woensdag 18 maart 2026

Eempolders

Niets noemenswaardig werd er gemeld op Waarneming.nl, dus ik had er een hard hoofd in maar toen we met een groepje van tien namens vogelwacht Utrecht midden in de Eempolders uit de auto’s stapten, vlogen de grutto’s ons om de oren. Overal grutto's, in spectaculaire baltsvluchten of foeragerend in het gras. Dat er ergens in zomaar een Nederlandse polder nog zoveel grutto’s te zien zijn, is bepaald verheugend. Zeker in de context van de onafzienbare altijd groene maar vrijwel levenloze velden van raaigras die in de rest van het land gebruikelijk zijn en de duizenden kilometers boerensloten die de afgelopen jaren illegaal zijn gedempt. Om maar wat te noemen. (‘Nederland, dat kleine stukje aarde, laat het platteland in zijn waarde’, I couldn’t agree more. Is overigens een van een reeks doeken die bij ons in de polder hangen om de boerenzaak wat positiever voor het voetlicht te brengen. Deze is ook mooi: ‘Wil men onze koeien dood? Maar hoe zit het dan met de ganzenstikstofuitstoot?’ Je kunt je toch bijna niet voorstellen dat boeren niet snappen dat zowel die koeien als die ganzen gewoon de extra stikstof uitstoten die zij zelf via veevoer en kunstmest het systeem inbrengen? Maar het rijmt, dat dan weer wel. Dit alles natuurlijk ter zijde. Ik wil geen tractor op mijn stoep.) Trouwens hier in de polder ook tureluurs en kieviten in aantallen zoals je ze in het Hollandse polderland nog maar zelden ziet. Het is een waar weidevogelparadijs. Zo kan het dus ook.
Naast de lokale, territoriale grutto’s waren er trouwens ook groepjes pleisterende grutto’s die nog op doorreis waren en daartussen vonden we ook de nodige ijslandse grutto's. Die moeten nog een stukje verder. Sommige waren erg fraai en karakteristiek en vertoonden alle kenmerken die determinatie als ijslandse ondersteunen: fel gekeurde onderzijde die verder naar achteren op de buik doorloopt, kleurrijk gesnipperde bovendelen, wat kortere snavel en poten en wat afwijkend kopproefiel met steiler voorhoofd en rondere kop.
Mooie wandeling gemaakt vanaf de Corsrijkse weg over de zomerdijk naar de vogelkijkhut aan het Eemmeer, en al wandelend bouwden we een steeds aantrekkelijker vogellijst op. Twee bontbekplevieren foerageerden op de oever van een plasje vlak onder de dijk. Verderop vonden we vier kemphanen. In de verte zagen we in het bos op het eilandje de Dode Hond in het Eemmeer het zeearendennest. Dichterbij, vanaf de dijk langs het Eemmeer, zagen we zelfs heel klein een zeearendenkop boven het nest uitsteken. Bij dat andere eilandje, de Natte Hond, verbleven wat zwartkopmeeuwen. En op de terugweg zagen we eerst een fraaie velduil in en boven het weidevogelreservaat, passeerde vervolgens een blauwe kiekendief en zagen we tenslotte een smelleken die weliswaar ver weg maar toch heel herkenbaar aan zijn korte, spitse vleugeltjes in grote vaart door de lucht knalde. Je waant je dan toch heel even in arctischer streken. En intussen waren er overal brandganzen. Schattingen van het totale aantal in de polders moeten natuurlijk met een flinke korrel zout genomen worden maar liepen uiteen van zeker vijfduizend tot misschien wel tienduizend.
Met grote tevredenheid stortten we ons voor een korte pauze op het terras van de Eemnesser theetuin waarna we afsloten aan de Delta Schuitenbeek aan het Nijkerkernauw ten noorden van Nijkerk. Daar wordt ook nogal eens wat gezien en met onder andere enkele toppers (minimaal een man en twee vrouw), een fraaie adulte en een juveniele pontische meeuw op de blokkendam voor ons en een aantal kemphanen tussen de tureluurs op diezelfde blokkendam, werd ook die verwachting prima ingelost. Het was een onverwacht feestje geweest vandaag.

15 maart 2026


Mijn weblogkasteel






woensdag 4 maart 2026

Vreugderijkerwaard

Er viel niks te twitchen vandaag, althans, niks waar ik zin in had. Op zoek naar een leuke en hopelijk vogelrijke bestemming kwam ik uit bij de IJssel bij Zwolle. Weidse wateren zag ik voor me, de rivier uitgedijd tot een kilometers brede waterstroom waarin wat eilandjes dreven, richeltjes droge voeten met soms wat struikjes en boompjes omgeven door het langsstromende rivierwater waarin landweggetjes ten onder gingen. Water overal, ja, Nederland waterland. Met bescheiden doelsoorten als grote zaagbek en kleine zwaan ging ik op pad. Grote zaagbek had ik meteen al in de uiterwaard bij het Engelse werk, zo’n beetje het eerst wat je tegenkomt als je vanuit Zwolle op zoek gaat naar de IJssel. Twee zaten er, ver weg achter de smienten en de kuifeenden en al gauw kon ik ze niet meer terugvinden maar hoe dan ook, de eerste doelsoort was binnen.
Verder naar het noordwesten de IJssel volgend kwam ik in de Vreugderijkerwaard terecht. Ik ken de Vreugderijkerwaard nog van een taigastrandloper alweer vele jaren geleden, de eerste en nog altijd enige voor Nederland. Nederland is inmiddels bezaaid met van die plekken die je kent van een of andere zeldzaamheid ooit. Met herinneringen aan schemerochtenden dat je in grote haast de dijk beklimt, aan rijen van honderden vogelaars die zij aan zij over hun telescoop gebogen staan, en aan de euforie toen je de vogel in beeld had en de hele dijk feest vierde. Herinneringen die met kleine variaties van toepassing zijn op tientallen plekken in Nederland. En het worden er nog altijd elk jaar meer, getuigen van een leven lang vogelen.
Vandaag was er minder te beleven in de Vreugderijkerwaard en waren er ook heel wat minder vogelaars. De meeste vogels zaten ver weg maar mijn tweede doelsoort zat dichtbij langs de dijk: een kleine zwaan die meest met zijn kop in de veren zat maar als-ie hem eruit haalde mooi en in vol ornaat zichtbaar was. Waarmee deze bescheiden vogeldag succesvol kon worden afgesloten.
De dag had overigens nog een mooie bonus in de aanbieding: ergens tussen hier en de dijk aan de overkant, een kilometer of zo verderop, moest zich een steltkluut bevinden. Steltkluut is altijd een leuke soort maar begin maart bepaald een opzienbarende. Eerst geprobeerd hem van deze kant af terug te vinden maar de afstand was te groot, het licht teveel tegen en er waren teveel obstakels die een deel van de vogels daar in de verte aan het oog onttrokken. Een omweg via Zwolle bracht me op de zuidelijke IJsseldijk. De vogels zaten er dichterbij en de zon stond achter je en na enig zoeken vond ik de steltkluut terug. En zo stond ik al op 1 maart te kijken naar een prachtige steltkluut, iets waarop ik andere jaren tot minstens half april moet wachten. En was het me toch weer gelukt een leuke en vogelrijke bestemming te vinden.

1 maart 2026


Taigastrandloper