Grote kanoet op Texel. Al enkele dagen aanwezig, overtijend in de Bol en naar verluid van tijd tot tijd prachtig te zien vanaf de molen Het Noorden aan de Krassekeet. Een geweldige soort natuurlijk maar tot nu toe had ik hem genegeerd. ‘Ik koesterde de vorige op Texel’, zoals Jeroen schreef. Maar er komt dan vaak toch een moment, in elk geval bij mij, dat het glas overstroomt en je toch naar Texel moet. Daarbij zijn krachten aan het werk die mijn mentale vermogens te boven gaan. Dus met de trein naar Den Helder, met de boot naar ’t Horntje en van daar met de vouwfiets naar het noorden.
De vogel beweegt mee met het getij: bij laag water zit-ie op het wad om bij opkomend tij op een gegeven moment het eiland op te gaan. Gisteren was de eerste melding om even na 11 uur en elke dag is het ongeveer een uur later hoog water. Dus toen ik om even voor tienen van de boot fietste, was ik aan de vroege kant. Dat-ie nog niet gevonden was toen ik bij de molen arriveerde, verontrustte me dan ook niet. Er zaten wel al honderden rosse grutto’s en kanoeten en een paar zwarte ruiters, maar grote kanoet had zich nog niet laten zien. Het was dus nog even wachten, en zoeken natuurlijk.
Na nog niet eens zo heel lange tijd sprak iemand achteloos de bevrijdende woorden ‘Ik heb hem’. Daarmee was het wachten tot een goed einde gebracht. Maar het zoeken nog lang niet want het beestje hield zich hardnekkig schuil tussen genoemde honderden rosse grutto’s en kanoeten en de aanwijzingen waar te zoeken hielpen maar matig: met die honderden rosse grutto’s en kanoeten was ‘achter een rosse grutto’ of ‘tussen twee kanoeten’ niet heel specifiek. Het was een ware oefening in geduld die ik maar ternauwernood succesvol wist te volbrengen maar uiteindelijk bood een bosje pitrussen op de achterliggende oever verlossing: eindelijk vond ik hem. De zwartachtige borstband, de rossige veren in de verder ook zwartachtige bovendelen (minder kleurrijk dan ik me van de vorige herinner; die was dan ook in mei dus mogelijk zijn de veren nu wat meer gesleten dan ze toen waren) en de zwarte stipjes langs de flanken verrieden hem: het was er echt een! Meest zat-ie (half) verscholen achter een of twee van die honderden rosse grutto’s en meest zat-ie te slapen met kop en snavel in de veren, maar af en toe werd-ie wakker, stak zijn kop uit de veren en zette een paar stappen. Meestal duurde het maar een paar tellen voor-ie zijn snavel weer in de veren stak, de fotografen waren er niet over te spreken maar voor mij was het voldoende voor telkens weer een moment van bijna tastbare euforie, voor telkens weer een blik op een grote kanoet in volle glorie. Prachtig gezien dus, en de onderneming ruimschoots waard. Ik kan hem iedereen aanraden. Zolang het nog kan.
8 juli 2026
Mijn weblogkasteel
Meer: Grote kanoet
maandag 13 juli 2026
vrijdag 10 juli 2026
Moerputten
Soms vind ik het best lastig om een bestemming te vinden voor mijn wekelijkse dagtochtje. Ik weet het, een luxeprobleem van heb ik jou daar, als dat je grootste probleem is heb je niks te klagen maar ik zit er maar mee. Zoals deze zondag. Gisteren roodkeelstrandloper in de Markerwadden: zou nog een lifer voor me zijn. Maar onbereikbaar. De boten waren tet en met vandaag volgeboekt en de vogel bleek trouwens vandaag vertrokken. Dus dat de boten volgeboekt waren, was achteraf een zegen. Dan maar grote kanoet op Texel? Ik wist dat nog zo net niet. Die moest eerst nog maar eens teruggevonden worden (want gistermiddag bij laag water het wad op gevlogen) en dan was het waarschijnlijk te laat voor een dagje Texel. En eerlijk gezegd koesterde ik de vogel van tien jaar geleden. Geen lifer dus, dus ik zat nog niet om dergelijk avontuur te springen. Maar ja, vergeleken bij die grootheden waren alle alternatieven natuurlijk onbeduidend, bijzaak. In arren moede volgde ik dan maar (voor het eerst) Renskes tip op: ik ging naar de Moerputten en de omringende Vughtse Gement. En dat bleek een gouden tip. Hooilanden, ruigtelanden, beetje plasdras, bosranden, kwartels, oranje zandoogjes, veldleeuweriken en de Moerputten: weelderig moerasbos dat achter zijn bosranden als een plaatselijk geheim een langgerekte plas verbergt met rietoevers en uitgestrekte waterlelie- en plompenvelden, prachtig te bezichtigen vanaf de Moerputttenbrug: een oude spoorbrug die in de lengterichting de plas doorkruist en is omgevormd tot voetgangersbrug. Een ware toeristische attractie, wat natuurlijk niet helemaal overeenkomt met dat idee van dat plaatselijke geheim. Natuurmonumenten maakte er dan ook volop reclame voor. En terecht; een mooie plek was het.
Minstens zo mooi waren de bloemen- en vlinderweiden die achter het bos lagen: prachtige bloemrijke veldjes waar het als even de zon scheen (wat-ie maar af en toe deed en telkens best kort) wemelde van de vlinders. En hier huisde ook het paradepaardje van het gebied: het pimpernelblauwtje. De Moerputten vormen een van de weinige plekken in Nederland waar de soort voorkomt. Zou voor mij een lifer zijn. Nou waren de omstandigheden verre van ideaal voor vlinders: aan de koele kant, winderig, meest grijs en soms zelfs miezerig. Maar toen ik ineens boven op een grote pimpernel dat blauwtje zag zitten dacht ik: dat moest hem wel zijn. Nou is een vlindertje op een pimpernel misschien nog niet perse een pimpernelblauwtje, maar bij deze klopte alles: niet de roestbruine vlekken van icarusblauwtje en niet de bijna witte ondervleugel van boomblauwtje, dan zijn de gangbare smaken al op en een zeldzaam blauwtje in de Moerputten, rustend op pimpernel, dat kan inderdaad alleen maar pimpernelblauwtje zijn. De egale zachtbruine tint op de ondervleugel met de boogjes van zwarte stippen en de witte vleugelrand klopten ook precies voor de soort. Later, op een van die zeldzame zonnige momenten, zag ik er ook vliegen en vielen ook de donkerblauwe randen op de bovenvleugel op. Het complete pimpernelblauwtje dus. Een lifer! En een gevoel van grote tevredenheid: het was toch weer gelukt iets moois te maken van mijn vrije zondag.
5 juli 2026
Mijn weblogkasteel
Minstens zo mooi waren de bloemen- en vlinderweiden die achter het bos lagen: prachtige bloemrijke veldjes waar het als even de zon scheen (wat-ie maar af en toe deed en telkens best kort) wemelde van de vlinders. En hier huisde ook het paradepaardje van het gebied: het pimpernelblauwtje. De Moerputten vormen een van de weinige plekken in Nederland waar de soort voorkomt. Zou voor mij een lifer zijn. Nou waren de omstandigheden verre van ideaal voor vlinders: aan de koele kant, winderig, meest grijs en soms zelfs miezerig. Maar toen ik ineens boven op een grote pimpernel dat blauwtje zag zitten dacht ik: dat moest hem wel zijn. Nou is een vlindertje op een pimpernel misschien nog niet perse een pimpernelblauwtje, maar bij deze klopte alles: niet de roestbruine vlekken van icarusblauwtje en niet de bijna witte ondervleugel van boomblauwtje, dan zijn de gangbare smaken al op en een zeldzaam blauwtje in de Moerputten, rustend op pimpernel, dat kan inderdaad alleen maar pimpernelblauwtje zijn. De egale zachtbruine tint op de ondervleugel met de boogjes van zwarte stippen en de witte vleugelrand klopten ook precies voor de soort. Later, op een van die zeldzame zonnige momenten, zag ik er ook vliegen en vielen ook de donkerblauwe randen op de bovenvleugel op. Het complete pimpernelblauwtje dus. Een lifer! En een gevoel van grote tevredenheid: het was toch weer gelukt iets moois te maken van mijn vrije zondag.
5 juli 2026
Mijn weblogkasteel
Abonneren op:
Posts (Atom)



