Niets noemenswaardig werd er gemeld op Waarneming.nl, dus ik had er een hard hoofd in maar toen we met een groepje van tien namens vogelwacht Utrecht midden in de Eempolders uit de auto’s stapten, vlogen de grutto’s ons om de oren. Overal grutto's, in spectaculaire baltsvluchten of foeragerend in het gras. Dat er ergens in zomaar een Nederlandse polder nog zoveel grutto’s te zien zijn, is bepaald verheugend. Zeker in de context van de onafzienbare altijd groene maar vrijwel levenloze velden van raaigras die in de rest van het land gebruikelijk zijn en de duizenden kilometers boerensloten die de afgelopen jaren illegaal zijn gedempt. Om maar wat te noemen. (‘Nederland, dat kleine stukje aarde, laat het platteland in zijn waarde’, I couldn’t agree more. Is overigens een van een reeks doeken die bij ons in de polder hangen om de boerenzaak wat positiever voor het voetlicht te brengen. Deze is ook mooi: ‘Wil men onze koeien dood? Maar hoe zit het dan met de ganzenstikstofuitstoot?’ Je kunt je toch bijna niet voorstellen dat boeren niet snappen dat zowel die koeien als die ganzen gewoon de extra stikstof uitstoten die zij zelf via veevoer en kunstmest het systeem inbrengen? Maar het rijmt, dat dan weer wel. Dit alles natuurlijk ter zijde. Ik wil geen tractor op mijn stoep.) Trouwens hier in de polder ook tureluurs en kieviten in aantallen zoals je ze in het Hollandse polderland nog maar zelden ziet. Het is een waar weidevogelparadijs. Zo kan het dus ook.
Naast de lokale, territoriale grutto’s waren er trouwens ook groepjes pleisterende grutto’s die nog op doorreis waren en daartussen vonden we ook de nodige ijslandse grutto's. Die moeten nog een stukje verder. Sommige waren erg fraai en karakteristiek en vertoonden alle kenmerken die determinatie als ijslandse ondersteunen: fel gekeurde onderzijde die verder naar achteren op de buik doorloopt, kleurrijk gesnipperde bovendelen, wat kortere snavel en poten en wat afwijkend kopproefiel met steiler voorhoofd en rondere kop.
Mooie wandeling gemaakt vanaf de Corsrijkse weg over de zomerdijk naar de vogelkijkhut aan het Eemmeer, en al wandelend bouwden we een steeds aantrekkelijker vogellijst op. Twee bontbekplevieren foerageerden op de oever van een plasje vlak onder de dijk. Verderop vonden we vier kemphanen. In de verte zagen we in het bos op het eilandje de Dode Hond in het Eemmeer het zeearendennest. Dichterbij, vanaf de dijk langs het Eemmeer, zagen we zelfs heel kleine een zeearendenkop boven het nest uitsteken. Bij dat andere eilandje, de Natte Hond, verbleven wat zwartkopmeeuwen. En op de terugweg zagen we eerst een fraaie velduil in en boven het weidevogelreservaat, passeerde vervolgens een blauwe kiekendief en zagen we tenslotte een smelleken die weliswaar ver weg maar toch heel herkenbaar aan zijn korte, spitse vleugeltjes in grote vaart door de lucht knalde. Je waant je dan toch heel even in arctischer streken. En intussen waren er overal brandganzen. Schattingen van het totale aantal in de polders moeten natuurlijk met een flinke korrel zout genomen worden maar liepen uiteen van zeker vijfduizend tot misschien wel tienduizend.
Met grote tevredenheid stortten we ons voor een korte pauze op het terras van de Eemnesser theetuin waarna we afsloten aan de Delta Schuitenbeek aan het Nijkerkernauw ten noorden van Nijkerk. Daar wordt ook nogal eens wat gezien en met onder andere enkele toppers (minimaal een man en twee vrouw), een fraaie adulte en een juveniele pontische meeuw op de blokkendam voor ons en een aantal kemphanen tussen de tureluurs op diezelfde blokkendam, werd ook die verwachting prima ingelost. Het was een onverwacht feestje geweest vandaag.
15 maart 2026
Mijn weblogkasteel
Guus’ weblog: Over vogels en wat dies meer zij
woensdag 18 maart 2026
woensdag 4 maart 2026
Vreugderijkerwaard
Er viel niks te twitchen vandaag, althans, niks waar ik zin in had. Op zoek naar een leuke en hopelijk vogelrijke bestemming kwam ik uit bij de IJssel bij Zwolle. Weidse wateren zag ik voor me, de rivier uitgedijd tot een kilometers brede waterstroom waarin wat eilandjes dreven, richeltjes droge voeten met soms wat struikjes en boompjes omgeven door het langsstromende rivierwater waarin landweggetjes ten onder gingen. Water overal, ja, Nederland waterland. Met bescheiden doelsoorten als grote zaagbek en kleine zwaan ging ik op pad. Grote zaagbek had ik meteen al in de uiterwaard bij het Engelse werk, zo’n beetje het eerst wat je tegenkomt als je vanuit Zwolle op zoek gaat naar de IJssel. Twee zaten er, ver weg achter de smienten en de kuifeenden en al gauw kon ik ze niet meer terugvinden maar hoe dan ook, de eerste doelsoort was binnen.
Verder naar het noordwesten de IJssel volgend kwam ik in de Vreugderijkerwaard terecht. Ik ken de Vreugderijkerwaard nog van een taigastrandloper alweer vele jaren geleden, de eerste en nog altijd enige voor Nederland. Nederland is inmiddels bezaaid met van die plekken die je kent van een of andere zeldzaamheid ooit. Met herinneringen aan schemerochtenden dat je in grote haast de dijk beklimt, aan rijen van honderden vogelaars die zij aan zij over hun telescoop gebogen staan, en aan de euforie toen je de vogel in beeld had en de hele dijk feest vierde. Herinneringen die met kleine variaties van toepassing zijn op tientallen plekken in Nederland. En het worden er nog altijd elk jaar meer, getuigen van een leven lang vogelen.
Vandaag was er minder te beleven in de Vreugderijkerwaard en waren er ook heel wat minder vogelaars. De meeste vogels zaten ver weg maar mijn tweede doelsoort zat dichtbij langs de dijk: een kleine zwaan die meest met zijn kop in de veren zat maar als-ie hem eruit haalde mooi en in vol ornaat zichtbaar was. Waarmee deze bescheiden vogeldag succesvol kon worden afgesloten.
De dag had overigens nog een mooie bonus in de aanbieding: ergens tussen hier en de dijk aan de overkant, een kilometer of zo verderop, moest zich een steltkluut bevinden. Steltkluut is altijd een leuke soort maar begin maart bepaald een opzienbarende. Eerst geprobeerd hem van deze kant af terug te vinden maar de afstand was te groot, het licht teveel tegen en er waren teveel obstakels die een deel van de vogels daar in de verte aan het oog onttrokken. Een omweg via Zwolle bracht me op de zuidelijke IJsseldijk. De vogels zaten er dichterbij en de zon stond achter je en na enig zoeken vond ik de steltkluut terug. En zo stond ik al op 1 maart te kijken naar een prachtige steltkluut, iets waarop ik andere jaren tot minstens half april moet wachten. En was het me toch weer gelukt een leuke en vogelrijke bestemming te vinden.
1 maart 2026
Taigastrandloper
Verder naar het noordwesten de IJssel volgend kwam ik in de Vreugderijkerwaard terecht. Ik ken de Vreugderijkerwaard nog van een taigastrandloper alweer vele jaren geleden, de eerste en nog altijd enige voor Nederland. Nederland is inmiddels bezaaid met van die plekken die je kent van een of andere zeldzaamheid ooit. Met herinneringen aan schemerochtenden dat je in grote haast de dijk beklimt, aan rijen van honderden vogelaars die zij aan zij over hun telescoop gebogen staan, en aan de euforie toen je de vogel in beeld had en de hele dijk feest vierde. Herinneringen die met kleine variaties van toepassing zijn op tientallen plekken in Nederland. En het worden er nog altijd elk jaar meer, getuigen van een leven lang vogelen.
Vandaag was er minder te beleven in de Vreugderijkerwaard en waren er ook heel wat minder vogelaars. De meeste vogels zaten ver weg maar mijn tweede doelsoort zat dichtbij langs de dijk: een kleine zwaan die meest met zijn kop in de veren zat maar als-ie hem eruit haalde mooi en in vol ornaat zichtbaar was. Waarmee deze bescheiden vogeldag succesvol kon worden afgesloten.
De dag had overigens nog een mooie bonus in de aanbieding: ergens tussen hier en de dijk aan de overkant, een kilometer of zo verderop, moest zich een steltkluut bevinden. Steltkluut is altijd een leuke soort maar begin maart bepaald een opzienbarende. Eerst geprobeerd hem van deze kant af terug te vinden maar de afstand was te groot, het licht teveel tegen en er waren teveel obstakels die een deel van de vogels daar in de verte aan het oog onttrokken. Een omweg via Zwolle bracht me op de zuidelijke IJsseldijk. De vogels zaten er dichterbij en de zon stond achter je en na enig zoeken vond ik de steltkluut terug. En zo stond ik al op 1 maart te kijken naar een prachtige steltkluut, iets waarop ik andere jaren tot minstens half april moet wachten. En was het me toch weer gelukt een leuke en vogelrijke bestemming te vinden.
1 maart 2026
Taigastrandloper
vrijdag 27 februari 2026
Ameland
Het was weer eens tijd voor een weekje Wadden. Want het is altijd tijd voor een weekje Wadden. Even weg uit de dagelijkse sleur en al het andere waar een mens tegenwoordig dagelijks mee geconfronteerd wordt, even jezelf onderdompelen in iets dat verdacht veel lijkt op ongerepte natuur en dat je al het andere doet vergeten. Dit keer was Ameland aan de beurt. Met van tijd tot tijd ijzige kou en van tijd tot tijd (heel!) veel wind om die ijzige kou nog kouder te maken dan-ie al was. Temperaturen rond het vriespunt en dat bij windkracht 6, dan weet je wat een gevoelstemperatuur van -10 betekent. Maar ook geregeld veel zon. Standplaats was dit keer Hollum, een leuk huisje midden in het dorp. Dus dit keer de westkant van het eiland verkend: de Westermieden, het Hollumerbos, de Lange Duinen met hun duinmeren, het Groene strand a.k.a. Ballumer beleefstrand en de waddenkust met de kwelders van Vogelpôlle.
Het zijn kleine variaties op een vaststaand thema. (‘Het léven is kleine variaties op een vaststaand thema’, zou mijn dochter zeggen.) De ene keer waait er een bittere vrieskou, de andere keer staat er een lenteachtig zonnetje. De ene keer ben je omringd door ongerept duinland, de andere keer door de Plus en de D.A. en de afbraak van het verzorgingstehuis. Maar altijd glooit het duinland, altijd schrijdt de kiekendief, altijd glinsteren de plassen in de duinlaagtes en deinen de ganzenruggen in het veld.
De kleine variaties deze week: amper een uur op het eiland en op nauwelijks twee kilometer van ons huisje had ik al een roodhalsgans en een zwarte rotgans en anderhalf uur later een witbuikrotgans met smetteloos witte buik, allemaal prachtig dichtbij tussen de talloze rot- en brandganzen in de Westermieden. De verdere week verdeelden we onze tijd tussen het Olympisch schaatsen binnen en duin, polder en kwelder buiten, met hun rotganzen, goudplevieren en kramsvogels. Op het duinmeer in de Lange Duinen vond ik onder andere fraaie brilduikers en nonnetjes, eendjes van het type dat je bijna weer in god doet geloven. Miniatuurtjes. Abstracte schilderijtjes. Op het strand een groepje sneeuwgorzen, waarvan eigenlijk hetzelfde kan worden gezegd. Op het groene strand, een vaalkleurige landschapsschildering van strandvlaktes, glinsterende slenken, fijne kweldervegetatie en gele rietwaaiers, vonden we een fraaie groep strandleeuweriken en fraters, die ik allebei anderhalve maand terug op Schier zo node gemist had. En in de duinen bij Ballum vonden we een mooie klapekster. Maar de grootste kleine variatie deze week was wel de afbraak van het oude verzorgingstehuis, ietsje verderop in ons straatje. Steen voor steen, muur voor muur werd dat met de grond gelijk gemaakt. Soms trilde ons huisje er zo van dat we ons afvroegen: ze zullen toch niet ook ons huisje met de grond gelijk maken?
Esther liet ons ook nog haar Ronde van Hollum zien, die ze altijd en vaak meermaals maakt als ze weer eens in Hollum vakantie viert. Langs de Westermieden, om de vuurtoren heen, door de buitenste duinen en het Hollumerbos in, waarbij zorgvuldig de eendenvijver wordt vermeden. Stukje wad en weer terug door de Westermieden. Ameland in een notendop. Eigenlijk hoef je dan verder nergens meer heen.
20 februari 2026
Meer Wadden? Jaarwisseling
Mijn weblogkasteel
Het zijn kleine variaties op een vaststaand thema. (‘Het léven is kleine variaties op een vaststaand thema’, zou mijn dochter zeggen.) De ene keer waait er een bittere vrieskou, de andere keer staat er een lenteachtig zonnetje. De ene keer ben je omringd door ongerept duinland, de andere keer door de Plus en de D.A. en de afbraak van het verzorgingstehuis. Maar altijd glooit het duinland, altijd schrijdt de kiekendief, altijd glinsteren de plassen in de duinlaagtes en deinen de ganzenruggen in het veld.
De kleine variaties deze week: amper een uur op het eiland en op nauwelijks twee kilometer van ons huisje had ik al een roodhalsgans en een zwarte rotgans en anderhalf uur later een witbuikrotgans met smetteloos witte buik, allemaal prachtig dichtbij tussen de talloze rot- en brandganzen in de Westermieden. De verdere week verdeelden we onze tijd tussen het Olympisch schaatsen binnen en duin, polder en kwelder buiten, met hun rotganzen, goudplevieren en kramsvogels. Op het duinmeer in de Lange Duinen vond ik onder andere fraaie brilduikers en nonnetjes, eendjes van het type dat je bijna weer in god doet geloven. Miniatuurtjes. Abstracte schilderijtjes. Op het strand een groepje sneeuwgorzen, waarvan eigenlijk hetzelfde kan worden gezegd. Op het groene strand, een vaalkleurige landschapsschildering van strandvlaktes, glinsterende slenken, fijne kweldervegetatie en gele rietwaaiers, vonden we een fraaie groep strandleeuweriken en fraters, die ik allebei anderhalve maand terug op Schier zo node gemist had. En in de duinen bij Ballum vonden we een mooie klapekster. Maar de grootste kleine variatie deze week was wel de afbraak van het oude verzorgingstehuis, ietsje verderop in ons straatje. Steen voor steen, muur voor muur werd dat met de grond gelijk gemaakt. Soms trilde ons huisje er zo van dat we ons afvroegen: ze zullen toch niet ook ons huisje met de grond gelijk maken?
Esther liet ons ook nog haar Ronde van Hollum zien, die ze altijd en vaak meermaals maakt als ze weer eens in Hollum vakantie viert. Langs de Westermieden, om de vuurtoren heen, door de buitenste duinen en het Hollumerbos in, waarbij zorgvuldig de eendenvijver wordt vermeden. Stukje wad en weer terug door de Westermieden. Ameland in een notendop. Eigenlijk hoef je dan verder nergens meer heen.
20 februari 2026
Meer Wadden? Jaarwisseling
Mijn weblogkasteel
donderdag 5 februari 2026
Velduilen
Zeventien velduilen liefst waren er gemeld. Zeventien! Ik zie graag velduilen, wie niet? maar ik zie ze eigenlijk veel te weinig. Zeventien had ik er nog nooit bij elkaar gezien. Nou zaten daar misschien wat dubbeltellingen bij, dacht ik, zeventien was wellicht wat overdreven, anderen hadden er maximaal een stuk of tien geteld maar dat vind ik ook al een geweldig aantal dus vandaag maar eens die kant uit.
Het was meest bewolkt. Af en toe wat zon, af en toe een spatje regen, weinig wind en niet al te koud. Niet onaangenaam al met al, maar weinig om het lijf. Maar daar ging het ook niet om natuurlijk. Eenmaal ter plaatse echter geen uil te bekennen. Mooi is dat, heb ik weer. Totdat iemand mij er toch eentje wees, een fraai exemplaar dat verderop op een hekje om zich heen zat te kijken. De verdere ochtend had een redelijk klassiek verloop. We vonden nog een paar uilen, onder andere eentje een stuk dichterbij, als een standbeeld bovenin een slootkant. En af en toe vlogen er een of twee een stukje. Ik telde er zes. Het was niet helemaal zo overweldigend als ik gehoopt had maar dat is het meestal niet. Ik had een paar hele mooie velduilen gezien en was bereid er genoegen mee te nemen. Ik stond me al gereed te maken voor vertrek toen een man over het dijkje voor de huizen langs liep. Geen vogelaar, geen fotograaf, gewoon een bewoner die nietsvermoedend op weg was naar zijn kippenhok toen de boel daar ineens leek te exploderen. Een meute velduilen vloog plotseling alle kanten op en wirwarde enige tijd door elkaar heen boven het veld. Tellen was onmogelijk maar het leken ons er zeker twintig. Die zeventien van gisteren was helemaal niet overdreven geweest.
Na enige tijd keerde de rust terug, waren nog slechts enkele uilen zichtbaar en vertrok ik voor een rondje Eemmeer, Westdijk en plasjes. Blauwe kiekendief, smienten, een paar brilduikers, wulpen, ijsvogel. Een uur of twee later was ik terug bij de velduilen. Diverse zaten er nu vrij zichtbaar in het land. Bij oppervlakkige beschouwing onderscheidden ze zich maar weinig van een molshoop. Af en toe vlogen er een of twee een rondje en soms kwam er eentje daarbij aardig dichtbij. Ik telde er nu vijftien en dat waren ze vast niet allemaal, dus die schatting van twintig zojuist zal er niet ver naast hebben gezeten.
Tot slot een uitzichtpunt tussen wat bebouwing aan de rand van het dorp. Enkele uilen zaten daar zo dichtbij dat zelfs ik er aardige foto’s van wist te maken.
1 februari 2026
Mijn weblogkasteel
Het was meest bewolkt. Af en toe wat zon, af en toe een spatje regen, weinig wind en niet al te koud. Niet onaangenaam al met al, maar weinig om het lijf. Maar daar ging het ook niet om natuurlijk. Eenmaal ter plaatse echter geen uil te bekennen. Mooi is dat, heb ik weer. Totdat iemand mij er toch eentje wees, een fraai exemplaar dat verderop op een hekje om zich heen zat te kijken. De verdere ochtend had een redelijk klassiek verloop. We vonden nog een paar uilen, onder andere eentje een stuk dichterbij, als een standbeeld bovenin een slootkant. En af en toe vlogen er een of twee een stukje. Ik telde er zes. Het was niet helemaal zo overweldigend als ik gehoopt had maar dat is het meestal niet. Ik had een paar hele mooie velduilen gezien en was bereid er genoegen mee te nemen. Ik stond me al gereed te maken voor vertrek toen een man over het dijkje voor de huizen langs liep. Geen vogelaar, geen fotograaf, gewoon een bewoner die nietsvermoedend op weg was naar zijn kippenhok toen de boel daar ineens leek te exploderen. Een meute velduilen vloog plotseling alle kanten op en wirwarde enige tijd door elkaar heen boven het veld. Tellen was onmogelijk maar het leken ons er zeker twintig. Die zeventien van gisteren was helemaal niet overdreven geweest.
Na enige tijd keerde de rust terug, waren nog slechts enkele uilen zichtbaar en vertrok ik voor een rondje Eemmeer, Westdijk en plasjes. Blauwe kiekendief, smienten, een paar brilduikers, wulpen, ijsvogel. Een uur of twee later was ik terug bij de velduilen. Diverse zaten er nu vrij zichtbaar in het land. Bij oppervlakkige beschouwing onderscheidden ze zich maar weinig van een molshoop. Af en toe vlogen er een of twee een rondje en soms kwam er eentje daarbij aardig dichtbij. Ik telde er nu vijftien en dat waren ze vast niet allemaal, dus die schatting van twintig zojuist zal er niet ver naast hebben gezeten.
Tot slot een uitzichtpunt tussen wat bebouwing aan de rand van het dorp. Enkele uilen zaten daar zo dichtbij dat zelfs ik er aardige foto’s van wist te maken.
1 februari 2026
Mijn weblogkasteel
donderdag 29 januari 2026
De troepiaal van Capelle a/d IJssel
Eigenlijk was het op het perron van Utrecht CS al wel duidelijk, nog niet eens in de trein dus ik kon ook nog gewoon niet instappen: dit ging hem niet worden. Alle deskundigen waren het eens en de argumenten waren niet te weerleggen, zeker niet door mij want wat weet ik van troepialen? De troepiaal van Capelle a/d IJssel was niet de gehoopte glanstroepiaal, trekvogel in Noord-Amerika en dus een potentiële dwaalgast in Europa, en was dus geen mogelijke glorieuze toevoeging aan mijn Nederlandse lijst, maar een caribische troepiaal, standvogel van de Cariben die nooit zelfstandig Europa kan bereiken en dus als exoot wordt beschouwd. Ergens uit een kooitje dus, of heel misschien met een boot. Nou sta ik niet onwelwillend tegenover bootreizigers, ik beschouw dat toch als een hedendaagse vorm van natuurlijke verspreiding, maar daarvoor bestaat geen enkel bewijs. Geen +1 dus. Wat deed ik hier dan nog? Waarom zou ik niet terug naar huis gaan, gewoon achter de computer plaats nemen om weer de dagelijkse sleur te ondergaan, in plaats van met de trein mee naar Capelle a/d IJssel te reizen?
Toch stapte ik in en bleef zitten tot Capelle Schollevaar, stapte daar op de fiets en fietste naar het desbetreffende buitenwijkje, het avontuur tegemoet. Want exoot of niet, het werd gewoon weer een heuse twitch. Met alle chaos, ongeduld en opwinding van dien. Met tientallen (jazeker, ondanks zijn gedevalueerde status waren er nog altijd tientallen vogelaars op hem af gekomen) zwierven we door het wijkje, liepen door straatjes en doorgangetjes, langs speelweiden en kinderspeelplaatsjes, holden af en toe elkaar achterna en speurden in tuintjes, op voedertafels, naar dakranden en in bomen vol spreeuwen. Af en toe verbaasd nagestaard door buurtbewoners. En toen we hem eindelijk vonden, leed de euforie totaal niet onder zijn gedevalueerde status. Vooral niet toen we hem zo fraai in beeld kregen, dichtbij op en bij een voedertafel in een van de vele voortuintjes, dat de camera’s om me heen volop ratelden. Een exoot, ja, maar wat een gaaf beest! Die subtiele tinten zwart en grijs, die witte kraaloogjes, die immer verbaasde blik, die lange, licht gekromde dolksnavel. Hij was net even anders dan wij in Nederland kennen, met net even andere verhoudingen, iets tussen een merel en een kraai in maar met het formaat van amper meer dan een spreeuw, wat overigens de determinatie als caribische al grotendeels weggaf. Ja, al met al hield ik er een fijne herinnering aan over en is dat niet waar het bij dat vogelen van ons uiteindelijk om gaat?
27 januari 2026
Mijn weblogkasteel
Meer Urban Birding: En Hoorn dat is een mooie stad …
Toch stapte ik in en bleef zitten tot Capelle Schollevaar, stapte daar op de fiets en fietste naar het desbetreffende buitenwijkje, het avontuur tegemoet. Want exoot of niet, het werd gewoon weer een heuse twitch. Met alle chaos, ongeduld en opwinding van dien. Met tientallen (jazeker, ondanks zijn gedevalueerde status waren er nog altijd tientallen vogelaars op hem af gekomen) zwierven we door het wijkje, liepen door straatjes en doorgangetjes, langs speelweiden en kinderspeelplaatsjes, holden af en toe elkaar achterna en speurden in tuintjes, op voedertafels, naar dakranden en in bomen vol spreeuwen. Af en toe verbaasd nagestaard door buurtbewoners. En toen we hem eindelijk vonden, leed de euforie totaal niet onder zijn gedevalueerde status. Vooral niet toen we hem zo fraai in beeld kregen, dichtbij op en bij een voedertafel in een van de vele voortuintjes, dat de camera’s om me heen volop ratelden. Een exoot, ja, maar wat een gaaf beest! Die subtiele tinten zwart en grijs, die witte kraaloogjes, die immer verbaasde blik, die lange, licht gekromde dolksnavel. Hij was net even anders dan wij in Nederland kennen, met net even andere verhoudingen, iets tussen een merel en een kraai in maar met het formaat van amper meer dan een spreeuw, wat overigens de determinatie als caribische al grotendeels weggaf. Ja, al met al hield ik er een fijne herinnering aan over en is dat niet waar het bij dat vogelen van ons uiteindelijk om gaat?
27 januari 2026
Mijn weblogkasteel
Meer Urban Birding: En Hoorn dat is een mooie stad …
zaterdag 17 januari 2026
Hardenberg
Het was vandaag de tweede keer ooit dat ik in Hardenberg uit de trein ben gestapt, en tevens de tweede keer dat dat een stevige dip tot gevolg had. Jaren geleden alweer was ik er vergeefs op zoek naar mijn eerste ringsnaveleend, in de Overijsselse Vecht. Dat is later nog helemaal goed gekomen. Dit keer is dat nog maar de vraag. Want na 10 kilometer fietsen door grauwe velden onder grijze luchten, urenlang vergeefs op zoek geweest naar de hutchins canadese gans die de afgelopen dagen verblijf hield tussen de rietganzen in Het Bovenveld bij Kloosterhaar. Hutchins, ondersoort van kleine canadese gans, is de enige van het cohort canadese ganzen die verondersteld wordt Europa als wilde vogel te kunnen bereiken en daardoor telbaar is. Nou is telbaarheid natuurlijk maar een boekhoudkundig gegeven, maar het gevoel dat je bedwelmt als je kijkt naar een (mogelijk, moet je er altijd bij zeggen) wilde vogel, dat is toch heel anders dan als je naar een vogel kijkt die uit een kooi komt.
Hard gezocht, en ik was niet de enige. Honderden toendrarietganzen, prachtige toendrarietganzen want dat vind ik een fijn gansje, maar we konden er geen canadees tussen vinden. Dat wordt nog even wachten op mijn eerste hutchins, als-ie al ooit komt. Hardenberg intussen blijft zitten met een beroerde reputatie, al weet Hardenberg zelf daar niets van.
Nou stond hutchins canadese gans niet eens heel hoog op mijn verlanglijstje (toegegeven, dat stond brileider ook niet, maar dat was om een heel andere reden). Maar als er dan eentje gemeld wordt, enkele dagen stabiel op een voor mij goed bereikbare locatie (nadat ik hem vorig jaar had laten schieten omdat-ie juist nooit stabiel op een voor mij goed bereikbare locatie zat), ja, dan gaat er op een gegeven moment toch iets kriebelen. Wel een nieuwe soort immers, een echte lifer want ook nog nooit in het buitenland. Dus dan besluit je toch maar te gaan en is dat besluit eenmaal genomen, dan wil je hem natuurlijk hebben ook. Dan ontstaat er een bijna fysiek verlangen naar iets waar je eerder nooit naar verlangd hebt.
Het was me niet gegund maar ik kon daar dus wel mee leven. De troostprijzen waren bovendien meer dan acceptabel. Nog afgezien van de rietganzen. Op en rond de akkers overwinterden geelgorzen en onderweg had ik onder andere grote lijster, groene specht en twee kleine rietganzen tussen de riet- en kolganzen. En toen terug in Hardenberg een rode wouw overvloog, was alles vergeten en vergeven en was het met de reputatie van Hardenberg ook wel weer oké. Want met een rode wouw op zak is klagen natuurlijk verboden.
13 januari 2026
Meer dips: Noordbroek
Mijn weblogkasteel
Hard gezocht, en ik was niet de enige. Honderden toendrarietganzen, prachtige toendrarietganzen want dat vind ik een fijn gansje, maar we konden er geen canadees tussen vinden. Dat wordt nog even wachten op mijn eerste hutchins, als-ie al ooit komt. Hardenberg intussen blijft zitten met een beroerde reputatie, al weet Hardenberg zelf daar niets van.
Nou stond hutchins canadese gans niet eens heel hoog op mijn verlanglijstje (toegegeven, dat stond brileider ook niet, maar dat was om een heel andere reden). Maar als er dan eentje gemeld wordt, enkele dagen stabiel op een voor mij goed bereikbare locatie (nadat ik hem vorig jaar had laten schieten omdat-ie juist nooit stabiel op een voor mij goed bereikbare locatie zat), ja, dan gaat er op een gegeven moment toch iets kriebelen. Wel een nieuwe soort immers, een echte lifer want ook nog nooit in het buitenland. Dus dan besluit je toch maar te gaan en is dat besluit eenmaal genomen, dan wil je hem natuurlijk hebben ook. Dan ontstaat er een bijna fysiek verlangen naar iets waar je eerder nooit naar verlangd hebt.
Het was me niet gegund maar ik kon daar dus wel mee leven. De troostprijzen waren bovendien meer dan acceptabel. Nog afgezien van de rietganzen. Op en rond de akkers overwinterden geelgorzen en onderweg had ik onder andere grote lijster, groene specht en twee kleine rietganzen tussen de riet- en kolganzen. En toen terug in Hardenberg een rode wouw overvloog, was alles vergeten en vergeven en was het met de reputatie van Hardenberg ook wel weer oké. Want met een rode wouw op zak is klagen natuurlijk verboden.
13 januari 2026
Meer dips: Noordbroek
Mijn weblogkasteel
zaterdag 10 januari 2026
Oud en nieuw op Schier
Het is langzamerhand een heuse traditie: oud & nieuw met het hele gezin op een Waddeneiland. Ingeklemd tussen het Noordzeestrand en de Waddendijk; tussen de westpunt in het westen en de oostpunt in het oosten. Daar heb je het mee te doen, daartussen speelt zich alles af, voor zover er zich iets afspeelt. Dit keer was het op Schiermonnikoog en het was weer een fijne week, met alles erop en eraan: zon en wind, veel wind, en buien, veel buien. Wad en polder, duinen en strand. De Westerplas in het westen en Kobbeduinen in het oosten. De lichtjesversieringen aan de gevels van Hotel van der Werff, het karbietschieten op een weiland op oudejaarsdag, de kerstboom in het plantsoen midden in het dorp. Met bonte kraai, al kort na aankomst vanuit het kamerbrede panoramaraam van ons huisje. En met zwarte en witbuikrotgans, inmiddels ook een beetje een traditie rond oud en nieuw.
Met bonte kraai had ik trouwens geluk deze week: het was zowat mijn eerste soort op het eiland, zowat mijn laatste soort, toen we in ons vakantiehuisje zaten te wachten tot het tijd was om de bushalte op te zoeken, en ook nog eens zowat mijn eerste soort in het nieuwe jaar (mijn vierde om precies te zijn). Pech had ik daarentegen met strandleeuwerik: dagelijks en op sommige dagen meerdere keren checkte ik de halfkale akker achter de Waddendijk waar zowat iedereen ze telkens weer had, maar nooit zaten ze er als ik er was.
Dat was ongeveer ons weekje Schiermonnikoog in een notendop.
We zaten in een vakantiehuisje in de duinen aan het eind van de Badweg. Ons kamerbrede panoramaraam gaf uitzicht op de buitenste duinen, op een reepje zee, op het badhotel en dus af en toe op bonte kraai. Het strand was op loopafstand, met een fraaie strook woeste pioniersduinen met stukken riet en bulten met stekelig kreupelhout en verderop naar het westen mooie brede lagunes, en Westerplas, polder, wad en het Baken op fietsafstand (zoals natuurlijk alles op Schier, behalve voorbij Kobbeduinen waar je niet meer fietsen kunt). Al op de eerste dag na aankomst deed ik ze allemaal: wandelen over het strand en fietsen langs de Westerplas, langs het wad en langs de Banckspolder naar het Baken Kobbeduin. En was ik er klaar mee. Al moest ik nog wel even in het nieuwe jaar zwarte en witbuikrotgans binnenhalen, wat lukte, en strandleeuwerik, wat dus niet lukte. En een parade van niet echt bijzondere maar wel altijd weer leuke waddensoorten als brandgans (duizenden), rotgans (honderden), pijlstaart (tientallen), blauwe kiekendief (mooie man jagend bij Kobbeduinen), kanoet en zilverplevier.
We sloten af met hagel en sneeuw. Toen op zaterdag het nieuws doordrong van overvloedige sneeuwval in de rest van het land, waren we wel een beetje jaloers want op Schier bleven we geheel verstoken van dergelijke winterse taferelen. Tot aan het eind van de dag toen ik nog even bij loeiharde wind en met onheilspellende buienluchten in het verre oosten, met Renske het strand op ging en we daar getroffen werden door een hagelbui die in korte tijd het landschap toch nog een wit, winters tintje verschafte.
De volgende ochtend was ook op Schier de wereld wit. Het was een cadeautje. Gewandeld, eerst over het strand en door de buitenste duinen en later door de binnenduinen en langs duinbossen, en gezien hoe het duinlandschap steeds witter kleurde en steeds sprookjesachtiger werd. Zodat ook wij nog even volop konden genieten van de winterse pracht die Nederland deze eerste dagen van het nieuwe jaar in zijn greep hield. Mooier konden we ons weekje Schiermonnikoog niet afsluiten.
4 januari 2026
Meer wadden? Ameland
Mijn weblogkasteel
Met bonte kraai had ik trouwens geluk deze week: het was zowat mijn eerste soort op het eiland, zowat mijn laatste soort, toen we in ons vakantiehuisje zaten te wachten tot het tijd was om de bushalte op te zoeken, en ook nog eens zowat mijn eerste soort in het nieuwe jaar (mijn vierde om precies te zijn). Pech had ik daarentegen met strandleeuwerik: dagelijks en op sommige dagen meerdere keren checkte ik de halfkale akker achter de Waddendijk waar zowat iedereen ze telkens weer had, maar nooit zaten ze er als ik er was.
Dat was ongeveer ons weekje Schiermonnikoog in een notendop.
We zaten in een vakantiehuisje in de duinen aan het eind van de Badweg. Ons kamerbrede panoramaraam gaf uitzicht op de buitenste duinen, op een reepje zee, op het badhotel en dus af en toe op bonte kraai. Het strand was op loopafstand, met een fraaie strook woeste pioniersduinen met stukken riet en bulten met stekelig kreupelhout en verderop naar het westen mooie brede lagunes, en Westerplas, polder, wad en het Baken op fietsafstand (zoals natuurlijk alles op Schier, behalve voorbij Kobbeduinen waar je niet meer fietsen kunt). Al op de eerste dag na aankomst deed ik ze allemaal: wandelen over het strand en fietsen langs de Westerplas, langs het wad en langs de Banckspolder naar het Baken Kobbeduin. En was ik er klaar mee. Al moest ik nog wel even in het nieuwe jaar zwarte en witbuikrotgans binnenhalen, wat lukte, en strandleeuwerik, wat dus niet lukte. En een parade van niet echt bijzondere maar wel altijd weer leuke waddensoorten als brandgans (duizenden), rotgans (honderden), pijlstaart (tientallen), blauwe kiekendief (mooie man jagend bij Kobbeduinen), kanoet en zilverplevier.
We sloten af met hagel en sneeuw. Toen op zaterdag het nieuws doordrong van overvloedige sneeuwval in de rest van het land, waren we wel een beetje jaloers want op Schier bleven we geheel verstoken van dergelijke winterse taferelen. Tot aan het eind van de dag toen ik nog even bij loeiharde wind en met onheilspellende buienluchten in het verre oosten, met Renske het strand op ging en we daar getroffen werden door een hagelbui die in korte tijd het landschap toch nog een wit, winters tintje verschafte.
De volgende ochtend was ook op Schier de wereld wit. Het was een cadeautje. Gewandeld, eerst over het strand en door de buitenste duinen en later door de binnenduinen en langs duinbossen, en gezien hoe het duinlandschap steeds witter kleurde en steeds sprookjesachtiger werd. Zodat ook wij nog even volop konden genieten van de winterse pracht die Nederland deze eerste dagen van het nieuwe jaar in zijn greep hield. Mooier konden we ons weekje Schiermonnikoog niet afsluiten.
4 januari 2026
Meer wadden? Ameland
Mijn weblogkasteel
Abonneren op:
Reacties (Atom)












