Het was een volmaakt uurtje, in alle vroegte op de Maasvlakte. (Nou ja, zo heel vroeg was het nou ook weer niet maar we waren wel heel vroeg vertrokken.) De beoogde witkeelgorzen, grote zeldzaamheden van de andere kant van de Atlantische oceaan, waren meteen binnen. En zo stond ik minuten lang te kijken naar mijn tweede lifer binnen een week! Ze liepen te foerageren in de vegetatie vlak naast de parkeerplaats, soms op amper een paar meter afstand. En het zijn behalve zeer zeldzame ook nog eens prachtige beestjes dus het waren onvergetelijke minuten.
Daarmee is dit verhaal gauw verteld. Geen spannende vertelling vol hindernissen en belemmeringen. Die bestonden dit keer hooguit uit de files onderweg, waardoor we niet zo vroeg ter plaatse waren als we hadden gehoopt en we onderweg steeds moesten vrezen dat de vogels gevlogen zouden zijn tegen de tijd dat we gearriveerd waren. Daar was echter geen sprake van. We zagen bij onze aankomst de vogelaars al staan kijken en die stonden inderdaad te kijken naar beide witkeelgorzen.
Tussendoor nog even naar een wilgenbosjes een kleine honderd meter verderop voor aldaar verblijvende bladkoning. Was er nu tenminste nog sprake van enige spanning? Nee hoor, ook die was al gauw binnen en was aardig zichtbaar aan de rand van het bosje. Al was-ie ook al gauw weer in de diepte van het struweel verdwenen en was-ie daarna nog tamelijk lastig. Maar met enig geduld en toewijding lukte het om hem een paar keer leuk in beeld te krijgen en enkele keren liet-ie ook van zich horen.
Terug naar de gorzen die zich nog steeds heel gewillig lieten zien en aanzienlijk meer aandacht hadden voor de zaadjes en de larfjes en wat er maar voor eetbaars te vinden was daar in het gras, dan voor ons. Ze verhuisden nog naar een naastgelegen struikje, vlakbij dat van bladkoning, maar daar was het al niet anders: ook daar waren ze geweldig te zien, foeragerend op de besjes en daarna ook weer in het gras.
Het blakobosje bleek ook nog goed voor draaihals maar deze bonus was dan weer wel heel lastig. Het leek zelfs een kansloze zaak, tot ik hem ineens heel even dichtbij in beeld kreeg. Ik zag niet eens de hele vogel maar wel het fraaie en zo karakteristieke verendek: onmiskenbaar draaihals, zag ik nog net voor-ie weer uit beeld verdwenen was. Later zag ik hem nog een keer, iets minder dichtbij maar wel iets langer en nu wel de hele vogel.
Louter succesverhalen dus dit keer. En intussen waren nog steeds de witkeelgorzen onverstoorbaar bezig zich niets van ons aan te trekken.
1 oktober 2026
Mijn weblogkasteel


Eerlijk gezegd had ik een rustig dagje gepland na mijn onderneming gisteren, maar: kleine spotvogel aan het Hoornderslag op Texel! Ik heb een zekere historie met kleine spotvogel, hoewel eigenlijk juist geen historie want nog nooit gezien. Paar keer gedipt, paar keer onhaalbaar en zo wacht ik al vele jaren op mijn eerste en op een of andere manier telt dat bij kleine spot zwaarder dan bij andere soorten die ik nog nooit zag. Dus thuisblijven was geen optie. Maar onderweg zakte de moed me steeds verder in de spreekwoordelijke schoenen. Dit ging helemaal niks worden. Alle voortekenen kwamen op rood te staan.
Allereerst bleek kleine spotvogel een veldrietzanger, even goed een lifer maar veel meer dan kleine spotvogel een beruchte skulker dus hij zou waarschijnlijk nog veel lastiger worden dan ik toch al vreesde. En dat bleek ook al gauw uit de berichten uit het veld: ‘nog steeds af en toe gehoord en (vluchtig/vliegend) gezien maar minder frequent dan eerder op de ochtend’. Ik had nog een paar uur te gaan en hij zou er in die tijd vast niet gemakkelijker op worden. En toen kwam daar de berichtgeving overheen van de halve marathon die juist vandaag op Texel georganiseerd werd en de locatie van de veldriet zou passeren. Wat een timing! De meeste wegen in de buurt waren al afgezet en de vogel was in elk geval per auto al niet meer te bereiken. Nee, dit werd helemaal niks meer. Maar goed, toch maar verder gegaan want wat moet je anders? Uitstappen en de trein terug nemen?
Nou, dat viel dus allemaal best mee. Om te beginnen kon ik op mijn vouwfietsje alle afzettingen eenvoudig passeren. Mij werd geen strobreed in de weg gelegd en eenmaal ter plaatse waren er ook diverse auto's aanwezig. En dat bericht dat ze over het Hoornderslag zouden komen, moet op een misverstand berust hebben want we hebben er geen enkele hardloper gezien. Wel maakten de regelmatig passerende auto’s het lastig om de eventuele subtiele roepjes van het beestje op te pikken dus wat dat betreft hadden ze de wegen wel wat beter mogen afsluiten. Maar toen we eenmaal de goede plek gevonden hadden, duurde het niet eens zo vreselijk lang tot een van de aanwezigen een zeer verdacht vogeltje in het braamstruweel had zien verdwijnen. We hielden de plek goed in de gaten, we loerden, tuurden, zochten tussen de vegetatie en zagen iets bewegen, ja, af en toe bewoog er een schim van een vogel tussen de stengels en de twijgen door en ineens zag ik dat kopje helemaal vrij tussen die stengels en die twijgen, een karakteristiek getekend kopje met contrastrijke oog- en wenkbrauwstreep en forse snavel. Het duurde nauwelijks meer dan anderhalve tel maar het was voldoende: veldrietzanger in the pocket!
Zo’n moment hè, je kunt het een buitenstaander nauwelijks uitleggen maar dat je zoiets kleins en onbeduidends ziet en dat het precies klopt! Dat je meteen weet: ik heb hem, het is gelukt! Tegen alle verwachtingen in. Het kwartier daarna zagen we ‘m nog een paar keer een stukje vliegen en een enkele keer door de vegetatie scharrelen. Daarna was het tijd om nog even iets anders te gaan doen.
27 september 2026
Mijn weblogkasteel

Na een rustige telling aan de Jacobssteeg (onder andere pijlstaart en vier appelvinken) vond ik het eindelijk tijd om aandacht te besteden aan de grote franjepoot die al bijna een week bivakkeert in de Groene Keijzer bij Nootdorp. Dus naar het station gefietst, met de trein naar Delft en op het vouwfietsje naar Nootdorp. Het was een mooie middag, zonnig, weinig wind en veel te warm voor mijn winterjas. In de Groene Keijzer was de franjepoot gauw gevonden. De 27e voor Nederland en mijn vierde alweer (vandaar natuurlijk de niet al te hoge prioriteit die ik hem tot nu toe had verleend). Hoe dan ook toch lekker zeldzaam en hij liet zich bovendien mooi bekijken. Een lichte, ranke, grijs met witte franjepoot die net als alle franjepoten ter wereld driftig om zich heen op het wateroppervlak naar beestjes pikte maar verder toch wat anders oogde dan de franjepoten die we hier kennen, minder gedrongen, met een iets langere nek. Af en toe vloog-ie een stukje en een paar keer kon ik hem met de telescoop prachtig volgen en daarbij enkele vluchtkenmerken vaststellen die hem ook onderscheiden van rosse en grauwe franjepoot. De determinatie staat natuurlijk allang niet meer ter discussie maar het was prettig om ook zelf te kunnen vaststellen dat-ie inderdaad een geheel witte stuit had en egaal grijze vleugels zonder noemenswaardige vleugelstreep.
Missie geslaagd dus, en tijd voor iets anders. Tijd voor de nostalgie, die zoete sensatie voor mijmeraars die de hedendaagse wereld beu zijn. Eerst keerde ik terug in het recente verleden: Oude Leede en de Ackerdijksche plassen, waar Harriët en ik een paar maanden geleden twee nachtjes plus tussenliggende dag doorbrachten. Het zag er een beetje anders, met name droger uit dan toen maar het was nog steeds een mooie plek.
Daarna dook ik in het verre verleden: Delftse Hout, Bieslandse polder, Nootdorpse plassen en het Arboretum Heempark. Mijn local patch uit de tijd dat dat woord nog lang niet bestond, uit de tijd dat ik als aan alles en vooral aan zichzelf twijfelende puber bijna dagelijks in mijn vrije tijd deze kant op ging om even los te komen van alle gedoe dat nou eenmaal gepaard gaat met het bestaan als middelbare scholier en om te dromen over mijn hopeloze verliefdheden in die dagen. Er is in tientallen jaren veel veranderd maar in essentie zijn al die plekken nog dezelfde, alhoewel in een ander jasje.
26 september 2026
Mijn weblogkasteel



We waren van tevoren al een beetje gewaarschuwd, in het traditionele weerpraatje vooraf in de DT-appgroep: het zou waarschijnlijk een rustig en stil weekend worden op Vlieland. En zo geschiedde. Maar de hele vrijdag geen enkele melding in de appgroep? Ik dacht bijna dat mijn aanmelding niet goed gelukt was. Goed, rustig was het, en stil meestal ook, in de bossen van het Vuurboetsduin, die bij Lange Paal en de Oude Kooi, maar dit was wat overdreven vond ik. Was hier sprake van app-angst? In het verleden waren er wel Deception Tour-weekends waarin een streng verbod gold op het melden van bladkoning. Dat was tijdens weekends dat je bijna over ze struikelde. Daar was nu helaas geen sprake van. Die ene vrijdagmiddag bij het Vuurboetsduin had van mij dan ook best gemeld mogen worden.
Maar inderdaad, het was rustig op het eiland. Een bijna handtamme sneeuwgors op of direct naast het fietspad van de zeereep naar Lange Paal stal de show, maar verder was het meest leeg en stil. Al kan dat er ook aan gelegen hebben dat het zo hard woei dat het geruis in het gebladerte zowat elk ander geluid overstemde. En daarmee hebben we meteen dat andere aspect van dit DT-weekend te pakken, een aspect waar de sombere prognose vooraf aan voorbij was gegaan. Want was het zaterdag bij zuidwest 6 al spannend aan zee, zondag met west tot noordwest 6 ging het daar echt helemaal los.
Zeetrek kijken (‘zeerukken’ in het NJNs dat ik me van vroeger herinner van medestudenten die wel lid van de club waren geweest), het is een hobby op zich. Je hebt vogelaars die er niets van moeten hebben. Meestal is het saai, meestal vliegt er bijna niets of in elk geval veel minder dan je gehoopt had. Maar bijna niemand kan de lokroep weerstaan van een echt stevige noordwester, de lokroep van volop jagers en stormvogels dicht langs de kust. Vaak valt de praktijk tegen, maar dit keer niet.
Het is dan wel zaak het je gemakkelijk te maken, anders houd je het geen uur, laat staan uren vol. Eenvoudig is dat naar mijn ervaring meestal niet. Het is altijd weer een heel gedoe om een geschikte plek te vinden, met goed uitzicht natuurlijk maar ook een beetje uit de wind en vooral uit het langs waaiende stuifzand. Als het zand bij elke windvlaag in je ogen en in je mond waait en ongetwijfeld ook in je lenzen, zoek dan een andere plek. Zitten is ook aan te bevelen, want staan en steeds weer je evenwicht moeten hervinden na weer een windvlaag, dat houd je ook geen uur, laat staan uren vol. Toen ik het zaterdagochtend voor het ontbijt vanaf zowat het eerste ochtendlicht probeerde bij het strandhotel aan het eind van de Badweg, kon ik het juiste plekje maar niet vinden. Of het daaraan gelegen heeft weet ik niet, maar ik kwam niet veel verder dan massale trek van visdiefjes en grote sterns en een zeekoet op zee.
Toen ik het een paar uur later bij paal 48 ging proberen, vond ik een heerlijk plekje op een smal zandpad over de zeereep waar ik in de luwte zat van wat lage vegetatie langs het pad. Veel was het niet maar het was voldoende om me te vrijwaren van al te harde windstoten en al te onstuimig zand. En daar had ik, naast wat verre jan van genten aan de horizon, eerst een kleine jager die voor me langs naar het oosten vloog, kort daarna een kleine jager die in spectaculaire vlucht boven zee achter een sterntje aan joeg, en tenslotte een prachtige grote jager laag over het strand naar oost. Nog wel niet de meest aansprekende soorten (hoewel, grote jager is een paar jaar door vogelgriep behoorlijk schaars geweest), maar ik had dit jaar nog vrijwel niets van zeetrek meegekregen dus ik was er blij mee.
Wat ook aan te bevelen is, is enig geduld. Geef het niet te gauw op want zeetrek gaat, naar mijn (bescheiden) ervaring, vaak in vlagen. Het kan een hele tijd rustig zijn maar dan ineens los gaan. Zo zat ik zondagochtend zowat drie kwartier bij paal 49 comfortabel over zee te turen zonder dat ik iets noemenswaardigs zag, ik voelde me al de schlemiel van het zeevogelaarswereldje worden, waarna binnen een half uur een noordse stormvogel, een middelste jager en een grote jager passeerden. Vooral die beide jagers waren geweldig: dichtbij over de branding naar west waarbij alles te zien was wat je zien wilt. Bij die middelste waren zelfs de lepels aan de verlengde staartveren herkenbaar, een adulte vogel dus. Waarna een half uurtje later ook nog een grauwe pijlstormvogel langskwam.
Zelf houd ik er altijd van om tussen het zeetrekgebeuren ook af en toe het eiland op te gaan. Effe naar de Kroonspolders voor zilverplevieren, effe naar het wad voor rosse grutto's, effe naar de Oude Kooi, vergeefs op zoek naar bladkoning. En vanmorgen naar het bos naast Lange Paal en het naastgelegen open duin. Veel leverde dat niet op, de wind loeide door de bomen en verder was het er net zo leeg als het hele eiland dit weekend was, dus gauw toch maar weer naar zee, aan het eind van het Pad van Twintig. Dit keer in het gezelschap van een groep fanatieke zeevogelaars die daar al de hele dag zaten en dus oneindig veel meer gezien hadden dan ik. Ik werd daar meteen getrakteerd op een fraaie grote jager boven het strand en de branding, en vervolgens op een fantastisch vaal stormvogeltje (dat was alweer zowat tien jaar geleden!), minuscuul fladderaartje dat onverschrokken zwoegde tussen torenhoge golven, en op een geweldige noordse pijlstormvogel die zich laag door de golfdalen spoedde, daarbij af en toe prachtig zichtbaar was en dan weer geruime tijd niet en af en toe keilend boven de golven uitsteeg. Jan van genten vlogen van ver aan de horizon tot zowat over de branding. En zelf vond ik een fraaie noordse stormvogel die ook al vlak achter de branding af en toe keilend naar west vloog. De heren maakten net aanstalten om de vijf-uurboot te gaan halen en hadden geen belangstelling. Toen ik zag dat ze er vandaag al 11 hadden geteld, kon ik dat wel begrijpen. Ik zat er inmiddels helemaal alleen toen er ook nog een kleinste jager laag over de branding langs vloog.
Vier soorten jagers dus, en vier soorten stormvogels. Stuk voor stuk zijn het legendes die voor je ogen tot leven komen, manifestaties van een bestaan dat meestal uit ons zicht achter de horizon verborgen blijft. Het is precies dat, dat je toch elke keer weer aan zee gekluisterd houdt.
Om het af te ronden iets heel anders: maandag was de wind gekalmeerd en toen ik voor vertrek nog even door het duinbos fietste, kwam bij de Torenvijver dat bos ineens tot leven. Kool- en pimpelmezen, zelfs een paar zwarte mezen (had ik tot nu toe nog helemaal niet dit weekend) en de ene tjiftjaf na de andere scharrelend door het loof. Het leek me het ideale moment om eindelijk een bladkoning te vinden, maar helaas …
21 september 2026
Meer Deception tours: Deception tours
Mijn weblogkasteel




‘Zoekt de here, terwijl hij zich laat vinden’, las ik op een bord langs de Middenweg bij Anna Paulowna. Ik vond het maar een vreemde opdracht, want hoe weet ik nou wanneer hij zich laat vinden? Zal ik hem toch eerst moeten zoeken. Het was niet veel anders dan met die blonde ruiter eigenlijk. Die moest ik ook zoeken, in de hoop dat-ie zich een keer liet vinden. En ook die wilde niet zo lukken. Net als de here, die kan ik ook nooit vinden.
Het waren de weersvoorspellingen die me de weg naar Anna Paulowna hadden gewezen, ook wel een beetje Bijbels eigenlijk: veel regen overal in het land en alleen in het noordwesten grotendeels droog en mogelijk zelfs wat zon in de middag. Ik weet niet hoe het in de rest van het land was, maar in het noordwesten klopte het wel, inclusief die zon in de middag. En in het noordwesten zat, bij Anna Paulowna, een blonde ruiter. De rekensom was gauw gemaakt.
Die rekensom viel wel een beetje in duigen toen nog in de trein het bericht binnenkwam dat de hele bende was opgevlogen en blonde ruiter vooralsnog niet was teruggekeerd. Een half uurtje later stond ook ik langs de Middenweg te speuren over het betreffende ondergelopen bollenveld. Volop bontbekplevieren, kemphanen, kleine strandlopers, wat krombekken ook, zelf vond ik gestreepte strandloper terug, ja, het was er heel gezellig maar geen blonde ruiter. Een passerende slechtvalk joeg alles de lucht in. Dat is dus hoe vanmorgen blonde ruiter is opgejaagd, dank nog daarvoor. Ja, slechtvalken, ze zijn soms erger dan sommige fotografen.
Na een uur wachten namen we even tijd voor iets anders tussendoor, althans, dat was de bedoeling: ik kon meerijden met Herman van de Brand om even een roodpootvalkje op te strijken bij Hippolytushoef. Kwartiertje rijden maar. We stonden nog onze spullen in te laden toen we werden teruggeroepen: hij zat er weer. Helaas niet voor lang: toen we weer paraat stonden was het groepje alweer vertrokken. Alweer te laat dus. We bleven toch nog maar even de wacht houden, hij zou vast nog wel een keertje terugkomen. Het plan roodpootvalk was voorlopig van de baan.
Toen het stiller en stiller werd op ons ondergelopen veldje, toen we nog hooguit met moeite een enkele bontbekplevier konden vinden, toch maar weer tussendoor iets anders: een kilometer of twee verderop waren twee grauwe franjepoten gemeld en die zouden het gemis aan blonder ruiters nog een beetje goed kunnen maken. Leuke soort immers. Dus effe een stukje gefietst, zonder veel moeite (dat mocht ook weleens) twee grauwe franjepoten toegevoegd aan de jaarlijst en terug naar ons stekkie, waar de situatie ongewijzigd was.
Ik was al bezig mijn zegeningen te tellen, gestreepte strandloper en grauwe franjepoten: niks te klagen, en was bijna weer op weg terug naar Anna Paulowna toen de finale melding binnenkwam: blonde ruiter ter plaatse in ‘Breezand - Buitengebied’.
Een minuut of 20 fietsen later stond ik aan de Koningsweg bij Breezand. ‘Is het nu eindelijk prijs of opnieuw vergeefs moeite?', vroeg ik. Men kon mij geruststellen: het was prijs en al gauw stond ik te kijken naar een prachtige blonde ruiter. Want wat een mooie vogel is dat, die zonnige tinten, die fijne tekening van het verenkleed, die parmantige gestalte, het is zo’n vogel die best lastig is uit te leggen maar die je in de praktijk in één oogopslag herkent. Ik heb ze wel eens dichterbij gehad dan deze maar hij was erg fijn en een welverdiende beloning voor alle moeite vanmiddag, vond ik. Al vraag ik me altijd af waarom je beloond zou moeten worden voor wat je het allerliefste doet. Het is niet bepaald een opoffering om rond Anna Paulowna ondergelopen veldjes af te speuren op zoek naar leuke steltjes. Hoe dan ook, ik was klaar. Terug naar Anna Paulowna.
13 september 2026
Mijn weblogkasteel

Dat gaat me niet nog een keer overkomen, dacht ik na de gedipte roodpootvalk afgelopen zondag bij Nijkerk. Dus bleef ik aanvankelijk thuis terwijl dagelijks een eerstejaars steppekiekendief gemeld werd in de Eempolders, want wie niet twitcht kan ook niet dippen. Maar toen-ie er na een week nog steeds zat, kon ik hem niet langer laten zitten. Zeker niet toen-ie vanmorgen weer gemeld werd. Toen ik door de miezervlagen op de fiets op weg was naar Eemnes, had ik er een hard hoofd in maar de miezer hield precies op tijd op en bij aankomst op de desbetreffende plek in de polder had ik de vogel bijna meteen in beeld. Dat was dus in de roos. Alleen te kort, nog geen tijd om de telescoop op te zetten en daardoor net wat te ver voor een volmaakt bevredigende waarneming. Een juveniele slanke kiek, dat kon ik er nog wel aan afzien maar op basis van wat ik gezien had kon ik grauwe kiek niet uitsluiten. Nou zat hier geen gauwe en wel al een week een steppekiek dus die zou het vast wel geweest zijn, maar ik stel zoiets altijd graag ook zelf nog even vast dus ik was er nog niet klaar mee.
Hij was verdwenen aan de rand van een maïsveld even verderop, moest daar ergens zitten en zou zo wel weer tevoorschijn komen want dat deed-ie de hele tijd, wist men me te vertellen. Maar zoals zo vaak: het duurde en het duurde, maar geen steppekiekendief. Ik fietste het weggetje een stukje de ene kant af en een stukje de andere kant en het deed steeds meer denken aan die roodpootvalk afgelopen zondag. Met natuurlijk één klein verschilletje.
Zowat twee uur later kwam er nog zo’n klein verschilletje bij: steppekiek weer in beeld, af en toe, kort vliegend boven het weiland. Weliswaar met telescoop dit keer maar zo achterlijk ver weg dat er eigenlijk niet meer aan te zien was dan een donkere kiekendief met een witte stuit. Zou zelfs nog even goed een blauwe kunnen zijn. Dat schoot niet op.
Maar goed, intussen was wel de zon voorzichtig begonnen door te breken en had ik een mooie groep van zeker 30 koereigers gevonden, foeragerend tussen de koeien langs de Wiggertsweg. Ik was al bezig mijn zegeningen te tellen en maakte al aanstalten om te vertrekken, toen een passerende vogelaar ons vertelde dat we een paar honderd meter verderop moesten zijn. Daar liet de kiek zich mooi zien, zie-ie. Dus stonden we even later precies op de plek waar ik vanmorgen deels met dezelfde mensen als nu ook al uren vergeefs had staan wachten. Niets te zien daar, althans, niets van enige betekenis. Kraaien, een paar bruine kiekendieven, honderden holenduiven, en zo ontstond er wel iets gezamenlijks met de mensen met wie ik al een paar uur lang met mager resultaat op zoek was naar een steppekiek. Gedeelde onvrede, zeg maar. Maar toen was er ineens achter het maïsveld een veel slankere kiekendief verschenen. Rossig bruine onderzijde, witte stuit, smalle hand, ja, dit was hem wel. En eindelijk kreeg ik hem langdurig mooi in beeld. Af en toe verdween-ie achter de maïs maar steeds dook-ie weer op boven de halmen, steeg op tot tientallen meters hoogte en dook weer omlaag om weer voor even achter de maïs te verdwijnen. Het was een mooie show en die maakte alle verschil. Door het zonnetje terug naar Baarn fietsen was daarna een feest.
11 september 2026
Mijn weblogkasteel

Het ging moeizaam vandaag met vogelwacht Utrecht in Noord-Holland. Dat begon al toen we een klein uurtje aan zee stonden. De wind was aardig, niet al te hard maar hij was niet te missen en kwam bovendien uit de goede richting. Er waren de afgelopen dagen ook best leuke dingen gezien. Maar onze opbrengst: twee keer twee zwarte zee-eenden over zee. Daar moesten we het mee doen.
Er was ook nog die plas achter de nieuwe zeeduintjes. Groepjes drieteenstrandlopers, bonte strandlopers, bontbekplevieren en steenloper: we keken er natuurlijk met plezier naar en sommige van de deelnemers waren nog pril en onbedorven en voor hen waren het hele leuke soorten, maar de wat ervarener vogelaars onder ons hoopten toch op nog wat meer. Het zat er nog niet in. Ook niet in de Putten verderop, waar we genoegen moesten nemen met vlakbij wat kluten en bonte strandlopers en een rosse grutto. Ook nu keken we er met plezier naar maar de wat ervarener vogelaars onder ons hoopten nog steeds op meer.
En ook niet op de ondergelopen bollenveldjes langs de Belkmerweg. Elk jaar een spannende bestemming en ook dit jaar waren er genoeg. Maar in de meeste zat helemaal niets of slechts meeuwen en ganzen. In één van de ondergelopen veldjes zat wat meer: kemphanen, enkele fraaie bosruiters, watersnippen, witgatje, oeverloper, een groenpootruiter en een gele kwikstaart. Het oogde best spannend en we keken er met plezier naar, maar we hadden gehoopt op meer. Het was ons vandaag niet gegund. Verderop dwong een opbreking van de weg ons om te keren.
We besloten dan maar, om toch nog een echt goede soort te vinden, de bollenveldjes achter ons te laten en op zoek te gaan naar lachstern. Daarvoor moesten we naar het oosten, naar een heel andere hoek van Noord-Holland. Eerst probeerden we het bij Aarswoud, maar daar bleek de beoogde locatie voor ons nauwelijks bereikbaar. Bij Schermerhorn reden we vervolgens de hele polder rond. Vergeefs. En intussen hadden we ons in een soort fuik begeven die nauwelijks nog een uitweg bood. Weer helemaal terug naar de bollenveldjes leek ons geen goed idee. Er restte ons nog één optie: Durgerdam, IJburg en polder IJdoorn, waar we hopelijk een flinke groep reuzensterns zouden treffen. Nu leek echter alles mis te gaan en dreigde de toch al niet bijster succesvolle excursie een echte sof te worden. Een combinatie van begripsverwarring (IJburg # IJdoorn), opgebroken wegen en ongelukkige keuzes bracht ons aan het eind van een doodlopende weg midden in de polder. Opnieuw omkeren en toen we eindelijk de parkeerplaats bij IJdoorn hadden gevonden, bleek daar niet de beoogde pleisterplaats van reuzensterns (dat was IJburg) en was bovendien het pad naar het uitzichtplateau afgesloten en het plateau onbereikbaar vanwege broedende steltkluten. WTF! Die waren daar natuurlijk allang klaar mee en waren dan ook in geen velden of wegen te bekennen. Helaas. Wat nu?
Uiteindelijk kreeg de dag toch nog een onverwachts prettige afloop: over de dijk liepen we richting de Kinselbaai en dat leverde ons een mooie groep lepelaars op, twee casarca’s en enkele prachtige reuzensterns. Eerst vloog er twee keer een langs ons heen, daarna zat er eentje enige tijd op de slikkige oever langs de Kinseldam tegenover en tenslotte zagen we er twee uitvoerig foerageren boven het Kinselmeer aan de andere kant, zonbeschenen en prachtig afstekend tegen de duistere buienlucht die daar langstrok. En toen ik ineens uit de blauwe hoogte enkele keren dat eentonige, wat mechanisch klinkende roepje hoorde, een zacht rollend pjuurr zoals de Svensson dat zo treffend omschrijft, kende de dag ineens een glorieus besluit: er vloog daar ergens een morinelplevier over.
23 augustus 2026
Mijn weblogkasteel
Grote kanoet op Texel. Al enkele dagen aanwezig, overtijend in de Bol en naar verluid van tijd tot tijd prachtig te zien vanaf de molen Het Noorden aan de Krassekeet. Een geweldige soort natuurlijk maar tot nu toe had ik hem genegeerd. ‘Ik koesterde de vorige op Texel’, zoals Jeroen schreef. Maar er komt dan vaak toch een moment, in elk geval bij mij, dat het glas overstroomt en je toch naar Texel moet. Daarbij zijn krachten aan het werk die mijn mentale vermogens te boven gaan. Dus met de trein naar Den Helder, met de boot naar ’t Horntje en van daar met de vouwfiets naar het noorden.
De vogel beweegt mee met het getij: bij laag water zit-ie op het wad om bij opkomend tij op een gegeven moment het eiland op te gaan. Gisteren was de eerste melding om even na 11 uur en elke dag is het ongeveer een uur later hoog water. Dus toen ik om even voor tienen van de boot fietste, was ik aan de vroege kant. Dat-ie nog niet gevonden was toen ik bij de molen arriveerde, verontrustte me dan ook niet. Er zaten wel al honderden rosse grutto’s en kanoeten en een paar zwarte ruiters, maar grote kanoet had zich nog niet laten zien. Het was dus nog even wachten, en zoeken natuurlijk.
Na nog niet eens zo heel lange tijd sprak iemand achteloos de bevrijdende woorden ‘Ik heb hem’. Daarmee was het wachten tot een goed einde gebracht. Maar het zoeken nog lang niet want het beestje hield zich hardnekkig schuil tussen genoemde honderden rosse grutto’s en kanoeten en de aanwijzingen waar te zoeken hielpen maar matig: met die honderden rosse grutto’s en kanoeten was ‘achter een rosse grutto’ of ‘tussen twee kanoeten’ niet heel specifiek. Het was een ware oefening in geduld die ik maar ternauwernood succesvol wist te volbrengen maar uiteindelijk bood een bosje pitrussen op de achterliggende oever verlossing: eindelijk vond ik hem. De zwartachtige borstband, de rossige veren in de verder ook zwartachtige bovendelen (minder kleurrijk dan ik me van de vorige herinner; die was dan ook in mei dus mogelijk zijn de veren nu wat meer gesleten dan ze toen waren) en de zwarte stipjes langs de flanken verrieden hem: het was er echt een! Meest zat-ie (half) verscholen achter een of twee van die honderden rosse grutto’s en meest zat-ie te slapen met kop en snavel in de veren, maar af en toe werd-ie wakker, stak zijn kop uit de veren en zette een paar stappen. Meestal duurde het maar een paar tellen voor-ie zijn snavel weer in de veren stak, de fotografen waren er niet over te spreken maar voor mij was het voldoende voor telkens weer een moment van bijna tastbare euforie, voor telkens weer een blik op een grote kanoet in volle glorie. Prachtig gezien dus, en de onderneming ruimschoots waard. Ik kan hem iedereen aanraden. Zolang het nog kan.
8 juli 2026
Mijn weblogkasteel
Meer: Grote kanoet
Soms vind ik het best lastig om een bestemming te vinden voor mijn wekelijkse dagtochtje. Ik weet het, een luxeprobleem van heb ik jou daar, als dat je grootste probleem is heb je niks te klagen maar ik zit er maar mee. Zoals deze zondag. Gisteren roodkeelstrandloper in de Markerwadden: zou nog een lifer voor me zijn. Maar onbereikbaar. De boten waren tet en met vandaag volgeboekt en de vogel bleek trouwens vandaag vertrokken. Dus dat de boten volgeboekt waren, was achteraf een zegen. Dan maar grote kanoet op Texel? Ik wist dat nog zo net niet. Die moest eerst nog maar eens teruggevonden worden (want gistermiddag bij laag water het wad op gevlogen) en dan was het waarschijnlijk te laat voor een dagje Texel. En eerlijk gezegd koesterde ik de vogel van tien jaar geleden. Geen lifer dus, dus ik zat nog niet om dergelijk avontuur te springen. Maar ja, vergeleken bij die grootheden waren alle alternatieven natuurlijk onbeduidend, bijzaak. In arren moede volgde ik dan maar (voor het eerst) Renskes tip op: ik ging naar de Moerputten en de omringende Vughtse Gement. En dat bleek een gouden tip. Hooilanden, ruigtelanden, beetje plasdras, bosranden, kwartels, oranje zandoogjes, veldleeuweriken en de Moerputten: weelderig moerasbos dat achter zijn bosranden als een plaatselijk geheim een langgerekte plas verbergt met rietoevers en uitgestrekte waterlelie- en plompenvelden, prachtig te bezichtigen vanaf de Moerputttenbrug: een oude spoorbrug die in de lengterichting de plas doorkruist en is omgevormd tot voetgangersbrug. Een ware toeristische attractie, wat natuurlijk niet helemaal overeenkomt met dat idee van dat plaatselijke geheim. Natuurmonumenten maakte er dan ook volop reclame voor. En terecht; een mooie plek was het.
Minstens zo mooi waren de bloemen- en vlinderweiden die achter het bos lagen: prachtige bloemrijke veldjes waar het als even de zon scheen (wat-ie maar af en toe deed en telkens best kort) wemelde van de vlinders. En hier huisde ook het paradepaardje van het gebied: het pimpernelblauwtje. De Moerputten vormen een van de weinige plekken in Nederland waar de soort voorkomt. Zou voor mij een lifer zijn. Nou waren de omstandigheden verre van ideaal voor vlinders: aan de koele kant, winderig, meest grijs en soms zelfs miezerig. Maar toen ik ineens boven op een grote pimpernel dat blauwtje zag zitten dacht ik: dat moest hem wel zijn. Nou is een vlindertje op een pimpernel misschien nog niet perse een pimpernelblauwtje, maar bij deze klopte alles: niet de roestbruine vlekken van icarusblauwtje en niet de bijna witte ondervleugel van boomblauwtje, dan zijn de gangbare smaken al op en een zeldzaam blauwtje in de Moerputten, rustend op pimpernel, dat kan inderdaad alleen maar pimpernelblauwtje zijn. De egale zachtbruine tint op de ondervleugel met de boogjes van zwarte stippen en de witte vleugelrand klopten ook precies voor de soort. Later, op een van die zeldzame zonnige momenten, zag ik er ook vliegen en vielen ook de donkerblauwe randen op de bovenvleugel op. Het complete pimpernelblauwtje dus. Een lifer! En een gevoel van grote tevredenheid: het was toch weer gelukt iets moois te maken van mijn vrije zondag.
5 juli 2026
Mijn weblogkasteel




Al jaren zijn we bezig met de Groene Hart-wandeling, een middellange afstandswandeling door en rond het Groene Hart van Utrecht en Zuid Holland. Als afsluiting deden we een wandelvierdaagse van Vlaardingen naar Oudekerk aan den IJssel. Dat ging van avondschemer boven de stille velden rond de Ackerdijksche plassen met zingende snor en karekiet naar die boven de overweldigende Maasboulevard van Rotterdam met zijn spectaculaire hoogbouw waar ook ik als natuurliefhebber van onder de in druk was, hoogbouw tot kunst verheven. Van de knusse en gezellige B&B te Oude Leede waar we hartelijk werden onthaald door onze gastheer, naar de steriele studio in Kralingen waar we naar binnen konden met een pincode die naar ons geappt was en waar we niemand hebben gezien. Ja, het was een nogal afwisselende vierdaagse.
En wij maar lopen. Van Vlaardingen via Kethel en De Zweth naar Oude Leede. Van Oude Leede via de Groene Keijzer en de Ackerdijksche plassen naar Oude Leede. Van Oude Leede via de Schieveldse polder en het Schieveldse park, vlak langs vliegveld Zestienhoven zoals dat voor mij nog altijd heet, via Hillegersberg en de Bergsche plas en langs de Rotte naar Kralingen. En door het Kralingse bos en het Schollebos richting Oudekerk.
Eerlijk gezegd kan ik niet eens zeggen dat we heel veel hebben meegemaakt, althans, niet naar de hedendaagse maatstaven. We hebben gewandeld en we hebben het Groene Hart gezien tussen Vlaardingen en Oudekerk aan den IJssel. Of wat daarvoor doorgaat want het was niet overal even groen. Maar het was meestal fraai, hoewel op allerlei verschillende manieren. De rietlanden en waterlopen van Vockestaert, waar snor en bosrietzanger zongen. De prachtige natuur van de Ackerdijksche plassen, met zijn ruige hooilanden en verwilderde velden, plasjes en drasjes en bosranden waarachter de plassen scholen. Ook daar zongen bosrietzanger en snor, en rietzangers, karekieten en cetti's zanger. Lepelaars, bruine kiekendief en op een avond een prachtige adult zomer zwarte ruiter in het plasje bij de vogelkijkhut. De Groene Keijzer: gloednieuwe maar inmiddels vermaarde plasdras langs de N470 die met onder andere diverse fraaie steltkluten wat vogels betreft het hoogtepunt van onze vierdaagse vormde. En de stadsnatuur van de regio Rotterdam: de Schieveldse polder en de Bergsche plas, zo’n plek waar je je, midden in de wereldstad, ver weg op het platteland kunt wanen, met ver achter de plas de torenflats van de Maasboulevard om je toch nog even aan die wereldstad te herinneren. Het Kralingse bos en de Kralingse plas waar de Maasboulevard aan de horizon weerspiegelde in het roerloze water. Het Schollebos, klassiek parkbos waar de watertjes kronkelden rond speelweiden en onverwachte bosschages. We eindigden met het verbazingwekkend fraaie Hitland, waar lanen langs statige bomen en kruidige graslanden, langs bosschages en langs half-natuurlijke waterlopen uitmondden in een plankier dwars door stille veenplassen met waterlelies en gele plompen en langs stille moerasbossen waar wilgen kronkelden en lianen slingerden. Een stukje paradijs op aarde. Waarna we de IJssel overstaken en onze eindbestemming bereikten.
18 juni 2026
Mijn weblogkasteel






Zowat vijf uur zat ik in de trein, twee-en-een-half uur heen en twee-en-een-half uur terug, voor krap drie uur fietsen in noordoost Groningen. Of die verhouding niet een beetje scheef is? Ach, ik hou van de trein. Ik zit graag in de trein, ik doe er mijn ding, kijk uit het raampje en lees de krant. En het is gratis, met mijn weekend-vrij abonnement, dat mag ik als echte Hollander ook niet vergeten. En dan stap je uit in Scheemda en heb je zomaar drie a vier uur de tijd om rond te fietsen door de velden rond Scheemda, Midwolda en Nieuwolda. Nou zijn die velden op zich geen feest maar ergens hebben ze toch wel iets aantrekkelijks. De eindeloze akkers, de zeeën van graan strekken zich ongehinderd uit tot aan de horizon, af en toe afgewisseld met aardappelakkers of feestelijke velden met ruigtekruiden of wuivend, hoogstaand gras. Alles in mooie rechthoekige vlakken. En hier en daar een eenzame burcht van bos, al dan niet rond een statige hoeve, een windmolen aan de horizon: schaarse stukjes landschap in het lege land.
Of je hier wel van natuur kunt spreken laat ik in het midden, maar de bruine kiekendieven, de gele kwikstaarten, de zingende blauwborsten en bosrietzangers, de veldleeuweriken hoog boven ons en zelfs een zingende geelgors, die denken er ongetwijfeld het hunne van. De soort van de dag was natuurlijk de grauwe kiekendief. Daar was ik voor gekomen. Zonder de grauwe kiekendieven die hier al jaren broeden in de akkers, was ik nooit naar Scheemda gegaan en had ik niets geweten van die eindeloze akkers en die zeeën van graan en die schaarse stukjes landschap in het lege land. En het kostte me enige tijd, meer dan me lief was en altijd als de doelsoort niet onmiddellijk voor je neus opduikt vrees je de totale mislukking, maar nog ruim op tijd was-ie daar gewoon, een mooi mannetje jagend boven het graanveld. Aanvankelijk nog vrij ver (hoewel toch heel fraai en karakteristiek, een oneindig slank, bijna mager beestje dat zijn rondjes draait boven de halmen) maar geleidelijk dichterbij en uiteindelijk zelfs even rustend op het asfalt, warm van de schaarse zonnestralen, en daarna prachtig dichtbij jagend boven de akker. Waarmee mijn vijf uren trein hun waarde wel weer hadden bewezen.
14 juni 2026
Mijn weblogkasteel
Zie ook: Expeditie grauwe kiekendief


Eigenlijk was ik op weg naar de Gagelpolder, om daar op zoek te gaan naar libellen. Er zitten daar een paar leuke soorten, vandaar. Ik fietste over de Gangesdreef toen ik vanuit het parkje tegenover de kinderboerderij van park de Gagel in het voorbijgaan iets hoorde dat mijn aandacht trok. Iets dat ik nog niet zo een twee drie kon plaatsen. Ach, zou wel niets zijn. Ik was al bijna doorgefietst maar dacht: toch effe checken. Dat bleek een gelukkige gedachte: zong er daar hoog vanuit de boomkruinen een grauwe fitis! Die libellen, die moesten nog maar een dagje wachten.
Het was alweer lang geleden dat ik zelf een echt goede soort ontdekte, maar nu was het raak: deze zal de boeken in gaan als de eerste voor de provincie Utrecht. Er zijn enkele eenmalige oudere meldingen maar de meeste daarvan kunnen worden afgedaan als onzin. Een ervan lijkt me wel geloofwaardig: 7 juni 2013 zingend in Witte Vrouwen in de stad Utrecht, door een ervaren vogelaar. Echter al gauw stil, onvindbaar, door niemand anders waargenomen en niet aanvaard door de CDNA, wat toen nog moest. Gevalletje pech dus. Inmiddels wordt de soort niet meer door de CDNA beoordeeld dus die horde hoeven we niet meer te nemen. Was dat nog wel het geval, dan was dat waarschijnlijk ook geen probleem geweest.
Ik meldde mijn vondst in diverse vogel-appgroepen en ging op zoek. Af en toe zong-ie best fanatiek en soms ook dichtbij, maar soms was-ie ook lange tijd stil. Vaak hoorde ik hem daarna uit een andere richting en op flinke afstand. Hij leek zich dus af en toe ongezien vele tientallen meters door het parkje te verplaatsen.
Determinatie van grauwe fitis is, zeker als-ie zingt en je kent de zang, eigenlijk niet zo heel ingewikkeld. Heb je een boszanger, type tjiftjaf zeg maar, met fijn vleugelstreepje en prominente oog- en wenkbrauwstreep, dan zijn er nog maar weinig andere opties. Hoor je hem zingen, dan hoef je alleen nog maar groene fitis uit te sluiten. Die is weliswaar nog veel zeldzamer dan de grauwe, maar er zijn enkele gevallen geweest in Nederland, waarvan eentje door de subtiele verschillen in zang pas als groene werd ontmaskerd toen de vogel allang gevlogen was. Tot ongenoegen van velen. Voor een grauwe fitis gingen ze niet rijden, voor een groene hadden ze dat zeker wel gedaan.
Wat de vogel van Overvecht betreft: één keer zag ik die hoog boven me in de boomkruin. Veel was er niet aan te zien, niet meer dan de onderzijde eerlijk gezegd, maar die was egaal vuilwit zonder opvallende geeltinten. Andere waarnemers hebben hetzelfde vastgesteld. De zang klonk als een klassieke grauwe fitis, zodat de optie groene fitis niet voor de hand ligt. Er zijn inmiddels ook enkele geluidsopnames en die wijzen inderdaad op grauwe fitis. Wat natuurlijk jammer is want groene moet ik nog in Nederland.
Na een tijdje kwam de eerste vogelaar poolshoogte nemen en een half uurtje later stond een man of twintig om en om te wachten, te luisteren en te zoeken. Ik heb vandaag dus in elk geval een aantal mensen erg blij gemaakt. Na een tijdje werd de vogel steeds lastiger en steeds stiller en toen ik wegging was er al een tijdje niets meer van hem vernomen.
De volgende ochtend was de vogel vertrokken. Dus als ik niet toevallig over de Gangesdreef had gefietst en niet toch even was teruggefietst om dat rare geluidje te checken, had waarschijnlijk niemand de vogel opgemerkt en was de eerste twitchbare grauwe fitis voor de provincie Utrecht aan ons voorbijgegaan.
28 (en 29) mei 2026
Mijn weblogkasteel
Meer Urban Birding: En Hoorn dat is een mooie stad …

Ik was laatst naar Arkemheen. Ik had daar onder andere op twee plekken langs het Nuldernauw zingende grote karekiet. Daar was ik ook voor naar Arkemheen gegaan, maar eigenlijk waren die maar bijzaak. Wat ik nog veel meer had, waren zingende kleine karekieten en rietzangers, bosrietzangers, tuinfluiters en zwartkoppen. Onder meer. En een dag later in de Gagelpolder precies hetzelfde. Nou ja, geen grote karekieten natuurlijk, maar wel volop kleine karekieten, rietzangers, bosrietzangers, tuinfluiters en zwartkoppen. Met duizenden zijn die de afgelopen weken ons land binnengekomen en overal waar het ook maar enigszins geschikt voor ze is, zijn ze neergestreken. Zoals ieder jaar. Niks bijzonders dus, maar toch: in weerwil van alle kritische rapporten over de stand van de natuur in Nederland, over stikstof en vervuild grondwater, verdroging en afbrokkelende biodiversiteit, komen ze toch elk jaar weer, tegen de klippen op, massaal terug naar ons land. Als het effe kan op precies dezelfde plekken als in de voorgaande jaren.
Die veerkracht van de natuur, die blijft me verbazen. We kunnen het zo bont niet maken, we kunnen de sloten vergiftigen, tonnen aan stikstof over onze natuur uitstorten en hectare na hectare aan landbouwgebied omvormen tot ecologische woestijnen, maar ze komen toch weer terug. Ze vinden toch weer plekjes die geschikt voor ze zijn.
Ik ga absoluut niet mee in de ontkenningen van veel mensen, vooral boeren (ja, die hangen massaal spandoeken op met die boodschap dus ik mag dat zeggen), die beweren dat er niets aan de hand is met de natuur in Nederland. Het gaat in vele opzichten tamelijk slechts. Maar intussen gaat er natuurlijk ook veel nog best goed. Gaat de natuur haar eigen gang, zoals dat de natuur betaamt. En keren jaar na jaar kleine karekieten, rietzangers, bosrietzangers, tuinfluiters en zwartkoppen terug in ons land, brengen jongen groot, vertrekken weer en komen (niet perse dezelfde) een jaar later weer terug om weer jongen groot te brengen. En dat gaat zo maar door, jaar na jaar, decennium na decennium, eeuw na eeuw. Nee, daar komt voorlopig nog geen einde aan, hoe we ook ons best doen. Misschien reden voor een sprankje optimisme in deze dorre tijden.
27 mei 2026
Mijn weblogkasteel
Elke keer als ik een grijze wouw zie, wat nog steeds niet zo erg vaak is, moet ik denken aan de eerste keer dat ik er in Nederland een zag. Er was er een ontdekt op donderdag de twaalfde maar het was voor mij te laat om er nog die dag heen te gaan. Het moest dus vrijdag de dertiende gebeuren en ik kon me al helemaal voorstellen wat er op die ongeluksdag mis kon gaan. Grijze wouw was toen nog een zeer zeldzame soort die meestal de ochtend na de ontdekking al voor dag en dauw vertrokken was en door niemand meer werd teruggezien. En ik had geen idee wanneer ik, als het inderdaad mis zou gaan, opnieuw de kans zou krijgen.
Dat is inmiddels drastisch veranderd. Inmiddels is grijze wouw een soort waarvan er jaarlijks ruimschoots meer dan tien gezien worden en hoef je nooit lang te wachten op een herkansing. Desondanks ging ik vanavond na de melding van een geval bij mij om de hoek, gauw nog even op pad om dit buitenkansje op te strijken. Wat prima lukte: hij zat rustig om zich heen te kijken hoog in een boom in de Veenderij, rietland in de Bethunepolder nabij Maarssen. Mijn achtste in Nederland alweer.
Het was een aangenaam toetje na een lange dag. We hadden vandaag een excursie met Vogelwacht Utrecht naar Zeeland. In mei een hele dag in Zeeland, dat moest een 100-plusser kunnen worden, vond ik. Dus ik nam me voor om van deze dag een complete vogellijst te maken en begon onderweg naar de vertrekplaats al te tellen. Bij vertrek daar stond de teller al op 25.
Er werd ons deze dag een uitzonderlijk goede timing in de schoot geworpen. Vooraf was voor vandaag veel regen voorspeld en inderdaad regende het gestaag onderweg naar Zeeland. Maar toen we een tussenstop maakten aan het Krammer was het al bijna droog en die laatste druppels deerden ons niet want we hadden vanuit de auto mooi zicht op de Plaat van Oude Tonge en op de bonte strandlopers, de bontbekplevieren en de schitterende zilverplevieren in zomerkleed aldaar op het slik. Met ook nog een dwergsterntje foeragerend boven een natte kreek stond de teller nog voor we de beoogde startlocatie bereikt hadden, al op 39. En toen we in het desbetreffende duinland op Walcheren gearriveerd waren, scheen de zon. Het was ons hier om bijeneters te doen, en bijeneters kregen we. Volop zelfs. Hier twee liefkozend in een struikje, daar een paar zonnend in een boomtopje en ineens een heel stel tegelijk in de lucht. Tellen was lastig maar een stuk of vijftien waren het er zeker. En allemaal prachtig van kleur, als vliegende regenboogjes. De bonus mocht er ook wezen: een fraaie wespendief cirkelde boven ons rondjes toen we weer op weg waren naar de uitgang. En de teller stond op 64.
Zo voortvarend als deze start ging het daarna niet meer. Ons bezoek aan Neeltje Jans was eigenlijk zo goed als vergeefs, al is een kleine zilverreiger, op een strekdam in wat de Betonhaven schijnt te heten, natuurlijk altijd leuk. Ook de noordelijke Prunjepolder leverde behalve een paar handen vol kluten weinig op. Een gebiedje met de raadselachtige naam Gasthuis Bevang bij Zierikzee moest de kar weer lostrekken. En dat lukte aardig: nog meer kluten, zingende veldleeuwerik, dwergstern, twee zwartkopmeeuwen en vooral: strandplevier, ook een van de doelsoorten vandaag. Eerst zagen we ze ver weg trillend in het felle zonlicht. Later zagen we er drie ietsje dichterbij maar vooral toen een opkomend regenfront ons de zon benam, waren ze ineens glashelder zichtbaar, compleet met onderbroken borstbandje en zandkleurige bovendelen. Met 85 op de teller leek de honderd binnen bereik, hoewel dat opkomende regenfront ons wel de auto’s in dwong. Maar toen we bij de Heerenkeet uitstapten, was het alweer droog.
De zuidelijke Prunje leverde na onze pauze niet zo veel opzienbarends op maar de Flauwers- en de Weversinlaag aan de andere kant van de dijk wel, wat mij betreft: prachtige groepen van honderden overtijende zilverplevieren en rosse grutto's, allemaal pronkend met hun zomeroutfit, een noordse stern en een dwergstern, een paar zwartkopmeeuwen en een kleine strandloper, onder meer. De teller reikte echter niet verder dan 89 soorten en met alleen de Brouwersdam nog te gaan leek de honderd nu wel buiten bereik.
De Brouwersdam leverde geen nieuwe dagsoorten meer op. Niet de gehoopte zwarte zeekoet en ook verder niets dan een lege zee. Het was er februari niet, dat was wel duidelijk. En op de terugweg regende het weer. Met nog knobbelzwaan en purperreiger vanuit de auto leek de dag te eindigen met 91 soorten.
Vanavond bij de grijze wouw scheen de zon weer dunnetjes door het wolkendek. Ik ging nog maar even door met tellen en inde naast grijze wouw nog soorten als bosrietzanger, snor en sprinkhaanzanger, maar de honderd haalde ik net niet. De teller bleef steken op 98, wat eigenlijk best mager is voor zo’n lange en vogelrijke dag. Maar daarover klagen is natuurlijk niet aan de orde.
17 mei 2026
Mijn weblogkasteel



Op zoek naar een bestemming kom je altijd wel een keertje weer op Texel uit. Zeker als daar mogelijk breedbekstrandloper, morinelplevieren en vrouwtje blauwvleugeltaling op het programma staan. Vooral in de breedbek was ik geïnteresseerd, want het was alweer zes jaar geleden dat ik die voor het laatst zag en bovendien een steltloper, die hebben altijd een streepje voor. Dus op deze prachtige hoewel ook behoorlijk frisse lentedag samen met Harriët weer eens de oversteek van het Marsdiep aanvaard. De stevige noordenwind (we moesten ver naar het noorden vandaag) verleidde ons ertoe een e-bike te huren. Ach, af en toe moet je accepteren dat je heel langzaamaan zeg maar een dagje ouder wordt. Al geldt dat natuurlijk al vanaf je geboorte.
Rustig peddelden we noordwaarts. De straffe noordenwind, hoewel behoorlijk fris, deerde ons niet maar vooralsnog geen enkele melding omtrent mijn doelsoorten dus rustig peddelden we noordwaarts. Twee dwergsterns boven het strand bij de Prins Hendrik Zanddijk. Kluten in zowat alle plasjes en drasjes die we tegenkwamen. Twee noordse sterns in Nieuw Buitenheim. Nog altijd mooie groepen rotganzen. En honderden grote sterns in het Wagejot. Nee, opzienbarend is het allemaal niet maar rond Utrecht zie je ze niet. Of hooguit zelden.
Toen eindelijk, nauwelijks meer verwacht, melding van breedbek: hij was er nog! Met ietsje meer haast en het motortje van standje eco naar standje tour, verder naar het noorden, tot waar ten zuiden van de Schorren het wad steeds verder werd teruggedrongen door het water. Waar breedbek gemeld was, was van het wad al geen spoor meer dus dat werd zoeken. Op zich een aangename bezigheid, met tientallen rosse grutto’s in zomerkleed voorhanden, een paar zilverplevieren idem, een drieteenstrandloper, een kanoet, een groenpootruiter en meer. Uiteindelijk is dit natuurlijk het ware vogelen. Intussen was de Waddenzee nog weer een paar honderd meter opgeschoven en wij schoven mee tot waar een paar vogelaars door hun telescoop stonden te turen. Onze vragende blikken werden op bevredigende wijze beantwoord: ze hadden hem. Ik mocht door een van de scopen kijken: een fraaie breedbekstrandloper foerageerde op het droge wad nog vrij dicht onder de dijk. Dichterbij nog dan ik aanvankelijk dacht, waardoor het nogal tijd kostte voor ik hem zelf terugvond. Maar toen dat eenmaal gelukt was: weergaloos! Een visarend die verderop op het wad bezig was een vis tot zich te nemen, was een fijne bonus.
De speurtocht langs de kale akkers tot aan De Cocksdorp leverde slechts goudplevieren op. Morinellen waren voor ons vandaag niet weggelegd. Dan maar de blauwvleugeltaling om het mee af te ronden, nam ik me voor. Via Dorpzicht (eiders, vier lepelaars, rot- en brandganzen) en de Waalenburg (kluten, kemphaan) lieten we ons naar het zuiden blazen. Heel relaxt allemaal maar berichten over een mogelijke poelsnip op het Renvogelveldje verstoorden danig mijn gemoedsrust. Dat was de overtreffende trap van breedbekstrandloper: mocht het zover komen pas mijn tweede ooit, na een gevalletje alweer elf jaar geleden. We zaten in de Marel toen de bijvoeging ‘mogelijke’ geschrapt bleek. Gelukkig kon ik meerijden met Janneke en Sytske (Harriët bleef liever achter in en rond de Marel).
We konden zo aanschuiven. Een inkoppertje dit keer. De snip zat half verscholen maar schitterend dichtbij in een graspol. Bijna de helft van de vogel was onzichtbaar maar wat zichtbaar was, was voldoende om de determinatie als poelsnip te bevestigen, voor zover nog nodig: plomp voorkomen, stevige en niet al te lange snavel, zwaar gebandeerde borst en zijhals en de eerste van de helder witte veerrandjes op de vleugeldekveren waren net zichtbaar. Dit was de overtreffende trap van een bonus. Hij maakte deze dag helemaal af. De taling daarna maar laten zitten.
10 mei 2026
Mijn weblogkasteel
Iedereen doet wel eens iets geks. Zo ging ik effe heen en weer naar Usquert. Usquert, parel van het noorden. Het rustieke, landelijke dorp in het Hoge Land van Groningen, met zijn stille lanen met ruim betegelde voortuinen, zijn verlaten kinderspeelplaatsjes met klimrek en glijbaan, zijn gesloten boerderettes met rozevingerige sierkersen voor de deur enzovoort. Nou ja, de werkelijkheid is natuurlijk dat niemand iets in Usquert te zoeken heeft behalve wie er woont of wie er familie of vrienden heeft wonen. Plus momenteel een vogelaar die graag een kleine zwartkop aan zijn Nederlandse lijst wil toevoegen. Tot die laatste categorie mocht ik me vanochtend nog zelf rekenen. Dus zat ik vanmorgen twee en een half uur in de trein. Verruilde het zonnige midden van het land voor het grijze, kille en miezerige noorden en stond daar twee uur te turen in een wirwar van takken en blaadjes, van stammetjes en boompjes en struikgewas, hopend dat kleine zwartkop zich een keertje bloot zou geven. Een paar keer zag ik haar (want het is een vrouwtje), maar steeds kort, zo kort dat ik er nauwelijks iets aan zien kon. Bijna telkens was ze als ik mijn verrekijker richtte alweer gevlogen. Of stond ik net op de verkeerde plek of keek de verkeerde kant op. Nou ja, dacht ik, hebben is hebben en in het zuiden van Europa heb ik al genoeg mooie kleine zwartkoppen gezien. Al kun je je afvragen waarom ik hier dan überhaupt stond, als het niet louter om het plusje voor mijn lijst te doen was. Dus ik bleef nog even.
Toen ik aan wat uiteindelijk het einde bleek van mijn verblijf in dit weelderige parkje aan de rand van Usquert, verderop tussen de bomen iets zag bewegen, aanvankelijk nog verscholen tussen de bladeren, vroeg ik me af: zou het dit keer míj nou eens meezitten? Het antwoord was: ja. Want ineens kwam ze tevoorschijn en had ik een paar tellen lang vrij zicht op een loepzuivere kleine zwartkop. Voor een langduriger zicht ging ik wel weer een keertje naar Zuid Europa want daar zijn ze helemaal niet zeldzaam. Ik ging Usquert weer verlaten en keerde terug naar het nog immer zonnige midden van het land.
Niets noemenswaardig werd er gemeld op Waarneming.nl, dus ik had er een hard hoofd in maar toen we met een groepje van tien namens vogelwacht Utrecht midden in de Eempolders uit de auto’s stapten, vlogen de grutto’s ons om de oren. Overal grutto's, in spectaculaire baltsvluchten of foeragerend in het gras. Dat er ergens in zomaar een Nederlandse polder nog zoveel grutto’s te zien zijn, is bepaald verheugend. Zeker in de context van de onafzienbare altijd groene maar vrijwel levenloze velden van raaigras die in de rest van het land gebruikelijk zijn en de duizenden kilometers boerensloten die de afgelopen jaren illegaal zijn gedempt. Om maar wat te noemen. (‘Nederland, dat kleine stukje aarde, laat het platteland in zijn waarde’, I couldn’t agree more. Is overigens een van een reeks doeken die bij ons in de polder hangen om de boerenzaak wat positiever voor het voetlicht te brengen. Deze is ook mooi: ‘Wil men onze koeien dood? Maar hoe zit het dan met de ganzenstikstofuitstoot?’ Je kunt je toch bijna niet voorstellen dat boeren niet snappen dat zowel die koeien als die ganzen gewoon de extra stikstof uitstoten die zij zelf via veevoer en kunstmest het systeem inbrengen? Maar het rijmt, dat dan weer wel. Dit alles natuurlijk ter zijde. Ik wil geen tractor op mijn stoep.) Trouwens hier in de polder ook tureluurs en kieviten in aantallen zoals je ze in het Hollandse polderland nog maar zelden ziet. Het is een waar weidevogelparadijs. Zo kan het dus ook.
Naast de lokale, territoriale grutto’s waren er trouwens ook groepjes pleisterende grutto’s die nog op doorreis waren en daartussen vonden we ook de nodige ijslandse grutto's. Die moeten nog een stukje verder. Sommige waren erg fraai en karakteristiek en vertoonden alle kenmerken die determinatie als ijslandse ondersteunen: fel gekeurde onderzijde die verder naar achteren op de buik doorloopt, kleurrijk gesnipperde bovendelen, wat kortere snavel en poten en wat afwijkend kopproefiel met steiler voorhoofd en rondere kop.
Mooie wandeling gemaakt vanaf de Corsrijkse weg over de zomerdijk naar de vogelkijkhut aan het Eemmeer, en al wandelend bouwden we een steeds aantrekkelijker vogellijst op. Twee bontbekplevieren foerageerden op de oever van een plasje vlak onder de dijk. Verderop vonden we vier kemphanen. In de verte zagen we in het bos op het eilandje de Dode Hond in het Eemmeer het zeearendennest. Dichterbij, vanaf de dijk langs het Eemmeer, zagen we zelfs heel klein een zeearendenkop boven het nest uitsteken. Bij dat andere eilandje, de Natte Hond, verbleven wat zwartkopmeeuwen. En op de terugweg zagen we eerst een fraaie velduil in en boven het weidevogelreservaat, passeerde vervolgens een blauwe kiekendief en zagen we tenslotte een smelleken die weliswaar ver weg maar toch heel herkenbaar aan zijn korte, spitse vleugeltjes in grote vaart door de lucht knalde. Je waant je dan toch heel even in arctischer streken. En intussen waren er overal brandganzen. Schattingen van het totale aantal in de polders moeten natuurlijk met een flinke korrel zout genomen worden maar liepen uiteen van zeker vijfduizend tot misschien wel tienduizend.
Met grote tevredenheid stortten we ons voor een korte pauze op het terras van de Eemnesser theetuin waarna we afsloten aan de Delta Schuitenbeek aan het Nijkerkernauw ten noorden van Nijkerk. Daar wordt ook nogal eens wat gezien en met onder andere enkele toppers (minimaal een man en twee vrouw), een fraaie adulte en een juveniele pontische meeuw op de blokkendam voor ons en een aantal kemphanen tussen de tureluurs op diezelfde blokkendam, werd ook die verwachting prima ingelost. Het was een onverwacht feestje geweest vandaag.
15 maart 2026
Mijn weblogkasteel


Er viel niks te twitchen vandaag, althans, niks waar ik zin in had. Op zoek naar een leuke en hopelijk vogelrijke bestemming kwam ik uit bij de IJssel bij Zwolle. Weidse wateren zag ik voor me, de rivier uitgedijd tot een kilometers brede waterstroom waarin wat eilandjes dreven, richeltjes droge voeten met soms wat struikjes en boompjes omgeven door het langsstromende rivierwater waarin landweggetjes ten onder gingen. Water overal, ja, Nederland waterland. Met bescheiden doelsoorten als grote zaagbek en kleine zwaan ging ik op pad. Grote zaagbek had ik meteen al in de uiterwaard bij het Engelse werk, zo’n beetje het eerst wat je tegenkomt als je vanuit Zwolle op zoek gaat naar de IJssel. Twee zaten er, ver weg achter de smienten en de kuifeenden en al gauw kon ik ze niet meer terugvinden maar hoe dan ook, de eerste doelsoort was binnen.
Verder naar het noordwesten de IJssel volgend kwam ik in de Vreugderijkerwaard terecht. Ik ken de Vreugderijkerwaard nog van een taigastrandloper alweer vele jaren geleden, de eerste en nog altijd enige voor Nederland. Nederland is inmiddels bezaaid met van die plekken die je kent van een of andere zeldzaamheid ooit. Met herinneringen aan schemerochtenden dat je in grote haast de dijk beklimt, aan rijen van honderden vogelaars die zij aan zij over hun telescoop gebogen staan, en aan de euforie toen je de vogel in beeld had en de hele dijk feest vierde. Herinneringen die met kleine variaties van toepassing zijn op tientallen plekken in Nederland. En het worden er nog altijd elk jaar meer, getuigen van een leven lang vogelen.
Vandaag was er minder te beleven in de Vreugderijkerwaard en waren er ook heel wat minder vogelaars. De meeste vogels zaten ver weg maar mijn tweede doelsoort zat dichtbij langs de dijk: een kleine zwaan die meest met zijn kop in de veren zat maar als-ie hem eruit haalde mooi en in vol ornaat zichtbaar was. Waarmee deze bescheiden vogeldag succesvol kon worden afgesloten.
De dag had overigens nog een mooie bonus in de aanbieding: ergens tussen hier en de dijk aan de overkant, een kilometer of zo verderop, moest zich een steltkluut bevinden. Steltkluut is altijd een leuke soort maar begin maart bepaald een opzienbarende. Eerst geprobeerd hem van deze kant af terug te vinden maar de afstand was te groot, het licht teveel tegen en er waren teveel obstakels die een deel van de vogels daar in de verte aan het oog onttrokken. Een omweg via Zwolle bracht me op de zuidelijke IJsseldijk. De vogels zaten er dichterbij en de zon stond achter je en na enig zoeken vond ik de steltkluut terug. En zo stond ik al op 1 maart te kijken naar een prachtige steltkluut, iets waarop ik andere jaren tot minstens half april moet wachten. En was het me toch weer gelukt een leuke en vogelrijke bestemming te vinden.
1 maart 2026
Taigastrandloper
Het was weer eens tijd voor een weekje Wadden. Want het is altijd tijd voor een weekje Wadden. Even weg uit de dagelijkse sleur en al het andere waar een mens tegenwoordig dagelijks mee geconfronteerd wordt, even jezelf onderdompelen in iets dat verdacht veel lijkt op ongerepte natuur en dat je al het andere doet vergeten. Dit keer was Ameland aan de beurt. Met van tijd tot tijd ijzige kou en van tijd tot tijd (heel!) veel wind om die ijzige kou nog kouder te maken dan-ie al was. Temperaturen rond het vriespunt en dat bij windkracht 6, dan weet je wat een gevoelstemperatuur van -10 betekent. Maar ook geregeld veel zon. Standplaats was dit keer Hollum, een leuk huisje midden in het dorp. Dus dit keer de westkant van het eiland verkend: de Westermieden, het Hollumerbos, de Lange Duinen met hun duinmeren, het Groene strand a.k.a. Ballumer beleefstrand en de waddenkust met de kwelders van Vogelpôlle.
Het zijn kleine variaties op een vaststaand thema. (‘Het léven is kleine variaties op een vaststaand thema’, zou mijn dochter zeggen.) De ene keer waait er een bittere vrieskou, de andere keer staat er een lenteachtig zonnetje. De ene keer ben je omringd door ongerept duinland, de andere keer door de Plus en de D.A. en de afbraak van het verzorgingstehuis. Maar altijd glooit het duinland, altijd schrijdt de kiekendief, altijd glinsteren de plassen in de duinlaagtes en deinen de ganzenruggen in het veld.
De kleine variaties deze week: amper een uur op het eiland en op nauwelijks twee kilometer van ons huisje had ik al een roodhalsgans en een zwarte rotgans en anderhalf uur later een witbuikrotgans met smetteloos witte buik, allemaal prachtig dichtbij tussen de talloze rot- en brandganzen in de Westermieden. De verdere week verdeelden we onze tijd tussen het Olympisch schaatsen binnen en duin, polder en kwelder buiten, met hun rotganzen, goudplevieren en kramsvogels. Op het duinmeer in de Lange Duinen vond ik onder andere fraaie brilduikers en nonnetjes, eendjes van het type dat je bijna weer in god doet geloven. Miniatuurtjes. Abstracte schilderijtjes. Op het strand een groepje sneeuwgorzen, waarvan eigenlijk hetzelfde kan worden gezegd. Op het groene strand, een vaalkleurige landschapsschildering van strandvlaktes, glinsterende slenken, fijne kweldervegetatie en gele rietwaaiers, vonden we een fraaie groep strandleeuweriken en fraters, die ik allebei anderhalve maand terug op Schier zo node gemist had. En in de duinen bij Ballum vonden we een mooie klapekster. Maar de grootste kleine variatie deze week was wel de afbraak van het oude verzorgingstehuis, ietsje verderop in ons straatje. Steen voor steen, muur voor muur werd dat met de grond gelijk gemaakt. Soms trilde ons huisje er zo van dat we ons afvroegen: ze zullen toch niet ook ons huisje met de grond gelijk maken?
Esther liet ons ook nog haar Ronde van Hollum zien, die ze altijd en vaak meermaals maakt als ze weer eens in Hollum vakantie viert. Langs de Westermieden, om de vuurtoren heen, door de buitenste duinen en het Hollumerbos in, waarbij zorgvuldig de eendenvijver wordt vermeden. Stukje wad en weer terug door de Westermieden. Ameland in een notendop. Eigenlijk hoef je dan verder nergens meer heen.
20 februari 2026
Meer Wadden? Jaarwisseling
Mijn weblogkasteel




Zeventien velduilen liefst waren er gemeld. Zeventien! Ik zie graag velduilen, wie niet? maar ik zie ze eigenlijk veel te weinig. Zeventien had ik er nog nooit bij elkaar gezien. Nou zaten daar misschien wat dubbeltellingen bij, dacht ik, zeventien was wellicht wat overdreven, anderen hadden er maximaal een stuk of tien geteld maar dat vind ik ook al een geweldig aantal dus vandaag maar eens die kant uit.
Het was meest bewolkt. Af en toe wat zon, af en toe een spatje regen, weinig wind en niet al te koud. Niet onaangenaam al met al, maar weinig om het lijf. Maar daar ging het ook niet om natuurlijk. Eenmaal ter plaatse echter geen uil te bekennen. Mooi is dat, heb ik weer. Totdat iemand mij er toch eentje wees, een fraai exemplaar dat verderop op een hekje om zich heen zat te kijken. De verdere ochtend had een redelijk klassiek verloop. We vonden nog een paar uilen, onder andere eentje een stuk dichterbij, als een standbeeld bovenin een slootkant. En af en toe vlogen er een of twee een stukje. Ik telde er zes. Het was niet helemaal zo overweldigend als ik gehoopt had maar dat is het meestal niet. Ik had een paar hele mooie velduilen gezien en was bereid er genoegen mee te nemen. Ik stond me al gereed te maken voor vertrek toen een man over het dijkje voor de huizen langs liep. Geen vogelaar, geen fotograaf, gewoon een bewoner die nietsvermoedend op weg was naar zijn kippenhok toen de boel daar ineens leek te exploderen. Een meute velduilen vloog plotseling alle kanten op en wirwarde enige tijd door elkaar heen boven het veld. Tellen was onmogelijk maar het leken ons er zeker twintig. Die zeventien van gisteren was helemaal niet overdreven geweest.
Na enige tijd keerde de rust terug, waren nog slechts enkele uilen zichtbaar en vertrok ik voor een rondje Eemmeer, Westdijk en plasjes. Blauwe kiekendief, smienten, een paar brilduikers, wulpen, ijsvogel. Een uur of twee later was ik terug bij de velduilen. Diverse zaten er nu vrij zichtbaar in het land. Bij oppervlakkige beschouwing onderscheidden ze zich maar weinig van een molshoop. Af en toe vlogen er een of twee een rondje en soms kwam er eentje daarbij aardig dichtbij. Ik telde er nu vijftien en dat waren ze vast niet allemaal, dus die schatting van twintig zojuist zal er niet ver naast hebben gezeten.
Tot slot een uitzichtpunt tussen wat bebouwing aan de rand van het dorp. Enkele uilen zaten daar zo dichtbij dat zelfs ik er aardige foto’s van wist te maken.
1 februari 2026
Mijn weblogkasteel


