woensdag 14 oktober 2026

Rutten

En de herfst dendert door. Vandaag alweer een memorabele ochtend. Buien volgden elkaar in hoog tempo op en soms waren ze best hevig, maar telkens zaten we op dat moment net in de auto of op een overdekt terras. Als we buiten waren was het meestal droog en scheen geregeld de zon. We profiteerden gretig van die periodes. Eerst in Rutten, onooglijk dorpje hoog in de Noordoostpolder. Wederopbouw, Delftse school maar daar hebben we allemaal niets van meegemaakt, wij bevonden ons in een heel alledaagse buitenwijk met groenzones waar zich al geruime tijd een notenkraker ophoudt, een van de diverse die momenteel ons land aandoen want er is een (tot nu toe) bescheiden invasie gaande en dat is alweer vele jaren geleden. De vogel was gauw gevonden en liet zich van dichtbij geweldig bekijken want de notenkrakers die heel af en toe bij ons terechtkomen, zijn hoog noordelijke vogels uit Siberië en zijn meestal erg tam. Erg fotogeniek dus, de fotografen konden weer hun hart ophalen. Deze volgde een vast patroon dat ook wij hebben kunnen meebeleven. Was meestal zoek als-ie op zoek was naar noten, zat daarna meestal op een vaste plek in een boomvork een hazelnoot te verwerken en op te eten, vloog vervolgens naar een nabije sloot om ‘de snavel te spoelen’ en vloog tenslotte vlak langs ons heen de wijk weer in.

Het zat ons weer eens mee vandaag want juist gisteren werd in de Vreugderijkerwaard bij Zwolle, mooi op de route richting huis, een daurische klauwier ontdekt. Daarmee was de vraag ‘wat na de notenkraker’ ook weer beantwoord. En ook deze was gauw gevonden, het gaat weleens minder gemakkelijk. Hij foerageerde vanuit een braambosje, weliswaar op enige afstand maar door de telescoop prima te zien. Af en toe verdween-ie even uit beeld maar steeds keerde hij weer terug in hetzelfde bosje en vaak zelfs naar dezelfde plek hoog in het bosje van waar-ie dan de omgeving afspeurde op zoek naar nieuwe buit. Onder andere een fraaie steltkluut vlak voor de kijkhut, een jagende sperwer pal voor onze neus en een klapekster die dan weer heel ver weg aan de overkant van de kreek zat, droegen ook nog bij aan de feestvreugde.
En zo heb ik tussen alle waddenweekendjes door aardig wat hele gave soorten bijeen kunnen sprokkelen. Geen klachten daarover. Nu zien wat de komende waddenweekendjes gaan brengen, zowel wat betreft de gave soorten die ik ga zien als de gave soorten die ik ga missen omdat ik op het verkeerde Waddeneiland zit.

11 oktober 2026


Mijn weblogkasteel







dinsdag 13 oktober 2026

Ossendrecht

18
Afgelopen zomer waren we twee weken op vakantie in Ossendrecht. Ossendrecht? Waar ligt dat? vraagt u. Ga naar Brabant, ga naar het uiterste westen en ga zover mogelijk naar het zuiden zonder de grens over te steken, en je komt geheid in Ossendrecht terecht.Terwijl half Europa in de fik stond en ook Nederland kampte met de ene hittegolf na de andere en het neerslagtekort verder en verder opliep (en er ook verder nog wel het een en ander viel aan te merken op de toestand in de wereld), ging ik mij bezig houden met misschien wel het allermeest zinloze wat de mensheid ooit verzonnen heeft: het tellen van het aantal soorten vogels dat je gezien hebt. Want tellen zit ons vogelaars een beetje in het bloed. In elk geval velen van ons. We tellen natuurlijk het aantal soorten dat we ooit hebben gezien, in Nederland maar ook wereldwijd. We tellen het aantal soorten in een jaar, het aantal soorten per provincie of in een bepaald gebied, het aantal soorten per maand, het aantal soorten in of vanuit eigen tuin of balkon en soms tellen we het aantal soorten per dag, maar alleen als er reden is te denken aan een hoge score. En altijd tellen we het aantal soorten per reis of vakantie, in dit geval het aantal soorten deze twee weken in Ossendrecht en omgeving. Honderd was natuurlijk het streefgetal. Honderd is altijd het streefgetal, al gaat natuurlijk niemand onder de indruk zijn van honderd soorten in twee weken tijd. Maar haalde ik de honderd, dan was deze vakantie geslaagd, wat er verder ook gebeuren zou.

Met de trein naar Bergen op Zoom (die telde niet mee, vond ik) en met de bus naar Ossendrecht (die wel maar ik vergat te tellen). Door een bijna mediterraan ogend, compleet vergeeld landschap. Ja, de droogte … Toen we ons gevestigd hadden en de anderen al meer dan eens in het zwembad waren gedoken, een eerste avondommetje gemaakt. Het tellen kon beginnen.
Via de rotonde even verderop de Putseweg genomen, de weg naar Putte en naar België maar zover ben ik toen natuurlijk bij lang nog niet gegaan. Roepende middelste bonte specht in het aangrenzende bos. En aan de andere kant het weggetje naar de Volksabdij genomen en even over het stukje hei achter de Volksabdij gewandeld. Stukje hei dat de merkwaardige naam ‘Vluchtheuvel’ met zich mee draagt, een bultig, hier zanderig maar daar ook nog overvloedig paars landschapje. En terug naar ons vakantieverblijf.

1. Boomklever
2. Pimpelmees
3. Houtduif
4. Zwartkop
5. Boomkruiper
6. Putter
7. Winterkoning
8. Grote bonte specht
9. Boompieper
10. Middelste bonte specht
11. Witte kwikstaart
12. Huiszwaluw
13. Boerenzwaluw
14. Koolmees
15. Roodborsttapuit
16. Buizerd
17. Zwarte kraai
18. Blauwe reiger

47
Eigenlijk was Ossendrecht een wat willekeurige keuze geweest. We hadden zomaar een omgeving in of in de buurt van Nederland gezocht waar we nog nooit geweest waren. Dat was voldoende, verder geen al te grote ambities. Behalve die honderd dan. Een plek die geen al te hoge verwachtingen wekte en ons tot niets verplichtte. Al bleek al gauw dat er sprake was van graszanger op slechts een paar kilometer van ons verblijf. En leidde de nabijheid van Bergen op Zoom en van Antwerpen ook tot enige verplichtingen. Maar daar konden we mee leven. Die zouden in elk geval de komende twee weken nog wel even blijven liggen waar ze lagen dus enige haast was niet geboden.
Maar toen lazen we meer over waar we terecht waren gekomen. Over de Brabantse Wal en over de Noordpolder van Ossendrecht aan de ene kant en het grenspark Kalmthoutse heide aan de andere. ‘Ossendrecht ligt op de steilrand van de Brabantse Wal’, lazen we. ‘Dit houdt in dat zich in het dorp hoogteverschillen van 10 meter voordoen en dat onmiddellijk ten oosten van het dorp de hoogte nog toeneemt tot 22 meter boven NAP’. De Brabantse Wal, lazen we, was een geologisch monument dat twee nauwelijks verenigbare werelden van elkaar scheidde en tegelijk aan elkaar vastklonk: aan de ene kant de hogere gronden van bos en hei en vennen van de Kalmthoutse heide met aan alle kanten bosranden om je heen, en aan de andere kant het lager gelegen polderland dat zich uitstrekt tot ver in Zeeland, te beginnen met de Noordpolder van Ossendrecht met zijn ruigtevelden en zijn plasdras en zijn verre zichten op de havenwerken van Antwerpen en de koeltorens van Doel. En zijn graszangers. De Brabantse Wal was tevens een spectaculair landschappelijk monument dat zich weelderig door het landschap slingerde, een meest beboste, vrij abrupte overgang van laag naar hoog, of eigenlijk van laag naar minder laag, onze vakantie van vorig jaar indachtig. En we vroegen ons af op wat voor geweldige plek we nu toch weer waren aangeland en of die plek niet toch weer allerlei eisen aan ons ging stellen. Al kun je je zoiets vermoedelijk op zowat elke plek op aarde afvragen.

Die dichotomie, die tweeslachtigheid van de wereld om ons heen, die was wel een van de hoofdthema’s van onze vakantie in Ossendrecht. Om te beginnen daarom op een zonnige en aanvankelijk nog vroege ochtend maar eens de Noordpolder van Ossendrecht in gefietst, natuurlijk ook om meteen even de graszanger als nieuwe jaarsoort op te strijken. Dat ik daar verder geen zorgen meer over heb. Dat is gelukt. Uitvoerig horen zingen toen we aan de voet van de Wal liepen en uitkeken over eindeloos wuivend ruigteland. De Noordpolder is een mooie afwisseling van ruige velden, aftakelende boomformaties en een rietomzoomde plas met uitkijkplateau.
In de tuin vloog vervolgens een rode wouw over en riep kleine bonte specht, om even een indruk te geven van waar we woonden die weken.
En ’s middags die andere wereld gaan bekijken: de heide, de vennen en de verre bosranden van de Kalmthoutse heide. Een mooie fietstocht tot in België bood ons een indruk van die wereld. Een wereld van paars bloeiende heidevelden maar ook van bruine, verdorde heidevegetatie. Van vennen maar ook van uitgedroogde laagtes waar op de kaart vennen staan ingetekend. Een uitzichttoren met zicht op het uitgestrekte Stappersven-complex waar ook nog flinke stukken wel onder water stonden. Ja, de droogte, het was een ander, even onontkoombaar thema deze vakantie.
En ’s avonds riep uit het omringende bos middelste bonte specht en laat riep ergens in de buurt de bosuil. Om even een indruk te geven van waar we woonden, die weken.





19. Holenduif
20. Vink
21. Huismus
22. Havik
23. Rietgors
24. Tjiftjaf
25. Graszanger
26. Kleine karekiet
27. Waterral
28. Groene specht
29. Merel
30. Grote zilverreiger
31. Roodborst
32. Torenvalk
33. Slechtvalk
34. Krakeend
35. Meerkoet
36. Kleine mantelmeeuw
37. Waterhoen
38. Wilde eend
39. Zanglijster
40. Rode wouw
41. Grauwe gans
42. Kneu
43. Ekster
44. Turkse tortel
45. Staartmees
46. Kleine bonte specht
47. Bosuil

53
Ja, die droogte, daar konden we afgelopen zomer niet omheen. Het ging overal en altijd over de droogte in die dagen, veel belangrijker dan oorlog in Oekraïne of genocide in Gaza. En wat wilde je ook? Het was weken lang warm, af en toe loeiheet, en het heeft weken lang geen druppel geregend. Een warme, tropische wind waaide door heel Europa en half Europa stond in de fik dus ja, iedereen had het over de droogte.
Op onze tweede ochtend in mijn eentje een wandeling gemaakt rond het Kleine Meer. Informatieborden van Natuurmonumenten vertelden over het waterbeheer, over het succesvolle herstelproject dat is uitgevoerd om verdroging aan te pakken. Sloten zijn gedempt en stuwen geplaatst om het water vast te houden. En foto’s toonden uitgestrekte watervlaktes met blauwborsten en geoorde futen. Het mocht niet baten, de realiteit van dat moment zag er heel anders uit. Er stond geen druppel water in het Kleine Meer. Tot aan de bosrand aan de overkant was er een uitgestrekte halfwoestijn, deels open zand, deels schaars begroeid, met hier en daar een boomformatie op wat in nattere tijden een eilandje is. Terug bij af dus, en volgend jaar opnieuw beginnen.
Achter onze tuin lag Meiduinen, ook al in beheer bij natuurmonumenten: een mooi afwisselend stukje bos met een paar vennetjes waar de kleurige waterlelies op de opgedroogde bodem lagen uitgespreid, een stukje stuifzand en een half grazige en half stenige vlakte met wat hei waar vroeger de Groeve Boudewijn was geweest. Met name Renske en ik maakten er een sport van om in die twee weken zo hoog mogelijk op de waarnemersranglijst van het gebied te komen. De watersnip die ik met Esther vond in een van de beide drooggevallen vennetjes, was in dat kader een mooie vondst.
De mooiste vondst had ik die avond. Met Renske en Harriët ging ik tegen de avondschemering naar het heideveldje ‘Vluchtheuvel’ achter de volksabdij. Er werden nog op verschillende plekken in de omgeving nachtzwaluwen gemeld maar allemaal wat ver weg voor een late avond nog effe heen en weer. Als het moest dan moest het maar ik dacht, laat ik het eerst eens wat dichterbij proberen. En dat was een schot in de roos. Amper ter plaatse hoorden we er al ‘zingen’ en na een tijdje zagen we er diverse rondvliegen. Het werd een magische avond. We hoorden ze snorren, we hoorden ze roepen en we hoorden ze af en toe met de vleugels klapperen, ze vlogen regelmatig vlak langs of over ons heen en enkele keren zagen we een silhouet op een kale boomtak afsteken tegen de avondlucht. De complete nachtzwaluw-experience dus. Beter konden we het niet wensen.





48. Raaf
49. Kuifmees
50. Watersnip
51. Gaai
52. Nachtzwaluw
53. Oeverloper

58
Hoogerheide - Kortenhoeff heette het gebiedje waar ik op een ochtend met Harriët was wandelen. Hei met vennen, dit keer langs de weg naar Huijbergen. Als je het zo opschrijft klinkt het niet veel anders dan zoveel andere stukken hei in de omgeving en ook dit behoorde dan ook tot het grenspark Kalmthoutse heide. Van al die vennen bevatte er overigens maar één een noemenswaardige hoeveelheid water, maar ook dat is verderop niet anders. Hoe dan ook was het weer een mooi en afwisselend heidegebiedje, de moeite van een wandeling wel waard. Het onderscheidde zich enigszins met een mooie rij kale en aftakelende berken en elders een mooie nog altijd groene bosschage die de open hei in stak. En met een wespendief die boven de hei zweefde.



54. Vuurgoudhaan
55. Wespendief
56. Sperwer
57. Aalscholver
58. Dodaars

62
Woensdag 12 augustus stond natuurlijk in het teken van het spektakel dat de kosmos, het buitenaardse die avond voor ons in petto had. Allereerst was er de bijna volledige zonsverduistering. Al moet gezegd, het verschil tussen 90% en 100% verduistering is aanzienlijk, ik spreek helaas niet uit ervaring. Wij moesten genoegen nemen met een slap aftreksel van het hoofdprogramma elders in Europa en moesten het stellen zonder de magie van dat éne ultieme moment. Maar toch, om (met behulp van eclipsbrilletjes, we hadden er twee en dat was ruim voldoende voor ons vieren) stukje bij beetje de maan voor de zon te zien schuiven, te zien hoe die hem bijna volledig bedekte en daarna weer te zien wegschuiven, alles precies zoals men ons had verzekerd, het was bijzonder. Het indrukwekkendst vond ik misschien nog wel die verstilde, vervroegde avondschemer. Dat gedempte licht, die roodachtige gloed, totdat de zon stukje bij beetje weer tevoorschijn kwam en nog een klein beetje daglicht restte.
En dan was er ook nog ’s nachts de meteorietenregen. Zelf telde ik zeven vallende sterren waarvan sommige heel indrukwekkend, en dat was meer dan bij enige eerdere gelegenheid.





59. Zwarte mees
60. Grauwe vliegenvanger
61. Kruisbek
62. Goudhaan

75
De volgende dag was het spekken, effe de soortenlijst een flinke opdoffer geven. Dat had ik trouwens helemaal niet aan zien komen. ’s Morgens bleek er in elk geval nog niets van en moest ik het doen met een kauwtje in het Belgische deel van Putte, tijdens onze gezamenlijke expeditie naar het dorp van die naam, zowel het Nederlandse als het Belgische deel. Hoogtepunt daarvan was natuurlijk ons bezoek aan de Delhaize, waar men fijn Belgische producten kon hamsteren. Daarnaast was ook het fraaie kasteel een herinnering waard, met omringend bos waar onder andere vuurgoudhaan en middelste bonte specht riepen.
Echt los ging het tijdens mijn avondtochtje door de Noordpolder. De graszanger die zich dit keer aardig liet zien tijdens zijn onvermoeibare zangvluchten, telde niet eens want die had ik al. Maar met onder andere twee overvliegende groenpootruiters, jagende bruine kiekendieven, gele kwikstaarten, cetti’s zanger, witgat, ijsvogel en zomertaling wist ik de vakantielijst flink op te krikken.





63. Kauw
64. Groenpootruiter
65. Bruine kiekendief
66. Spreeuw
67. Cetti’s zanger
68. Groenling
69. Gele kwikstaart
70. Lepelaar
71. Zomertaling
72. Witgat
73. IJsvogel
74. Kuifeend
75. Sprinkhaanzanger

85
De Kalmthoutse heide, en dan met name het Belgische deel ervan, vormde voor mij van begin af aan de hoofdattractie van Ossendrecht. En ik was daar nog niet helemaal klaar mee dus op vrijdag de 14e vroeg op, op de fiets naar Huijbergen en van daar naar België. Ik doorkruiste veld en beemd, doorstak het schaduwrijke bos en even voor achten stond ik in de zon op de hei en had ik meteen al twee mooie boomvalkjes, rustend in een groep kale boompjes. Het was weer een zonnige dag en na de nog wat frisse ochtend was het al gauw weer loeiheet. Van schaduw naar schaduw dus.
In een poging wat dieper het gebied binnen te dringen belandde ik op een zandpad langs het Stappersven. Een enorme zeearend zat ver weg op het drooggevallen deel van het ven en kieviten, witgatten, oeverlopers, kleine plevieren, watersnippen, groenpootruiter en tureluurs verscholen zich tussen de wirwar van afgestorven boomstronken, boomresten, zandrichels en slikveldjes aan de rand van het ven: alweer een flinke plus voor de triplijst. Het loont dus om af en toe de gebaande paden te verlaten, zowel wat betreft de vogels die je tegenkomt als wat betreft je kijk op je omgeving. Ik bedoel, je ziet er gewoon meer van zo.





76. Kievit
77. Fitis
78. Boomvalk
79. Kokmeeuw
80. Zeearend
81. Wintertaling
82. Kleine plevier
83. Tureluur
84. Grote lijster
85. Wulp

87
Ik ben dan wel een natuurmens, maar ik ben geen cultuurbarbaar. Dus ik laat me graag af en toe tijdens zo’n tweewekelijks verblijf een dagje meenemen naar het stedelijk schoon dat ons zo rijkelijk omringt. Bijvoorbeeld naar Bergen op Zoom, immers vlak om de hoek. Ik had me bij Bergen op Zoom nooit zo’n historische oude binnenstad als bijvoorbeeld in Delft of Deventer voorgesteld maar daar heb ik me in vergist. Er waren een prachtige oude kerk, een fraai marktplein, deftige herenhuizen, een monumentaal stadskasteel en een prachtige oude stadspoort: meer dan genoeg om een dagje aan te besteden. En er was het Ravelijn, het enige overgebleven deel van de oude vestingwerken die zo cruciaal waren voor de strategische ligging van de stad, op het kruispunt van de handelsroutes van de Brabantse landgoederen in het oosten naar de Zeeuwse eilanden met hun zeehavens in het westen, en die van de noordelijke Nederlanden naar de Belgische landsdelen in het zuiden. In het Ravelijn genoten we een interessante rondleiding en het leverde bovendien de soort van de dag op: grote gele kwikstaart op de kade langs het Pielekeswater dat de oude fortificatie omringde.
We hadden trouwens ook een beperkte rondleiding in de oude stadspoort en het was grappig hoe de beide rondleidingen een net wat andere kijk hadden op de geschiedenis van de stad. Zo werd in het Ravelijn Menno van Coehoorn, ontwerper van de vestingwerken, geëerd als genie en grote held van Bergen op Zoom terwijl in de stadspoort wat genuanceerder over hem werd gesproken. Ze spraken met enig respect over elkaar maar waren het niet helemaal met elkaar eens.









86. Zilvermeeuw
87. Grote gele kwikstaart

98
De grote sprong voorwaarts! Waarbij we het natuurlijk alleen maar over het tellen, over het soortenlijstje van deze vakantie hebben, dus de woorden zijn misschien wat grotesk. Hoe dan ook, onze fietstocht helemaal naar Zeeland (ook dat klinkt wat grotesk want veel meer dan tien kilometer fietsen was het niet), bood de gelegenheid om de nodige leemtes in die soortenlijst op te vullen. En dat is gelukt. Al waren het vooral heel gewone soorten die de lijst opstuwden naar 98. De leukste waren de patrijzen, een flinke groep met veel jongen op een akker onderweg. Daarnaast waren onder andere grote mantelmeeuw, witgat, volop gele kwikstaarten, ijsvogel, regenwulp en kleine zilverreiger het vermelden waard.
Maar fietsen naar Zeeland, hoe dichtbij ook, was natuurlijk om meer redenen een belevenis, want uiteindelijk kom je in een heel ander soort Nederland terecht. Het Nederland van brede wateren en uitgestrekte polders, van kanalen en zeearmen, van imposante waterwerken en van eb en vloed.
Vroeg opgestaan en al om even over 8 stonden we in Bath, een dorpje van ± twee straten, een dorpshuis en een kerkje dat misschien net groot genoeg was om de 105 inwoners (dixit Wikipedia) te herbergen. Twee inlagen en de Westerscheldedijk met over de Westerschelde heen, die lag te glinsteren in de zon, uitgestrekte uitzichten op Zeeuws Vlaanderen, op de kust van West Brabant en op nog veel meer Westerschelde.
Terug langs de Antwerpse havenwerken gefietst en ook die waren een bezienswaardigheid. Het is het soort industrieel landschap waar het onderscheid tussen mooi en lelijk geen betekenis meer heeft. Imposant, dat is het, en groot, in alle opzichten groot. Het buitengebied ten zuiden van Ossendrecht was dan weer gewoon mooi. Het had wel iets van het Limburgs heuvelland, maar dan zonder heuvels. Waarna we terugkeerden in Ossendrecht.





88. Patrijs
89. Brandgans
90. Stormmeeuw
91. Fuut
92. Visdief
93. Grote mantelmeeuw
94. Scholekster
95. Oeverzwaluw
96. Regenwulp
97. Bergeend
98. Kleine zilverreiger

99
Op maandag kwam Simon op bezoek, zoon van twee veel te vroeg overleden oude vrienden van ons. Hij kwam even kijken hoe wij hier woonden deze twee weken, in onze chalet met grote tuin met zwembad en stukje privé-bos waar af en toe middelste of kleine bonte specht riepen, en met toegang tot de Meiduinen daarachter met zijn besloten vennetjes, zijn zandverstuivingen en verruigde oude steengroevevlakte.
Simon was met de auto dus gingen we met de auto naar het bezoekerscentrum bij Kalmthout. De bekende verzameling informatiepanelen, foto’s van het grenspark in alle jaargetijden, opgezette dieren en voor de kinderen leerzame knutseltafels, al die dingen die in alle bezoekerscentra waar ook ter wereld te vinden zijn, en toen we er uitgekeken waren een wandeling gemaakt door bos en over hei. Veel vergeelde en verdorde hei maar ook stukken die er nog verrassend groen en paars uitzagen. Opgedroogde vennen maar ook stukken waar nog volop water stond. Dat was vooral mooi te zien vanaf de uitkijktoren die in de bosrand stond en ver uitzicht bood op de hei rondom, op het Stappersven in de verte, op verre bosranden en op de havenwerken van Antwerpen en de koeltorens van Doel daar weer achter. Een zwarte ooievaar die overvloog was een hele fijne 99e soort: nog één te gaan.
’s Avonds hoorde ik vanuit de tuin ineens een paar verre roepjes van nachtzwaluw. Om even een indruk te geven van waar we woonden, die weken.





99. Zwarte ooievaar

99
Ik bleef op 99 steken maar verder is er over dinsdag 18 augustus nog heel wat te vertellen. Over de weersomslag bijvoorbeeld, een niet onaanzienlijke gebeurtenis want na weken, misschien wel maanden van hitte en droogte was er ineens regen. Die nacht heeft het af en toe zelfs behoorlijk hard geregend en ‘s morgens vroeg fietsten we door wat miezerregen naar Essen in België. Toen we ’s avonds terugfietsten naar ons vakantieverblijf was het inmiddels droog, maar aan de droogte in meteorologische zin was dus eindelijk een einde gekomen, al zal het nog lang duren voor ook de droogteproblemen over zijn.
Waarom Essen? is dan nog de vraag. Omdat vanaf station Essen de trein ging die ons naar Antwerpen bracht. En Antwerpen vormde natuurlijk het ware verhaal van deze dag. Een oneindig verhaal. Een verhaal waarvoor me de woorden tekort schieten. Wat moet je schrijven over Antwerpen? Over die onafzienbare overvloed aan stedenschoon? Overvloed aan siersmeedwerk, aan krullen en bogen, gouden ornamenten, standbeelden van engelen en duivels, van staatslieden en zeehelden, van dichters en schilders; aan gevelstenen, muurschilderingen, torentjes, noem maar op. Niets is hier simpel, niets is hier recht toe recht aan, aan alles zitten versieringen, bloemen, knoppen, stadswapens, en krullen en bogen. Antwerpen heeft het allemaal. Het is een stad vol monumenten, vol monumentale stadswerken: de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal met zijn imposante en tegelijk sierlijke toren, de Sint-Jacobskerk en nog zoveel andere kerken, de grote markt met het stadhuis en de Gildehuizen, de Vlaamse opera, de schouwburg en het middeleeuwse stadskasteel Het Steen. En nog veel meer. Allemaal monumenten waar je eindeloos bij stil wilde blijven staan om ze nooit meer te vergeten. Straten waar het ene pand nog rijker geornamenteerd was dan het andere, waar gouden engelen- of duivelsbeelden prijkten op zowat elke gevel, de rijkdom van weleer leek er oneindig, ik hou erover op, ga zelf kijken.
Maar geen nieuwe soort dus deze dag. Voor de honderdste moest ik nog even geduld hebben.















100
Na het overweldigende stedenschoon van Antwerpen volgde de rust, de kalmte, de stille schoonheid van bos en hei. Antwerpen was mooi hoor, maar dit was ook mooi. Juist die tegenstelling is mooi: de ene dag de drukte, de pracht en praal en de rusteloosheid van de grote stad en de andere de arcadische schoonheid, de herderlijke idylle van de natuur.
We hadden inmiddels alle geplande (halve) dagtochten volbracht: Kalmthoutse Heide, Bergen op Zoom, Zeeland, Antwerpen, en dat gaf alle ruimte om zomaar wat te genieten van onze eigen omgeving. Van bos en hei dus, van het Kleine Meer, ondanks de recente regen nog steeds kurkdroog, en van het Zwaluwmeer, waterrijke oase schuilend onder overhangende bosranden en twee groenpootruiters op zijn oever. Ook nog de honderdste soort van de vakantie: zwarte specht, al in de ochtend gehoord vanaf onze veranda en later ook in het al herfstachtig ogende bos bij het Kleine Meer. Dus ook dat was volbracht.





100.Zwarte specht

102
Nog één keer de Ossendrechtse Noordpolder. Nog één keer gedwaald langs die ruige velden en die halfkale boomformaties aan de voet van de Brabantse wal. Het was een mooie tocht maar ze leverde niet veel op. Verder deed ik nog de nog altijd uitgedroogde paardenveldjes langs de Maria ter Duinenlaan aan, vergeefs op zoek naar draaihals, onder dreiging van naderend onweer de zandlanen en de ruigte van de oude steengroeve van Meiduinen, wederom vergeefs op zoek naar draaihals, en in de avondschemer nog één keer de nachtzwaluwen op Vluchtheuvel, die opnieuw fantastisch waren.





101.Graspieper
102.Rietzanger

102
Vrijdag 21 augustus was onze laatste hele dag in Ossendrecht, een regenachtige dag met veel buien tussen de zonneschijn door. Een van onze laatste bestemmingen was de Ruige Heide in het grensgebied van Nederland en België. Die was best aardig, met zijn stukjes paarse hei en stukjes kaal zand, maar lag ingeklemd tussen elektriciteitsleiding en snelweg en stond daarmee een beetje symbool voor de plek die natuur inneemt in de moderne samenleving. Dus we waren ook wel weer blij toen we er weg waren.
Daarmee hadden we onze verkenning van deze zuidwesthoek van Brabant plus aangrenzend stukje België wel voltooid. We hadden natuurlijk nog lang niet alles gezien, dat kon ook helemaal niet, maar genoeg om het gevoel te hebben dat we het hier nu een beetje kennen. En eerder dan die honderd soorten was dat natuurlijk het beoogde doel geweest van de vakantie.



Mijn weblogkasteel

zondag 4 oktober 2026

Maasvlakte

Het was een volmaakt uurtje, in alle vroegte op de Maasvlakte. (Nou ja, zo heel vroeg was het nou ook weer niet maar we waren wel heel vroeg vertrokken.) De beoogde witkeelgorzen, grote zeldzaamheden van de andere kant van de Atlantische oceaan, waren meteen binnen. En zo stond ik minuten lang te kijken naar mijn tweede lifer binnen een week! Ze liepen te foerageren in de vegetatie vlak naast de parkeerplaats, soms op amper een paar meter afstand. En het zijn behalve zeer zeldzame ook nog eens prachtige beestjes dus het waren onvergetelijke minuten.
Daarmee is dit verhaal gauw verteld. Geen spannende vertelling vol hindernissen en belemmeringen. Die bestonden dit keer hooguit uit de files onderweg, waardoor we niet zo vroeg ter plaatse waren als we hadden gehoopt en we onderweg steeds moesten vrezen dat de vogels gevlogen zouden zijn tegen de tijd dat we gearriveerd waren. Daar was echter geen sprake van. We zagen bij onze aankomst de vogelaars al staan kijken en die stonden inderdaad te kijken naar beide witkeelgorzen.
Tussendoor nog even naar een wilgenbosjes een kleine honderd meter verderop voor aldaar verblijvende bladkoning. Was er nu tenminste nog sprake van enige spanning? Nee hoor, ook die was al gauw binnen en was aardig zichtbaar aan de rand van het bosje. Al was-ie ook al gauw weer in de diepte van het struweel verdwenen en was-ie daarna nog tamelijk lastig. Maar met enig geduld en toewijding lukte het om hem een paar keer leuk in beeld te krijgen en enkele keren liet-ie ook van zich horen.
Terug naar de gorzen die zich nog steeds heel gewillig lieten zien en aanzienlijk meer aandacht hadden voor de zaadjes en de larfjes en wat er maar voor eetbaars te vinden was daar in het gras, dan voor ons. Ze verhuisden nog naar een naastgelegen struikje, vlakbij dat van bladkoning, maar daar was het al niet anders: ook daar waren ze geweldig te zien, foeragerend op de besjes en daarna ook weer in het gras.
Het blakobosje bleek ook nog goed voor draaihals maar deze bonus was dan weer wel heel lastig. Het leek zelfs een kansloze zaak, tot ik hem ineens heel even dichtbij in beeld kreeg. Ik zag niet eens de hele vogel maar wel het fraaie en zo karakteristieke verendek: onmiskenbaar draaihals, zag ik nog net voor-ie weer uit beeld verdwenen was. Later zag ik hem nog een keer, iets minder dichtbij maar wel iets langer en nu wel de hele vogel.
Louter succesverhalen dus dit keer. En intussen waren nog steeds de witkeelgorzen onverstoorbaar bezig zich niets van ons aan te trekken.

1 oktober 2026

Mijn weblogkasteel





woensdag 30 september 2026

Veldriet

Eerlijk gezegd had ik een rustig dagje gepland na mijn onderneming gisteren, maar: kleine spotvogel aan het Hoornderslag op Texel! Ik heb een zekere historie met kleine spotvogel, hoewel eigenlijk juist geen historie want nog nooit gezien. Paar keer gedipt, paar keer onhaalbaar en zo wacht ik al vele jaren op mijn eerste en op een of andere manier telt dat bij kleine spot zwaarder dan bij andere soorten die ik nog nooit zag. Dus thuisblijven was geen optie. Maar onderweg zakte de moed me steeds verder in de spreekwoordelijke schoenen. Dit ging helemaal niks worden. Alle voortekenen kwamen op rood te staan.
Allereerst bleek kleine spotvogel een veldrietzanger, even goed een lifer maar veel meer dan kleine spotvogel een beruchte skulker dus hij zou waarschijnlijk nog veel lastiger worden dan ik toch al vreesde. En dat bleek ook al gauw uit de berichten uit het veld: ‘nog steeds af en toe gehoord en (vluchtig/vliegend) gezien maar minder frequent dan eerder op de ochtend’. Ik had nog een paar uur te gaan en hij zou er in die tijd vast niet gemakkelijker op worden. En toen kwam daar de berichtgeving overheen van de halve marathon die juist vandaag op Texel georganiseerd werd en de locatie van de veldriet zou passeren. Wat een timing! De meeste wegen in de buurt waren al afgezet en de vogel was in elk geval per auto al niet meer te bereiken. Nee, dit werd helemaal niks meer. Maar goed, toch maar verder gegaan want wat moet je anders? Uitstappen en de trein terug nemen?

Nou, dat viel dus allemaal best mee. Om te beginnen kon ik op mijn vouwfietsje alle afzettingen eenvoudig passeren. Mij werd geen strobreed in de weg gelegd en eenmaal ter plaatse waren er ook diverse auto's aanwezig. En dat bericht dat ze over het Hoornderslag zouden komen, moet op een misverstand berust hebben want we hebben er geen enkele hardloper gezien. Wel maakten de regelmatig passerende auto’s het lastig om de eventuele subtiele roepjes van het beestje op te pikken dus wat dat betreft hadden ze de wegen wel wat beter mogen afsluiten. Maar toen we eenmaal de goede plek gevonden hadden, duurde het niet eens zo vreselijk lang tot een van de aanwezigen een zeer verdacht vogeltje in het braamstruweel had zien verdwijnen. We hielden de plek goed in de gaten, we loerden, tuurden, zochten tussen de vegetatie en zagen iets bewegen, ja, af en toe bewoog er een schim van een vogel tussen de stengels en de twijgen door en ineens zag ik dat kopje helemaal vrij tussen die stengels en die twijgen, een karakteristiek getekend kopje met contrastrijke oog- en wenkbrauwstreep en forse snavel. Het duurde nauwelijks meer dan anderhalve tel maar het was voldoende: veldrietzanger in the pocket!
Zo’n moment hè, je kunt het een buitenstaander nauwelijks uitleggen maar dat je zoiets kleins en onbeduidends ziet en dat het precies klopt! Dat je meteen weet: ik heb hem, het is gelukt! Tegen alle verwachtingen in. Het kwartier daarna zagen we ‘m nog een paar keer een stukje vliegen en een enkele keer door de vegetatie scharrelen. Daarna was het tijd om nog even iets anders te gaan doen.

27 september 2026


Mijn weblogkasteel




maandag 28 september 2026

Grote franjepoot

Na een rustige telling aan de Jacobssteeg (onder andere pijlstaart en vier appelvinken) vond ik het eindelijk tijd om aandacht te besteden aan de grote franjepoot die al bijna een week bivakkeert in de Groene Keijzer bij Nootdorp. Dus naar het station gefietst, met de trein naar Delft en op het vouwfietsje naar Nootdorp. Het was een mooie middag, zonnig, weinig wind en veel te warm voor mijn winterjas. In de Groene Keijzer was de franjepoot gauw gevonden. De 27e voor Nederland en mijn vierde alweer (vandaar natuurlijk de niet al te hoge prioriteit die ik hem tot nu toe had verleend). Hoe dan ook toch lekker zeldzaam en hij liet zich bovendien mooi bekijken. Een lichte, ranke, grijs met witte franjepoot die net als alle franjepoten ter wereld driftig om zich heen op het wateroppervlak naar beestjes pikte maar verder toch wat anders oogde dan de franjepoten die we hier kennen, minder gedrongen, met een iets langere nek. Af en toe vloog-ie een stukje en een paar keer kon ik hem met de telescoop prachtig volgen en daarbij enkele vluchtkenmerken vaststellen die hem ook onderscheiden van rosse en grauwe franjepoot. De determinatie staat natuurlijk allang niet meer ter discussie maar het was prettig om ook zelf te kunnen vaststellen dat-ie inderdaad een geheel witte stuit had en egaal grijze vleugels zonder noemenswaardige vleugelstreep.
Missie geslaagd dus, en tijd voor iets anders. Tijd voor de nostalgie, die zoete sensatie voor mijmeraars die de hedendaagse wereld beu zijn. Eerst keerde ik terug in het recente verleden: Oude Leede en de Ackerdijksche plassen, waar Harriët en ik een paar maanden geleden twee nachtjes plus tussenliggende dag doorbrachten. Het zag er een beetje anders, met name droger uit dan toen maar het was nog steeds een mooie plek.
Daarna dook ik in het verre verleden: Delftse Hout, Bieslandse polder, Nootdorpse plassen en het Arboretum Heempark. Mijn local patch uit de tijd dat dat woord nog lang niet bestond, uit de tijd dat ik als aan alles en vooral aan zichzelf twijfelende puber bijna dagelijks in mijn vrije tijd deze kant op ging om even los te komen van alle gedoe dat nou eenmaal gepaard gaat met het bestaan als middelbare scholier en om te dromen over mijn hopeloze verliefdheden in die dagen. Er is in tientallen jaren veel veranderd maar in essentie zijn al die plekken nog dezelfde, alhoewel in een ander jasje.

26 september 2026


Mijn weblogkasteel






woensdag 23 september 2026

Deception Tours deel 1

We waren van tevoren al een beetje gewaarschuwd, in het traditionele weerpraatje vooraf in de DT-appgroep: het zou waarschijnlijk een rustig en stil weekend worden op Vlieland. En zo geschiedde. Maar de hele vrijdag geen enkele melding in de appgroep? Ik dacht bijna dat mijn aanmelding niet goed gelukt was. Goed, rustig was het, en stil meestal ook, in de bossen van het Vuurboetsduin, die bij Lange Paal en de Oude Kooi, maar dit was wat overdreven vond ik. Was hier sprake van app-angst? In het verleden waren er wel Deception Tour-weekends waarin een streng verbod gold op het melden van bladkoning. Dat was tijdens weekends dat je bijna over ze struikelde. Daar was nu helaas geen sprake van. Die ene vrijdagmiddag bij het Vuurboetsduin had van mij dan ook best gemeld mogen worden.
Maar inderdaad, het was rustig op het eiland. Een bijna handtamme sneeuwgors op of direct naast het fietspad van de zeereep naar Lange Paal stal de show, maar verder was het meest leeg en stil. Al kan dat er ook aan gelegen hebben dat het zo hard woei dat het geruis in het gebladerte zowat elk ander geluid overstemde. En daarmee hebben we meteen dat andere aspect van dit DT-weekend te pakken, een aspect waar de sombere prognose vooraf aan voorbij was gegaan. Want was het zaterdag bij zuidwest 6 al spannend aan zee, zondag met west tot noordwest 6 ging het daar echt helemaal los.
Zeetrek kijken (‘zeerukken’ in het NJNs dat ik me van vroeger herinner van medestudenten die wel lid van de club waren geweest), het is een hobby op zich. Je hebt vogelaars die er niets van moeten hebben. Meestal is het saai, meestal vliegt er bijna niets of in elk geval veel minder dan je gehoopt had. Maar bijna niemand kan de lokroep weerstaan van een echt stevige noordwester, de lokroep van volop jagers en stormvogels dicht langs de kust. Vaak valt de praktijk tegen, maar dit keer niet.
Het is dan wel zaak het je gemakkelijk te maken, anders houd je het geen uur, laat staan uren vol. Eenvoudig is dat naar mijn ervaring meestal niet. Het is altijd weer een heel gedoe om een geschikte plek te vinden, met goed uitzicht natuurlijk maar ook een beetje uit de wind en vooral uit het langs waaiende stuifzand. Als het zand bij elke windvlaag in je ogen en in je mond waait en ongetwijfeld ook in je lenzen, zoek dan een andere plek. Zitten is ook aan te bevelen, want staan en steeds weer je evenwicht moeten hervinden na weer een windvlaag, dat houd je ook geen uur, laat staan uren vol. Toen ik het zaterdagochtend voor het ontbijt vanaf zowat het eerste ochtendlicht probeerde bij het strandhotel aan het eind van de Badweg, kon ik het juiste plekje maar niet vinden. Of het daaraan gelegen heeft weet ik niet, maar ik kwam niet veel verder dan massale trek van visdiefjes en grote sterns en een zeekoet op zee.
Toen ik het een paar uur later bij paal 48 ging proberen, vond ik een heerlijk plekje op een smal zandpad over de zeereep waar ik in de luwte zat van wat lage vegetatie langs het pad. Veel was het niet maar het was voldoende om me te vrijwaren van al te harde windstoten en al te onstuimig zand. En daar had ik, naast wat verre jan van genten aan de horizon, eerst een kleine jager die voor me langs naar het oosten vloog, kort daarna een kleine jager die in spectaculaire vlucht boven zee achter een sterntje aan joeg, en tenslotte een prachtige grote jager laag over het strand naar oost. Nog wel niet de meest aansprekende soorten (hoewel, grote jager is een paar jaar door vogelgriep behoorlijk schaars geweest), maar ik had dit jaar nog vrijwel niets van zeetrek meegekregen dus ik was er blij mee.
Wat ook aan te bevelen is, is enig geduld. Geef het niet te gauw op want zeetrek gaat, naar mijn (bescheiden) ervaring, vaak in vlagen. Het kan een hele tijd rustig zijn maar dan ineens los gaan. Zo zat ik zondagochtend zowat drie kwartier bij paal 49 comfortabel over zee te turen zonder dat ik iets noemenswaardigs zag, ik voelde me al de schlemiel van het zeevogelaarswereldje worden, waarna binnen een half uur een noordse stormvogel, een middelste jager en een grote jager passeerden. Vooral die beide jagers waren geweldig: dichtbij over de branding naar west waarbij alles te zien was wat je zien wilt. Bij die middelste waren zelfs de lepels aan de verlengde staartveren herkenbaar, een adulte vogel dus. Waarna een half uurtje later ook nog een grauwe pijlstormvogel langskwam.

Zelf houd ik er altijd van om tussen het zeetrekgebeuren ook af en toe het eiland op te gaan. Effe naar de Kroonspolders voor zilverplevieren, effe naar het wad voor rosse grutto's, effe naar de Oude Kooi, vergeefs op zoek naar bladkoning. En vanmorgen naar het bos naast Lange Paal en het naastgelegen open duin. Veel leverde dat niet op, de wind loeide door de bomen en verder was het er net zo leeg als het hele eiland dit weekend was, dus gauw toch maar weer naar zee, aan het eind van het Pad van Twintig. Dit keer in het gezelschap van een groep fanatieke zeevogelaars die daar al de hele dag zaten en dus oneindig veel meer gezien hadden dan ik. Ik werd daar meteen getrakteerd op een fraaie grote jager boven het strand en de branding, en vervolgens op een fantastisch vaal stormvogeltje (dat was alweer zowat tien jaar geleden!), minuscuul fladderaartje dat onverschrokken zwoegde tussen torenhoge golven, en op een geweldige noordse pijlstormvogel die zich laag door de golfdalen spoedde, daarbij af en toe prachtig zichtbaar was en dan weer geruime tijd niet en af en toe keilend boven de golven uitsteeg. Jan van genten vlogen van ver aan de horizon tot zowat over de branding. En zelf vond ik een fraaie noordse stormvogel die ook al vlak achter de branding af en toe keilend naar west vloog. De heren maakten net aanstalten om de vijf-uurboot te gaan halen en hadden geen belangstelling. Toen ik zag dat ze er vandaag al 11 hadden geteld, kon ik dat wel begrijpen. Ik zat er inmiddels helemaal alleen toen er ook nog een kleinste jager laag over de branding langs vloog.
Vier soorten jagers dus, en vier soorten stormvogels. Stuk voor stuk zijn het legendes die voor je ogen tot leven komen, manifestaties van een bestaan dat meestal uit ons zicht achter de horizon verborgen blijft. Het is precies dat, dat je toch elke keer weer aan zee gekluisterd houdt.

Om het af te ronden iets heel anders: maandag was de wind gekalmeerd en toen ik voor vertrek nog even door het duinbos fietste, kwam bij de Torenvijver dat bos ineens tot leven. Kool- en pimpelmezen, zelfs een paar zwarte mezen (had ik tot nu toe nog helemaal niet dit weekend) en de ene tjiftjaf na de andere scharrelend door het loof. Het leek me het ideale moment om eindelijk een bladkoning te vinden, maar helaas …

21 september 2026


Meer Deception tours: Deception tours
Mijn weblogkasteel








dinsdag 15 september 2026

Zoekt de here …

‘Zoekt de here, terwijl hij zich laat vinden’, las ik op een bord langs de Middenweg bij Anna Paulowna. Ik vond het maar een vreemde opdracht, want hoe weet ik nou wanneer hij zich laat vinden? Zal ik hem toch eerst moeten zoeken. Het was niet veel anders dan met die blonde ruiter eigenlijk. Die moest ik ook zoeken, in de hoop dat-ie zich een keer liet vinden. En ook die wilde niet zo lukken. Net als de here, die kan ik ook nooit vinden.
Het waren de weersvoorspellingen die me de weg naar Anna Paulowna hadden gewezen, ook wel een beetje Bijbels eigenlijk: veel regen overal in het land en alleen in het noordwesten grotendeels droog en mogelijk zelfs wat zon in de middag. Ik weet niet hoe het in de rest van het land was, maar in het noordwesten klopte het wel, inclusief die zon in de middag. En in het noordwesten zat, bij Anna Paulowna, een blonde ruiter. De rekensom was gauw gemaakt.
Die rekensom viel wel een beetje in duigen toen nog in de trein het bericht binnenkwam dat de hele bende was opgevlogen en blonde ruiter vooralsnog niet was teruggekeerd. Een half uurtje later stond ook ik langs de Middenweg te speuren over het betreffende ondergelopen bollenveld. Volop bontbekplevieren, kemphanen, kleine strandlopers, wat krombekken ook, zelf vond ik gestreepte strandloper terug, ja, het was er heel gezellig maar geen blonde ruiter. Een passerende slechtvalk joeg alles de lucht in. Dat is dus hoe vanmorgen blonde ruiter is opgejaagd, dank nog daarvoor. Ja, slechtvalken, ze zijn soms erger dan sommige fotografen.
Na een uur wachten namen we even tijd voor iets anders tussendoor, althans, dat was de bedoeling: ik kon meerijden met Herman van de Brand om even een roodpootvalkje op te strijken bij Hippolytushoef. Kwartiertje rijden maar. We stonden nog onze spullen in te laden toen we werden teruggeroepen: hij zat er weer. Helaas niet voor lang: toen we weer paraat stonden was het groepje alweer vertrokken. Alweer te laat dus. We bleven toch nog maar even de wacht houden, hij zou vast nog wel een keertje terugkomen. Het plan roodpootvalk was voorlopig van de baan.
Toen het stiller en stiller werd op ons ondergelopen veldje, toen we nog hooguit met moeite een enkele bontbekplevier konden vinden, toch maar weer tussendoor iets anders: een kilometer of twee verderop waren twee grauwe franjepoten gemeld en die zouden het gemis aan blonder ruiters nog een beetje goed kunnen maken. Leuke soort immers. Dus effe een stukje gefietst, zonder veel moeite (dat mocht ook weleens) twee grauwe franjepoten toegevoegd aan de jaarlijst en terug naar ons stekkie, waar de situatie ongewijzigd was.
Ik was al bezig mijn zegeningen te tellen, gestreepte strandloper en grauwe franjepoten: niks te klagen, en was bijna weer op weg terug naar Anna Paulowna toen de finale melding binnenkwam: blonde ruiter ter plaatse in ‘Breezand - Buitengebied’.
Een minuut of 20 fietsen later stond ik aan de Koningsweg bij Breezand. ‘Is het nu eindelijk prijs of opnieuw vergeefs moeite?', vroeg ik. Men kon mij geruststellen: het was prijs en al gauw stond ik te kijken naar een prachtige blonde ruiter. Want wat een mooie vogel is dat, die zonnige tinten, die fijne tekening van het verenkleed, die parmantige gestalte, het is zo’n vogel die best lastig is uit te leggen maar die je in de praktijk in één oogopslag herkent. Ik heb ze wel eens dichterbij gehad dan deze maar hij was erg fijn en een welverdiende beloning voor alle moeite vanmiddag, vond ik. Al vraag ik me altijd af waarom je beloond zou moeten worden voor wat je het allerliefste doet. Het is niet bepaald een opoffering om rond Anna Paulowna ondergelopen veldjes af te speuren op zoek naar leuke steltjes. Hoe dan ook, ik was klaar. Terug naar Anna Paulowna.

13 september 2026


Mijn weblogkasteel