woensdag 27 mei 2026

Veerkracht

Ik was laatst naar Arkemheen. Ik had daar onder andere op twee plekken langs het Nuldernauw zingende grote karekiet. Daar was ik ook voor naar Arkemheen gegaan, maar eigenlijk waren die maar bijzaak. Wat ik nog veel meer had, waren zingende kleine karekieten en rietzangers, bosrietzangers, tuinfluiters en zwartkoppen. Onder meer. En een dag later in de Gagelpolder precies hetzelfde. Nou ja, geen grote karekieten natuurlijk, maar wel volop kleine karekieten, rietzangers, bosrietzangers, tuinfluiters en zwartkoppen. Met duizenden zijn die de afgelopen weken ons land binnengekomen en overal waar het ook maar enigszins geschikt voor ze is, zijn ze neergestreken. Zoals ieder jaar. Niks bijzonders dus, maar toch: in weerwil van alle kritische rapporten over de stand van de natuur in Nederland, over stikstof en vervuild grondwater, verdroging en afbrokkelende biodiversiteit, komen ze toch elk jaar weer, tegen de klippen op, massaal terug naar ons land. Als het effe kan op precies dezelfde plekken als in de voorgaande jaren.
Die veerkracht van de natuur, die blijft me verbazen. We kunnen het zo bont niet maken, we kunnen de sloten vergiftigen, tonnen aan stikstof over onze natuur uitstorten en hectare na hectare aan landbouwgebied omvormen tot ecologische woestijnen, maar ze komen toch weer terug. Ze vinden toch weer plekjes die geschikt voor ze zijn.
Ik ga absoluut niet mee in de ontkenningen van veel mensen, vooral boeren (ja, die hangen massaal spandoeken op met die boodschap dus ik mag dat zeggen), die beweren dat er niets aan de hand is met de natuur in Nederland. Het gaat in vele opzichten tamelijk slechts. Maar intussen gaat er natuurlijk ook veel nog best goed. Gaat de natuur haar eigen gang, zoals dat de natuur betaamt. En keren jaar na jaar kleine karekieten, rietzangers, bosrietzangers, tuinfluiters en zwartkoppen terug in ons land, brengen jongen groot, vertrekken weer en komen (niet perse dezelfde) een jaar later weer terug om weer jongen groot te brengen. En dat gaat zo maar door, jaar na jaar, decennium na decennium, eeuw na eeuw. Nee, daar komt voorlopig nog geen einde aan, hoe we ook ons best doen. Misschien reden voor een sprankje optimisme in deze dorre tijden.

27 mei 2026


Mijn weblogkasteel

dinsdag 19 mei 2026

98

Elke keer als ik een grijze wouw zie, wat nog steeds niet zo erg vaak is, moet ik denken aan de eerste keer dat ik er in Nederland een zag. Er was er een ontdekt op donderdag de twaalfde maar het was voor mij te laat om er nog die dag heen te gaan. Het moest dus vrijdag de dertiende gebeuren en ik kon me al helemaal voorstellen wat er op die ongeluksdag mis kon gaan. Grijze wouw was toen nog een zeer zeldzame soort die meestal de ochtend na de ontdekking al voor dag en dauw vertrokken was en door niemand meer werd teruggezien. En ik had geen idee wanneer ik, als het inderdaad mis zou gaan, opnieuw de kans zou krijgen.
Dat is inmiddels drastisch veranderd. Inmiddels is grijze wouw een soort waarvan er jaarlijks ruimschoots meer dan tien gezien worden en hoef je nooit lang te wachten op een herkansing. Desondanks ging ik vanavond na de melding van een geval bij mij om de hoek, gauw nog even op pad om dit buitenkansje op te strijken. Wat prima lukte: hij zat rustig om zich heen te kijken hoog in een boom in de Veenderij, rietland in de Bethunepolder nabij Maarssen. Mijn achtste in Nederland alweer.
Het was een aangenaam toetje na een lange dag. We hadden vandaag een excursie met Vogelwacht Utrecht naar Zeeland. In mei een hele dag in Zeeland, dat moest een 100-plusser kunnen worden, vond ik. Dus ik nam me voor om van deze dag een complete vogellijst te maken en begon onderweg naar de vertrekplaats al te tellen. Bij vertrek daar stond de teller al op 25.

Er werd ons deze dag een uitzonderlijk goede timing in de schoot geworpen. Vooraf was voor vandaag veel regen voorspeld en inderdaad regende het gestaag onderweg naar Zeeland. Maar toen we een tussenstop maakten aan het Krammer was het al bijna droog en die laatste druppels deerden ons niet want we hadden vanuit de auto mooi zicht op de Plaat van Oude Tonge en op de bonte strandlopers, de bontbekplevieren en de schitterende zilverplevieren in zomerkleed aldaar op het slik. Met ook nog een dwergsterntje foeragerend boven een natte kreek stond de teller nog voor we de beoogde startlocatie bereikt hadden, al op 39. En toen we in het desbetreffende duinland op Walcheren gearriveerd waren, scheen de zon. Het was ons hier om bijeneters te doen, en bijeneters kregen we. Volop zelfs. Hier twee liefkozend in een struikje, daar een paar zonnend in een boomtopje en ineens een heel stel tegelijk in de lucht. Tellen was lastig maar een stuk of vijftien waren het er zeker. En allemaal prachtig van kleur, als vliegende regenboogjes. De bonus mocht er ook wezen: een fraaie wespendief cirkelde boven ons rondjes toen we weer op weg waren naar de uitgang. En de teller stond op 64.
Zo voortvarend als deze start ging het daarna niet meer. Ons bezoek aan Neeltje Jans was eigenlijk zo goed als vergeefs, al is een kleine zilverreiger, op een strekdam in wat de Betonhaven schijnt te heten, natuurlijk altijd leuk. Ook de noordelijke Prunjepolder leverde behalve een paar handen vol kluten weinig op. Een gebiedje met de raadselachtige naam Gasthuis Bevang bij Zierikzee moest de kar weer lostrekken. En dat lukte aardig: nog meer kluten, zingende veldleeuwerik, dwergstern, twee zwartkopmeeuwen en vooral: strandplevier, ook een van de doelsoorten vandaag. Eerst zagen we ze ver weg trillend in het felle zonlicht. Later zagen we er drie ietsje dichterbij maar vooral toen een opkomend regenfront ons de zon benam, waren ze ineens glashelder zichtbaar, compleet met onderbroken borstbandje en zandkleurige bovendelen. Met 85 op de teller leek de honderd binnen bereik, hoewel dat opkomende regenfront ons wel de auto’s in dwong. Maar toen we bij de Heerenkeet uitstapten, was het alweer droog.
De zuidelijke Prunje leverde na onze pauze niet zo veel opzienbarends op maar de Flauwers- en de Weversinlaag aan de andere kant van de dijk wel, wat mij betreft: prachtige groepen van honderden overtijende zilverplevieren en rosse grutto's, allemaal pronkend met hun zomeroutfit, een noordse stern en een dwergstern, een paar zwartkopmeeuwen en een kleine strandloper, onder meer. De teller reikte echter niet verder dan 89 soorten en met alleen de Brouwersdam nog te gaan leek de honderd nu wel buiten bereik.
De Brouwersdam leverde geen nieuwe dagsoorten meer op. Niet de gehoopte zwarte zeekoet en ook verder niets dan een lege zee. Het was er februari niet, dat was wel duidelijk. En op de terugweg regende het weer. Met nog knobbelzwaan en purperreiger vanuit de auto leek de dag te eindigen met 91 soorten.
Vanavond bij de grijze wouw scheen de zon weer dunnetjes door het wolkendek. Ik ging nog maar even door met tellen en inde naast grijze wouw nog soorten als bosrietzanger, snor en sprinkhaanzanger, maar de honderd haalde ik net niet. De teller bleef steken op 98, wat eigenlijk best mager is voor zo’n lange en vogelrijke dag. Maar daarover klagen is natuurlijk niet aan de orde.

17 mei 2026


Mijn weblogkasteel






vrijdag 15 mei 2026

Texel

Op zoek naar een bestemming kom je altijd wel een keertje weer op Texel uit. Zeker als daar mogelijk breedbekstrandloper, morinelplevieren en vrouwtje blauwvleugeltaling op het programma staan. Vooral in de breedbek was ik geïnteresseerd, want het was alweer zes jaar geleden dat ik die voor het laatst zag en bovendien een steltloper, die hebben altijd een streepje voor. Dus op deze prachtige hoewel ook behoorlijk frisse lentedag samen met Harriët weer eens de oversteek van het Marsdiep aanvaard. De stevige noordenwind (we moesten ver naar het noorden vandaag) verleidde ons ertoe een e-bike te huren. Ach, af en toe moet je accepteren dat je heel langzaamaan zeg maar een dagje ouder wordt. Al geldt dat natuurlijk al vanaf je geboorte.
Rustig peddelden we noordwaarts. De straffe noordenwind, hoewel behoorlijk fris, deerde ons niet maar vooralsnog geen enkele melding omtrent mijn doelsoorten dus rustig peddelden we noordwaarts. Twee dwergsterns boven het strand bij de Prins Hendrik Zanddijk. Kluten in zowat alle plasjes en drasjes die we tegenkwamen. Twee noordse sterns in Nieuw Buitenheim. Nog altijd mooie groepen rotganzen. En honderden grote sterns in het Wagejot. Nee, opzienbarend is het allemaal niet maar rond Utrecht zie je ze niet. Of hooguit zelden.
Toen eindelijk, nauwelijks meer verwacht, melding van breedbek: hij was er nog! Met ietsje meer haast en het motortje van standje eco naar standje tour, verder naar het noorden, tot waar ten zuiden van de Schorren het wad steeds verder werd teruggedrongen door het water. Waar breedbek gemeld was, was van het wad al geen spoor meer dus dat werd zoeken. Op zich een aangename bezigheid, met tientallen rosse grutto’s in zomerkleed voorhanden, een paar zilverplevieren idem, een drieteenstrandloper, een kanoet, een groenpootruiter en meer. Uiteindelijk is dit natuurlijk het ware vogelen. Intussen was de Waddenzee nog weer een paar honderd meter opgeschoven en wij schoven mee tot waar een paar vogelaars door hun telescoop stonden te turen. Onze vragende blikken werden op bevredigende wijze beantwoord: ze hadden hem. Ik mocht door een van de scopen kijken: een fraaie breedbekstrandloper foerageerde op het droge wad nog vrij dicht onder de dijk. Dichterbij nog dan ik aanvankelijk dacht, waardoor het nogal tijd kostte voor ik hem zelf terugvond. Maar toen dat eenmaal gelukt was: weergaloos! Een visarend die verderop op het wad bezig was een vis tot zich te nemen, was een fijne bonus.

De speurtocht langs de kale akkers tot aan De Cocksdorp leverde slechts goudplevieren op. Morinellen waren voor ons vandaag niet weggelegd. Dan maar de blauwvleugeltaling om het mee af te ronden, nam ik me voor. Via Dorpzicht (eiders, vier lepelaars, rot- en brandganzen) en de Waalenburg (kluten, kemphaan) lieten we ons naar het zuiden blazen. Heel relaxt allemaal maar berichten over een mogelijke poelsnip op het Renvogelveldje verstoorden danig mijn gemoedsrust. Dat was de overtreffende trap van breedbekstrandloper: mocht het zover komen pas mijn tweede ooit, na een gevalletje alweer elf jaar geleden. We zaten in de Marel toen de bijvoeging ‘mogelijke’ geschrapt bleek. Gelukkig kon ik meerijden met Janneke en Sytske (Harriët bleef liever achter in en rond de Marel).
We konden zo aanschuiven. Een inkoppertje dit keer. De snip zat half verscholen maar schitterend dichtbij in een graspol. Bijna de helft van de vogel was onzichtbaar maar wat zichtbaar was, was voldoende om de determinatie als poelsnip te bevestigen, voor zover nog nodig: plomp voorkomen, stevige en niet al te lange snavel, zwaar gebandeerde borst en zijhals en de eerste van de helder witte veerrandjes op de vleugeldekveren waren net zichtbaar. Dit was de overtreffende trap van een bonus. Hij maakte deze dag helemaal af. De taling daarna maar laten zitten.

10 mei 2026


Mijn weblogkasteel