maandag 12 november 2018

Zwolle

Onder het mom ‘Je moet toch wat’ naar Zwolle zuid voor een roze spreeuw. Ach, roze spreeuw, maar bonte tapuit was inmiddels zoek en de tsunami aan vale gierzwaluwen kwam pas op gang toen ik al zowat in Zwolle was. Natuurlijk kun je ook zelf iets leuks gaan zoeken, en dat ging ik dan ook. Vanuit Zwolle.
Maar eerst Zwolle zuid dus, zo’n plezierig soort woonwijkje zoals wij vogelaars inmiddels zo goed kennen, waar we ons grijze junco herinneren en baltimoretroepiaal, roodkeelnachtegaal, oosterse tortel. Met tuintjes en kinderspeelplaatsjes, met kreupelhout omzoomde speelveldjes, rijzige coniferen, boomsingels, op één dak een verdwaalde antenne, dichte bosjes met bessen, van die witte klapbessen die je met je schoenzolen zo lekker kunt laten klappen, en van die achterommetjes tussen de tuinen waar we vroeger als schoolkinderen zo eindeloos tikkertje of vangertje konden spelen. Buurtbewoners die een praatje komen maken, waar al die mensen toch iedere dag naar staan te kijken? Wat dat dan voor vogel is en waar die dan helemaal vandaan komt? Dat ze hem laatst zelf in de tuin hadden en de klassieker: dat-ie er al weken zit. Geknipt voor een verdwaalde roze spreeuw dus. Alleen: hij was er niet. Wel onder andere tjiftjaf, roeken, groene specht en een prachtig vlakbij achter een kramsvogel aan jagende sperwer maar geen roze spreeuw.

Rondje rond Zwolle dan maar, effe weg uit die benauwdheid van doorzonwoning en hondentoilet, effe de wijde wereld in. Bossen, bosranden, allemaal in fraaie en warmbloedige herfsttinten, besloten veldjes, goudhaantjes, staartmezen. Dan: openheid, weidsheid, uitgestrekte platte velden, de IJsseldijk, toch weer herfstige bosranden en tenslotte de Tichelgaten van Windesheim. Ook hier bos, maar een heel ander soort bos dan zojuist, zompig, krioelend, duister. En plassen, rietvelden, natte oevers en zeearend. Een fraaie adulte zeearend: hoe wijd wil je de wereld hebben? Hij vloog een tijdje laag rond en zat daarna enige tijd prachtig op de oever aan de overkant van de plas. Zodat ik het leukste van vandaag toch maar mooi zelf gevonden heb. (Nou ja, zelf gevonden, op waarneming.nl kreeg-ie een grijs vinkje: automatisch goedgekeurd omdat anderen voor mij hem daar al gezien hadden en afdoende gedocumenteerd.)

Terug nog even langs de roze spreeuw. Ik miste hem op een haar na, wist men mij te vertellen. Hij zit er dus nog wel, maar ik heb hem niet gezien. Een dipje, maar een waarmee te leven valt, eerlijk gezegd.

maandag 5 november 2018

Bairds strandloper

Uurtje treinen naar Deventer, amper een kwartiertje fietsen: een hit-and-run, voor donker weer thuis, al heb ik ook nog wel een klein stukje omgeving meegepikt, uiterwaarden, ruige oeverlanden, vissende mannen langs de IJssel. Zo gemakkelijk gaat het lang niet altijd. Vaak moet je wachten, soms wel uren en soms ook nog eens vergeefs. Zo niet vandaag, vandaag had ik ‘m meteen bij aankomst: bairds strandloper in de pocket. En hoe! Rustig foerageerde hij langs de nabije oever van de Bolwerksplas in de uiterwaarden tegenover Deventer, en liet zich tot op een meter of tien benaderen (dichterbij had misschien ook nog wel gekund, maar men hield keurig afstand, in elk geval toen ik er was). Het was geweldig! En intussen trok hij het ene na het andere wormpje uit de modder. Hoe hij die vinden kon, het is me een raadsel. Ik zag ze niet, althans, niet voordat hij ze uit de modder trok.
Vanmorgen stond ik nog trek te tellen aan de Jacobssteeg bij De Bilt. Genoeglijke uurtjes, opgeluisterd met honderden houtduiven. In totaal werden er zo’n drieduizend geteld, voor ons een dik dagrecord, en allemaal naar het oosten. Ook enkele imposante, brede spreeuwenfronten laag over ons heen. Van die bijna niet te tellen groepen waarbij je aanvankelijk meent met een clubje van een stuk of twintig te maken te hebben, tot je ontdekt dat er nog tientallen ‘aan vast’ zitten, en ook nog eens een sliert aan de andere kant. Dan heb je er zo driehonderd.
Intussen het bericht: bairds teruggevonden. De bairds strandloper die gisteren gevonden is in de IJssel-uiterwaarden bij Deventer maar door niemand anders dan de ontdekker is gezien. Maar vanochtend teruggevonden, en dus sta ik een paar uur later in een mild herfstzonnetje te kijken naar deze razend zeldzame dwaalgast uit Noord-Amerika. Toon (Vernooij) schreef daarover op Facebook: ‘afgelopen zomer uit het ei gekomen ergens op de hoog-arctische toendra in het uiterste noorden van Canada en tijdens de najaarstrek via de Atlantische Oceaan naar Europa afgedwaald. Zijn soortgenoten overwinteren inmiddels ergens in Chili en Argentinië. En terwijl het vogeltje zelf van zijn zwerftocht niet erg onder de indruk lijkt, kan ik er slechts met ontzag een diepe buiging voor maken’. Mooi geschreven, Toon.
Het is een mooi beestje. Klein maar fijn. Anders. Wat er dan precies anders aan is? Het is subtiel. Bij zo’n soort vraag ik me altijd af: hoe zou ik er tegenaan kijken als ik hem zelf zou vinden, als me niet verteld was dat er bij Deventer een bairds strandloper zit? Ik zou er in elk geval raar tegenaan hebben gekeken. Dat het geen bontje was, had ik ook wel gezien, en ook niet een van de andere voor de hand liggende soorten. Geen kleine, geen temmincks, geen krombek. Het langgerekte lichaam met de ver uitstekende vleugelpunten had me misschien wel op het juiste spoor gezet. Het geschubde kleed, de beigebruine kleur en de gestreepte borst hadden het moeten afmaken: hoe onwaarschijnlijk ook, je hebt het goede lot getrokken, je hebt de hoofprijs te pakken: bairds strandloper. Kan niet missen.

3 november 2018







maandag 29 oktober 2018

Roodoogvireo

Ik heb me de afgelopen tijd af en toe een beetje beklaagd over de huidige herfst tot nu toe, excuses daarvoor. ‘Het is en blijft gewoon een tamme herfst, zelden uitbundig, zelden overvloedig en de echte klappers, de mega's, die zijn er sinds de sporenkievit eigenlijk niet meer geweest en toen was het nog zomer.’ Ik moet dat nu met terugwerkende kracht herroepen. Gisteren tot ver in de middag zag het daar nog helemaal niet naar uit. Al uren stonden we nabij Batenburg vergeefs over de akkers te turen op zoek naar steppevorkstaartplevier die daar al een week lang bivakkeerde. Vanmorgen ook nog, maar nu geen spoor. Nee, niet mijn herfst. Maar toen, het liep al tegen drieën, toen keerden de kansen. Want vrijwel op het moment dat het wat armetierige groepje vogelaars langs het landweggetje nabij Batenburg bericht ontving dat de steppevorkstaart toch weer was teruggevonden, enkele honderden meters terug in de Liendense waard, kwam die alert binnen. Nauwelijks tijd om op mijn telefoon te kijken maar even tussendoor: roodoogvireo op Texel! En die tamme herfst was die tamme herfst niet meer.
Nou is roodoogvireo natuurlijk van een andere orde dan steppevorkstaartplevier: een stuk zeldzamer en, belangrijker, voor mij nog een nieuwe soort, maar voor Texel was het inmiddels, wat mij betreft, te laat. Met de fiets naar Ravenstein, met drie treinen van Ravenstein naar Den Helder, met de boot naar Texel en met de fiets naar De Cocksdorp: ging voor donker niet meer lukken. Bidden dat-ie er morgen nog zou zitten. Intussen maakte steppevorkstaartplevier er in en boven de Liendense waard een mooie show van en voorlopig was ik daar gelukkig mee.

Voor vandaag stond dus Texel op het programma, met of zonder roodoogvireo. Want dat viel nog te bezien: van de acht voorgaande gevallen werden er zeven de volgende ochtend niet meer teruggevonden, begreep ik uit informatie op Waarneming.nl. Bij nader inzien bleken dat bijna allemaal vangsten of vondsten te betreffen dus dat viel mee, hoewel van de twee eerdere twitchbare gevallen de laatste, die van Westkapelle in 2005, wel degelijk de volgende ochtend zoek was. Geen gunstig voorteken dus maar dat weerhield ons, Janneke, Toon, Jeroen en ik, er niet van vanochtend om half zeven op weg te gaan. Maar de opluchting was dus groot toen, al bijna in Den Helder, weer een alert binnenkwam: ‘Zit er nog!’ Een ‘piep in de rug’ van heb-ik-jou-daar. We vierden hem alsof we de vogel al hadden.
Roodoogvireo, droomsoort, zeer zeldzame dwaalgast uit Noord-Amerika, het leek echt te gaan lukken! De boot naar Texel, een minuut of twintig naar De Cocksdorp en Pim Julsing die ons geruststelde: vogel was rustig ter plaatse, dat kon eigenlijk niet meer fout. Maar toch hè, maar toch, je zult het altijd zien: ter plaatse verspreid langs de bosrand groepjes omhoog turende vogelaars, zoekend, speurend, spiedend, loerend maar niemand had roodoogvireo in het vizier en niemand had enig idee waar-ie gebleven was. Vogel was kwijt! Het duurde een zenuwslopend half uurtje waarin ik al bezig was me te verzoenen met mijn lot, voordat we van de andere kant van het bosje iemand hoorden roepen: ‘hier! Nu in beeld’, of woorden van gelijke strekking. We rennen, hollen, zweten, als soldaten op trainingsmissie met zware bepakking op de rug, voegen ons bij het groepje vogelaars dat kennelijk de roodoogvireo in beeld heeft en staren naar de takjes en de twijgjes en de blaadjes boven ons. Nee, nog steeds zijn we er niet klaar mee want hoe vind je in die wirwar een roodoogvireo? De aanwijzingen die worden omgeroepen, zijn aan dovemansoren gericht. Een takje hier, een boomstammetje daar, nee, heb je niks aan. De pointer die gebruikt wordt om aan te geven waar ongeveer te kijken, helpt wel: ineens heb ik hem in beeld. Prachtig, en helemaal vrij, en later nog een keer, en nog een keer. Tsjakka! Of woorden van gelijke strekking. Wat een geweldig beestje weer, dat daar rustig tussen de bladeren door sluipt en ons van tijd tot tijd een ruimhartige blik gunt op zijn specifieke kenmerken. Heel anders dan we gewend zijn, niet dat zenuwachtige gewriemel van onze phyllo’s die je meestal alweer kwijt bent nog voordat je ze gevonden hebt. Wat plomper ook. Van een soortgroep die we in Europa niet kennen. Groenig van boven, vuilwit van onderen, krachtige snavel, markante koptekening: het zit er allemaal aan, de determinatie is ook allang rond natuurlijk. Ja, deze herfst heeft in één keer een andere wending genomen. Tijd om feest te vieren!

28 oktober 2018


Meer: Kalander





maandag 22 oktober 2018

Op zee

Soms moet je de zaak bij de naam noemen: de pelagische tocht met Birding Holland vandaag vanuit IJmuiden viel best wel een beetje tegen. Kun je wel zeggen dat het toch heerlijk was om uren lang op zee te zijn, ver weg van de dagelijkse sleur, maar na meeuwen, meeuwen en nog meer meeuwen ook al zaten daar de nodige ponten tussen en akkoord, ook altijd wel een paar jan van genten, maar op een gegeven moment wordt het dan toch wat saai. Zit je een beetje in te dutten op een bankje terwijl de jongens zo hun best doen met visresten overboord te gooien om zeevogels naar de boot te lokken, maar er viel blijkbaar in de wijde omgeving niets te lokken, nee, daar konden zij ook niks aan doen. Kijk je weer eens op het achterdek wat er nu weer achter de boot hangt: meeuwen, en ja, ook een paar genten. Sta je weer eens op het plateau op het voordek de zee af te speuren: meeuwen. Soms komt een juveniele jan van gent vlak langs ons heen gejakkerd en natuurlijk, dat is prachtig, zelfs de twintigste, maar bij de eenentwintigste ontstaat toch een klein beetje het gevoel dat je die genten nu wel gezien hebt. Een jager graag, of een stormvogel, iets dat de sleur van de dag een beetje doorbreekt. Maar nee: probeer je de ene sleur te doorbreken, krijg je er de andere voor in de plaats. En dat was enigszins teleurstellend. Ik las nog eens terug wat ik schreef over mijn beide vorige pelagics, met jagers en noordse stormvogels, veel meer jan van genten dan vandaag en zelfs een vale pijl. Telkens weinig tot geen wind, ook de voorgaande dagen, en zelfs oostenwind. Dus daar heeft het niet alleen aan gelegen. Het is en blijft gewoon een tamme herfst. Een oorzakelijk verband kan ik niet bedenken maar hij wil maar niet echt op gang komen. Meest is het stil en rustig, of je nou in de duinen bent of aan zee staat of midden op zee bent, zelden is het uitbundig, zelden overvloedig. En natuurlijk hebben we wel enkele fijne krenten gehad, enkele memorabele momenten maar de echte klappers, de historische mega's, die zijn er sinds de sporenkievit eigenlijk niet meer geweest en toen was het nog zomer. En als er eens iets van belang langskomt, van belang voor mij dan, dan zit het net op het verkeerde eiland of is het in een oogwenk alweer voorbij. En zo sukkelen we naar de winter toe. Hoewel het ook vandaag nog geenszins aan de winter deed denken

Oké, genoeg geklaagd. Want hoe fraai zijn niet die juveniele genten. Voor de meeste mensen spreken de adulten meer tot de verbeelding maar als je goed kijkt, raak je niet uitgekeken op dat subtiele verenkleed van een juveniele jan van gent, dat donkerbruin met daaroverheen dat ragfijne patroon van witte stipjes, in wisselende dichtheid over het lichaam verspreid waardoor sommige delen donkerder ogen en andere juist veel lichter. Kop of buik kunnen er zelfs bijna wit door uitzien maar altijd blijkt bij nader inzien dat patroon hetzelfde: bruin met witte stippen.
Prachtig, en vooral leerzaam, waren ook de pontische meeuwen die vrijwel steeds in wisselend aantal rond de boot hingen. Vooral juvenielen en die konden we op het eind wel dromen: lichte kop, fijne snavel, lichte binnenvlaggen op de binnenhand die het onder kenners welbekende lamellenpatroon voortbrengen (wie dat niet snapt, effe opgoogelen), en opvallend witte staarten met contrasterende donkere eindband. Iets daarvan zag je ook wel terug bij sommige zilvermeeuwen of mantelmeeuwen, maar nooit alles. Zelfs hebben we vandaag de roep van de pontische meeuw geleerd. Daar hadden we natuurlijk nooit tijd voor gehad als er jagers en pijlen in de buurt waren geweest. Zo zie je maar: elk nadeel …
Verder hadden we nog af en toe een (vermoedelijk dezelfde) bijna volwassen geelpootmeeuw bij de boot, een fraaie drieteenmeeuw vlak boven de boot, af en toe een paar zeekoeten, een paar alken, roodkeelduikers, een groepje zwarte zee-eenden en een slechtvalk jagend over zee. Soort van de dag? Dat was misschien wel dat goudhaantje dat over zee kwam aangevlogen en uitgeput op de boot neerstreek. Daar schoot-ie, wellicht enigszins in paniek door alle aandacht om hem heen, van de ene schuilplek naar de andere, telkens ontoereikend, en maakte daarbij geen onderscheid tussen mens en ding. Herhaaldelijk probeerde hij zich te verschuilen in een mauw of onder een capuchon, tot-ie na een tijdje toch ineens weer verdwenen was en wij ons weer konden wijden aan meeuw of gent.

20 oktober 2018


Meer aan zee: Hoe meer je weet hoe meer je ziet




maandag 15 oktober 2018

Stilte op de Waddeneilanden

‘Veel vogels dit Dutch Birding Vogelweekend’, schreef Marc Plomp op Facebook. Het leek me een nogal opmerkelijk vorm van Texel-promotie. Mij viel juist de relatieve rust op Texel op. Waar je in oktober op Texel gewend ben aan massale vogeltrek, aan hemel verduisterende zwermen koperwieken en een constante stroom graspiepers en vinken, en aan bosjes die uitpuilen van de lijsters en bosranden vol vinken en kepen, waren het nu alleen de goudhaantjes rond de boomsingel in de tuintjes die af en toe tot op amper een meter van ons vandaan alle blaadjes en twijgjes afzochten, die herinnerden aan eerdere Dutchbirding-weekends toen de goudhaantjes als een soort plaag overal door het gebladerte struinden en roodborstjes uitgeput tussen je benen door glipten. Vandaag was het vooral stil op Texel. ’s Ochtends nog wel aardig wat trek over de zeereep, groepen graspiepers, groepen vinken, het zag er veelbelovend uit maar al gauw doofde die trekgolf uit en werd het stil boven ons. Van die uitpuilende bosjes? Ik heb ze niet gezien. Groepen vinken die af en aan vliegen tussen akker en bosrand? Ik heb ze niet gezien. Hier eens een tapuit, daar eens een paapje, nee, het is een stille herfst dezer dagen. De meeste aandacht werd dit door Dutchbirding georganiseerde vogelweekend gegenereerd door een walvis en een libel, wat je best opmerkelijk kunt noemen.
En vorig weekend op Vlieland was het meestal net zo. Een andere overeenkomst tussen vorig weekend en vandaag: het prachtige, bijna zomerse nazomerweer. Het is zonnig en warm. In juli zouden we over dit weer niet klagen. Of het een met het ander te maken heeft? Ik heb de laatste tijd meerdere keren die suggestie gehoord en zelf vraag ik het me ook af. Maar bewezen? Nee. Verklaringen? Er zijn wel wat zaken denkbaar. Ik verzin maar wat: vanwege het warme weer hebben ze nog geen haast om deze kant op te komen, of vanwege de ideale omstandigheden vliegen ze hard en hoog door. Maar we weten het niet. Het was gewoon stil op Texel vandaag, veel stiller dan op de meeste vorige Dutchbirding-weekends. En zonnig en warm. Net als vorig jaar trouwens, toen ik me te pletter zweette in mijn winterjas en eindigde in T-shirt. Ik vind dat wel wat verontrustend eerlijk gezegd: hoe lang kunnen we nog blijven zeggen dat het weer op één bepaald moment een incident is en niets zegt over het klimaat?

Verder zal ik er niet over klagen hoor, het was een heerlijk dag op Texel en er was al met al nog van alles te beleven. Om te beginnen natuurlijk die bultrug die heen en weer zwom langs de Noordzeekust van het eiland. Met tientallen stonden we bij westerslag over zee te turen (nogal wiedes dat we geen zeldzame vogels vonden), in de hoop een glimp van dit mythische wezen op te vangen. Dat was niet eenvoudig want de meeste tijd verbleef die onder water. De tijd verstreek, roodkeelduikers en jan van genten passeerden, evenals één grauwe pijlstormvogel (best verrassend gezien het zwakke zuidenwindje), op zee diverse roodkeelduikers en een zeekoet en toen zag ik midden op zee een soort van branding, een kring van schuimende golven. Ik hield de plek met de telescoop in de gaten en ineens rees voor mijn ogen de bultrug torenhoog op uit zee. Kop, lijf, vinnen, staart, het hele beest, waarop-ie onder fonteinen van spatwater en ongetwijfeld donderend geraas wat wij niet horen konden, weer onder water verdween. Het was waanzinnig! Helaas was ik van ons de enige die het gezien had.
Tweede hoogtepunt was de blonde ruiter op een akker bij De Bol. Die was gauw gevonden, foeragerend tussen de goudplevieren, en liet zich hoewel op enige afstand fraai zien. Prachtige vogel, en pas mijn vierde.
Jagend smelleken bij Dorpzicht, en in de tuintjes naast de goudhaantjes ook een bladkoninkje dat eerst één keer riep en later, toen we al waren doorgelopen, zo fanatiek begon te roepen dat we dachten dat er getapet werd. Dat bleek niet het geval.
Het laatste hoogtepunt van vandaag was een libel. De afgelopen dagen waren op de noordpunt van Texel (en ook op andere plekken in Nederland) diverse zadellibellen gezien. De Veldgids Libellen schrijft daarover: ‘voortplantingsgebied in de subtropen, sporadisch ook in Europa. In Nederland en België zeer zeldzaam.’ Ze komen dus van ver en dat maakt ze natuurlijk begerenswaardig (hoewel er omstandigheden zijn waarin dat uitgangspunt vreemd genoeg helemaal niet schijnt op te gaan). Een eerste zoektocht rond de Robbenjager had niets opgeleverd maar toen we in de tuintjes waren, werd er toch weer een gemeld. Ter plaatse aangekomen troffen we het soort taferelen aan die we al zo goed kennen, zij het dat het meestal een vogel betreft. Maar bij een libel ziet het er precies hetzelfde uit. Het beestje was zoek dus er werd gezocht. Men schuifelde rond het duinpannetje waar-ie het laatst gezien was en ploegde door de duinvegetatie. Uiteindelijk vonden we er een, patrouillerend boven een sloot in het Renvogelveldje: een waardige opvolger van de illustere naamgever van deze plek? Door de telescoop was-ie af en toe net herkenbaar en ik was daar al best tevreden mee. Maar toen er even verderop in de zeereep nog een ontdekt werd, haasten we ons gezamenlijk naar de plek waar het beestje in de vegetatie verdwenen was. Het kostte weer enig wachten, ook dat niet anders dan bij zo vele vogeltwitches, maar uiteindelijk kregen we deze, een vrouwtje, allemaal prachtig te zien toen ze vlak voor ons heen en weer vloog boven het halfkale buitenduin. Het was voor velen de gedroomde afsluiting van de excursie.

14 oktober 2018


Meer lezen? Dutchbirding op Texel

woensdag 10 oktober 2018

Deception tours

Het was mijn allereerste DT-weekend. Deception Tours, in al zijn eenvoud: vogelaars spreken af een bepaald weekend met zijn allen op Vlieland te gaan vogelen, in de hoop dat af en toe iemand een mooie soort vindt. Een mijlpaal dus, wat mij betreft. Dan verwacht je hectische toestanden, rennen, haasten, jachten, achter telkens een volgende melding aan om maar niets van belang te hoeven missen. Dat haasten en dat jachten begon al in Harlingen, waar we pas een minuut voor vertrek aan boord gingen. Terwijl we onderweg toch steeds het idee hadden dat we ruim op tijd waren. Maar eenmaal op Vlieland keerde de rust weer. Het was heerlijk relaxt en ontspannen vrijdag. Keuvelend pedaleerden we over het eiland, namen dan eens hier een kijkje en dan eens daar en intussen spaarden we bladkoninkjes. Prima natuurlijk tegen de immer op de loer liggende burn-out, maar eigenlijk was dat dit weekend de bedoeling niet. Rennen, haasten en jachten moesten we, maar vooralsnog viel er weinig te rennen, te haasten en te jachten. Het was op het eiland drukker met vogelaars dan met vogels. Overal kwam je ze tegen, telescoop op de rug, camera aan de schouder en verrekijker om de nek, ploeterend, sjouwend, zoekend, speurend, loerend, maar online bleef het oorverdovend stil. Er leek vrijwel geen vogel te vinden op Vlieland vandaag. Behalve blako's natuurlijk, blako’s waren overal maar er was vermoedelijk een algemeen verbod op het melden van blako’s op de Appgroep ingesteld, op straffe van excommunicatie. Het sparen van blako’s ging ons tamelijk goed af: bladkoning was zowat de eerste soort die we tegenkwamen, en ook zowat de laatste. Te beginnen aan de oostkant, in de bosjes achter het Havenpaviljoen waar er zich minimaal twee ophielden die we allebei erg mooi te zien kregen. Van een mooi bladkoninkje wordt een mens altijd weer blij, en dit waren nog pas onze eerste.
Een wandeling door de duinen en over de zeereep van de noordoosthoek leverde vervolgens vooral rust en stilte op. Een tochtje verder over het eiland, tot aan de Kroons polders idem: alom rust en stilte. Wat graspiepers af en toe. Op het wad tureluurs en bergeenden, veel bergeenden en zo nog het een en ander. Een tapuit, een paar rosse grutto's, dat waren zo’n beetje de krenten tot nu toe. Kun je nagaan! Bij de kijkhut aan de zuidkant van Bomenland riep de volgende bladkoning. Mooie groepen bonte strandlopers onder andere op het Posthuiswad; een slechtvalk ook, en zilverplevieren onder meer. Jawel, ik zit hier misschien wat te klagen maar het was natuurlijk lekker vogelen op Vlieland. De soort van de dag hebben we vandaag echter gemist: orpheusspotvogel in Bomenland was maar voor weinig mensen weggelegd. Wat natuurlijk geen halszaak was, orpheusspotvogel kun je tegenwoordig als je wilt gemakkelijk elk jaar zien in Nederland. Waarna we de dag (wat vogels betreft) afsloten zoals we hem begonnen waren: met blako's. Op en rond Lange Paal hadden we er minimaal vijf, waarschijnlijk zaten er nog heel wat meer, en diverse daarvan lieten zich leuk zien. Waarmee ik vandaag op acht exemplaren kwam: een persoonlijk dagrecord. En zelfs dan is nog steeds elke volgende bladkoning een feestje.

Zaterdag was een stuk spannender. Al was het maar omdat we dit keer wel de soort van de dag konden meepikken. Dat had wel nog heel wat voeten in de aarde. Toen de melding van een aziatische roodborsttapuit binnenkwam, in de oostelijke duinen, waren we denk ik in nauwelijks meer dan een kwartier ter plaatse. Het was te laat: vogel was zoek. Er werd gezocht. En dat zoeken duurde en duurde. We dachten eigenlijk niet dat het nog goed ging komen, we waren inmiddels twee roepende bladkoninkjes verder en achter in Stortemelk aangeland maar toen werd de vogel terug gemeld. Een haastige fietstocht, fiets in de berm neergesmeten, het duin in gerend en daar zag ik de meute staan, en daar zag ik de vogel. Ik richtte de verrekijker, herkende ternauwernood een aziatische roodborsttapuit, ongeveer zoals ik die op de nog spaarzame eerste foto’s had gezien, en de vogel vloog op en verdween uit beeld. Zo werd dit een klassiek gevalletje van ups en downs, van hoop en vrees, van geduld uitoefenen, en van rennen, haasten en jachten, toen de vogel voor de derde keer was teruggevonden. Dit keer werkte hij wel mee: toen ik, en later ook mijn reisgenoten (eigenlijk zijn we natuurlijk allemaal reisgenoten) ter plaatse gearriveerd waren, konden we uitvoerig genieten van een prachtige eerste winter man aziatische roodborsttapuit. Veruit mijn mooiste ooit. En dan kun je af en toe een lichte ontgoocheling voelen bij de naar verhouding wellicht wat karige opbrengst van dit eerste DT-weekend (ik had natuurlijk gehoopt op een raddes of zo, en geregeld gingen mijn gedachten uit naar de kleine spotvogel die ze hier het vorige DT-weekend hadden, of de vale lijster van vorig jaar, soorten die ik allebei nog ‘moet’), maar ik heb nu in Nederland zo’n 430 soorten gezien, dus er zijn 430 dagen waarop ik een soort het allermooist zag. Op bijna 58 jaar is dat niet zo heel veel. Zo’n dag is dus een topdag.
Ook een tapuit zonder staart die vooral bij ons tot enige verwarring leidde (we droomden al een klein beetje van een zelf ontdekte woestijntapuit), droeg vandaag bij aan de spanning, evenals een ijseend over zee bij Dam 6. Een ijseend als zeetrekker, die had ik nog niet eerder.

Fascinerend was dit weekend de vogeltrek. Wanneer trouwens niet? Vrijdag was het uitermate rustig. Zaterdagochtend was er dan weliswaar die aziaat, maar daarnaast was het ook toen nog tamelijk kalm. Maar zaterdagmiddag ging het ineens helemaal los. We waren in het westen, ter hoogte van de Kroons polders, toen de ene zwerm na de andere over ons hoofd naar west trok. Vinken, graspiepers, koperwieken, kramsvogels, kepen, dat ging maar door. Daar kwam geen einde aan. Waar kwamen die ineens allemaal vandaan? En waarom nu wel? Op de terugweg door de duinen: overal graspiepers. Het leek een plaag.
Zaterdagnacht regen en een stormachtige wind, dus we rekenden ons al rijk: met dat weer zou alles omlaag komen en morgenochtend zou het duin vol zitten met trekkertjes. Maar niets daarvan: rust en stilte slechts. Aan zee viel het ook al niet mee: de wind was alweer gaan liggen en van pijlen en vaaltjes geen spoor. Wel jagers. Diverse jagers waaronder een fraaie kleine die vrij dichtbij uitvoerig achter de meeuwen aan zat, en ook een mooie vrij dichtbij langs vliegende grote jager. Volop jan van genten ook, en langs trekkende rotganzen, zwarte zee-eenden, roodkeelduikers, een zeekoet op zee: van alles te beleven natuurlijk. Maar in de duinen stilte. Al zat er nog wel op het eind van de middag een prachtige want bijna handtamme strandleeuwerik op het veldje langs de Waddenzee ten oosten van het dorp.

En toen was het maandagochtend en hadden we nog een paar uurtjes over voor we de boot op moesten. En toen was er ineens massale trek. Geweldige zwermen kramsvogels trokken over het duinland, groepen koperwieken, vinken, graspiepers, noem maar op. Aan een stuk door. En de neerslag daarvan zagen we aan de grond: bosjes barstten als vanouds uit elkaar van de lijsters, graspiepers scharrelden overal door de vegetatie, overal vinken en kepen en in de struikrand langs de Oostervallei een spannend grasmusje spec. dat we uiteindelijk tot tuinfluiter moesten benoemen. Ik had stiekem op meer gehoopt. We hadden op het allerlaatst trouwens ook nog een roepende bladkoning dus inderdaad: we begonnen met bladkoning en we eindigden met bladkoning. Het was, laat ik met een fijn cliché afsluiten, een mooi besluit van een fijn weekendje vogelen op Vlieland.

8 oktober 2018


Meer lezen? DT 1
Meer Vlieland: Tradities








dinsdag 2 oktober 2018

Tot besluit

Er restten ons nog een paar dagen. We hebben daarin onder andere een tijdje in het Ballastplaatbos rondgehangen. Nieuwbouwbos, zoals ik dat graag noem, maar hier en daar al aardig verouderd. Met stukken hoog opgaand populierenwoud en stukken met jong en krioelend struweel, met vochtige graslandjes met parnassia, duizendguldenkruid en ogentroost. Buizerden op trek, boompieper over, slechtvalk idem.
En ik ben nog één keer, met Renske, naar de waddendijk geweest. Opkomend tij, rijen palen op het wad die langzaam onder water verdwenen, slikvelden die allengs krapper werden. Eerst nog wat bontbekplevieren, bonte strandlopers, een paar lepelaars en een zwarte ruiter, later alleen nog wat regenwulpen en zilverreigers op de kwelder. Ik telde dertien grote zilverreigers en vlakbij zaten twee kleine. Flinke hoogwatertrek af en toe over ons heen en op de dijk de schapen. Altijd de schapen op de dijk, ik had dat geloof ik nog niet vermeld maar altijd de schapen op de dijk.
Vanmorgen alle tijd genomen. We hoefden pas om 11 uur uit onze hut te zijn en daarna alleen nog maar terug naar Utrecht, dus waarom zouden we haasten? Geruime tijd nog verpoosd aan het Reitdiep in Zoutkamp. Daarbij uitvoerig vermaakt door een prachtige adulte zeearend die daar een tijdje rondvloog. Waarop we de bus namen naar Winsum, de trein naar Groningen (stad) en daarna Groningen (de provincie) weer verlieten. Waarmee weer een vakantie was volbracht. En ik weet heus wel dat dit naar de hedendaagse maatstaven geen modelvakantie was. Niet iets waarmee je de blits maakt als je onder vrienden en bekenden vakantie-ervaringen uitwisselt. Niet het soort waaraan in het Volkskrant magazine aandacht wordt besteed. Maar hé, moet het dan altijd groots en meeslepend zijn? Het hoeft toch niet altijd exotisch en avontuurlijk van de eerste tot de laatste snik? Gewoontjes, af en toe saai voor wie geen oog heeft voor het alledaagse, maar dat is ook fijn af en toe. Tenminste, dat vind ik.

31 augustus 2018



http://guuspeterse.blogspot.com/2018/10/zoutkamp.html