven volop zwaluwen foerageerden, en langs prachtige, golvende hooilanden omzoomd door frisgroene struwelen. Zware luchten als de toorn gods, geregeld regen maar af en toe ineens effe zon, en zingende wielewaal om het helemaal af te maken. Op zo'n volmaakt zonovergoten lenteweekend zoals we ons dat vooraf hadden voorgesteld, maak je zoiets niet mee.
En in de avond in de schemer met Ronald onder toeziend oog van de bui die de thuisblijvers getroffen had, op het Groote Zand gestaan. Ver weg nachtzwaluwen plus een overvliegend, en boven ons baltsende houtsnip.

Ook al toonde buienradar ons soms urenlang vervaarlijke berglandschappen, telkens werd het toch weer droog, of op zijn minst bijna droog en ach, dan ga je, ingepakt in regenkleding, gewoon naar buiten en dan gaat op een zeker moment toch weer de zon schijnen. Zo was het bijvoorbeeld toen we dwaalden over het militair oefenterrein De Haar. Prachtig is het daar, met hooilanden, bosschages, ruigtevelden en fraaie eikenlaantjes van voordat het hier militair oefenterrein was, wat kunnen militaire oefenterreinen toch mooi zijn, die militairen boffen maar. Waarna het natuurlijk ook gewoon weer ging regenen.
In de loop van de middag werd het droger en kregen we een mild weertype met wat lichte buitjes en tussendoor flink wat zon. Een traktatie! Besteed aan een tochtje over het Hijkerveld, langs de schaapskooi en tot aan de grafheuvels. Mooi, afwisselend landschapje van bos, halfopen landjes en af en toe een vennetje. Langs vliegende kleine bonte specht, dodaarzen en tenslotte Diependal met roodhalsfuut en wilde zwaan. Toen het weer verkilde en er nieuwe forse buien vielen, zaten we veilig binnen.

Op onze laatste ochtend kregen we zon. Ook een enkele bui maar daarna toch weer zon, het was tot besluit het beste weer van onze vijfdaagse, jammer dat we vanmiddag alweer zouden vertrekken. Vroeg op de fiets voor een tochtje langs dat andere militaire oefenterrein in de nabijheid: het Witterveld. Ook al zo fraai: heidevelden, hooilanden, boomlanen, bosranden, zingende boompiepers, geelgorzen enzovoort. En daarna, na ontbijt en regenpauze, naar de andere kant van Hooghalen: het Groote zand en omgeving. Daar ontdekte ik mijn ‘eigen’ draaihals: fanatiek roepend en ook af en toe aardig in beeld. Hij was natuurlijk al bekend maar daar wist ik niets van. Dat is typisch een dingetje van deze tijd: je kunt wel denken iets nieuws ontdekt te hebben, maar meestal was iemand je al voor. Dat was vroeger waarschijnlijk ook wel zo, maar toen werd dat niet voor eeuwig vastgelegd op het wereldwijde web. Ook nog een zwarte specht over en heel even weer die verzengende zang van wielewaal. Het was een waardige afsluiting.

26 mei 2021















zaterdag 5 juni 2021

Vergeten herinnering

Een man, zo gaat het verhaal, een man van middelbare leeftijd inmiddels, stond om 5 uur in de ochtend op, nam om drie minuten over 6 de eerste trein richting Middelburg, stapte om half 9 in Middelburg op de fiets en fietste naar Westkapelle. Ja, heel veel meer dan dit heeft het verhaal niet om het lijf hoor, maar de man ging dus vroeg op pad. Opdat hij in godsnaam maar niet te laat zou zijn. Een grijze lucht en buien die naderden uit het westen. Hij schuilde onder een nog net niet helemaal waterdichte haag langs de weg. Onder een luifel van de kerk van de gereformeerde gemeente te Aagtekerke. En in een houten hok met naast de vuilniscontainer nog net plek voor iemand die wilde schuilen voor de regen. Toen het bijna weer droog was, vervolgde hij zijn weg naar Westkapelle. Het klaarde op en in Westkapelle scheen warempel zelfs de zon. Aan het weer zou het niet liggen vandaag. En boven de Noordervroon, de vermaarde plasjes achter de zeedijk even buiten Westkapelle die in het verleden al zoveel zeldzaamheden had afgeleverd, zwermden met tientallen de gierzwaluwen en met nog eens tientallen de witte stuiten. Gecombineerd heb je dan feitelijk tientallen huisgierzwaluwen, nietwaar? Maar nergens verenigde gierzwaluw zich met witte stuit: de witte stuiten behoorden allemaal aan huiszwaluwen toe en de echte huisgierzwaluw, de zo vurig gewenste huisgierzwaluw was nergens te bekennen. De hele ochtend al niet: de man was in ieder geval op deze dag niet te laat gekomen. En ook de uren daarna niet: hij was een hele dag te laat gekomen. De man fietste om het gebied heen, stond enige tijd op de zeedijk en keerde terug langs het weggetje dat dwars tussen de plasjes door getrokken was en waar de meeste van zijn metgezellen inmiddels gedesillusioneerd vertrokken waren. Gierzwaluwen genoeg, en huiszwaluwen ook maar geen enkele keer die ene. Dat wordt nog vele jaren wachten op een herkansing, veronderstelde de man.
Boze tongen beweren overigens dat ik die man was, maar zelf heb ik daar geen actieve herinnering aan.

20 mei 2021


Meer dips: Noordbroek

vrijdag 21 mei 2021

De Utrechtse honderd soortendag

De Utrechtse Big Day. Sommigen vinden het helemaal niks en ik heb ook wel mijn bedenkingen hoor. De hele dag jakkeren over snelwegen en landweggetjes, snellen van de ene locatie naar de andere om maar zoveel mogelijk soorten bij elkaar te sparen, geen tijd om ervan te genieten want je moet verder, nog zoveel soorten te gaan, je zou er neurotisch van worden. En wat moet het klimaat daar wel niet van denken? Nou was het wel een Utrechtse Big Day, zeg ik ter verdediging: wat betreft het klimaat valt het mee want zo groot waren de afgelegde afstanden niet. Maar er zijn natuurlijk honderd zinvollere dingen om je mee bezig te houden dan te proberen op één dag honderd soorten vogels te zien. Tegelijkertijd roept dat ook weer honderd vragen op. Wat is zinvol en waarom dan? Wat is zinvoller? En waarom zou een mens altijd maar zinvol bezig moeten zijn? Is dit niet folklore? Cultureel erfgoed? Onthaasting? Nou ja, onthaasting ... Genoeg! We gingen dit gewoon doen.

Het doel voor vandaag was dus helder: 100 soorten. Een beetje Big Day-er bereidt zo’n dag terdege voor. Maakt een plan, kijkt vooraf wat er waar te halen valt, stelt een degelijk targetlijst samen met locaties en back-uplocaties en weet dan bij voorbaat al waarop-ie uitkomt als niet alles tegenzit. En gaat om uiterlijk 5 uur in de ochtend op weg. Wij niet. Wij begonnen om 8 uur. Nee, we zouden vast niet winnen en daar gingen we ook niet ons best voor doen. Ik had wel al een beetje gekeken waar het leuk was en had een plannetje gemaakt voor de eerste uren. Dus stonden we om kwart voor negen aan het Valleikanaal op de grens van Utrecht en Gelderland uit te kijken over Het Binnenveld, tussen Wageningen en Veenendaal. Het was rustig hoewel nog fris lenteweer met af en toe een aarzelend zonnetje dat over de hooilanden streek die deze bijna windstille ochtend vrijwel roerloos waren. De echte vroegte was er wel vanaf maar toch, ideale omstandigheden. Hoofddoelsoort hier was kwartel en die riep aanhoudend en fanatiek vanuit het hooiland. Een fijne soort, Big Day of geen Big Day. Verder jodelden er wulpen, joegen de grutto’s elkaar na en zongen kleine karekiet en blauwborst in de oevers van het kanaal. Dan tellen die 100 soorten die je te gaan hebt natuurlijk helemaal niet. Het was gewoon een mooi moment. Kleine plevieren en bergeenden in plasdras aan de overkant zaten eigenlijk in Gelderland en moesten nog een keer over maar een zwarte stern vloog netjes Utrecht in. We kwamen uit op 33 soorten en los daarvan was het een zeer plezierig eerste uur.

We vervolgden onze dag bij Elst. Eerst aan de Elster Buitenwaard, uitgestrekte plasdras langs de Lek waaraan we zulke plezierige herinneringen hebben vanwege een moeizaam getwitchte maar erg fraaie strandplevier eerder dit jaar. Die zat er uiteraard niet meer. Wel onder andere kleine plevieren en bergeenden, dus dat was ook weer rechtgezet. Verder enkele groenpootruiters, een lepelaar, een grote zilverreiger (geen al te gemakkelijke soort meer, half mei), kluten en een plotseling opduikende slechtvalk. Even was er nog discussie of het niet een boomvalk was geweest. Op zo’n moment ga je aan alles twijfelen en voel je je ineens een beginner, dat je niet eens het verschil ziet tussen een slechtvalk en een boomvalk. Inmiddels vloog-ie ver weg en van ons vandaan, maar we houden het op een slechtvalk. We stonden inmiddels op 57 soorten: over de helft en het was pas 11 uur. Maar de eerste vijftig soorten gaan doorgaans wat gemakkelijker dan de tweede vijftig.
Aan de andere kant van de weg wandelden we de Plantage Willem III in: een prachtig, bijna buitenlands ogend halfopen landschap van glooiend, licht stijgend terrein met verspreidde braam- en meidoornstruwelen (die laatste inmiddels bloeiend!) omringd door verre bosranden. Weids en tegelijk besloten. Zonnetje erop, het was er bijna warm van. Boomleeuweriken zongen, dat hielp ook, en fitis en gekraagde roodstaart, en in de verte grote lijster. In een stukje bos zagen we boomklever en riep grauwe vliegenvanger. Dat is een van de aardigheden van zo’n Big Day: alle soorten tellen weer, een boomklever even goed als een kwartel. Allemaal zijn ze evenveel waard. In de verte riep groene specht. En op het eind vloog een wespendief over. 69 soorten: de honderd kwam langzaamaan in zicht.

Onze volgende stop was het Leersumse veld. Nog altijd droog en als je de goede kant op keek zag het er vrolijk uit, blauw en zonnig tussen onschuldige wolkenvelden. Aan de andere kant oogde het wat grimmiger, met duistere luchten en hemel verduisterende wolkenfronten. Helaas was dat wat ons te wachten stond: de voorspelde buienzone die we tot nu toe nog uit ons hoofd hadden weten te zetten, kwam uit het zuiden en was in aantocht.
Bonte vliegenvanger was hier de hoofdsoort. Al bij de parkeerplaats hoorden we de eerste zingen. Verderop bij het bezoekerscentrum van Staatsbosbeheer zong de tweede en nog voor we de hei op liepen hadden we er al vier te pakken. En daar bleef het niet bij. Verder bracht Leersum ons onder andere boompieper, kuifmees, raaf en roodborsttapuit. Die laatste, toch de laatste waar je problemen mee verwacht op het Leersumse veld, was nog erg lastig. Het duurde een hele tijd voor we die hadden. Dat is ook typerend voor een Big Day: dat sommige soorten waarvan je dat totaal niet verwacht, nog heel erg lastig kunnen blijken. Zo hadden we vanochtend nog niet eens een kokmeeuw. Op andere dagen ben je daar niet zo mee bezig en merk je dat helemaal niet. Het omgekeerde hadden we met kleine bonte specht. Die hadden we niet verwacht maar hoorden we een paar keer roffelden en af en toe roepen. Dat was een mooie bonus want die is in mei doorgaans niet meer zo actief. Twee boomleeuweriken stofbadderend op het pad telden dan wel niet meer maar waren daar niet minder mooi om. Toen scheen nog de zon. Op de terugweg begon het zachtjes te regenen. We waren net op tijd terug: de bui barstte toen we net in de auto zaten. De tussenstand: 79 soorten.

Bij Everdingen, onze volgende stop, was het weer droog. Onder andere brandgans, cetti’s zanger en oeverloper waren daar gauw binnen. En eindelijk kokmeeuw! Leuk waren hier de kluten en de lepelaars. En een regenwulp. Tussen de meeuwen zat een spannende. Een fors beest, ver door geruid, tintje donkerder grijs, gelige poten. Snavel en kopprofiel deden me (en mij niet alleen) aan pont denken, maar wat weet ik van meeuwen? De kenners maken er een derde kalenderjaar geelpootmeeuw van. Hoe dan ook een leuke soort. We stonden op 89. Het zou krap worden, maar het kon nog, de 100.
Op weg naar de auto begon de regen die al een tijdje in de lucht hing en helaas was die regen iets te hard en de auto iets te ver naar mijn smaak: nat en koud stapten we in. Daarna was het geruime tijd mis. Stevige buien overlapten elkaar: de ene was nog niet klaar of de volgende begon alweer. Wat te doen? We besloten eerst maar eens terug te keren naar onze eigen achtertuin, want daar viel nog het een en ander te halen. Moest het natuurlijk wel een beetje droog worden.

Zo belandden we na onze start aan de grens met Gelderland, aan de andere kant van de provincie bij de grens met Noord-Holland. Bij aankomst aan de zuidkant van de Veenkade regende het nog. Bij aankomst aan de noordkant, langs het Tienhovens kanaal, was het droog en even later liepen we in een heerlijk lentezonnetje langs de rietvelden van de Veenderij. In het noorden zagen we een loodgrijze lucht langzaam naar de verte verdwijnen. In het zuiden een afwisseling van blauwe lucht en witte wolken waar geen enkele dreiging vanuit ging. Er vlogen hier oeverzwaluwen, al gauw verscheen de eerste bruine kiekendief en in het riet zongen onder andere snor en bosrietzanger. Dat tikte weer aardig aan. Met verderop nog spotvogel en purperreiger stond de teller op 96. Nog vier te gaan. Het was geen uitgemaakte zaak maar het kon nog goed komen, vanavond na het eten.

Het was nog altijd regenachtig. Het was amper droog maar de 100 lonkte dus rendez-vous aan de Hoogekampse plas. Ik had er als ik heel eerlijk ben een hard hoofd in gehad maar daar kopten we toch de laatste soorten binnen. Groenling, staartmees, een mooie gele kwikstaart op een van de slikeilandjes en daar zwom warempel een man tafeleend: de honderd was gehaald! Het was genieten daar aan die stille plas. Geen mens behalve wij en bijna geen wind maar ineens alle tijd en wel oeverlopers en oeverzwaluwen en een paar visdieven die baantjes trokken boven het water. In Beukenburg probeerden we nog appelvink en glanskop maar in Beukenburg was het stil, verduisterde de lucht steeds meer en stonden we uiteindelijk langdurig te schuilen onder de bomen. Helemaal waterdicht was het daar niet maar het regende onder de bomen gelukkig heel wat minder hard dan verderop. Toen het eindelijk weer droog was, leek het bos er geweldig door opgeknapt. Overweldigend groen was het, alsof de lente was geëxplodeerde. Nou ja, dat was voor de regen natuurlijk ook al, maar die vage nevel die uit het weiland leek op te stijgen, voor de bosrand hing en de contouren zo fraai verzachtte, die creëerde een sprookjesachtige sfeer. Het was bijna de Efteling. Vogels leverde onze laatste wandeling door het schemerige bos niet meer op. Wel had ik op de terugweg in de Gagelpolder nog een in de verte roepende bosuil: 101.

9 mei 2021

donderdag 13 mei 2021

Tel uw zegeningen

Het was weer een enerverend dagje vandaag op Texel. Terwijl Utrecht werd overspoeld door zwarte wouwen en zelfs dwergarend en alpengierzwaluw werden gesignaleerd (niets van dat al hier), dipte ik, opgejaagd door onweersbuien, zwarte zeekoet en grauwe franjepoot. Ach, een kniesoor …
Die zwarte zeekoet … Hij was een uur tevoren nog gezien, in de jachthaven van Oudeschild. Maar ik kon hem niet vinden. Meest zat ik ook te schuilen onder de houten vloer van een nog gesloten terras aan de haven dus wat wil je, ook al was het bijna tegenover de plek waar de vogel vanmorgen nog gezien was. Af en toe waagde ik me uit mijn schuilplaats om de haven af te speuren, maar elke keer geen spoor. Wel aan de asgrauwe noordoostelijke hemel kortstondig een spectaculair, bijna beangstigend want meervoudig vertakt netwerk van bliksems die in grillige vormen op verschillende plekken naar de grond sloegen. Ver weg gelukkig. Bij harde regen trok ik me weer terug onder mijn terrasje, dat overigens lang niet alle regen tegenhield maar het regende er gelukkig heel wat minder hard dan daarbuiten.
Toen het droog werd, de zon terugkeerde en een zorgeloos stralende middag in het verschiet lag, naar de hut van Dijkmanshuizen gefietst voor de tweede dip van de dag: grauwe franjepoot. Ook die was daar vanmorgen nog gezien, maar ook die nu hardnekkig onvindbaar. Fraaie rosse grutto’s, een stel kluten en ineens een groepje bontbekplevieren met ertussen één bonte strandloper die korte tijd later alweer weg waren, dienden tot troost. Weer op weg diende zich aan de zuidwestelijke hemel een volgend buienfront aan. Dat trof ons in De Waal waar de kerk gesloten bleek en we schuilden onder een garageafdak langs de straat. Deze bui was minder hevig en minder langdurig dan zijn voorganger en al gauw zat ik weer op de fiets, op weg naar de morinellen langs de hoofdweg in Eierland. De lucht leek me nu wel veilig maar toch, één laatste wolkje boven mijn hoofd ontpopte zich, tot mijn ergernis want ik vond het wel genoeg geweest, tot een volgende onweersbui. Die had bij nader inzien weinig om het lijf en verdere buien bleven uit, al waren er tussen de zonneschijn door voldoende wolkenluchten met potentie.
Even later stond ik bij het hek van het crossterrein van Eierland (tip van Wietze, bedankt nog) te kijken naar de morinellen. En stuk of tien morinelplevieren, bijzonder fraaie vogels die ons land vooral in het voorjaar in betrekkelijk klein aantal aandoen, zaten niet al te ver weg op de kale akker maar waren desondanks af en toe nog lastig terug te vinden. Ik stond even op mijn telefoon te kijken en de vogels in te voeren en toen ik weer op de akker keek, kon ik geen morinelplevier meer vinden. Hoe goed ik ook zocht. Spoorloos. Ze waren, begreep ik later, gevlogen, precies op het moment dat ik even op mijn telefoon gekeken had. Had het toch maar weinig gescheeld of ik had ook deze gedipt. Maar daarover niet getreurd.

De dag was overigens zeer veelbelovend begonnen. Zon, blauwe hemel, geen vuiltje aan de lucht. Mooie regenwulp alvast op de zeedijk van Den Helder. Fraaie dwergsterns op en boven strand en branding langs de Prins Hendrikzanddijk. Verderop rosse grutto's, een zilverplevier, groenpootruiter, een paar kluten, bontbekplevieren en bonte en drieteenstrandlopers. Allemaal in zomerkleed en al is dat niet voor allemaal even relevant, fraai waren ze. En tussen de buien door onder andere honderden rotganzen en in Nieuw Buitenheim diverse noordse sterns. Dus als je die wouwen in Utrecht vergat (en die dwergarend en die alpengierzwaluw maar die had niemand gezien en zou ik ook zeker niet gezien hebben als ik in Utrecht was gebleven) en de onweersbuien zag als louter een visueel spektakel (wat het uiteindelijk ook was), was het al met al toch een heel plezierig dagje geweest. En al helemaal toen ik bij het begin van het pad naar De Muy en De Nederlanden die engelse kwikstaart zag. Nou zag ik al aardig wat engelse kwikstaarten dit jaar, meer dan in welk jaar dan ook, maar deze was wel erg fraai en erg dichtbij.
Verder nog een terrasje met appeltaart, het eerste sinds maanden, en een prachtig dichtbij zingende nachtegaal bij De Koog. Tel uw zegeningen, zeggen we dan.

9 mei 2021





vrijdag 7 mei 2021

Praktijkles omgaan met teleurstellingen

De ene dag is de andere niet. Was ik laatst nog euforisch, vandaag was het allemaal heel anders. Er zat een spannende jufferkraanvogel bij Voorst. Nou zijn jufferkranen in Nederland berucht, bijna niet een kon de toets der kritiek doorstaan, aan bijna allemaal zat een luchtje dat rook naar vogelkooi maar aan deze leek niets mis: ongeringd, onbeschadigd verenkleed, redelijk schuw en in de goede tijd. Ik had dat natuurlijk allemaal uit de tweede hand, dus hoog tijd om zelf een kijkje te gaan nemen.
Dus met Janneke en Toon in de auto naar het oosten. Vogel was alweer gemeld dus dat kwam wel goed, meenden we. Maar helaas: bij aankomst bleek-ie enkele minuten eerder weggevlogen te zijn. Nou was dat gisteren al wel vaker gebeurd en dan was-ie telkens na pakweg een uurtje of minder weer op zijn akker teruggekeerd, dus we bleven in de buurt. Maakten rondje na rondje in de omgeving en keerden telkens weer terug bij de bewuste akker. Maar telkens weer was die akker leeg. Nou ja, leeg: er zaten opvallend veel tapuiten, er stapten diverse ooievaars door de klei, er zat een stel holenduiven maar jufferkraan was en bleef spoorloos. Het leek erop dat hij daadwerkelijk enkele minuten voor onze aankomst voorgoed vertrokken was.
Ach, het is maar een escape, zeiden we tegen elkaar.
Zon, buien, zon, nog meer buien, een reiger in het veld, een ooievaar in de lucht, een verre buizerd en telkens even dat sprankje hoop: is dat hem? Het was hem niet.
Wat te doen? Om nog iets van deze dag te maken besloten we naar Winterswijk te gaan en als daar aanleiding voor was op de terugweg een nieuwe poging te wagen. Die aanleiding was er niet. Maar de oehoes waren prachtig. Ma in volle glorie op haar richel, dat was al bezienswaardig. En om haar heen, klauterend, spelend, loerend, drie forse donsjongen. Af en toe strekten ze de vleugels, nog ontoereikend om de weide wereld in te gaan maar dat kwam vast wel goed. En die ogen, fel oranje ogen die ons over honderd meter heen wel leken aan te staren, nu al, nog maar zo jong, zulke ogen: om verliefd op te worden.

5 mei 2021


Meer dips: Vergeten herinnering