Eigenlijk was ik op weg naar de Gagelpolder, om daar op zoek te gaan naar libellen. Er zitten daar een paar leuke soorten, vandaar. Ik fietste over de Gangesdreef toen ik vanuit het parkje tegenover de kinderboerderij van park de Gagel in het voorbijgaan iets hoorde dat mijn aandacht trok. Iets dat ik nog niet zo een twee drie kon plaatsen. Ach, zou wel niets zijn. Ik was al bijna doorgefietst maar dacht: toch effe checken. Dat bleek een gelukkige gedachte: zong er daar hoog vanuit de boomkruinen een grauwe fitis! Die libellen, die moesten nog maar een dagje wachten.
Het was alweer lang geleden dat ik zelf een echt goede soort ontdekte, maar nu was het raak: deze zal de boeken in gaan als de eerste voor de provincie Utrecht. Er zijn enkele eenmalige oudere meldingen maar de meeste daarvan kunnen worden afgedaan als onzin. Een ervan lijkt me wel geloofwaardig: 7 juni 2013 zingend in Witte Vrouwen in de stad Utrecht, door een ervaren vogelaar. Echter al gauw stil, onvindbaar, door niemand anders waargenomen en niet aanvaard door de CDNA, wat toen nog moest. Gevalletje pech dus. Inmiddels wordt de soort niet meer door de CDNA beoordeeld dus die horde hoeven we niet meer te nemen. Was dat nog wel het geval, dan was dat waarschijnlijk ook geen probleem geweest.
Ik meldde mijn vondst in diverse vogel-appgroepen en ging op zoek. Af en toe zong-ie best fanatiek en soms ook dichtbij, maar soms was-ie ook lange tijd stil. Vaak hoorde ik hem daarna uit een andere richting en op flinke afstand. Hij leek zich dus af en toe ongezien vele tientallen meters door het parkje te verplaatsen.
Determinatie van grauwe fitis is, zeker als-ie zingt en je kent de zang, eigenlijk niet zo heel ingewikkeld. Heb je een boszanger, type tjiftjaf zeg maar, met fijn vleugelstreepje en prominente oog- en wenkbrauwstreep, dan zijn er nog maar weinig andere opties. Hoor je hem zingen, dan hoef je alleen nog maar groene fitis uit te sluiten. Die is weliswaar nog veel zeldzamer dan de grauwe, maar er zijn enkele gevallen geweest in Nederland, waarvan eentje door de subtiele verschillen in zang pas als groene werd ontmaskerd toen de vogel allang gevlogen was. Tot ongenoegen van velen. Voor een grauwe fitis gingen ze niet rijden, voor een groene hadden ze dat zeker wel gedaan.
Wat de vogel van Overvecht betreft: één keer zag ik die hoog boven me in de boomkruin. Veel was er niet aan te zien, niet meer dan de onderzijde eerlijk gezegd, maar die was egaal vuilwit zonder opvallende geeltinten. Andere waarnemers hebben hetzelfde vastgesteld. De zang klonk als een klassieke grauwe fitis, zodat de optie groene fitis niet voor de hand ligt. Er zijn inmiddels ook enkele geluidsopnames en die wijzen inderdaad op grauwe fitis. Wat natuurlijk jammer is want groene moet ik nog in Nederland.
Na een tijdje kwam de eerste vogelaar poolshoogte nemen en een half uurtje later stond een man of twintig om en om te wachten, te luisteren en te zoeken. Ik heb vandaag dus in elk geval een aantal mensen erg blij gemaakt. Na een tijdje werd de vogel steeds lastiger en steeds stiller en toen ik wegging was er al een tijdje niets meer van hem vernomen.
De volgende ochtend was de vogel vertrokken. Dus als ik niet toevallig over de Gangesdreef had gefietst en niet toch even was teruggefietst om dat rare geluidje te checken, had waarschijnlijk niemand de vogel opgemerkt en was de eerste twitchbare grauwe fitis voor de provincie Utrecht aan ons voorbijgegaan.
28 (en 29) mei 2026
Mijn weblogkasteel
Meer Urban Birding: En Hoorn dat is een mooie stad …
Guus’ weblog: Over vogels en wat dies meer zij
dinsdag 2 juni 2026
woensdag 27 mei 2026
Veerkracht
Ik was laatst naar Arkemheen. Ik had daar onder andere op twee plekken langs het Nuldernauw zingende grote karekiet. Daar was ik ook voor naar Arkemheen gegaan, maar eigenlijk waren die maar bijzaak. Wat ik nog veel meer had, waren zingende kleine karekieten en rietzangers, bosrietzangers, tuinfluiters en zwartkoppen. Onder meer. En een dag later in de Gagelpolder precies hetzelfde. Nou ja, geen grote karekieten natuurlijk, maar wel volop kleine karekieten, rietzangers, bosrietzangers, tuinfluiters en zwartkoppen. Met duizenden zijn die de afgelopen weken ons land binnengekomen en overal waar het ook maar enigszins geschikt voor ze is, zijn ze neergestreken. Zoals ieder jaar. Niks bijzonders dus, maar toch: in weerwil van alle kritische rapporten over de stand van de natuur in Nederland, over stikstof en vervuild grondwater, verdroging en afbrokkelende biodiversiteit, komen ze toch elk jaar weer, tegen de klippen op, massaal terug naar ons land. Als het effe kan op precies dezelfde plekken als in de voorgaande jaren.
Die veerkracht van de natuur, die blijft me verbazen. We kunnen het zo bont niet maken, we kunnen de sloten vergiftigen, tonnen aan stikstof over onze natuur uitstorten en hectare na hectare aan landbouwgebied omvormen tot ecologische woestijnen, maar ze komen toch weer terug. Ze vinden toch weer plekjes die geschikt voor ze zijn.
Ik ga absoluut niet mee in de ontkenningen van veel mensen, vooral boeren (ja, die hangen massaal spandoeken op met die boodschap dus ik mag dat zeggen), die beweren dat er niets aan de hand is met de natuur in Nederland. Het gaat in vele opzichten tamelijk slechts. Maar intussen gaat er natuurlijk ook veel nog best goed. Gaat de natuur haar eigen gang, zoals dat de natuur betaamt. En keren jaar na jaar kleine karekieten, rietzangers, bosrietzangers, tuinfluiters en zwartkoppen terug in ons land, brengen jongen groot, vertrekken weer en komen (niet perse dezelfde) een jaar later weer terug om weer jongen groot te brengen. En dat gaat zo maar door, jaar na jaar, decennium na decennium, eeuw na eeuw. Nee, daar komt voorlopig nog geen einde aan, hoe we ook ons best doen. Misschien reden voor een sprankje optimisme in deze dorre tijden.
27 mei 2026
Mijn weblogkasteel
Die veerkracht van de natuur, die blijft me verbazen. We kunnen het zo bont niet maken, we kunnen de sloten vergiftigen, tonnen aan stikstof over onze natuur uitstorten en hectare na hectare aan landbouwgebied omvormen tot ecologische woestijnen, maar ze komen toch weer terug. Ze vinden toch weer plekjes die geschikt voor ze zijn.
Ik ga absoluut niet mee in de ontkenningen van veel mensen, vooral boeren (ja, die hangen massaal spandoeken op met die boodschap dus ik mag dat zeggen), die beweren dat er niets aan de hand is met de natuur in Nederland. Het gaat in vele opzichten tamelijk slechts. Maar intussen gaat er natuurlijk ook veel nog best goed. Gaat de natuur haar eigen gang, zoals dat de natuur betaamt. En keren jaar na jaar kleine karekieten, rietzangers, bosrietzangers, tuinfluiters en zwartkoppen terug in ons land, brengen jongen groot, vertrekken weer en komen (niet perse dezelfde) een jaar later weer terug om weer jongen groot te brengen. En dat gaat zo maar door, jaar na jaar, decennium na decennium, eeuw na eeuw. Nee, daar komt voorlopig nog geen einde aan, hoe we ook ons best doen. Misschien reden voor een sprankje optimisme in deze dorre tijden.
27 mei 2026
Mijn weblogkasteel
dinsdag 19 mei 2026
98
Elke keer als ik een grijze wouw zie, wat nog steeds niet zo erg vaak is, moet ik denken aan de eerste keer dat ik er in Nederland een zag. Er was er een ontdekt op donderdag de twaalfde maar het was voor mij te laat om er nog die dag heen te gaan. Het moest dus vrijdag de dertiende gebeuren en ik kon me al helemaal voorstellen wat er op die ongeluksdag mis kon gaan. Grijze wouw was toen nog een zeer zeldzame soort die meestal de ochtend na de ontdekking al voor dag en dauw vertrokken was en door niemand meer werd teruggezien. En ik had geen idee wanneer ik, als het inderdaad mis zou gaan, opnieuw de kans zou krijgen.
Dat is inmiddels drastisch veranderd. Inmiddels is grijze wouw een soort waarvan er jaarlijks ruimschoots meer dan tien gezien worden en hoef je nooit lang te wachten op een herkansing. Desondanks ging ik vanavond na de melding van een geval bij mij om de hoek, gauw nog even op pad om dit buitenkansje op te strijken. Wat prima lukte: hij zat rustig om zich heen te kijken hoog in een boom in de Veenderij, rietland in de Bethunepolder nabij Maarssen. Mijn achtste in Nederland alweer.
Het was een aangenaam toetje na een lange dag. We hadden vandaag een excursie met Vogelwacht Utrecht naar Zeeland. In mei een hele dag in Zeeland, dat moest een 100-plusser kunnen worden, vond ik. Dus ik nam me voor om van deze dag een complete vogellijst te maken en begon onderweg naar de vertrekplaats al te tellen. Bij vertrek daar stond de teller al op 25.
Er werd ons deze dag een uitzonderlijk goede timing in de schoot geworpen. Vooraf was voor vandaag veel regen voorspeld en inderdaad regende het gestaag onderweg naar Zeeland. Maar toen we een tussenstop maakten aan het Krammer was het al bijna droog en die laatste druppels deerden ons niet want we hadden vanuit de auto mooi zicht op de Plaat van Oude Tonge en op de bonte strandlopers, de bontbekplevieren en de schitterende zilverplevieren in zomerkleed aldaar op het slik. Met ook nog een dwergsterntje foeragerend boven een natte kreek stond de teller nog voor we de beoogde startlocatie bereikt hadden, al op 39. En toen we in het desbetreffende duinland op Walcheren gearriveerd waren, scheen de zon. Het was ons hier om bijeneters te doen, en bijeneters kregen we. Volop zelfs. Hier twee liefkozend in een struikje, daar een paar zonnend in een boomtopje en ineens een heel stel tegelijk in de lucht. Tellen was lastig maar een stuk of vijftien waren het er zeker. En allemaal prachtig van kleur, als vliegende regenboogjes. De bonus mocht er ook wezen: een fraaie wespendief cirkelde boven ons rondjes toen we weer op weg waren naar de uitgang. En de teller stond op 64.
Zo voortvarend als deze start ging het daarna niet meer. Ons bezoek aan Neeltje Jans was eigenlijk zo goed als vergeefs, al is een kleine zilverreiger, op een strekdam in wat de Betonhaven schijnt te heten, natuurlijk altijd leuk. Ook de noordelijke Prunjepolder leverde behalve een paar handen vol kluten weinig op. Een gebiedje met de raadselachtige naam Gasthuis Bevang bij Zierikzee moest de kar weer lostrekken. En dat lukte aardig: nog meer kluten, zingende veldleeuwerik, dwergstern, twee zwartkopmeeuwen en vooral: strandplevier, ook een van de doelsoorten vandaag. Eerst zagen we ze ver weg trillend in het felle zonlicht. Later zagen we er drie ietsje dichterbij maar vooral toen een opkomend regenfront ons de zon benam, waren ze ineens glashelder zichtbaar, compleet met onderbroken borstbandje en zandkleurige bovendelen. Met 85 op de teller leek de honderd binnen bereik, hoewel dat opkomende regenfront ons wel de auto’s in dwong. Maar toen we bij de Heerenkeet uitstapten, was het alweer droog.
De zuidelijke Prunje leverde na onze pauze niet zo veel opzienbarends op maar de Flauwers- en de Weversinlaag aan de andere kant van de dijk wel, wat mij betreft: prachtige groepen van honderden overtijende zilverplevieren en rosse grutto's, allemaal pronkend met hun zomeroutfit, een noordse stern en een dwergstern, een paar zwartkopmeeuwen en een kleine strandloper, onder meer. De teller reikte echter niet verder dan 89 soorten en met alleen de Brouwersdam nog te gaan leek de honderd nu wel buiten bereik.
De Brouwersdam leverde geen nieuwe dagsoorten meer op. Niet de gehoopte zwarte zeekoet en ook verder niets dan een lege zee. Het was er februari niet, dat was wel duidelijk. En op de terugweg regende het weer. Met nog knobbelzwaan en purperreiger vanuit de auto leek de dag te eindigen met 91 soorten.
Vanavond bij de grijze wouw scheen de zon weer dunnetjes door het wolkendek. Ik ging nog maar even door met tellen en inde naast grijze wouw nog soorten als bosrietzanger, snor en sprinkhaanzanger, maar de honderd haalde ik net niet. De teller bleef steken op 98, wat eigenlijk best mager is voor zo’n lange en vogelrijke dag. Maar daarover klagen is natuurlijk niet aan de orde.
17 mei 2026
Mijn weblogkasteel
Dat is inmiddels drastisch veranderd. Inmiddels is grijze wouw een soort waarvan er jaarlijks ruimschoots meer dan tien gezien worden en hoef je nooit lang te wachten op een herkansing. Desondanks ging ik vanavond na de melding van een geval bij mij om de hoek, gauw nog even op pad om dit buitenkansje op te strijken. Wat prima lukte: hij zat rustig om zich heen te kijken hoog in een boom in de Veenderij, rietland in de Bethunepolder nabij Maarssen. Mijn achtste in Nederland alweer.
Het was een aangenaam toetje na een lange dag. We hadden vandaag een excursie met Vogelwacht Utrecht naar Zeeland. In mei een hele dag in Zeeland, dat moest een 100-plusser kunnen worden, vond ik. Dus ik nam me voor om van deze dag een complete vogellijst te maken en begon onderweg naar de vertrekplaats al te tellen. Bij vertrek daar stond de teller al op 25.
Er werd ons deze dag een uitzonderlijk goede timing in de schoot geworpen. Vooraf was voor vandaag veel regen voorspeld en inderdaad regende het gestaag onderweg naar Zeeland. Maar toen we een tussenstop maakten aan het Krammer was het al bijna droog en die laatste druppels deerden ons niet want we hadden vanuit de auto mooi zicht op de Plaat van Oude Tonge en op de bonte strandlopers, de bontbekplevieren en de schitterende zilverplevieren in zomerkleed aldaar op het slik. Met ook nog een dwergsterntje foeragerend boven een natte kreek stond de teller nog voor we de beoogde startlocatie bereikt hadden, al op 39. En toen we in het desbetreffende duinland op Walcheren gearriveerd waren, scheen de zon. Het was ons hier om bijeneters te doen, en bijeneters kregen we. Volop zelfs. Hier twee liefkozend in een struikje, daar een paar zonnend in een boomtopje en ineens een heel stel tegelijk in de lucht. Tellen was lastig maar een stuk of vijftien waren het er zeker. En allemaal prachtig van kleur, als vliegende regenboogjes. De bonus mocht er ook wezen: een fraaie wespendief cirkelde boven ons rondjes toen we weer op weg waren naar de uitgang. En de teller stond op 64.
Zo voortvarend als deze start ging het daarna niet meer. Ons bezoek aan Neeltje Jans was eigenlijk zo goed als vergeefs, al is een kleine zilverreiger, op een strekdam in wat de Betonhaven schijnt te heten, natuurlijk altijd leuk. Ook de noordelijke Prunjepolder leverde behalve een paar handen vol kluten weinig op. Een gebiedje met de raadselachtige naam Gasthuis Bevang bij Zierikzee moest de kar weer lostrekken. En dat lukte aardig: nog meer kluten, zingende veldleeuwerik, dwergstern, twee zwartkopmeeuwen en vooral: strandplevier, ook een van de doelsoorten vandaag. Eerst zagen we ze ver weg trillend in het felle zonlicht. Later zagen we er drie ietsje dichterbij maar vooral toen een opkomend regenfront ons de zon benam, waren ze ineens glashelder zichtbaar, compleet met onderbroken borstbandje en zandkleurige bovendelen. Met 85 op de teller leek de honderd binnen bereik, hoewel dat opkomende regenfront ons wel de auto’s in dwong. Maar toen we bij de Heerenkeet uitstapten, was het alweer droog.
De zuidelijke Prunje leverde na onze pauze niet zo veel opzienbarends op maar de Flauwers- en de Weversinlaag aan de andere kant van de dijk wel, wat mij betreft: prachtige groepen van honderden overtijende zilverplevieren en rosse grutto's, allemaal pronkend met hun zomeroutfit, een noordse stern en een dwergstern, een paar zwartkopmeeuwen en een kleine strandloper, onder meer. De teller reikte echter niet verder dan 89 soorten en met alleen de Brouwersdam nog te gaan leek de honderd nu wel buiten bereik.
De Brouwersdam leverde geen nieuwe dagsoorten meer op. Niet de gehoopte zwarte zeekoet en ook verder niets dan een lege zee. Het was er februari niet, dat was wel duidelijk. En op de terugweg regende het weer. Met nog knobbelzwaan en purperreiger vanuit de auto leek de dag te eindigen met 91 soorten.
Vanavond bij de grijze wouw scheen de zon weer dunnetjes door het wolkendek. Ik ging nog maar even door met tellen en inde naast grijze wouw nog soorten als bosrietzanger, snor en sprinkhaanzanger, maar de honderd haalde ik net niet. De teller bleef steken op 98, wat eigenlijk best mager is voor zo’n lange en vogelrijke dag. Maar daarover klagen is natuurlijk niet aan de orde.
17 mei 2026
Mijn weblogkasteel
vrijdag 15 mei 2026
Texel
Op zoek naar een bestemming kom je altijd wel een keertje weer op Texel uit. Zeker als daar mogelijk breedbekstrandloper, morinelplevieren en vrouwtje blauwvleugeltaling op het programma staan. Vooral in de breedbek was ik geïnteresseerd, want het was alweer zes jaar geleden dat ik die voor het laatst zag en bovendien een steltloper, die hebben altijd een streepje voor. Dus op deze prachtige hoewel ook behoorlijk frisse lentedag samen met Harriët weer eens de oversteek van het Marsdiep aanvaard. De stevige noordenwind (we moesten ver naar het noorden vandaag) verleidde ons ertoe een e-bike te huren. Ach, af en toe moet je accepteren dat je heel langzaamaan zeg maar een dagje ouder wordt. Al geldt dat natuurlijk al vanaf je geboorte.
Rustig peddelden we noordwaarts. De straffe noordenwind, hoewel behoorlijk fris, deerde ons niet maar vooralsnog geen enkele melding omtrent mijn doelsoorten dus rustig peddelden we noordwaarts. Twee dwergsterns boven het strand bij de Prins Hendrik Zanddijk. Kluten in zowat alle plasjes en drasjes die we tegenkwamen. Twee noordse sterns in Nieuw Buitenheim. Nog altijd mooie groepen rotganzen. En honderden grote sterns in het Wagejot. Nee, opzienbarend is het allemaal niet maar rond Utrecht zie je ze niet. Of hooguit zelden.
Toen eindelijk, nauwelijks meer verwacht, melding van breedbek: hij was er nog! Met ietsje meer haast en het motortje van standje eco naar standje tour, verder naar het noorden, tot waar ten zuiden van de Schorren het wad steeds verder werd teruggedrongen door het water. Waar breedbek gemeld was, was van het wad al geen spoor meer dus dat werd zoeken. Op zich een aangename bezigheid, met tientallen rosse grutto’s in zomerkleed voorhanden, een paar zilverplevieren idem, een drieteenstrandloper, een kanoet, een groenpootruiter en meer. Uiteindelijk is dit natuurlijk het ware vogelen. Intussen was de Waddenzee nog weer een paar honderd meter opgeschoven en wij schoven mee tot waar een paar vogelaars door hun telescoop stonden te turen. Onze vragende blikken werden op bevredigende wijze beantwoord: ze hadden hem. Ik mocht door een van de scopen kijken: een fraaie breedbekstrandloper foerageerde op het droge wad nog vrij dicht onder de dijk. Dichterbij nog dan ik aanvankelijk dacht, waardoor het nogal tijd kostte voor ik hem zelf terugvond. Maar toen dat eenmaal gelukt was: weergaloos! Een visarend die verderop op het wad bezig was een vis tot zich te nemen, was een fijne bonus.
De speurtocht langs de kale akkers tot aan De Cocksdorp leverde slechts goudplevieren op. Morinellen waren voor ons vandaag niet weggelegd. Dan maar de blauwvleugeltaling om het mee af te ronden, nam ik me voor. Via Dorpzicht (eiders, vier lepelaars, rot- en brandganzen) en de Waalenburg (kluten, kemphaan) lieten we ons naar het zuiden blazen. Heel relaxt allemaal maar berichten over een mogelijke poelsnip op het Renvogelveldje verstoorden danig mijn gemoedsrust. Dat was de overtreffende trap van breedbekstrandloper: mocht het zover komen pas mijn tweede ooit, na een gevalletje alweer elf jaar geleden. We zaten in de Marel toen de bijvoeging ‘mogelijke’ geschrapt bleek. Gelukkig kon ik meerijden met Janneke en Sytske (Harriët bleef liever achter in en rond de Marel).
We konden zo aanschuiven. Een inkoppertje dit keer. De snip zat half verscholen maar schitterend dichtbij in een graspol. Bijna de helft van de vogel was onzichtbaar maar wat zichtbaar was, was voldoende om de determinatie als poelsnip te bevestigen, voor zover nog nodig: plomp voorkomen, stevige en niet al te lange snavel, zwaar gebandeerde borst en zijhals en de eerste van de helder witte veerrandjes op de vleugeldekveren waren net zichtbaar. Dit was de overtreffende trap van een bonus. Hij maakte deze dag helemaal af. De taling daarna maar laten zitten.
10 mei 2026
Mijn weblogkasteel
Rustig peddelden we noordwaarts. De straffe noordenwind, hoewel behoorlijk fris, deerde ons niet maar vooralsnog geen enkele melding omtrent mijn doelsoorten dus rustig peddelden we noordwaarts. Twee dwergsterns boven het strand bij de Prins Hendrik Zanddijk. Kluten in zowat alle plasjes en drasjes die we tegenkwamen. Twee noordse sterns in Nieuw Buitenheim. Nog altijd mooie groepen rotganzen. En honderden grote sterns in het Wagejot. Nee, opzienbarend is het allemaal niet maar rond Utrecht zie je ze niet. Of hooguit zelden.
Toen eindelijk, nauwelijks meer verwacht, melding van breedbek: hij was er nog! Met ietsje meer haast en het motortje van standje eco naar standje tour, verder naar het noorden, tot waar ten zuiden van de Schorren het wad steeds verder werd teruggedrongen door het water. Waar breedbek gemeld was, was van het wad al geen spoor meer dus dat werd zoeken. Op zich een aangename bezigheid, met tientallen rosse grutto’s in zomerkleed voorhanden, een paar zilverplevieren idem, een drieteenstrandloper, een kanoet, een groenpootruiter en meer. Uiteindelijk is dit natuurlijk het ware vogelen. Intussen was de Waddenzee nog weer een paar honderd meter opgeschoven en wij schoven mee tot waar een paar vogelaars door hun telescoop stonden te turen. Onze vragende blikken werden op bevredigende wijze beantwoord: ze hadden hem. Ik mocht door een van de scopen kijken: een fraaie breedbekstrandloper foerageerde op het droge wad nog vrij dicht onder de dijk. Dichterbij nog dan ik aanvankelijk dacht, waardoor het nogal tijd kostte voor ik hem zelf terugvond. Maar toen dat eenmaal gelukt was: weergaloos! Een visarend die verderop op het wad bezig was een vis tot zich te nemen, was een fijne bonus.
De speurtocht langs de kale akkers tot aan De Cocksdorp leverde slechts goudplevieren op. Morinellen waren voor ons vandaag niet weggelegd. Dan maar de blauwvleugeltaling om het mee af te ronden, nam ik me voor. Via Dorpzicht (eiders, vier lepelaars, rot- en brandganzen) en de Waalenburg (kluten, kemphaan) lieten we ons naar het zuiden blazen. Heel relaxt allemaal maar berichten over een mogelijke poelsnip op het Renvogelveldje verstoorden danig mijn gemoedsrust. Dat was de overtreffende trap van breedbekstrandloper: mocht het zover komen pas mijn tweede ooit, na een gevalletje alweer elf jaar geleden. We zaten in de Marel toen de bijvoeging ‘mogelijke’ geschrapt bleek. Gelukkig kon ik meerijden met Janneke en Sytske (Harriët bleef liever achter in en rond de Marel).
We konden zo aanschuiven. Een inkoppertje dit keer. De snip zat half verscholen maar schitterend dichtbij in een graspol. Bijna de helft van de vogel was onzichtbaar maar wat zichtbaar was, was voldoende om de determinatie als poelsnip te bevestigen, voor zover nog nodig: plomp voorkomen, stevige en niet al te lange snavel, zwaar gebandeerde borst en zijhals en de eerste van de helder witte veerrandjes op de vleugeldekveren waren net zichtbaar. Dit was de overtreffende trap van een bonus. Hij maakte deze dag helemaal af. De taling daarna maar laten zitten.
10 mei 2026
Mijn weblogkasteel
vrijdag 24 april 2026
Usquert
Iedereen doet wel eens iets geks. Zo ging ik effe heen en weer naar Usquert. Usquert, parel van het noorden. Het rustieke, landelijke dorp in het Hoge Land van Groningen, met zijn stille lanen met ruim betegelde voortuinen, zijn verlaten kinderspeelplaatsjes met klimrek en glijbaan, zijn gesloten boerderettes met rozevingerige sierkersen voor de deur enzovoort. Nou ja, de werkelijkheid is natuurlijk dat niemand iets in Usquert te zoeken heeft behalve wie er woont of wie er familie of vrienden heeft wonen. Plus momenteel een vogelaar die graag een kleine zwartkop aan zijn Nederlandse lijst wil toevoegen. Tot die laatste categorie mocht ik me vanochtend nog zelf rekenen. Dus zat ik vanmorgen twee en een half uur in de trein. Verruilde het zonnige midden van het land voor het grijze, kille en miezerige noorden en stond daar twee uur te turen in een wirwar van takken en blaadjes, van stammetjes en boompjes en struikgewas, hopend dat kleine zwartkop zich een keertje bloot zou geven. Een paar keer zag ik haar (want het is een vrouwtje), maar steeds kort, zo kort dat ik er nauwelijks iets aan zien kon. Bijna telkens was ze als ik mijn verrekijker richtte alweer gevlogen. Of stond ik net op de verkeerde plek of keek de verkeerde kant op. Nou ja, dacht ik, hebben is hebben en in het zuiden van Europa heb ik al genoeg mooie kleine zwartkoppen gezien. Al kun je je afvragen waarom ik hier dan überhaupt stond, als het niet louter om het plusje voor mijn lijst te doen was. Dus ik bleef nog even.
Toen ik aan wat uiteindelijk het einde bleek van mijn verblijf in dit weelderige parkje aan de rand van Usquert, verderop tussen de bomen iets zag bewegen, aanvankelijk nog verscholen tussen de bladeren, vroeg ik me af: zou het dit keer míj nou eens meezitten? Het antwoord was: ja. Want ineens kwam ze tevoorschijn en had ik een paar tellen lang vrij zicht op een loepzuivere kleine zwartkop. Voor een langduriger zicht ging ik wel weer een keertje naar Zuid Europa want daar zijn ze helemaal niet zeldzaam. Ik ging Usquert weer verlaten en keerde terug naar het nog immer zonnige midden van het land.
20 april 2026
Meer twitchen: Stukjes griel
Meer Urban Birding: De ontdekking van de eerste twitchbare grauwe fitis van Utrecht
Mijn weblogkasteel
Toen ik aan wat uiteindelijk het einde bleek van mijn verblijf in dit weelderige parkje aan de rand van Usquert, verderop tussen de bomen iets zag bewegen, aanvankelijk nog verscholen tussen de bladeren, vroeg ik me af: zou het dit keer míj nou eens meezitten? Het antwoord was: ja. Want ineens kwam ze tevoorschijn en had ik een paar tellen lang vrij zicht op een loepzuivere kleine zwartkop. Voor een langduriger zicht ging ik wel weer een keertje naar Zuid Europa want daar zijn ze helemaal niet zeldzaam. Ik ging Usquert weer verlaten en keerde terug naar het nog immer zonnige midden van het land.
20 april 2026
Meer twitchen: Stukjes griel
Meer Urban Birding: De ontdekking van de eerste twitchbare grauwe fitis van Utrecht
Mijn weblogkasteel
woensdag 18 maart 2026
Eempolders
Niets noemenswaardig werd er gemeld op Waarneming.nl, dus ik had er een hard hoofd in maar toen we met een groepje van tien namens vogelwacht Utrecht midden in de Eempolders uit de auto’s stapten, vlogen de grutto’s ons om de oren. Overal grutto's, in spectaculaire baltsvluchten of foeragerend in het gras. Dat er ergens in zomaar een Nederlandse polder nog zoveel grutto’s te zien zijn, is bepaald verheugend. Zeker in de context van de onafzienbare altijd groene maar vrijwel levenloze velden van raaigras die in de rest van het land gebruikelijk zijn en de duizenden kilometers boerensloten die de afgelopen jaren illegaal zijn gedempt. Om maar wat te noemen. (‘Nederland, dat kleine stukje aarde, laat het platteland in zijn waarde’, I couldn’t agree more. Is overigens een van een reeks doeken die bij ons in de polder hangen om de boerenzaak wat positiever voor het voetlicht te brengen. Deze is ook mooi: ‘Wil men onze koeien dood? Maar hoe zit het dan met de ganzenstikstofuitstoot?’ Je kunt je toch bijna niet voorstellen dat boeren niet snappen dat zowel die koeien als die ganzen gewoon de extra stikstof uitstoten die zij zelf via veevoer en kunstmest het systeem inbrengen? Maar het rijmt, dat dan weer wel. Dit alles natuurlijk ter zijde. Ik wil geen tractor op mijn stoep.) Trouwens hier in de polder ook tureluurs en kieviten in aantallen zoals je ze in het Hollandse polderland nog maar zelden ziet. Het is een waar weidevogelparadijs. Zo kan het dus ook.
Naast de lokale, territoriale grutto’s waren er trouwens ook groepjes pleisterende grutto’s die nog op doorreis waren en daartussen vonden we ook de nodige ijslandse grutto's. Die moeten nog een stukje verder. Sommige waren erg fraai en karakteristiek en vertoonden alle kenmerken die determinatie als ijslandse ondersteunen: fel gekeurde onderzijde die verder naar achteren op de buik doorloopt, kleurrijk gesnipperde bovendelen, wat kortere snavel en poten en wat afwijkend kopproefiel met steiler voorhoofd en rondere kop.
Mooie wandeling gemaakt vanaf de Corsrijkse weg over de zomerdijk naar de vogelkijkhut aan het Eemmeer, en al wandelend bouwden we een steeds aantrekkelijker vogellijst op. Twee bontbekplevieren foerageerden op de oever van een plasje vlak onder de dijk. Verderop vonden we vier kemphanen. In de verte zagen we in het bos op het eilandje de Dode Hond in het Eemmeer het zeearendennest. Dichterbij, vanaf de dijk langs het Eemmeer, zagen we zelfs heel klein een zeearendenkop boven het nest uitsteken. Bij dat andere eilandje, de Natte Hond, verbleven wat zwartkopmeeuwen. En op de terugweg zagen we eerst een fraaie velduil in en boven het weidevogelreservaat, passeerde vervolgens een blauwe kiekendief en zagen we tenslotte een smelleken die weliswaar ver weg maar toch heel herkenbaar aan zijn korte, spitse vleugeltjes in grote vaart door de lucht knalde. Je waant je dan toch heel even in arctischer streken. En intussen waren er overal brandganzen. Schattingen van het totale aantal in de polders moeten natuurlijk met een flinke korrel zout genomen worden maar liepen uiteen van zeker vijfduizend tot misschien wel tienduizend.
Met grote tevredenheid stortten we ons voor een korte pauze op het terras van de Eemnesser theetuin waarna we afsloten aan de Delta Schuitenbeek aan het Nijkerkernauw ten noorden van Nijkerk. Daar wordt ook nogal eens wat gezien en met onder andere enkele toppers (minimaal een man en twee vrouw), een fraaie adulte en een juveniele pontische meeuw op de blokkendam voor ons en een aantal kemphanen tussen de tureluurs op diezelfde blokkendam, werd ook die verwachting prima ingelost. Het was een onverwacht feestje geweest vandaag.
15 maart 2026
Mijn weblogkasteel
Naast de lokale, territoriale grutto’s waren er trouwens ook groepjes pleisterende grutto’s die nog op doorreis waren en daartussen vonden we ook de nodige ijslandse grutto's. Die moeten nog een stukje verder. Sommige waren erg fraai en karakteristiek en vertoonden alle kenmerken die determinatie als ijslandse ondersteunen: fel gekeurde onderzijde die verder naar achteren op de buik doorloopt, kleurrijk gesnipperde bovendelen, wat kortere snavel en poten en wat afwijkend kopproefiel met steiler voorhoofd en rondere kop.
Mooie wandeling gemaakt vanaf de Corsrijkse weg over de zomerdijk naar de vogelkijkhut aan het Eemmeer, en al wandelend bouwden we een steeds aantrekkelijker vogellijst op. Twee bontbekplevieren foerageerden op de oever van een plasje vlak onder de dijk. Verderop vonden we vier kemphanen. In de verte zagen we in het bos op het eilandje de Dode Hond in het Eemmeer het zeearendennest. Dichterbij, vanaf de dijk langs het Eemmeer, zagen we zelfs heel klein een zeearendenkop boven het nest uitsteken. Bij dat andere eilandje, de Natte Hond, verbleven wat zwartkopmeeuwen. En op de terugweg zagen we eerst een fraaie velduil in en boven het weidevogelreservaat, passeerde vervolgens een blauwe kiekendief en zagen we tenslotte een smelleken die weliswaar ver weg maar toch heel herkenbaar aan zijn korte, spitse vleugeltjes in grote vaart door de lucht knalde. Je waant je dan toch heel even in arctischer streken. En intussen waren er overal brandganzen. Schattingen van het totale aantal in de polders moeten natuurlijk met een flinke korrel zout genomen worden maar liepen uiteen van zeker vijfduizend tot misschien wel tienduizend.
Met grote tevredenheid stortten we ons voor een korte pauze op het terras van de Eemnesser theetuin waarna we afsloten aan de Delta Schuitenbeek aan het Nijkerkernauw ten noorden van Nijkerk. Daar wordt ook nogal eens wat gezien en met onder andere enkele toppers (minimaal een man en twee vrouw), een fraaie adulte en een juveniele pontische meeuw op de blokkendam voor ons en een aantal kemphanen tussen de tureluurs op diezelfde blokkendam, werd ook die verwachting prima ingelost. Het was een onverwacht feestje geweest vandaag.
15 maart 2026
Mijn weblogkasteel
woensdag 4 maart 2026
Vreugderijkerwaard
Er viel niks te twitchen vandaag, althans, niks waar ik zin in had. Op zoek naar een leuke en hopelijk vogelrijke bestemming kwam ik uit bij de IJssel bij Zwolle. Weidse wateren zag ik voor me, de rivier uitgedijd tot een kilometers brede waterstroom waarin wat eilandjes dreven, richeltjes droge voeten met soms wat struikjes en boompjes omgeven door het langsstromende rivierwater waarin landweggetjes ten onder gingen. Water overal, ja, Nederland waterland. Met bescheiden doelsoorten als grote zaagbek en kleine zwaan ging ik op pad. Grote zaagbek had ik meteen al in de uiterwaard bij het Engelse werk, zo’n beetje het eerst wat je tegenkomt als je vanuit Zwolle op zoek gaat naar de IJssel. Twee zaten er, ver weg achter de smienten en de kuifeenden en al gauw kon ik ze niet meer terugvinden maar hoe dan ook, de eerste doelsoort was binnen.
Verder naar het noordwesten de IJssel volgend kwam ik in de Vreugderijkerwaard terecht. Ik ken de Vreugderijkerwaard nog van een taigastrandloper alweer vele jaren geleden, de eerste en nog altijd enige voor Nederland. Nederland is inmiddels bezaaid met van die plekken die je kent van een of andere zeldzaamheid ooit. Met herinneringen aan schemerochtenden dat je in grote haast de dijk beklimt, aan rijen van honderden vogelaars die zij aan zij over hun telescoop gebogen staan, en aan de euforie toen je de vogel in beeld had en de hele dijk feest vierde. Herinneringen die met kleine variaties van toepassing zijn op tientallen plekken in Nederland. En het worden er nog altijd elk jaar meer, getuigen van een leven lang vogelen.
Vandaag was er minder te beleven in de Vreugderijkerwaard en waren er ook heel wat minder vogelaars. De meeste vogels zaten ver weg maar mijn tweede doelsoort zat dichtbij langs de dijk: een kleine zwaan die meest met zijn kop in de veren zat maar als-ie hem eruit haalde mooi en in vol ornaat zichtbaar was. Waarmee deze bescheiden vogeldag succesvol kon worden afgesloten.
De dag had overigens nog een mooie bonus in de aanbieding: ergens tussen hier en de dijk aan de overkant, een kilometer of zo verderop, moest zich een steltkluut bevinden. Steltkluut is altijd een leuke soort maar begin maart bepaald een opzienbarende. Eerst geprobeerd hem van deze kant af terug te vinden maar de afstand was te groot, het licht teveel tegen en er waren teveel obstakels die een deel van de vogels daar in de verte aan het oog onttrokken. Een omweg via Zwolle bracht me op de zuidelijke IJsseldijk. De vogels zaten er dichterbij en de zon stond achter je en na enig zoeken vond ik de steltkluut terug. En zo stond ik al op 1 maart te kijken naar een prachtige steltkluut, iets waarop ik andere jaren tot minstens half april moet wachten. En was het me toch weer gelukt een leuke en vogelrijke bestemming te vinden.
1 maart 2026
Taigastrandloper
Verder naar het noordwesten de IJssel volgend kwam ik in de Vreugderijkerwaard terecht. Ik ken de Vreugderijkerwaard nog van een taigastrandloper alweer vele jaren geleden, de eerste en nog altijd enige voor Nederland. Nederland is inmiddels bezaaid met van die plekken die je kent van een of andere zeldzaamheid ooit. Met herinneringen aan schemerochtenden dat je in grote haast de dijk beklimt, aan rijen van honderden vogelaars die zij aan zij over hun telescoop gebogen staan, en aan de euforie toen je de vogel in beeld had en de hele dijk feest vierde. Herinneringen die met kleine variaties van toepassing zijn op tientallen plekken in Nederland. En het worden er nog altijd elk jaar meer, getuigen van een leven lang vogelen.
Vandaag was er minder te beleven in de Vreugderijkerwaard en waren er ook heel wat minder vogelaars. De meeste vogels zaten ver weg maar mijn tweede doelsoort zat dichtbij langs de dijk: een kleine zwaan die meest met zijn kop in de veren zat maar als-ie hem eruit haalde mooi en in vol ornaat zichtbaar was. Waarmee deze bescheiden vogeldag succesvol kon worden afgesloten.
De dag had overigens nog een mooie bonus in de aanbieding: ergens tussen hier en de dijk aan de overkant, een kilometer of zo verderop, moest zich een steltkluut bevinden. Steltkluut is altijd een leuke soort maar begin maart bepaald een opzienbarende. Eerst geprobeerd hem van deze kant af terug te vinden maar de afstand was te groot, het licht teveel tegen en er waren teveel obstakels die een deel van de vogels daar in de verte aan het oog onttrokken. Een omweg via Zwolle bracht me op de zuidelijke IJsseldijk. De vogels zaten er dichterbij en de zon stond achter je en na enig zoeken vond ik de steltkluut terug. En zo stond ik al op 1 maart te kijken naar een prachtige steltkluut, iets waarop ik andere jaren tot minstens half april moet wachten. En was het me toch weer gelukt een leuke en vogelrijke bestemming te vinden.
1 maart 2026
Taigastrandloper
Abonneren op:
Posts (Atom)







