dinsdag 19 november 2019

Een weekend

Vrijdag pestvogeldag. Er was een groepje neergestreken in Nieuwegein, een kleine drie kwartier fietsen. Aan een gezellig dorpspleintje in een nieuwbouwwijk, zoals natuurlijk heel Nieuwegein een nieuwbouwwijk is. Volop bekijks: vogelaars, fotografen met enorme telelenzen en buurtbewoners die zich over ons verbaasden en meestal ook wel oog hadden voor de vogels. Het waren niet mijn eerste pestvogels dit jaar, maar wel mijn mooiste. In januari hadden we er een in Castricum die we af en toe tussen de takken door enigszins in beeld hadden. En in oktober hadden we er twee op Vlieland die weliswaar op niet meer dan enkele meters afstand langs de straat zaten maar die niet de aandacht kregen die ze verdienden want er wachtte ons een roodkeelpieper en we hoopten op eindelijk nieuws omtrent een bruine lijster. Ook achteraf kwam de pestvogel die dag niet verder dan de vijfde plaats. Gezegend de dag waarop pestvogel pas de op vier na leukste soort is.

Zaterdag na de trektelling vond ik op het Utrecht Science Parc zoals de Uithof tegenwoordig heet, een waterpieper. Helemaal niet zeldzaam natuurlijk maar het was best wel weer een tijdje geleden dat ik er een zo mooi aan de grond gezien had.

Hoofdsoort van het weekend was struikrietzanger. Daarvoor moest ik weer eens naar Texel. Dat was niet voor het eerst deze herfst maar is nog altijd geen straf. In de oude boomgaard aan de Hallerweg in Den Burg een paar uur rond gehangen want hij was niet gemakkelijk. Zoals natuurlijk verwacht mocht worden van struikrietzanger, toch een beetje het archetype van de skulker. Sluipen door dicht struikgewas, dat is wat-ie graag doet. Verreweg de meeste gevallen in Nederland betreffen ringvangsten van vogels die na vrijlating nooit meer werden teruggevonden. Ook vanochtend werd tijden lang niks van de vogel vernomen. Onder andere precies nadat ik gearriveerd was, zodat ik weer lekker kon somberen. Het was stil, geen spoor van struikriet, nee dit werd niks. Maar na enige tijd klonk toch het juiste roepje. Een vogel schoot een bosje uit of een bosje in en toen, precies door een gat heen van een dikke bos klimop: daar zat-ie, open en bloot op een takje erachter. Zo kan het dus ook.
De meeste tijd bracht-ie echter onzichtbaar door, diep in het braamstruweel of in eerder genoemde klimopbossen. En dus bracht ik de meeste tijd wachtend door, speurend en luisterend, hopend op een verbetering van mijn kortstondige waarneming van zojuist en ook hopend op een verbetering van mijn waarneming enkele jaren geleden verderop op Texel. Het kostte wat tijd maar uiteindelijk is dat prima gelukt. Eerst zag ik enige tijd de bovenste helft van de vogel, met fiere kop en forse snavel, half verscholen poetsend in de braamstruik. Daarna zag ik hem korte tijd open en bloot tussen de takken door kruipen. En tenslotte zag ik hem geruime tijd helemaal vrij in de boom. Een ongetekende bruine acro met forse wenkbrauwstreep en egale tertials, dan ben je qua determinatie al een heel eind. Voor mij het moment om iets anders te gaan doen.
In de middag belandde ik op het Hoornderslag langs het Grote Vlak, waar vooral een man carolina-eend de gemoederen bezighield. Een prachtige vogel, maar natuurlijk een escape. Of niet? Er zijn in elk geval op IJsland aanvaarde gevallen en mogelijk ook in Groot Brittannië, dus waarom wordt-ie eigenlijk in Nederland zo structureel genegeerd? Als zo'n soort ergens serieus genomen moet worden, dan wel in een natte duinvlakte achter de zeereep op Texel, waar immers ook al een blauwvleugeltaling is opgedoken. Hotspot voor ontsnappelingen of toch gewoon een hele goeie plek voor trans-Atlantische dwaalgasten? Nou ja, zonder poten wordt het natuurlijk nooit wat.

17 november 2019

dinsdag 12 november 2019

In Apeldoorn

Af en toe is het fijn om je eens niet te laten opjagen door allerlei zeldzaamheden die zich her en der te lande voordoen. Om gewoon, zonder stress en zonder hoge ambities, te genieten van het prachtige herfstlicht en het fraaie herfstweer. Van de weelde aan kleur die aan de bosranden ontsproten is. Van een kuifmees dichtbij in een boom in De Leijen, of een mooie boomklever die foerageert op een nabije boomstam, of van de pimpelmezen die met tientallen door het bos zwerven. Op de terugweg twaalf ooievaars in het land, een stuk of tien holenduiven langs vliegend en een bel van zeven buizerden over. Van die dingen, gewoon, omdat het herfst is. Zoals ook vanochtend: een koude trektelling aan de Jacobssteeg, met onder andere een paar zilverreigers uit het oosten en een mooie ijsvogel ter plaatse.
Maar daarna moet er toch weer getwitcht worden. Want die kuifleeuwerik in Apeldoorn, die maakt het ons wel erg gemakkelijk. Kun je niet laten liggen, want tegenwoordig minder dan vijf gevallen per jaar en nauwelijks eentje daarvan twitchbaar en aanvaardbaar. Een grote zeldzaamheid dus, en een soort die getwitcht ‘moet’ worden. (Nee, ik weet het, niks moet, maar wil je nog eens een kuifleeuwerik in Nederland, dan zul je hem naar alle waarschijnlijkheid moeten twitchen.)
Op amper twee minuten lopen van het station, naast de stationsfietsenstalling, foerageert de vogel afwisselend op de stoep en in het naastgelegen grasveld. Nou ja, af en toe is-ie even zoek, zoals net toen ik aankwam, maar lang duurt dat nooit. Ik zat rustig op een bankje de krant te lezen toen-ie alweer terug was. Toen kon het feest beginnen. Hij kwam tot op enkele meters afstand en zat tussendoor af en toe ook zachtjes te zingen. Af en toe stak-ie fier de kuif overeind: prachtige vogel. Toptwitch. Al kleeft er natuurlijk wel een verleden aan het arme beestje: de wat oudere vogelaars waar ik me eerlijk gezegd toe moet rekenen, herinneren zich maar al te goed hoe gewoon de soort ooit was en ik heb dan ook nog steeds moeite die te zien als de mega die hij feitelijk geworden is.

9 november 2019




woensdag 6 november 2019

20/90

‘20/90’ stond er vermeld in de weerstaatjes op teletekst en in de krant: 20% zon en 90% kans op regen. Van vrijdag tot en met zondag. En precies van vrijdag tot en met zondag zouden we op Schiermonnikoog zijn. Ja, onze weermannen hadden ons een fijn weekendje toebedeeld! Pas na zondag zou het weer een beetje droog worden. Nou, daar moesten we het dan maar mee doen. Overleven werd het, profiteren van elk moment dat het droog was of in elk geval niet al te hard regende. En volledige regenbepakking mee in de rugzak.
Gelukkig is Schiermonnikoog het soort plek waar het onder alle omstandigheden goed toeven is.

Op de boot begon het inderdaad zachtjes te regenen maar op Schier viel het toen allemaal nog wel mee. Grijs was het wel op onze openingswandeling, en miezerig inderdaad. Af en toe regende het wat maar af en toe ook niet, en het was nog best te doen. Rond de westpunt gewandeld. Over het strand dat een van de jongste en meest dynamische landschappen heeft gecreëerd dat Nederland rijk is: waar vroeger gewoon strand was en recent nog drassig en zilt ‘groen strand’, was intussen een soms maar moeilijk doordringbare ruigte ontstaan van rietvelden, lage duintjes, duindoornstruwelen en ondiepe plasjes. Richting zee was alweer de volgende ronde begonnen: nu daar de ijle, zandige pioniervegetatie van verspreide zeekraal- en andere pionierplantjes, en nu daar de strandleeuweriken, misschien wel vijftig strandleeuweriken die af en toe rondvlogen en af en toe neerstreken en dan meestal volkomen in die vegetatie opgingen, hoe dun en verspreid die ook was. Zal ook met het nogal duistere weer te maken hebben gehad natuurlijk.

De meeste regen viel in de nacht van vrijdag op zaterdag. Zaterdagochtend voor het ontbijt tijdens mijn eerste poging tot bruine boszanger druppelde het nog wat na maar al gauw was het droog. Die bruine boszanger hield zich al enkele dagen op in de zeereep een paar kilometer ten oosten van de Badweg. Mijn eerste poging faalde. Roodborst, winterkoning, putters, maar geen spoor van brubo.
Al tijdens ons ontbijt in het eetzaaltje van wat we ons hotelletje mogen noemen, ook al zaten we ‘buiten’ in iets dat het midden hield tussen een vakantiehuisje en een hotelkamer, al tijdens het ontbijt dus scheen de zon. Na het ontbijt op de fiets het eiland rond. De klassieke ronde van Schier: Westerplas, jachthaven, Waddendijk, polder, kwelder en natuurlijk Kobbeduinen. Kobbeduinen is het Rome van Schiermonnikoog: alle wegen leiden er naar Kobbeduinen. Onder het baken de enige bui van de dag ondergaan. We waren al gewaarschuwd door de loodgrijze lucht die kwam aanschuiven en waren volledig bepakt toen we in de regen tegen het duin aan zaten. Witgat over, zwarte ruiters over, massa ganzen in de nabijheid en fraaie regenboog. De zon scheen alweer volop toen we door de duinen naar de Marlijn fietsten en daar, na een korte onderbreking voor thee met taart, over het strand wandelden.
Wat vogels betreft vandaag de roodhalsganzen die ik gisteren in de schemer niet had kunnen vinden. Vier stuks tussen de brand- en de rotganzen in de polder tussen jachthaven en veerdam in. Ze zijn lastig te vinden maar eenmaal gevonden zijn ze fraai want dat zijn ze. Zo’n familiegroep (ik vond er vier maar er schijnen er zes te zitten) op een Waddeneiland: echter, ‘wilder’ heb je ze niet in Nederland. Je kunt je maar moeilijk voorstellen dat ze alle zes uit een kooitje komen.
Aan het eind van de middag, inmiddels in mijn eentje, nog zeker een uur lopen zoeken naar brubo. Ik kreeg ook nog hulp dit keer maar dat mocht niet baten: vogel gaf een uur lang geen kik.

Ook op zondag hadden we prima weer. Het voelde als een triomf over de weergoden, of eerder over onze weermannen. ’s Morgens op weg naar de bruine boszanger nog even wat gespetter maar bij de brubo was het alweer droog en bovendien: drie keer was toch een klein beetje scheepsrecht. Al gauw hoorde ik hem onmiskenbaar roepen, even later zelfs fanatiek en dichtbij. Ik zag een zangertje vliegen naar een bosje verderop, hoorde daar nog een paar keer zijn roepje en daarna was-ie weer stil. En onvindbaar. Dat is zoals het wel vaker gaat bij bruine boszanger. Daar moeten we dan maar tevreden mee zijn.
Na het ontbijt uitgecheckt en met bagage lopend naar de veerdam, zo hadden we besloten. Wel met een omweggetje en zonder haast. We liepen door het dorp, over de Kooiweg en de Reddingsweg en zigzagden wat door de duinen. We kwamen langs de Berkenplas en waren op Vredehof, waar de se­rene rust heerste van de doden. Elke begraafplaats is een gedenkplaats voor alle doden, vind ik, ieder gedenkt er zijn eigen doden, ook al liggen die ver weg begraven. En geruime tijd zaten we op de bunker. Kramsvogel, paar veldleeuweriken over en toen: paar keer herhaald een hoog en scherp boompieperroepje, maar niet dat strakke van boompieper, abrupt beginnend en abrupt eindigend en daartussen eenvormig hoog en schel. Nee, dit klonk anders, begon explosief en zwakte daarna wat af. Ik heb niet voor niets de afgelopen jaren tientallen roepjes afgeluisterd waarbij ik telkens diezelfde structuur hoorde: wat mij betreft kenmerkend voor siberische boompieper, vroeger zeldzame dwaalgast maar tegenwoordig eerder schaarse doortrekker uit verre noordoostelijke streken. Zal er ook mee te maken hebben dat we inmiddels dat roepje beter kennen. En dat er zo veel mensen met opnameapparatuur rondlopen natuurlijk. Een deel van de toename zal ook wel reëel zijn, veronderstel ik.
Op de Reddingsweg nog een slechtvalk over en kort daarop een houtsnip, in de polder nog een keer fraai de (opnieuw vier) roodhalsganzen en we waren terug op de veerdam. Regen volgde pas weer toen we allang in de trein zaten.

3 november 2019




Meer lezen? https://guuspeterse.blogspot.com/2020/01/jaarwisseling.html










maandag 28 oktober 2019

Lijster

Het was typisch zo’n gevalletje ‘wat moet ik hier nou weer mee’: ontdekking vrijdag op Vlieland van een bruine lijster, heel zeldzaam, pas de vierde ooit voor Nederland. Zou voor mij de eerste zijn maar ja, Vlieland. Op dat moment sowieso niet aan de orde en met OV en fiets eigenlijk niet te doen. Dus ik deed mijn uiterste best ‘m te negeren en er mijn wandeling met Harriët van Vlist naar Stolwijk niet door te laten bederven.
Weer thuis was het voorbij met negeren. Drie jaar geleden heb ik op een kille novemberdag urenlang rondgehangen in een buitenwijk van Groningen waar de vorige dag een bruine lijster gevonden was. Beest liet zich de hele dag niet zien. En werd later dood gevonden. Was misschien al dood toen wij daar in Groningen liepen te zoeken. Zou dus een fijne inhaler zijn: er moest actie ondernomen. En die actie resulteerde nog verrassend vlot in een lift.
Een Waddeneilandentwitch dus. Die zijn bijzonder. Omdat ze zo enorm veel om het lijf hebben: vroeg op, lange reis, beperkte tijd want op tijd de laatste boot weer terug. Meestal ben je langer onderweg dan op het eiland. Maar ook omdat het altijd iets magisch heeft om zomaar ineens op dat eiland te zijn, in een ander universum bijna terwijl thuis het dagelijks leven doorgaat (liefst vindt zo’n Waddeneilandentwitch plaats op een doordeweekse dag). Normaal moet je weken wachten voor het zover is. Instant-Waddeneilandengevoel.

Om zes uur op de fiets, om half zeven op de afgesproken plek, om half 9 in Harlingen en om half 11 op Vlieland. Tot zover ging alles goed. Nu was het aan de lijster, zeiden we tegen elkaar. Maar die was nou net de zwakke schakel: er was blijkbaar nog geen spoor van de vogel. Het bleef in elk geval angstvallig stil op de lijn. Op de boot geen enkel bericht en eenmaal op het eiland nog steeds niet: zag er niet goed uit. In het dorp dan maar even twee pestvogels opgestreken: leuke soort maar van een heel andere orde. En even buiten het dorp een mooie roodkeelpieper, af en toe even vrij zichtbaar en ook nog luid roepend over ons heen: nog leuker maar ook nog lang geen bruine lijster. En over die lijster intussen nog altijd geen nieuws. We begonnen ons langzamerhand bij de dip neer te leggen. Met weinig verwachting fietsten we naar de plek waar het gisteren allemaal had plaatsgevonden, een kilometer verderop in de zeereep, en bereidden ons voor op uren van tijdverspilling in de zeereep van Vlieland. Maar toen, toch nog, eindelijk de melding die we nauwelijks meer verwacht hadden: mogelijk zojuist gezien, invallend in een bosje op de zeereep. Nog even dat voorbehoud maar al gauw de bevestiging: vogel zat er nog!
Daarmee begon het lange wachten. Voor ons een mooi, van herfst doortrokken duinpannetje met koperwieken en kramsvogels, pimpelmezen, een paar kepen. Af en toe gaf een zwartkopje zich bloot en ergens daar beneden verscholen in het kreupelhout moest bruine lijster zitten, men wist het zeker, maar vooralsnog gaf hij geen krimp. Hield zich hardnekkig schuil. Een gierzwaluw zorgde voor afleiding. Gierzwaluw in oktober is altijd spannend want is vrij vaak een vale gierzwaluw, zeldzame dwaalgast uit zuid Europa. Dit bleek echter naar alle waarschijnlijkheid een gewone, zo bleek uit de foto’s op de cameraschermpjes ter plaatse. In oktober ook zeldzaam maar van april tot juli helemaal niet. Tijd om ons weer op de lijster te richten want die werd net op dat moment eindelijk weer gezien. Heel even. En even later nog een keer. Af en toe werd er geroepen: ‘nu in de duindoorn naast de kale vlier’, en ‘laag in de vogelkers, nu in de kale vlier’. Maar welke duindoorn? (‘Die met de besjes’ …) Welke vogelkers, welke kale vlier? Telkens was ik te laat, stond ik net verkeerde of kon ik de juiste plek niet vinden. En het werd weer stil. Een vogel vloog de bosjes uit. ‘Was hem niet’ werd er geroepen. Nog een vogel vloog de bosjes uit. ‘Was hem niet’. Maar toen er opnieuw een vogel over ons heen vloog: ‘dat was hem’! Men wist het zeker. Maar ja, wat heb je daaraan? Was nog steeds niks waard.
Kort daarop zag ik hem dan toch eindelijk twee-en-een-halve tel herkenbaar in een kaal struikje honderd meter verderop in de zeereep. Het was nog niet helemaal zoals ik hoopte, de fraaie foto’s van gisteren indachtig, maar als het niet gaat zoals het moet, dan moet het maar zoals het gaat. Gisteren heeft ook lang niet iedereen hem zo mooi gezien als de foto’s suggereren, wist men mij te vertellen.
Later, na nog heel wat keren dat ik te laat was of op de verkeerde plek stond of naar het verkeerde struikje keek, later kreeg ik hem beter in beeld, diep verscholen maar redelijk vrij zichtbaar tussen de takken door van de meest nabije kale vlier. Terwijl sommige vogelaars nog steeds, en steeds geïrriteerder, vroegen waar ze toch kijken moesten. Ik kon ze niet helpen. Maar uiteindelijk zagen we hem allemaal langdurig prachtig zitten op een kaal takje achter de inmiddels overbekende vogelkers en schuin naast de duindoorn met de besjes. Ik had inmiddels door welke duindoorn daarmee bedoeld werd en dat hielp. Uiteindelijk kon iedereen volmaakt tevreden iets anders gaan doen.
Wij beloonden onszelf met een heerlijke rosse franjepoot, een knuffelvogel die zo dichtbij zat dat je bijna over hem heen keek. Had ons overigens nog heel wat bloed, zweet en tranen gekost want we moesten er een kleine zeven kilometer voor tegen windkracht 7 in fietsen. Terug naar het dorp was dan weer een feest: kostte nauwelijks een trap.

26 oktober 2019


Appendixje: het lijkt erop dat het toch een vale gierzwaluw is geweest, aldus enkele fraaie en verhelderende foto’s die van de vogel gemaakt zijn. (Pas op, dit wordt een wat technische uiteenzeting.) De discussie is nog niet helemaal uitgewoed en straks zal natuurlijk de CDNA haar oordeel vellen, maar er zijn wel goede argumenten voor, vind ik. Hoe donker de vogel ook in het veld overkwam, foto’s tonen toch echt een donkerbruine vogel met bleekbruine accenten. En hoeveel foto’s van ‘bewezen’ vale gierzwaluwen in Nederland heb ik niet gezien die ik zo donker, zelfs zwartachtig vond dat ik me afvroeg hoe ze daar nou toch een vale van gemaakt konden hebben? Probleem is wel dat al die prachtige foto’s toch vaak net een verschillende indruk wekken, maar de witte keel lijkt meestal toch wel wat groot voor een gewone gierzwaluw, voorhoofd en kop als geheel aan de lichte kant en daardoor het donkere oogmasker meestal best opvallend. De onderdelen zijn wel erg zwaar geschubd voor een gierzwaluw en de armpennen lijken bij onderaanzicht op sommige foto’s best licht en zelfs wat doorschijnend, bij bovenaanzicht vallen op vrijwel elke relevante foto de wat lichtere dekveren en donkerder armpennen op evenals de wat donkerder gekleurde rug en op sommige foto’s zien de twee buitenste handpennen er toch echt even lang uit. Allemaal goed voor vale. Maar zoals gezegd, op andere foto’s ziet het er allemaal een stuk minder duidelijk uit.
Een struikelblokje zijn de ondervleugeldekveren: de kleine donker en de grote licht, da’s nog oké, maar op diverse foto’s lijken de tussenliggende middelste dekveren aan de donkere kant. Als het goed is bij vale vrijwel zo licht als de grote. Maar als ik foto’s van gewone gierzwaluwen bekijk (ik heb er vele gecheckt), dan zie ik daar vrijwel steeds een uniform zwartachtig gebied van kleine en middelste dekveren en dat zie ik bij de Vlieland-vogel echt niet terug. Daar ogen bijna steeds de middelste dekveren wel degelijk wat lichter dan de kleine, ook al zijn ze donkerder dan de grote. En ik heb intussen ook heel wat foto’s van onbetwiste vale gierzwaluwen in Zuid Europa bekeken en daar valt het met dat keiharde ondervleugeldekveerkenmerk ook wel mee: op een flink deel van die foto’s zien de middelste dekveren er echt wel donkerder uit dan de grote. Kan dus allemaal best, denk ik.
Het laatste woord is er natuurlijk nog niet over gezegd maar als ik moest kiezen, zette ik mijn geld op vale. En dat zou een geweldige bonus zijn want pas mijn tweede ooit in Nederland.


Meer twitches: Kleine regenwulp 
Minder bruine lijster: Beijum

woensdag 23 oktober 2019

Maasvlakte deel tig

Wie echte natuur wil, mooie wilde, van die natuur die je aangrijpt, of die je tot rust brengt, of die je overweldigt, die moet niet naar de Maasvlakte. Van die natuur waarin je jezelf kunt verliezen en waarin je jezelf weer kunt terugvinden, de natuur van de natuurfilms, de natuur waar mensen aan denken als ze aan natuur denken, waar mensen heen willen om eens echt helemaal weg te zijn, op de Maasvlakte moet je daarvoor niet zijn. Op de Maasvlakte is slechts een troosteloze afspiegeling van natuur je deel. Je kunt het nauwelijks natuur noemen. Stoffige steppes afgewisseld met kale kades en uitgestrekte havens en doorsneden door smetteloze en meest verlaten stroken asfalt, in de verte hijskranen en olieraffinaderijen, altijd in de verte hijskranen en olieraffinaderijen. Een stekelig struikje hier, een scharminkelig bosje daar, en achter je een passerende goederentrein die het je minutenlang onmogelijk maakt om te horen of er misschien een ijsgors of een grote pieper overvliegt. Hoeveel dat er geweest zijn tijdens het passeren van zo’n trein, we zullen het nooit weten. Al geeft het gegeven dat we er niet een hoorden in de periodes dat er geen goederentrein passeerde, wel een hint.
Waarom dan toch naar de Maasvlakte? vraag je je natuurlijk af. Tsja, heel af en toe is daar een reden voor. Een reden genaamd provençaalse grasmus, in dit geval. Want zelf vind ik weliswaar nooit wat op de Maasvlakte, als ik er spontaan heen ga is het er altijd dodelijk saai, maar anderen vinden er wel af en toe iets. Zoals deze provençaalse grasmus: zeldzaam, en als je hem een beetje fatsoenlijk in beeld krijgt een mooi beestje. Maar zelf had ik hem al zo’n beetje afgeserveerd: te ver weg, totaal onbereikbaar met OV en fiets, en geen lifer. In zuid Europa zelfs al meermaals gezien dus waarom zou ik er moeite voor doen? Maar als er een auto rijdt en ik mee kan rijden, ja, dan is het toch wel weer een mooi beestje, en zeldzaam bovendien. Mijn tweede pas in Nederland.
Het zou niet makkelijk worden, meende ik uit diverse commentaren te kunnen afleiden. Uren zoeken, als het tegenzat, en daarna hooguit een korte flits. Maar het werd veel gemakkelijker, veel sneller en ook veel beter dan ik had durven hopen: bij aankomst stond er al een groepje vogelaars die hem blijkbaar al in beeld hadden, en al gauw zagen wij hem ook. De vogel vloog af en toe een stukje, was af en toe (soms half) verscholen in het dichte kreupelhout maar was soms ook even prachtig vrij zichtbaar. Mooi gezien door de telescoop ook: een mooie, karakteristieke vogel met bruinrode onderzijde en markante, lange staart.
Het prettige van dergelijk snel succes is ook altijd dat je daarna nog ruim de gelegenheid hebt om te genieten van de fraaie natuur die, in dit geval, de Maasvlakte in de aanbieding heeft. Half kale steppes, kale kades en uitgestrekte havens en in de verte hijskranen en olieraffinaderijen. Een licht absurdistische wereld waarin we nog fijn op zoek konden naar andere rariteiten. Vruchteloos, dat spreekt vanzelf, want ik vind nooit wat op de Maasvlakte.

20 oktober 2019


Meer urban birding: Sneek

woensdag 16 oktober 2019

Wijdewormer

Het werd dus, na lang wikken en wegen, Wijdewormer, midden in het Zaans polderland. Boemeltje vol met Japanse toeristen uit Amsterdam en vanaf Koog aan de Zaan het vouwfietsje naar Zuiderweg 45, halverwege Purmerend.
Gisteren was zo’n dag dat je als vogelaar even niet meer wist waar je het zoeken moest. Als je op zo’n dag in het hoofd van een vogelaar kunt kijken, althans eentje die graag af en toe een zeldzaamheidje meepikt, dan zie je chaos, dan zie je vertwijfeling, besluiteloosheid, en FOMO natuurlijk: Fear Of Missing Out. Angst vooral om de verkeerde keuze te maken. Want mirtezanger op Schier, tweede voor Nederland! Lifer uiteraard. Maar vangst, dus voorlopig niet telbaar en bovendien: zou-ie na loslaten nog worden teruggevonden? Vandaag sowieso niet meer haalbaar natuurlijk maar hoe zou het morgen zijn? Een bruine klauwier bij Keent zou dan wel alweer mijn derde zijn maar leek een veel veiliger optie. Intussen zat er natuurlijk ook nog die provençaalse grasmus op de Maasvlakte, maar die kon ik gemakkelijk terzijde schuiven: onbereikbaar en geen lifer. Mirtezanger bleek na loslaten nog geruime tijd in beeld: misschien toch morgen daarheen? Als-ie nou tenminste tijdig zou worden terug gemeld, maar dat zou wel teveel gevraagd zijn. Het zou nog spannend worden morgenochtend. Moest ik nou die wereldreis naar Schier ondernemen? Trein van 10 voor 9 (een vroegere mogelijkheid was er niet) betekende half 2 op het eiland en tenzij ik alles in een goed uur zou kunnen regelen (fiets huren, naar de plek, vogel vinden, terug fietsen, fiets weer inleveren), wat rijkelijk optimistisch was, niet voor ’s avonds 11 uur thuis. Zelfs als-ie tijdig werd teruggevonden, trok het me eigenlijk niet zo, eerlijk gezegd, dan misschien toch liever die klauwier. Maar kon ik wel zomaar een lifer laten lopen?
Toen de melding van een spannende spotvogel bij Wijdewormer, midden in het Zaans polderland. Die kon er ook nog wel bij. Discussie over de determinatie duurde gisteravond tot in de kleine uurtjes en bleef vooralsnog onbeslist, hoewel afwijkende spotvogel nog de beste papieren leek te hebben. Maar niemand had de vogel toen nog live gezien en toen die vanochtend werd teruggevonden, toonde die dat ene kenmerk dat vanaf die paar overigens erg fraaie foto’s niet zichtbaar was geweest: hij sloeg voortdurend met zijn staart. Exit spotvogel: dit was, zo hadden we inmiddels allemaal kunnen lezen in de geëigende leesstof, kenmerkend gedrag voor oostelijke vale spotvogel. Mega! Want nieuwe soort voor Nederland en dus voor iedereen nieuw op de Nederlandse lijst.
Het werd dus, na een korte overweging, Wijdewormer, midden in het Zaans polderland. Boemeltje vol met Japanse toeristen uit Amsterdam en vanaf Koog aan de Zaan het vouwfietsje naar Zuiderweg 45, halverwege Purmerend.

Tientallen vogelaars wezen me al van kilometers afstand de juiste boerderij, en daarna ook het juiste hoekje van de tuin. Een wilgenstruikje aan het water, een meidoorn die daar bovenuit stak, daarnaast een monumentale, bolvormige klimopstruik en er tussenin een esdoornstammetje, dat was naar verluidt het werkterrein van de vogel. En het duurde niet lang voordat ik hem daar voor de eerste keer in beeld kreeg, prachtig in de telescoop. En dat bevestigde wat de eerste foto’s al hadden laten zien: een best wel forse zanger (onder andere vergeleken met een tjiftjaf die ook af en toe door het beeld kroop) met forse snavel en forse kop en relatief lange, ver uitstekende staart. Grijsbruin van boven en vrijwel wit van onderen, zonder spoortje geel of groen in het verenkleed. Een knappe jongen die daar nog een Spotvogel van maakt. En hij sloeg inderdaad aanhoudend met zijn staart. Determinatie leek daarmee wel rond. Totdat ineens de optie grote vale spotvogel in de vijver werd gegooid, nog zeldzamer dan oostelijke want in tegenstelling tot die nog nooit in de ons omringende landen vastgesteld. Hadden we die mogelijkheid wel overwogen? Verschillende kenmerken leken eerder op die soort te wijzen dan op oostelijke.
Ik heb er ruim twee uur gestaan, misschien wel drie, en kreeg de vogel geregeld fraai in beeld. Perfecte twitch, helemaal gelukkig, alleen: wat was het nou? Langzaam kantelde de communis opinio naar grote vale. De relatief lange, ver voorbij de tertials uitstekende vleugelpunten (te lang voor oostelijke wellicht, maar te kort voor gewone spotvogel), de erg lang ogende staart die relatief ver voorbij de vleugelpunten stak, de lichte teugel (donker bij oostelijke), de net te ver achter het oog reikende oog- en wenkbrauwstreep (op sommige foto's, op andere leek nauwelijks sprake van een wenkbrauwstreep, verraderlijke dingen, wenkbrauwstrepen), allemaal zaken waar grote vale net iets beter op past. En dan was er nog het slaan van die staart: niet alleen op en neer, had men vastgesteld en is door filmpjes inmiddels ook bewezen, maar ook zijwaarts. Kenmerkend voor grote vale. Zo zijn er meer deels zeer technische details, de spatiering van de handpennen en de ligging van de tertials onder andere, die wijzen naar grote vale, al zijn er ook zaken die juist voor die soort niet zo goed lijken te kloppen. Nog niet iedereen is dan ook om. Zelfs een afwijkende, bleke gewone spotvogel is nog niet helemaal van de baan. Dus wie weet staan we straks toch met legen handen.(*) Maar dan heb ik er in ieder geval effectief mijn frustratie om het missen van mirtezanger mee bestreden. Het is hoe dan ook een gaaf beest, en een razend interessante determinatiediscussie die nog lang niet is afgerond. Wordt dus vervolgd.

13 oktober 2019


(* Al geloof ik daar niet in: uitzonderlijk laat in het jaar, uitzonderlijk bleke vogel, voor spotvogel uitzonderlijk korte handpenprojectie en uitzonderlijk lange staartprojectie, uitzonderlijk witte staartzijden en het voortdurend slaan met de staart kom ik in geen vogelgids tegen en zal dus ook wel niet heel gebruikelijk zijn. Zou afzonderlijk misschien allemaal nog net kunnen, maar samen net wat teveel uitzondering om nog in spotvogel te kunnen geloven.)


Meer: Lijster

vrijdag 11 oktober 2019

Dutchbirding op Texel

Natuurlijk ga je naar een Dutchbirdingweekend in de hoop op een paar smakelijke zeldzaamheden. Maar niet alleen. Want vogelen op Texel, dat is ook op de Waddendijk bij De Cocksdorp turen over het droogvallende wad, spiedend naar de kanoeten en de bonte strandlopers, de rosse grutto’s, de tureluurs en de wulpen, de pijlstaarten en die ene groenpootruiter en die ene drieteenstrandloper daartussen. Terwijl verderop de eerste groepjes rotganzen alweer zijn teruggekeerd uit het hoge noorden. Het is ook vanaf de zeereep zoeken naar zeevogels die over de golven jakkeren. Druk was het niet, de wind kwam uit oost dus met een paar roodkeelduikers, zeekoeten en jan van genten moesten we genoegen nemen. Het is ook in de bossen zoeken naar zeldzame amerikaanse dwaalgasten die natuurlijk helemaal niet te vinden waren want die zijn zeldzaam. Daarom zijn we er ook zo naar op zoek. Maar spannend is het wel want om elke bocht, bij elke boom denk je weer: hier gaat het gebeuren. En op een dag gaat het ook gebeuren. Maar niet vandaag, altijd weer niet vandaag.
En het is ‘bosjeskloppen’ (wees gerust, wij kloppen daarbij de bosjes niet echt) langs de Lange Dam en ook al leverde dat niet meer op dan een handvol roodborsttapuiten, het is hoe dan ook een spannende bezigheid want zie boven, en je weet nooit wat je tegenkomt in oktober aan de Lange Dam. Terwijl intussen de spreeuwen in golven laag over je heen wapperen, een paar buizerden hoog overdrijven en verder groepjes graspiepers, volop lijsters, sijzen, vinken en wat al niet en hoor: een ijsgors. Vogeltrek! Dat is bovenal oktober op Texel, of op welk Waddeneiland dan ook: het ondergaan van de vogeltrek. Het ondergaan van natuur in de meest ontembare vorm die je in Nederland nog kunt meemaken, natuur waar de mens nog geen vat op heeft, natuur die doet wat-ie wil. Wat een puinhoop we er ook van gemaakt hebben in die natuur, hoezeer we ook onze natuur, onze eigen leefomgeving verwoest hebben, bezig zijn het land stap voor stap tot een dorre woestijn te maken, in steriele en levenloze akkers om te vormen, de vogels trekken en zullen altijd blijven trekken. Ze waaien over ons heen en dalen neer in bosjes en duinpannen, langs kusten en in velden en in bosjes en duinpannen, langs kusten en in velden zien we de weerslag van die vogeltrek: de goudhaantjes die, soms tot op amper een meter afstand door het kreupelhout scharrelen, de kanoeten en de bontjes en de rosse grutto’s op het wad bij De Cocksdorp, de zwarte zee-eenden die in treintjes ver over zee snellen, de tientallen kokmeeuwen die zich over zee zuidwaarts bewegen en de paar jagers die zich daar af en toe tussen mengen: roofmeeuwen die alle andere zeevogels het leven zuur maken. Er waren overigens geen jagers voor nodig om die eenzame merel het leven zuur te maken die zwoegend over de golven probeerde het veilige Texel te bereiken. Het waren meeuwen die hem achterna zaten, die hem de pas afsneden en die hem keer op keer belaagden tot-ie uiteindelijk zichzelf terugvond in de snavel van een grote mantelmeeuw. En zijn trek ten einde was.

Met de vogeltrek komen ook de zeldzame vogels mee. Daar kun je de klok op gelijk zetten. Die zaten er ook wel, maar ze moesten wel eerst gevonden worden en daarna viel het ons aanvankelijk niet mee om die zeldzame vogels een beetje smakelijk in beeld te krijgen. Het was zwoegen en schrapen, aanvankelijk. Dat was wat mij betreft toch het thema van dit weekend: armzalige waarnemingen opwaarderen tot gave herinneringen. Die blauwvleugeltaling bijvoorbeeld, zeldzame dwaalgast uit Noord-Amerika (tenzij …, natuurlijk, een eend immers): een vrouwtje bivakkeerde al enkele dagen in het Grote Vlak, duinvlakte langs het Hoornderslag. We waren vrijdagmiddag al halverwege De Cocksdorp, waar we ons huisje hadden op de Krim, toen we werden teruggeroepen: vogel was teruggevonden. Ter plaatse helaas geen spoor meer. Krakeenden, slobeenden, smienten, maar blauwvleugeltaling was zojuist naar achteren gevlogen, wist men ons te vertellen, en was daarna niet meer tevoorschijn gekomen. We waren alweer halverwege De Cocksdorp toen we opnieuw werden teruggeroepen: vogel was toch weer in beeld. Dit keer wel gevonden: een nogal onopvallend eendje dat zich vooral onderscheidde door een klein wit vlekje aan de snavelbasis. Zomertaling, zou je zomaar kunnen denken, al was daarvoor de koptekening wat te weinig uitgesproken, maar dat is een wankele basis voor de determinatie van een dergelijke zeldzaamheid. Gelukkig had men de blauwe vleugel gezien waar de vogel zijn naam aan te danken heeft.
De volgende dag stonden we weer aan het Hoornderslag. Dit keer met zon en met prachtig licht van achteren, en dat maakt veel verschil. Wat echter vooral verschil maakte, was dat de vogel geruime tijd met de vleugels half geopend zat, waardoor prachtig zijn helderblauwe armvleugel zichtbaar was. Ja, dat maakte alle verschil!

Een soort die zeker de laatste jaren niet kan en niet mag ontbreken op een oktoberweekend op een Waddeneiland, is bladkoning. De afgelopen weken was deze voormalige zeldzaamheid nog tamelijk schaars maar juist de afgelopen dagen waren ze massaal gearriveerd. Toch kostte het ons veel moeite om een beetje fatsoenlijke blako te vinden. Onze eerste poging, vrijdagmiddag in een mooie boomgaard aan de rand van Den Burg, mislukte. Zaterdag in diezelfde boomgaard bij aankomst meteen horen roepen maar daarna was het schrapen: een roepje hier, een korte flits daar, terwijl vooral de sijzen, de zanglijsters en de koperwieken de show stalen. ’s Middags vonden we er zelf eentje naast de Plus in De Cocksdorp, die sporadisch riep en die ik één keer kort in beeld kreeg. Zondagochtend in de Tuintjes was het al niet anders: af en toe riep er eentje maar hij liet zich aan mij maar één keer kort zien. Hier waren het vooral de goudhaantjes die de show stalen: tot op een meter afstand scharrelden ze door het kreupelhout. Pas later die ochtend in Dorpzicht, klassieke plek daarvoor natuurlijk, lukte het er eentje enige tijd aardig in de kijker te krijgen.

Nog zoiets: roze spreeuw. Toen we zaterdagochtend na weer een oefening in geduld bij de vuurtoren eindelijk de juveniele vogel in beeld hadden die daar kort tevoren was gemeld, kort half vrij op een laag duintje, waren we er nog niet klaar mee. Voor Janneke en Martijn een lang verwachte nieuwe soort dus die was wel enige extra aandacht waard. Een halve dag later en diverse blako's, een flamingo en een blauwvleugeltaling verder liet de vogel zich op het renvogelveldje veel beter en veel langer zien. Echt genieten was het, wat roze spreeuw betreft, pas maandagochtend toen hij zich, terug bij de vuurtoren, minutenlang prachtig liet zien boven in een nabij struikje. En zo kwam het ook met deze potentiële soort van het weekend uiteindelijk helemaal goed.
Kwaliteit gaat voor kwantiteit, vind ik meestal, dus de ware soort van het weekend was voor ons natuurlijk die juveniele smelleken die zaterdag ineens open en bloot en op amper vijftig meter afstand tegenover de ingang van de Krim in een struikje een koperwiek uit elkaar zat te trekken. Een smelleken zoals je ze zelden ziet. Voor de koperwiek in kwestie was de trek voorgoed ten einde.
We hadden nog twee fraaie ijseendjes op de Waddenzee bij de IJzeren Kaap en twee dotjes van sneeuwgorzen aan de voet van de Waddendijk bij De Cocksdorp, maar de tweede prijs ging dit weekend naar de juveniele morinelplevier in een akker langs de hoofdweg op zondagmiddag. De akker was kaal en vlak, niets om je achter te verschuilen zoals morinellen zo graag doen, dus niets stond een heerlijke waarneming van een hele fijne soort in de weg.
Verder wandelden we door de duinen naar zee, spraken we over god en over de gruwelen van de natuur en wat het een met het ander te maken had, aten we onze stamppot tijdens het stamppotbuffet en faalden we zoals gebruikelijk bij de MyBiCo maar dat mocht de pret niet drukken. Het was, we zijn niet anders gewend, weer een heerlijk Dutchbirdingweekend geweest.

7 oktober 2019


Meer lezen? Dutchbirdingweekend 2020