vrijdag 10 juli 2026

Moerputten

Soms vind ik het best lastig om een bestemming te vinden voor mijn wekelijkse dagtochtje. Ik weet het, een luxeprobleem van heb ik jou daar, als dat je grootste probleem is heb je niks te klagen maar ik zit er maar mee. Zoals deze zondag. Gisteren roodkeelstrandloper in de Markerwadden: zou nog een lifer voor me zijn. Maar onbereikbaar. De boten waren tet en met vandaag volgeboekt en de vogel bleek trouwens vandaag vertrokken. Dus dat de boten volgeboekt waren, was achteraf een zegen. Dan maar grote kanoet op Texel? Ik wist dat nog zo net niet. Die moest eerst nog maar eens teruggevonden worden (want gistermiddag bij laag water het wad op gevlogen) en dan was het waarschijnlijk te laat voor een dagje Texel. En eerlijk gezegd koesterde ik de vogel van tien jaar geleden. Geen lifer dus, dus ik zat nog niet om dergelijk avontuur te springen. Maar ja, vergeleken bij die grootheden waren alle alternatieven natuurlijk onbeduidend, bijzaak. In arren moede volgde ik dan maar (voor het eerst) Renskes tip op: ik ging naar de Moerputten en de omringende Vughtse Gement. En dat bleek een gouden tip. Hooilanden, ruigtelanden, beetje plasdras, bosranden, kwartels, oranje zandoogjes, veldleeuweriken en de Moerputten: weelderig moerasbos dat achter zijn bosranden als een plaatselijk geheim een langgerekte plas verbergt met rietoevers en uitgestrekte waterlelie- en plompenvelden, prachtig te bezichtigen vanaf de Moerputttenbrug: een oude spoorbrug die in de lengterichting de plas doorkruist en is omgevormd tot voetgangersbrug. Een ware toeristische attractie, wat natuurlijk niet helemaal overeenkomt met dat idee van dat plaatselijke geheim. Natuurmonumenten maakte er dan ook volop reclame voor. En terecht; een mooie plek was het.
Minstens zo mooi waren de bloemen- en vlinderweiden die achter het bos lagen: prachtige bloemrijke veldjes waar het als even de zon scheen (wat-ie maar af en toe deed en telkens best kort) wemelde van de vlinders. En hier huisde ook het paradepaardje van het gebied: het pimpernelblauwtje. De Moerputten vormen een van de weinige plekken in Nederland waar de soort voorkomt. Zou voor mij een lifer zijn. Nou waren de omstandigheden verre van ideaal voor vlinders: aan de koele kant, winderig, meest grijs en soms zelfs miezerig. Maar toen ik ineens boven op een grote pimpernel dat blauwtje zag zitten dacht ik: dat moest hem wel zijn. Nou is een vlindertje op een pimpernel misschien nog niet perse een pimpernelblauwtje, maar bij deze klopte alles: niet de roestbruine vlekken van icarusblauwtje en niet de bijna witte ondervleugel van boomblauwtje, dan zijn de gangbare smaken al op en een zeldzaam blauwtje in de Moerputten, rustend op pimpernel, dat kan inderdaad alleen maar pimpernelblauwtje zijn. De egale zachtbruine tint op de ondervleugel met de boogjes van zwarte stippen en de witte vleugelrand klopten ook precies voor de soort. Later, op een van die zeldzame zonnige momenten, zag ik er ook vliegen en vielen ook de donkerblauwe randen op de bovenvleugel op. Het complete pimpernelblauwtje dus. Een lifer! En een gevoel van grote tevredenheid: het was toch weer gelukt iets moois te maken van mijn vrije zondag.

5 juli 2026


Mijn weblogkasteel







zondag 28 juni 2026

Wandelvierdaagse

Al jaren zijn we bezig met de Groene Hart-wandeling, een middellange afstandswandeling door en rond het Groene Hart van Utrecht en Zuid Holland. Als afsluiting deden we een wandelvierdaagse van Vlaardingen naar Oudekerk aan den IJssel. Dat ging van avondschemer boven de stille velden rond de Ackerdijksche plassen met zingende snor en karekiet naar die boven de overweldigende Maasboulevard van Rotterdam met zijn spectaculaire hoogbouw waar ook ik als natuurliefhebber van onder de in druk was, hoogbouw tot kunst verheven. Van de knusse en gezellige B&B te Oude Leede waar we hartelijk werden onthaald door onze gastheer, naar de steriele studio in Kralingen waar we naar binnen konden met een pincode die naar ons geappt was en waar we niemand hebben gezien. Ja, het was een nogal afwisselende vierdaagse.
En wij maar lopen. Van Vlaardingen via Kethel en De Zweth naar Oude Leede. Van Oude Leede via de Groene Keijzer en de Ackerdijksche plassen naar Oude Leede. Van Oude Leede via de Schieveldse polder en het Schieveldse park, vlak langs vliegveld Zestienhoven zoals dat voor mij nog altijd heet, via Hillegersberg en de Bergsche plas en langs de Rotte naar Kralingen. En door het Kralingse bos en het Schollebos richting Oudekerk.
Eerlijk gezegd kan ik niet eens zeggen dat we heel veel hebben meegemaakt, althans, niet naar de hedendaagse maatstaven. We hebben gewandeld en we hebben het Groene Hart gezien tussen Vlaardingen en Oudekerk aan den IJssel. Of wat daarvoor doorgaat want het was niet overal even groen. Maar het was meestal fraai, hoewel op allerlei verschillende manieren. De rietlanden en waterlopen van Vockestaert, waar snor en bosrietzanger zongen. De prachtige natuur van de Ackerdijksche plassen, met zijn ruige hooilanden en verwilderde velden, plasjes en drasjes en bosranden waarachter de plassen scholen. Ook daar zongen bosrietzanger en snor, en rietzangers, karekieten en cetti's zanger. Lepelaars, bruine kiekendief en op een avond een prachtige adult zomer zwarte ruiter in het plasje bij de vogelkijkhut. De Groene Keijzer: gloednieuwe maar inmiddels vermaarde plasdras langs de N470 die met onder andere diverse fraaie steltkluten wat vogels betreft het hoogtepunt van onze vierdaagse vormde. En de stadsnatuur van de regio Rotterdam: de Schieveldse polder en de Bergsche plas, zo’n plek waar je je, midden in de wereldstad, ver weg op het platteland kunt wanen, met ver achter de plas de torenflats van de Maasboulevard om je toch nog even aan die wereldstad te herinneren. Het Kralingse bos en de Kralingse plas waar de Maasboulevard aan de horizon weerspiegelde in het roerloze water. Het Schollebos, klassiek parkbos waar de watertjes kronkelden rond speelweiden en onverwachte bosschages. We eindigden met het verbazingwekkend fraaie Hitland, waar lanen langs statige bomen en kruidige graslanden, langs bosschages en langs half-natuurlijke waterlopen uitmondden in een plankier dwars door stille veenplassen met waterlelies en gele plompen en langs stille moerasbossen waar wilgen kronkelden en lianen slingerden. Een stukje paradijs op aarde. Waarna we de IJssel overstaken en onze eindbestemming bereikten.

18 juni 2026


Mijn weblogkasteel









maandag 22 juni 2026

Scheemda

Zowat vijf uur zat ik in de trein, twee-en-een-half uur heen en twee-en-een-half uur terug, voor krap drie uur fietsen in noordoost Groningen. Of die verhouding niet een beetje scheef is? Ach, ik hou van de trein. Ik zit graag in de trein, ik doe er mijn ding, kijk uit het raampje en lees de krant. En het is gratis, met mijn weekend-vrij abonnement, dat mag ik als echte Hollander ook niet vergeten. En dan stap je uit in Scheemda en heb je zomaar drie a vier uur de tijd om rond te fietsen door de velden rond Scheemda, Midwolda en Nieuwolda. Nou zijn die velden op zich geen feest maar ergens hebben ze toch wel iets aantrekkelijks. De eindeloze akkers, de zeeën van graan strekken zich ongehinderd uit tot aan de horizon, af en toe afgewisseld met aardappelakkers of feestelijke velden met ruigtekruiden of wuivend, hoogstaand gras. Alles in mooie rechthoekige vlakken. En hier en daar een eenzame burcht van bos, al dan niet rond een statige hoeve, een windmolen aan de horizon: schaarse stukjes landschap in het lege land.
Of je hier wel van natuur kunt spreken laat ik in het midden, maar de bruine kiekendieven, de gele kwikstaarten, de zingende blauwborsten en bosrietzangers, de veldleeuweriken hoog boven ons en zelfs een zingende geelgors, die denken er ongetwijfeld het hunne van. De soort van de dag was natuurlijk de grauwe kiekendief. Daar was ik voor gekomen. Zonder de grauwe kiekendieven die hier al jaren broeden in de akkers, was ik nooit naar Scheemda gegaan en had ik niets geweten van die eindeloze akkers en die zeeën van graan en die schaarse stukjes landschap in het lege land. En het kostte me enige tijd, meer dan me lief was en altijd als de doelsoort niet onmiddellijk voor je neus opduikt vrees je de totale mislukking, maar nog ruim op tijd was-ie daar gewoon, een mooi mannetje jagend boven het graanveld. Aanvankelijk nog vrij ver (hoewel toch heel fraai en karakteristiek, een oneindig slank, bijna mager beestje dat zijn rondjes draait boven de halmen) maar geleidelijk dichterbij en uiteindelijk zelfs even rustend op het asfalt, warm van de schaarse zonnestralen, en daarna prachtig dichtbij jagend boven de akker. Waarmee mijn vijf uren trein hun waarde wel weer hadden bewezen.

14 juni 2026

Mijn weblogkasteel
Zie ook: Expeditie grauwe kiekendief





dinsdag 2 juni 2026

De ontdekking van de eerste twitchbare grauwe fitis voor de provincie Utrecht

Eigenlijk was ik op weg naar de Gagelpolder, om daar op zoek te gaan naar libellen. Er zitten daar een paar leuke soorten, vandaar. Ik fietste over de Gangesdreef toen ik vanuit het parkje tegenover de kinderboerderij van park de Gagel in het voorbijgaan iets hoorde dat mijn aandacht trok. Iets dat ik nog niet zo een twee drie kon plaatsen. Ach, zou wel niets zijn. Ik was al bijna doorgefietst maar dacht: toch effe checken. Dat bleek een gelukkige gedachte: zong er daar hoog vanuit de boomkruinen een grauwe fitis! Die libellen, die moesten nog maar een dagje wachten.
Het was alweer lang geleden dat ik zelf een echt goede soort ontdekte, maar nu was het raak: deze zal de boeken in gaan als de eerste voor de provincie Utrecht. Er zijn enkele eenmalige oudere meldingen maar de meeste daarvan kunnen worden afgedaan als onzin. Een ervan lijkt me wel geloofwaardig: 7 juni 2013 zingend in Witte Vrouwen in de stad Utrecht, door een ervaren vogelaar. Echter al gauw stil, onvindbaar, door niemand anders waargenomen en niet aanvaard door de CDNA, wat toen nog moest. Gevalletje pech dus. Inmiddels wordt de soort niet meer door de CDNA beoordeeld dus die horde hoeven we niet meer te nemen. Was dat nog wel het geval, dan was dat waarschijnlijk ook geen probleem geweest.
Ik meldde mijn vondst in diverse vogel-appgroepen en ging op zoek. Af en toe zong-ie best fanatiek en soms ook dichtbij, maar soms was-ie ook lange tijd stil. Vaak hoorde ik hem daarna uit een andere richting en op flinke afstand. Hij leek zich dus af en toe ongezien vele tientallen meters door het parkje te verplaatsen.
Determinatie van grauwe fitis is, zeker als-ie zingt en je kent de zang, eigenlijk niet zo heel ingewikkeld. Heb je een boszanger, type tjiftjaf zeg maar, met fijn vleugelstreepje en prominente oog- en wenkbrauwstreep, dan zijn er nog maar weinig andere opties. Hoor je hem zingen, dan hoef je alleen nog maar groene fitis uit te sluiten. Die is weliswaar nog veel zeldzamer dan de grauwe, maar er zijn enkele gevallen geweest in Nederland, waarvan eentje door de subtiele verschillen in zang pas als groene werd ontmaskerd toen de vogel allang gevlogen was. Tot ongenoegen van velen. Voor een grauwe fitis gingen ze niet rijden, voor een groene hadden ze dat zeker wel gedaan.
Wat de vogel van Overvecht betreft: één keer zag ik die hoog boven me in de boomkruin. Veel was er niet aan te zien, niet meer dan de onderzijde eerlijk gezegd, maar die was egaal vuilwit zonder opvallende geeltinten. Andere waarnemers hebben hetzelfde vastgesteld. De zang klonk als een klassieke grauwe fitis, zodat de optie groene fitis niet voor de hand ligt. Er zijn inmiddels ook enkele geluidsopnames en die wijzen inderdaad op grauwe fitis. Wat natuurlijk jammer is want groene moet ik nog in Nederland.
Na een tijdje kwam de eerste vogelaar poolshoogte nemen en een half uurtje later stond een man of twintig om en om te wachten, te luisteren en te zoeken. Ik heb vandaag dus in elk geval een aantal mensen erg blij gemaakt. Na een tijdje werd de vogel steeds lastiger en steeds stiller en toen ik wegging was er al een tijdje niets meer van hem vernomen.

De volgende ochtend was de vogel vertrokken. Dus als ik niet toevallig over de Gangesdreef had gefietst en niet toch even was teruggefietst om dat rare geluidje te checken, had waarschijnlijk niemand de vogel opgemerkt en was de eerste twitchbare grauwe fitis voor de provincie Utrecht aan ons voorbijgegaan.

28 (en 29) mei 2026


Mijn weblogkasteel
Meer Urban Birding: En Hoorn dat is een mooie stad …




woensdag 27 mei 2026

Veerkracht

Ik was laatst naar Arkemheen. Ik had daar onder andere op twee plekken langs het Nuldernauw zingende grote karekiet. Daar was ik ook voor naar Arkemheen gegaan, maar eigenlijk waren die maar bijzaak. Wat ik nog veel meer had, waren zingende kleine karekieten en rietzangers, bosrietzangers, tuinfluiters en zwartkoppen. Onder meer. En een dag later in de Gagelpolder precies hetzelfde. Nou ja, geen grote karekieten natuurlijk, maar wel volop kleine karekieten, rietzangers, bosrietzangers, tuinfluiters en zwartkoppen. Met duizenden zijn die de afgelopen weken ons land binnengekomen en overal waar het ook maar enigszins geschikt voor ze is, zijn ze neergestreken. Zoals ieder jaar. Niks bijzonders dus, maar toch: in weerwil van alle kritische rapporten over de stand van de natuur in Nederland, over stikstof en vervuild grondwater, verdroging en afbrokkelende biodiversiteit, komen ze toch elk jaar weer, tegen de klippen op, massaal terug naar ons land. Als het effe kan op precies dezelfde plekken als in de voorgaande jaren.
Die veerkracht van de natuur, die blijft me verbazen. We kunnen het zo bont niet maken, we kunnen de sloten vergiftigen, tonnen aan stikstof over onze natuur uitstorten en hectare na hectare aan landbouwgebied omvormen tot ecologische woestijnen, maar ze komen toch weer terug. Ze vinden toch weer plekjes die geschikt voor ze zijn.
Ik ga absoluut niet mee in de ontkenningen van veel mensen, vooral boeren (ja, die hangen massaal spandoeken op met die boodschap dus ik mag dat zeggen), die beweren dat er niets aan de hand is met de natuur in Nederland. Het gaat in vele opzichten tamelijk slechts. Maar intussen gaat er natuurlijk ook veel nog best goed. Gaat de natuur haar eigen gang, zoals dat de natuur betaamt. En keren jaar na jaar kleine karekieten, rietzangers, bosrietzangers, tuinfluiters en zwartkoppen terug in ons land, brengen jongen groot, vertrekken weer en komen (niet perse dezelfde) een jaar later weer terug om weer jongen groot te brengen. En dat gaat zo maar door, jaar na jaar, decennium na decennium, eeuw na eeuw. Nee, daar komt voorlopig nog geen einde aan, hoe we ook ons best doen. Misschien reden voor een sprankje optimisme in deze dorre tijden.

27 mei 2026


Mijn weblogkasteel

dinsdag 19 mei 2026

98

Elke keer als ik een grijze wouw zie, wat nog steeds niet zo erg vaak is, moet ik denken aan de eerste keer dat ik er in Nederland een zag. Er was er een ontdekt op donderdag de twaalfde maar het was voor mij te laat om er nog die dag heen te gaan. Het moest dus vrijdag de dertiende gebeuren en ik kon me al helemaal voorstellen wat er op die ongeluksdag mis kon gaan. Grijze wouw was toen nog een zeer zeldzame soort die meestal de ochtend na de ontdekking al voor dag en dauw vertrokken was en door niemand meer werd teruggezien. En ik had geen idee wanneer ik, als het inderdaad mis zou gaan, opnieuw de kans zou krijgen.
Dat is inmiddels drastisch veranderd. Inmiddels is grijze wouw een soort waarvan er jaarlijks ruimschoots meer dan tien gezien worden en hoef je nooit lang te wachten op een herkansing. Desondanks ging ik vanavond na de melding van een geval bij mij om de hoek, gauw nog even op pad om dit buitenkansje op te strijken. Wat prima lukte: hij zat rustig om zich heen te kijken hoog in een boom in de Veenderij, rietland in de Bethunepolder nabij Maarssen. Mijn achtste in Nederland alweer.
Het was een aangenaam toetje na een lange dag. We hadden vandaag een excursie met Vogelwacht Utrecht naar Zeeland. In mei een hele dag in Zeeland, dat moest een 100-plusser kunnen worden, vond ik. Dus ik nam me voor om van deze dag een complete vogellijst te maken en begon onderweg naar de vertrekplaats al te tellen. Bij vertrek daar stond de teller al op 25.

Er werd ons deze dag een uitzonderlijk goede timing in de schoot geworpen. Vooraf was voor vandaag veel regen voorspeld en inderdaad regende het gestaag onderweg naar Zeeland. Maar toen we een tussenstop maakten aan het Krammer was het al bijna droog en die laatste druppels deerden ons niet want we hadden vanuit de auto mooi zicht op de Plaat van Oude Tonge en op de bonte strandlopers, de bontbekplevieren en de schitterende zilverplevieren in zomerkleed aldaar op het slik. Met ook nog een dwergsterntje foeragerend boven een natte kreek stond de teller nog voor we de beoogde startlocatie bereikt hadden, al op 39. En toen we in het desbetreffende duinland op Walcheren gearriveerd waren, scheen de zon. Het was ons hier om bijeneters te doen, en bijeneters kregen we. Volop zelfs. Hier twee liefkozend in een struikje, daar een paar zonnend in een boomtopje en ineens een heel stel tegelijk in de lucht. Tellen was lastig maar een stuk of vijftien waren het er zeker. En allemaal prachtig van kleur, als vliegende regenboogjes. De bonus mocht er ook wezen: een fraaie wespendief cirkelde boven ons rondjes toen we weer op weg waren naar de uitgang. En de teller stond op 64.
Zo voortvarend als deze start ging het daarna niet meer. Ons bezoek aan Neeltje Jans was eigenlijk zo goed als vergeefs, al is een kleine zilverreiger, op een strekdam in wat de Betonhaven schijnt te heten, natuurlijk altijd leuk. Ook de noordelijke Prunjepolder leverde behalve een paar handen vol kluten weinig op. Een gebiedje met de raadselachtige naam Gasthuis Bevang bij Zierikzee moest de kar weer lostrekken. En dat lukte aardig: nog meer kluten, zingende veldleeuwerik, dwergstern, twee zwartkopmeeuwen en vooral: strandplevier, ook een van de doelsoorten vandaag. Eerst zagen we ze ver weg trillend in het felle zonlicht. Later zagen we er drie ietsje dichterbij maar vooral toen een opkomend regenfront ons de zon benam, waren ze ineens glashelder zichtbaar, compleet met onderbroken borstbandje en zandkleurige bovendelen. Met 85 op de teller leek de honderd binnen bereik, hoewel dat opkomende regenfront ons wel de auto’s in dwong. Maar toen we bij de Heerenkeet uitstapten, was het alweer droog.
De zuidelijke Prunje leverde na onze pauze niet zo veel opzienbarends op maar de Flauwers- en de Weversinlaag aan de andere kant van de dijk wel, wat mij betreft: prachtige groepen van honderden overtijende zilverplevieren en rosse grutto's, allemaal pronkend met hun zomeroutfit, een noordse stern en een dwergstern, een paar zwartkopmeeuwen en een kleine strandloper, onder meer. De teller reikte echter niet verder dan 89 soorten en met alleen de Brouwersdam nog te gaan leek de honderd nu wel buiten bereik.
De Brouwersdam leverde geen nieuwe dagsoorten meer op. Niet de gehoopte zwarte zeekoet en ook verder niets dan een lege zee. Het was er februari niet, dat was wel duidelijk. En op de terugweg regende het weer. Met nog knobbelzwaan en purperreiger vanuit de auto leek de dag te eindigen met 91 soorten.
Vanavond bij de grijze wouw scheen de zon weer dunnetjes door het wolkendek. Ik ging nog maar even door met tellen en inde naast grijze wouw nog soorten als bosrietzanger, snor en sprinkhaanzanger, maar de honderd haalde ik net niet. De teller bleef steken op 98, wat eigenlijk best mager is voor zo’n lange en vogelrijke dag. Maar daarover klagen is natuurlijk niet aan de orde.

17 mei 2026


Mijn weblogkasteel






vrijdag 15 mei 2026

Texel

Op zoek naar een bestemming kom je altijd wel een keertje weer op Texel uit. Zeker als daar mogelijk breedbekstrandloper, morinelplevieren en vrouwtje blauwvleugeltaling op het programma staan. Vooral in de breedbek was ik geïnteresseerd, want het was alweer zes jaar geleden dat ik die voor het laatst zag en bovendien een steltloper, die hebben altijd een streepje voor. Dus op deze prachtige hoewel ook behoorlijk frisse lentedag samen met Harriët weer eens de oversteek van het Marsdiep aanvaard. De stevige noordenwind (we moesten ver naar het noorden vandaag) verleidde ons ertoe een e-bike te huren. Ach, af en toe moet je accepteren dat je heel langzaamaan zeg maar een dagje ouder wordt. Al geldt dat natuurlijk al vanaf je geboorte.
Rustig peddelden we noordwaarts. De straffe noordenwind, hoewel behoorlijk fris, deerde ons niet maar vooralsnog geen enkele melding omtrent mijn doelsoorten dus rustig peddelden we noordwaarts. Twee dwergsterns boven het strand bij de Prins Hendrik Zanddijk. Kluten in zowat alle plasjes en drasjes die we tegenkwamen. Twee noordse sterns in Nieuw Buitenheim. Nog altijd mooie groepen rotganzen. En honderden grote sterns in het Wagejot. Nee, opzienbarend is het allemaal niet maar rond Utrecht zie je ze niet. Of hooguit zelden.
Toen eindelijk, nauwelijks meer verwacht, melding van breedbek: hij was er nog! Met ietsje meer haast en het motortje van standje eco naar standje tour, verder naar het noorden, tot waar ten zuiden van de Schorren het wad steeds verder werd teruggedrongen door het water. Waar breedbek gemeld was, was van het wad al geen spoor meer dus dat werd zoeken. Op zich een aangename bezigheid, met tientallen rosse grutto’s in zomerkleed voorhanden, een paar zilverplevieren idem, een drieteenstrandloper, een kanoet, een groenpootruiter en meer. Uiteindelijk is dit natuurlijk het ware vogelen. Intussen was de Waddenzee nog weer een paar honderd meter opgeschoven en wij schoven mee tot waar een paar vogelaars door hun telescoop stonden te turen. Onze vragende blikken werden op bevredigende wijze beantwoord: ze hadden hem. Ik mocht door een van de scopen kijken: een fraaie breedbekstrandloper foerageerde op het droge wad nog vrij dicht onder de dijk. Dichterbij nog dan ik aanvankelijk dacht, waardoor het nogal tijd kostte voor ik hem zelf terugvond. Maar toen dat eenmaal gelukt was: weergaloos! Een visarend die verderop op het wad bezig was een vis tot zich te nemen, was een fijne bonus.

De speurtocht langs de kale akkers tot aan De Cocksdorp leverde slechts goudplevieren op. Morinellen waren voor ons vandaag niet weggelegd. Dan maar de blauwvleugeltaling om het mee af te ronden, nam ik me voor. Via Dorpzicht (eiders, vier lepelaars, rot- en brandganzen) en de Waalenburg (kluten, kemphaan) lieten we ons naar het zuiden blazen. Heel relaxt allemaal maar berichten over een mogelijke poelsnip op het Renvogelveldje verstoorden danig mijn gemoedsrust. Dat was de overtreffende trap van breedbekstrandloper: mocht het zover komen pas mijn tweede ooit, na een gevalletje alweer elf jaar geleden. We zaten in de Marel toen de bijvoeging ‘mogelijke’ geschrapt bleek. Gelukkig kon ik meerijden met Janneke en Sytske (Harriët bleef liever achter in en rond de Marel).
We konden zo aanschuiven. Een inkoppertje dit keer. De snip zat half verscholen maar schitterend dichtbij in een graspol. Bijna de helft van de vogel was onzichtbaar maar wat zichtbaar was, was voldoende om de determinatie als poelsnip te bevestigen, voor zover nog nodig: plomp voorkomen, stevige en niet al te lange snavel, zwaar gebandeerde borst en zijhals en de eerste van de helder witte veerrandjes op de vleugeldekveren waren net zichtbaar. Dit was de overtreffende trap van een bonus. Hij maakte deze dag helemaal af. De taling daarna maar laten zitten.

10 mei 2026


Mijn weblogkasteel

vrijdag 24 april 2026

Usquert

Iedereen doet wel eens iets geks. Zo ging ik effe heen en weer naar Usquert. Usquert, parel van het noorden. Het rustieke, landelijke dorp in het Hoge Land van Groningen, met zijn stille lanen met ruim betegelde voortuinen, zijn verlaten kinderspeelplaatsjes met klimrek en glijbaan, zijn gesloten boerderettes met rozevingerige sierkersen voor de deur enzovoort. Nou ja, de werkelijkheid is natuurlijk dat niemand iets in Usquert te zoeken heeft behalve wie er woont of wie er familie of vrienden heeft wonen. Plus momenteel een vogelaar die graag een kleine zwartkop aan zijn Nederlandse lijst wil toevoegen. Tot die laatste categorie mocht ik me vanochtend nog zelf rekenen. Dus zat ik vanmorgen twee en een half uur in de trein. Verruilde het zonnige midden van het land voor het grijze, kille en miezerige noorden en stond daar twee uur te turen in een wirwar van takken en blaadjes, van stammetjes en boompjes en struikgewas, hopend dat kleine zwartkop zich een keertje bloot zou geven. Een paar keer zag ik haar (want het is een vrouwtje), maar steeds kort, zo kort dat ik er nauwelijks iets aan zien kon. Bijna telkens was ze als ik mijn verrekijker richtte alweer gevlogen. Of stond ik net op de verkeerde plek of keek de verkeerde kant op. Nou ja, dacht ik, hebben is hebben en in het zuiden van Europa heb ik al genoeg mooie kleine zwartkoppen gezien. Al kun je je afvragen waarom ik hier dan überhaupt stond, als het niet louter om het plusje voor mijn lijst te doen was. Dus ik bleef nog even.
Toen ik aan wat uiteindelijk het einde bleek van mijn verblijf in dit weelderige parkje aan de rand van Usquert, verderop tussen de bomen iets zag bewegen, aanvankelijk nog verscholen tussen de bladeren, vroeg ik me af: zou het dit keer míj nou eens meezitten? Het antwoord was: ja. Want ineens kwam ze tevoorschijn en had ik een paar tellen lang vrij zicht op een loepzuivere kleine zwartkop. Voor een langduriger zicht ging ik wel weer een keertje naar Zuid Europa want daar zijn ze helemaal niet zeldzaam. Ik ging Usquert weer verlaten en keerde terug naar het nog immer zonnige midden van het land.

woensdag 18 maart 2026

Eempolders

Niets noemenswaardig werd er gemeld op Waarneming.nl, dus ik had er een hard hoofd in maar toen we met een groepje van tien namens vogelwacht Utrecht midden in de Eempolders uit de auto’s stapten, vlogen de grutto’s ons om de oren. Overal grutto's, in spectaculaire baltsvluchten of foeragerend in het gras. Dat er ergens in zomaar een Nederlandse polder nog zoveel grutto’s te zien zijn, is bepaald verheugend. Zeker in de context van de onafzienbare altijd groene maar vrijwel levenloze velden van raaigras die in de rest van het land gebruikelijk zijn en de duizenden kilometers boerensloten die de afgelopen jaren illegaal zijn gedempt. Om maar wat te noemen. (‘Nederland, dat kleine stukje aarde, laat het platteland in zijn waarde’, I couldn’t agree more. Is overigens een van een reeks doeken die bij ons in de polder hangen om de boerenzaak wat positiever voor het voetlicht te brengen. Deze is ook mooi: ‘Wil men onze koeien dood? Maar hoe zit het dan met de ganzenstikstofuitstoot?’ Je kunt je toch bijna niet voorstellen dat boeren niet snappen dat zowel die koeien als die ganzen gewoon de extra stikstof uitstoten die zij zelf via veevoer en kunstmest het systeem inbrengen? Maar het rijmt, dat dan weer wel. Dit alles natuurlijk ter zijde. Ik wil geen tractor op mijn stoep.) Trouwens hier in de polder ook tureluurs en kieviten in aantallen zoals je ze in het Hollandse polderland nog maar zelden ziet. Het is een waar weidevogelparadijs. Zo kan het dus ook.
Naast de lokale, territoriale grutto’s waren er trouwens ook groepjes pleisterende grutto’s die nog op doorreis waren en daartussen vonden we ook de nodige ijslandse grutto's. Die moeten nog een stukje verder. Sommige waren erg fraai en karakteristiek en vertoonden alle kenmerken die determinatie als ijslandse ondersteunen: fel gekeurde onderzijde die verder naar achteren op de buik doorloopt, kleurrijk gesnipperde bovendelen, wat kortere snavel en poten en wat afwijkend kopproefiel met steiler voorhoofd en rondere kop.
Mooie wandeling gemaakt vanaf de Corsrijkse weg over de zomerdijk naar de vogelkijkhut aan het Eemmeer, en al wandelend bouwden we een steeds aantrekkelijker vogellijst op. Twee bontbekplevieren foerageerden op de oever van een plasje vlak onder de dijk. Verderop vonden we vier kemphanen. In de verte zagen we in het bos op het eilandje de Dode Hond in het Eemmeer het zeearendennest. Dichterbij, vanaf de dijk langs het Eemmeer, zagen we zelfs heel klein een zeearendenkop boven het nest uitsteken. Bij dat andere eilandje, de Natte Hond, verbleven wat zwartkopmeeuwen. En op de terugweg zagen we eerst een fraaie velduil in en boven het weidevogelreservaat, passeerde vervolgens een blauwe kiekendief en zagen we tenslotte een smelleken die weliswaar ver weg maar toch heel herkenbaar aan zijn korte, spitse vleugeltjes in grote vaart door de lucht knalde. Je waant je dan toch heel even in arctischer streken. En intussen waren er overal brandganzen. Schattingen van het totale aantal in de polders moeten natuurlijk met een flinke korrel zout genomen worden maar liepen uiteen van zeker vijfduizend tot misschien wel tienduizend.
Met grote tevredenheid stortten we ons voor een korte pauze op het terras van de Eemnesser theetuin waarna we afsloten aan de Delta Schuitenbeek aan het Nijkerkernauw ten noorden van Nijkerk. Daar wordt ook nogal eens wat gezien en met onder andere enkele toppers (minimaal een man en twee vrouw), een fraaie adulte en een juveniele pontische meeuw op de blokkendam voor ons en een aantal kemphanen tussen de tureluurs op diezelfde blokkendam, werd ook die verwachting prima ingelost. Het was een onverwacht feestje geweest vandaag.

15 maart 2026


Mijn weblogkasteel






woensdag 4 maart 2026

Vreugderijkerwaard

Er viel niks te twitchen vandaag, althans, niks waar ik zin in had. Op zoek naar een leuke en hopelijk vogelrijke bestemming kwam ik uit bij de IJssel bij Zwolle. Weidse wateren zag ik voor me, de rivier uitgedijd tot een kilometers brede waterstroom waarin wat eilandjes dreven, richeltjes droge voeten met soms wat struikjes en boompjes omgeven door het langsstromende rivierwater waarin landweggetjes ten onder gingen. Water overal, ja, Nederland waterland. Met bescheiden doelsoorten als grote zaagbek en kleine zwaan ging ik op pad. Grote zaagbek had ik meteen al in de uiterwaard bij het Engelse werk, zo’n beetje het eerst wat je tegenkomt als je vanuit Zwolle op zoek gaat naar de IJssel. Twee zaten er, ver weg achter de smienten en de kuifeenden en al gauw kon ik ze niet meer terugvinden maar hoe dan ook, de eerste doelsoort was binnen.
Verder naar het noordwesten de IJssel volgend kwam ik in de Vreugderijkerwaard terecht. Ik ken de Vreugderijkerwaard nog van een taigastrandloper alweer vele jaren geleden, de eerste en nog altijd enige voor Nederland. Nederland is inmiddels bezaaid met van die plekken die je kent van een of andere zeldzaamheid ooit. Met herinneringen aan schemerochtenden dat je in grote haast de dijk beklimt, aan rijen van honderden vogelaars die zij aan zij over hun telescoop gebogen staan, en aan de euforie toen je de vogel in beeld had en de hele dijk feest vierde. Herinneringen die met kleine variaties van toepassing zijn op tientallen plekken in Nederland. En het worden er nog altijd elk jaar meer, getuigen van een leven lang vogelen.
Vandaag was er minder te beleven in de Vreugderijkerwaard en waren er ook heel wat minder vogelaars. De meeste vogels zaten ver weg maar mijn tweede doelsoort zat dichtbij langs de dijk: een kleine zwaan die meest met zijn kop in de veren zat maar als-ie hem eruit haalde mooi en in vol ornaat zichtbaar was. Waarmee deze bescheiden vogeldag succesvol kon worden afgesloten.
De dag had overigens nog een mooie bonus in de aanbieding: ergens tussen hier en de dijk aan de overkant, een kilometer of zo verderop, moest zich een steltkluut bevinden. Steltkluut is altijd een leuke soort maar begin maart bepaald een opzienbarende. Eerst geprobeerd hem van deze kant af terug te vinden maar de afstand was te groot, het licht teveel tegen en er waren teveel obstakels die een deel van de vogels daar in de verte aan het oog onttrokken. Een omweg via Zwolle bracht me op de zuidelijke IJsseldijk. De vogels zaten er dichterbij en de zon stond achter je en na enig zoeken vond ik de steltkluut terug. En zo stond ik al op 1 maart te kijken naar een prachtige steltkluut, iets waarop ik andere jaren tot minstens half april moet wachten. En was het me toch weer gelukt een leuke en vogelrijke bestemming te vinden.

1 maart 2026


Taigastrandloper

vrijdag 27 februari 2026

Ameland

Het was weer eens tijd voor een weekje Wadden. Want het is altijd tijd voor een weekje Wadden. Even weg uit de dagelijkse sleur en al het andere waar een mens tegenwoordig dagelijks mee geconfronteerd wordt, even jezelf onderdompelen in iets dat verdacht veel lijkt op ongerepte natuur en dat je al het andere doet vergeten. Dit keer was Ameland aan de beurt. Met van tijd tot tijd ijzige kou en van tijd tot tijd (heel!) veel wind om die ijzige kou nog kouder te maken dan-ie al was. Temperaturen rond het vriespunt en dat bij windkracht 6, dan weet je wat een gevoelstemperatuur van -10 betekent. Maar ook geregeld veel zon. Standplaats was dit keer Hollum, een leuk huisje midden in het dorp. Dus dit keer de westkant van het eiland verkend: de Westermieden, het Hollumerbos, de Lange Duinen met hun duinmeren, het Groene strand a.k.a. Ballumer beleefstrand en de waddenkust met de kwelders van Vogelpôlle.
Het zijn kleine variaties op een vaststaand thema. (‘Het léven is kleine variaties op een vaststaand thema’, zou mijn dochter zeggen.) De ene keer waait er een bittere vrieskou, de andere keer staat er een lenteachtig zonnetje. De ene keer ben je omringd door ongerept duinland, de andere keer door de Plus en de D.A. en de afbraak van het verzorgingstehuis. Maar altijd glooit het duinland, altijd schrijdt de kiekendief, altijd glinsteren de plassen in de duinlaagtes en deinen de ganzenruggen in het veld.

De kleine variaties deze week: amper een uur op het eiland en op nauwelijks twee kilometer van ons huisje had ik al een roodhalsgans en een zwarte rotgans en anderhalf uur later een witbuikrotgans met smetteloos witte buik, allemaal prachtig dichtbij tussen de talloze rot- en brandganzen in de Westermieden. De verdere week verdeelden we onze tijd tussen het Olympisch schaatsen binnen en duin, polder en kwelder buiten, met hun rotganzen, goudplevieren en kramsvogels. Op het duinmeer in de Lange Duinen vond ik onder andere fraaie brilduikers en nonnetjes, eendjes van het type dat je bijna weer in god doet geloven. Miniatuurtjes. Abstracte schilderijtjes. Op het strand een groepje sneeuwgorzen, waarvan eigenlijk hetzelfde kan worden gezegd. Op het groene strand, een vaalkleurige landschapsschildering van strandvlaktes, glinsterende slenken, fijne kweldervegetatie en gele rietwaaiers, vonden we een fraaie groep strandleeuweriken en fraters, die ik allebei anderhalve maand terug op Schier zo node gemist had. En in de duinen bij Ballum vonden we een mooie klapekster. Maar de grootste kleine variatie deze week was wel de afbraak van het oude verzorgingstehuis, ietsje verderop in ons straatje. Steen voor steen, muur voor muur werd dat met de grond gelijk gemaakt. Soms trilde ons huisje er zo van dat we ons afvroegen: ze zullen toch niet ook ons huisje met de grond gelijk maken?
Esther liet ons ook nog haar Ronde van Hollum zien, die ze altijd en vaak meermaals maakt als ze weer eens in Hollum vakantie viert. Langs de Westermieden, om de vuurtoren heen, door de buitenste duinen en het Hollumerbos in, waarbij zorgvuldig de eendenvijver wordt vermeden. Stukje wad en weer terug door de Westermieden. Ameland in een notendop. Eigenlijk hoef je dan verder nergens meer heen.

20 februari 2026


Meer Wadden? Jaarwisseling
Mijn weblogkasteel







donderdag 5 februari 2026

Velduilen

Zeventien velduilen liefst waren er gemeld. Zeventien! Ik zie graag velduilen, wie niet? maar ik zie ze eigenlijk veel te weinig. Zeventien had ik er nog nooit bij elkaar gezien. Nou zaten daar misschien wat dubbeltellingen bij, dacht ik, zeventien was wellicht wat overdreven, anderen hadden er maximaal een stuk of tien geteld maar dat vind ik ook al een geweldig aantal dus vandaag maar eens die kant uit.
Het was meest bewolkt. Af en toe wat zon, af en toe een spatje regen, weinig wind en niet al te koud. Niet onaangenaam al met al, maar weinig om het lijf. Maar daar ging het ook niet om natuurlijk. Eenmaal ter plaatse echter geen uil te bekennen. Mooi is dat, heb ik weer. Totdat iemand mij er toch eentje wees, een fraai exemplaar dat verderop op een hekje om zich heen zat te kijken. De verdere ochtend had een redelijk klassiek verloop. We vonden nog een paar uilen, onder andere eentje een stuk dichterbij, als een standbeeld bovenin een slootkant. En af en toe vlogen er een of twee een stukje. Ik telde er zes. Het was niet helemaal zo overweldigend als ik gehoopt had maar dat is het meestal niet. Ik had een paar hele mooie velduilen gezien en was bereid er genoegen mee te nemen. Ik stond me al gereed te maken voor vertrek toen een man over het dijkje voor de huizen langs liep. Geen vogelaar, geen fotograaf, gewoon een bewoner die nietsvermoedend op weg was naar zijn kippenhok toen de boel daar ineens leek te exploderen. Een meute velduilen vloog plotseling alle kanten op en wirwarde enige tijd door elkaar heen boven het veld. Tellen was onmogelijk maar het leken ons er zeker twintig. Die zeventien van gisteren was helemaal niet overdreven geweest.
Na enige tijd keerde de rust terug, waren nog slechts enkele uilen zichtbaar en vertrok ik voor een rondje Eemmeer, Westdijk en plasjes. Blauwe kiekendief, smienten, een paar brilduikers, wulpen, ijsvogel. Een uur of twee later was ik terug bij de velduilen. Diverse zaten er nu vrij zichtbaar in het land. Bij oppervlakkige beschouwing onderscheidden ze zich maar weinig van een molshoop. Af en toe vlogen er een of twee een rondje en soms kwam er eentje daarbij aardig dichtbij. Ik telde er nu vijftien en dat waren ze vast niet allemaal, dus die schatting van twintig zojuist zal er niet ver naast hebben gezeten.
Tot slot een uitzichtpunt tussen wat bebouwing aan de rand van het dorp. Enkele uilen zaten daar zo dichtbij dat zelfs ik er aardige foto’s van wist te maken.

1 februari 2026


Mijn weblogkasteel






donderdag 29 januari 2026

De troepiaal van Capelle a/d IJssel

Eigenlijk was het op het perron van Utrecht CS al wel duidelijk, nog niet eens in de trein dus ik kon ook nog gewoon niet instappen: dit ging hem niet worden. Alle deskundigen waren het eens en de argumenten waren niet te weerleggen, zeker niet door mij want wat weet ik van troepialen? De troepiaal van Capelle a/d IJssel was niet de gehoopte glanstroepiaal, trekvogel in Noord-Amerika en dus een potentiële dwaalgast in Europa, en was dus geen mogelijke glorieuze toevoeging aan mijn Nederlandse lijst, maar een caribische troepiaal, standvogel van de Cariben die nooit zelfstandig Europa kan bereiken en dus als exoot wordt beschouwd. Ergens uit een kooitje dus, of heel misschien met een boot. Nou sta ik niet onwelwillend tegenover bootreizigers, ik beschouw dat toch als een hedendaagse vorm van natuurlijke verspreiding, maar daarvoor bestaat geen enkel bewijs. Geen +1 dus. Wat deed ik hier dan nog? Waarom zou ik niet terug naar huis gaan, gewoon achter de computer plaats nemen om weer de dagelijkse sleur te ondergaan, in plaats van met de trein mee naar Capelle a/d IJssel te reizen?
Toch stapte ik in en bleef zitten tot Capelle Schollevaar, stapte daar op de fiets en fietste naar het desbetreffende buitenwijkje, het avontuur tegemoet. Want exoot of niet, het werd gewoon weer een heuse twitch. Met alle chaos, ongeduld en opwinding van dien. Met tientallen (jazeker, ondanks zijn gedevalueerde status waren er nog altijd tientallen vogelaars op hem af gekomen) zwierven we door het wijkje, liepen door straatjes en doorgangetjes, langs speelweiden en kinderspeelplaatsjes, holden af en toe elkaar achterna en speurden in tuintjes, op voedertafels, naar dakranden en in bomen vol spreeuwen. Af en toe verbaasd nagestaard door buurtbewoners. En toen we hem eindelijk vonden, leed de euforie totaal niet onder zijn gedevalueerde status. Vooral niet toen we hem zo fraai in beeld kregen, dichtbij op en bij een voedertafel in een van de vele voortuintjes, dat de camera’s om me heen volop ratelden. Een exoot, ja, maar wat een gaaf beest! Die subtiele tinten zwart en grijs, die witte kraaloogjes, die immer verbaasde blik, die lange, licht gekromde dolksnavel. Hij was net even anders dan wij in Nederland kennen, met net even andere verhoudingen, iets tussen een merel en een kraai in maar met het formaat van amper meer dan een spreeuw, wat overigens de determinatie als caribische al grotendeels weggaf. Ja, al met al hield ik er een fijne herinnering aan over en is dat niet waar het bij dat vogelen van ons uiteindelijk om gaat?

27 januari 2026


Mijn weblogkasteel

Meer Urban Birding: Usquert

zaterdag 17 januari 2026

Hardenberg

Het was vandaag de tweede keer ooit dat ik in Hardenberg uit de trein ben gestapt, en tevens de tweede keer dat dat een stevige dip tot gevolg had. Jaren geleden alweer was ik er vergeefs op zoek naar mijn eerste ringsnaveleend, in de Overijsselse Vecht. Dat is later nog helemaal goed gekomen. Dit keer is dat nog maar de vraag. Want na 10 kilometer fietsen door grauwe velden onder grijze luchten, urenlang vergeefs op zoek geweest naar de hutchins canadese gans die de afgelopen dagen verblijf hield tussen de rietganzen in Het Bovenveld bij Kloosterhaar. Hutchins, ondersoort van kleine canadese gans, is de enige van het cohort canadese ganzen die verondersteld wordt Europa als wilde vogel te kunnen bereiken en daardoor telbaar is. Nou is telbaarheid natuurlijk maar een boekhoudkundig gegeven, maar het gevoel dat je bedwelmt als je kijkt naar een (mogelijk, moet je er altijd bij zeggen) wilde vogel, dat is toch heel anders dan als je naar een vogel kijkt die uit een kooi komt.
Hard gezocht, en ik was niet de enige. Honderden toendrarietganzen, prachtige toendrarietganzen want dat vind ik een fijn gansje, maar we konden er geen canadees tussen vinden. Dat wordt nog even wachten op mijn eerste hutchins, als-ie al ooit komt. Hardenberg intussen blijft zitten met een beroerde reputatie, al weet Hardenberg zelf daar niets van.
Nou stond hutchins canadese gans niet eens heel hoog op mijn verlanglijstje (toegegeven, dat stond brileider ook niet, maar dat was om een heel andere reden). Maar als er dan eentje gemeld wordt, enkele dagen stabiel op een voor mij goed bereikbare locatie (nadat ik hem vorig jaar had laten schieten omdat-ie juist nooit stabiel op een voor mij goed bereikbare locatie zat), ja, dan gaat er op een gegeven moment toch iets kriebelen. Wel een nieuwe soort immers, een echte lifer want ook nog nooit in het buitenland. Dus dan besluit je toch maar te gaan en is dat besluit eenmaal genomen, dan wil je hem natuurlijk hebben ook. Dan ontstaat er een bijna fysiek verlangen naar iets waar je eerder nooit naar verlangd hebt.
Het was me niet gegund maar ik kon daar dus wel mee leven. De troostprijzen waren bovendien meer dan acceptabel. Nog afgezien van de rietganzen. Op en rond de akkers overwinterden geelgorzen en onderweg had ik onder andere grote lijster, groene specht en twee kleine rietganzen tussen de riet- en kolganzen. En toen terug in Hardenberg een rode wouw overvloog, was alles vergeten en vergeven en was het met de reputatie van Hardenberg ook wel weer oké. Want met een rode wouw op zak is klagen natuurlijk verboden.

13 januari 2026


Meer dips: Noordbroek
Mijn weblogkasteel

zaterdag 10 januari 2026

Oud en nieuw op Schier

Het is langzamerhand een heuse traditie: oud & nieuw met het hele gezin op een Waddeneiland. Ingeklemd tussen het Noordzeestrand en de Waddendijk; tussen de westpunt in het westen en de oostpunt in het oosten. Daar heb je het mee te doen, daartussen speelt zich alles af, voor zover er zich iets afspeelt. Dit keer was het op Schiermonnikoog en het was weer een fijne week, met alles erop en eraan: zon en wind, veel wind, en buien, veel buien. Wad en polder, duinen en strand. De Westerplas in het westen en Kobbeduinen in het oosten. De lichtjesversieringen aan de gevels van Hotel van der Werff, het karbietschieten op een weiland op oudejaarsdag, de kerstboom in het plantsoen midden in het dorp. Met bonte kraai, al kort na aankomst vanuit het kamerbrede panoramaraam van ons huisje. En met zwarte en witbuikrotgans, inmiddels ook een beetje een traditie rond oud en nieuw.
Met bonte kraai had ik trouwens geluk deze week: het was zowat mijn eerste soort op het eiland, zowat mijn laatste soort, toen we in ons vakantiehuisje zaten te wachten tot het tijd was om de bushalte op te zoeken, en ook nog eens zowat mijn eerste soort in het nieuwe jaar (mijn vierde om precies te zijn). Pech had ik daarentegen met strandleeuwerik: dagelijks en op sommige dagen meerdere keren checkte ik de halfkale akker achter de Waddendijk waar zowat iedereen ze telkens weer had, maar nooit zaten ze er als ik er was.
Dat was ongeveer ons weekje Schiermonnikoog in een notendop.
We zaten in een vakantiehuisje in de duinen aan het eind van de Badweg. Ons kamerbrede panoramaraam gaf uitzicht op de buitenste duinen, op een reepje zee, op het badhotel en dus af en toe op bonte kraai. Het strand was op loopafstand, met een fraaie strook woeste pioniersduinen met stukken riet en bulten met stekelig kreupelhout en verderop naar het westen mooie brede lagunes, en Westerplas, polder, wad en het Baken op fietsafstand (zoals natuurlijk alles op Schier, behalve voorbij Kobbeduinen waar je niet meer fietsen kunt). Al op de eerste dag na aankomst deed ik ze allemaal: wandelen over het strand en fietsen langs de Westerplas, langs het wad en langs de Banckspolder naar het Baken Kobbeduin. En was ik er klaar mee. Al moest ik nog wel even in het nieuwe jaar zwarte en witbuikrotgans binnenhalen, wat lukte, en strandleeuwerik, wat dus niet lukte. En een parade van niet echt bijzondere maar wel altijd weer leuke waddensoorten als brandgans (duizenden), rotgans (honderden), pijlstaart (tientallen), blauwe kiekendief (mooie man jagend bij Kobbeduinen), kanoet en zilverplevier.
We sloten af met hagel en sneeuw. Toen op zaterdag het nieuws doordrong van overvloedige sneeuwval in de rest van het land, waren we wel een beetje jaloers want op Schier bleven we geheel verstoken van dergelijke winterse taferelen. Tot aan het eind van de dag toen ik nog even bij loeiharde wind en met onheilspellende buienluchten in het verre oosten, met Renske het strand op ging en we daar getroffen werden door een hagelbui die in korte tijd het landschap toch nog een wit, winters tintje verschafte.
De volgende ochtend was ook op Schier de wereld wit. Het was een cadeautje. Gewandeld, eerst over het strand en door de buitenste duinen en later door de binnenduinen en langs duinbossen, en gezien hoe het duinlandschap steeds witter kleurde en steeds sprookjesachtiger werd. Zodat ook wij nog even volop konden genieten van de winterse pracht die Nederland deze eerste dagen van het nieuwe jaar in zijn greep hield. Mooier konden we ons weekje Schiermonnikoog niet afsluiten.

4 januari 2026


Meer wadden? Ameland
Mijn weblogkasteel