Prehistorie, uit de tijd dat het gebied nog tot de provincie Utrecht behoorde. We kunnen dus spreken van een Utrechtse gebeurtenis, een enigszins historische Utrechtse gebeurtenis zelfs.
Het is een mooie lenteochtend na een paar aardige en zachte lentedagen met overwegend oostelijke winden. Zo’n ochtend dat ineens de ene na de andere nieuwe zomersoort binnenrolt. Tuinfluiter langs de Burgemeester Huydecoperweg. En daarna trouwens bijna overal. Een boomvalkje dat laag over de weg heen vliegt. Koekoek, snor. Maar zo’n mooie lentedag in april, na een paar aardige en zachte lentedagen met overwegend oostelijke winden, die vraagt natuurlijk om meer. Die vraagt om een echte zeldzaamheid. Meestal blijven zulke vragen onbeantwoord, maar deze keer niet.
Kanaaldijk bij Tienhoven, een uur of 11 in de ochtend. Zonnetje, matig windje uit zuidoost, en twee vogelaars die zeggen zojuist aan de overkant in polder Achteraf een citroenkwikstaart gezien te hebben. Huh? Citroenkwikstaart, ja. Citroenkwikstaart is een zeldzame dwaalgast uit Oost-Europa en verder. Destijds nog maar dertien gevallen in Nederland dus met enig ongeloof staar ik ze aan, maar ze zijn toch echt zeker van hun zaak. En terecht want het is even zoeken maar dan zie ik vrij dichtbij in de polder aan de overkant van het Tienhovens kanaal een kwikstaart langs een slootkant scharrelen. De kwikstaart kennen we allemaal wel, maar deze heeft niet alleen een heldergele buik maar ook een knalgele kop en bovendien een opvallende zwarte halskraag. Zo kennen we de kwikstaart meestal niet. Kan niet missen: citroenkwikstaart! Mannetje in zomerkleed nog wel: hoe mooi wil je het hebben?
Hij foerageert daar recht voor ons in het slijkige maisstoppelveld, verdwijnt soms tussen de stoppels maar kan even later prachtig bovenop zo’n stoppel zitten. Een feestelijke vogel, een feestelijke gebeurtenis dus we hebben wat te vieren daar aan het Tienhovens kanaal. Na enige tijd vindt dan ook een bescheiden samenscholing plaats en met zijn allen vieren we een zeldzame vogel.
De vogel is tot laat in de avond waargenomen, maar de volgende ochtend was-ie verdwenen.
29 april 2001
Meer uit het Utrechtse: Wind
zondag 18 april 2021
woensdag 14 april 2021
Marickenland
Voor de langdurige regenval van dit weekend uit, die volgens optimistische voorspellingen ergens rond het middaguur zou beginnen, eindelijk eens naar het inmiddels vermaarde Marickenland bij Wilnis geweest. Wat in ieder geval een leuk tochtje opleverde door het polderland tussen pakweg Breukelen en Mijdrecht. Klassieke Hollandse veenweiden, met nog geregeld baltsende grutto’s dus daar moest iets goed aan zijn. De uitgestrektheid van kerktorentjes op verre horizons af en toe onderbroken door boomkades en geriefhoutbosjes. Af en toe een stukje hooiland of blauwgrasland dat ons over twee maanden klokjesgentiaan en spaanse ruiter belooft: nog eens terugkomen dus. Twee regenwulpen over en langs de Korenmolenweg (hoeveel zullen er daarvan bestaan in Nederland?) twee luid zingende cetti’s zangers, aan beide kanten een.
Marickenland heeft al ruim een jaar enige faam in de provincie, maar er was tot nu toe wat mij betreft net niet genoeg aanleiding om de reis (geen wereldreis hoor maar goed: een kleine drie kwartier fietsen vanaf Breukelen) te ondernemen. Nu er echter net als vorig jaar een stelkluut was gemeld, soort die dit jaar verder nog ontbreekt in de omgeving van Utrecht, was die aanleiding er wel. Een voor mij nieuwe plek, onder de rook van Wilnis: klassieke, altijd spannende plasdras met door netten omspannen kooien voor de lisdoddenteelt. Steltkluut was gauw gevonden. Als altijd tastte die de grenzen van het begrip elegantie af en overschreed die bijna (bijna?), wat hem een beetje tot een stripfiguur maakte. Poten net iets te lang en te rood, misschien net ietsje te slank maar wat zou het? Hoe dan ook een bezienswaardig beest en nog altijd betrekkelijk zeldzaam hoewel veel minder dan pakweg twintig jaar geleden. Hij waadde bedrijvig door het gebiedje, dook dan weer hier op en dan weer ergens anders en liet zich aldus mooi bekijken.
Missie geslaagd, dus. En met ook nog onder andere een paartje zomertalingen, een zestal kemphanen, twee mannen pijlstaart en kleine plevier een welbestede ochtend. Grutto’s zaten er trouwens ook. De meesten zaten verderop in het naastliggende weiland maar af en toe kwam er een groepje buurten en dook dan pal voor ons op, en daar zaten dan telkens de schitterendste ijslanders tussen. IJslandse grutto: ondersoort van IJsland; die hebben dus nog een flinke reis voor de boeg. Ze zijn net wat feller gekleurd, net wat contrastrijker dan onze grutto's en onderscheiden zich ook door de wat rondere kop, het steilere voorhoofd en de iets dunnere en kortere snavel.
De planning was vandaag als door een ringetje te halen: op de terugweg naar Breukelen nog geen druppel. Op de fiets van station Utrecht Zuilen naar huis mocht ik nog net de eerste in ontvangst nemen.
10 april 2021
Marickenland heeft al ruim een jaar enige faam in de provincie, maar er was tot nu toe wat mij betreft net niet genoeg aanleiding om de reis (geen wereldreis hoor maar goed: een kleine drie kwartier fietsen vanaf Breukelen) te ondernemen. Nu er echter net als vorig jaar een stelkluut was gemeld, soort die dit jaar verder nog ontbreekt in de omgeving van Utrecht, was die aanleiding er wel. Een voor mij nieuwe plek, onder de rook van Wilnis: klassieke, altijd spannende plasdras met door netten omspannen kooien voor de lisdoddenteelt. Steltkluut was gauw gevonden. Als altijd tastte die de grenzen van het begrip elegantie af en overschreed die bijna (bijna?), wat hem een beetje tot een stripfiguur maakte. Poten net iets te lang en te rood, misschien net ietsje te slank maar wat zou het? Hoe dan ook een bezienswaardig beest en nog altijd betrekkelijk zeldzaam hoewel veel minder dan pakweg twintig jaar geleden. Hij waadde bedrijvig door het gebiedje, dook dan weer hier op en dan weer ergens anders en liet zich aldus mooi bekijken.
Missie geslaagd, dus. En met ook nog onder andere een paartje zomertalingen, een zestal kemphanen, twee mannen pijlstaart en kleine plevier een welbestede ochtend. Grutto’s zaten er trouwens ook. De meesten zaten verderop in het naastliggende weiland maar af en toe kwam er een groepje buurten en dook dan pal voor ons op, en daar zaten dan telkens de schitterendste ijslanders tussen. IJslandse grutto: ondersoort van IJsland; die hebben dus nog een flinke reis voor de boeg. Ze zijn net wat feller gekleurd, net wat contrastrijker dan onze grutto's en onderscheiden zich ook door de wat rondere kop, het steilere voorhoofd en de iets dunnere en kortere snavel.
De planning was vandaag als door een ringetje te halen: op de terugweg naar Breukelen nog geen druppel. Op de fiets van station Utrecht Zuilen naar huis mocht ik nog net de eerste in ontvangst nemen.
10 april 2021
zondag 11 april 2021
Weer winter
In de luwte van Beukenburg, uit de wind en in de zon tussen de sneeuwbuien door, voelde het bijna als lente. Af en toe vloog er zelfs een dikke hommel langs. Dat lijkt niet opzienbarend, gezien de datum, maar buiten de luwte van Beukenburg, in de wind en uit de zon, woei er een harde en koude noordenwind die poollucht rechtstreeks van de Noordelijke IJszee naar hier bracht. Het was amper 5 graden en sneeuwbui volgde op sneeuwbui. ‘Hele dag afwisselend sneeuwbuien en zon’, kopte de NOS website. ‘Vanwege het koude weer kunnen dak- en thuislozen vanaf vanavond tot donderdagochtend terecht in de winterkoudeopvang in de vier grote steden’, stond er ook te lezen. Met eronder een link naar een bericht van amper een week geleden: ‘Niet eerder zo warm in maart: 26 graden in Arcen’.
Het is dus weer winter. Terwijl het amper een week geleden bijna zomer was. Is er ook nog af en toe plek voor lente? De vogels lijken zich er intussen maar weinig van aan te trekken. Met tientallen zwermden de zwaluwen boven de Hoogekampse plas, tientallen boerenzwaluwen, diverse oeverzwaluwen en ook al een vroege huiszwaluw. En in bijna elk bosje zong een zwartkop. Die lieten zich door de plotselinge kou niet uit het veld slaan. Zie daar de lente.
Aan de andere kant, fitissen, al sinds een week terug, laten zich nog maar sporadisch horen en aankomende nieuwkomers lijken wel enige vertraging op te lopen.
Een dwergmeeuwtje, wijselijk nog in winterkleed, foerageerde boven de plas. Het is alweer meerdere jaren geleden dat we die hier nog hadden, en nog veel meer jaar geleden dat we ze met over de honderd hadden. In de tussenliggende jaren is er hier hard gewerkt aan het storten van bagger en het aanleggen van eilandjes. Dat is nu achter de rug, de eilandjes liggen er en de plas is ontruimd. En zie: we hebben weer een dwergmeeuwtje, een prachtig klein meeuwtje dat kan dartelen, dat kan dansen boven het water als geen enkele andere meeuw dat kan. Het is er nog maar een, maar het is een begin.
Verderop in Beukenburg, uit de wind en in de zon, liet een boompieper zich mooi bekijken. Ook die alweer terug uit warmere orden. Toch weer lente dus. Elders zongen en riepen onder andere glanskop, zwarte mees en kuifmees. Verder was het wat stil in het bos. De lente staat nog even in een pauzestand.
5 april 2021
Het is dus weer winter. Terwijl het amper een week geleden bijna zomer was. Is er ook nog af en toe plek voor lente? De vogels lijken zich er intussen maar weinig van aan te trekken. Met tientallen zwermden de zwaluwen boven de Hoogekampse plas, tientallen boerenzwaluwen, diverse oeverzwaluwen en ook al een vroege huiszwaluw. En in bijna elk bosje zong een zwartkop. Die lieten zich door de plotselinge kou niet uit het veld slaan. Zie daar de lente.
Aan de andere kant, fitissen, al sinds een week terug, laten zich nog maar sporadisch horen en aankomende nieuwkomers lijken wel enige vertraging op te lopen.
Een dwergmeeuwtje, wijselijk nog in winterkleed, foerageerde boven de plas. Het is alweer meerdere jaren geleden dat we die hier nog hadden, en nog veel meer jaar geleden dat we ze met over de honderd hadden. In de tussenliggende jaren is er hier hard gewerkt aan het storten van bagger en het aanleggen van eilandjes. Dat is nu achter de rug, de eilandjes liggen er en de plas is ontruimd. En zie: we hebben weer een dwergmeeuwtje, een prachtig klein meeuwtje dat kan dartelen, dat kan dansen boven het water als geen enkele andere meeuw dat kan. Het is er nog maar een, maar het is een begin.
Verderop in Beukenburg, uit de wind en in de zon, liet een boompieper zich mooi bekijken. Ook die alweer terug uit warmere orden. Toch weer lente dus. Elders zongen en riepen onder andere glanskop, zwarte mees en kuifmees. Verder was het wat stil in het bos. De lente staat nog even in een pauzestand.
5 april 2021
maandag 29 maart 2021
Eén jaar corona
Het is alweer ruim een jaar geleden dat ik mijn eerste coronablog schreef. Sindsdien heb ik 96 keer het wandelrondje om het oude broekbos in de westelijke Gagelpolder gelopen, ben ik 40 keer naar Tienhoven en omgeving geweest, heb ik 44 keer aan de Hoogekampse plas gestaan en ben ik 39 keer in Beukenburg en De Leyen op zoek geweest naar wespendief of kleine bonte specht. Onder meer. En wat heeft dat allemaal opgeleverd, dat ene jaar corona? Een grondige kennis van mijn nabije omgeving, maar die kende ik al best wel aardig eerlijk gezegd. En al is ook de 97e wandeling in de Gagelpolder leuk, of het 41e tochtje naar Tienhoven, de 45e keer aan de Hoogekampse plas of de 40e keer Beukenburg, zeker met kleine bonte specht of wespendief, toch wordt het langzamerhand een klein beetje eentonig allemaal. Dat je na een jaar nog altijd meer dan wekelijks dat rondje Gagelpolder loopt en bijna wekelijks naar Tienhoven fietst, dat had ik een jaar geleden toch niet gedacht. Ik zal niet al te hard klagen, het is allemaal klein leed natuurlijk vergeleken met wat anderen te dragen hebben en verder gaat het goed met me, dank u, maar ik merk bijvoorbeeld dat ik soms maar weinig te schrijven weet, dat ik wekenlang niets weet te verzinnen. Het zal de eventuele lezer vermoedelijk worst wezen, schrijven over je eigen schrijven, laat staan over je niet-schrijven, daar moet je natuurlijk nooit aan beginnen, is niemand in geïnteresseerd (de vraag is natuurlijk of … nou ja, laat maar), maar in dit geval mag het, vind ik. Want het staat ergens voor: dat het leven, ook, nee, zelfs mijn leven, af en toe een beetje is komen stil te staan. Dat ik gewoon te weinig meemaak om over te schrijven. Natuurlijk is dat ook mijn beperking want schrijven over niets, dat toont pas ware meesterschap, maar telkens weer Gagelpolder en Beukenburg, daar raak ik wel een beetje over uitgeschreven. Er zijn op zijn tijd heus wel onderbrekingen van de sleur, een weekje winter, een steenarend, spechten en oehoe rond Winterswijk en een gezellig tochtje naar Arkemheen met mooie ijslandse grutto’s en op het Nijkerkernauw een zeldzame kleine topper (een vrouwtje: dat was zelfs nog nieuw voor me), maar tussendoor sleep ik me een beetje van Gagelpolder naar Hoogekampse plas naar Beukenburg naar Tienhoven. Allemaal leuk natuurlijk, elke keer weer dus wat zeur ik? Gisteren nog een bonte strandloper op een eilandje in de Hoogekampse plas, pas mijn eerste daar ooit, en tientallen, nee, meer dan honderd slobeenden ergens in een hoek en een havik over die tientallen scholeksters en meeuwen schrik aanjoeg. En van de week, of was dat alweer vorige week? een fraaie kleine bonte specht in Beukenburg. Ik heb weken lopen zoeken naar kleine bonte specht, ja, je moet wat nietwaar, in Beukenburg, in Beerschoten, in Oostbroek, maar kwam niet verder dan een enkel roepje en een enkel roffeltje, en ineens struikel ik over ze. Treurmaina in Utrecht oost, de steenuil langs de Kooidijk, jonge bosuilen langs de Klopvaart, voldoende kleinigheden om ons gaande te houden en ik houd het nog wel even vol hoor want het is allemaal leuk. Maar ik hoop wel dat dit langzamerhand mijn laatste bijdrage over corona is. Het zal helaas zover nog wel niet zijn.
27 maart 2021
Meer lezen: Avondklok
27 maart 2021
Meer lezen: Avondklok
donderdag 4 maart 2021
Steenarend
Al meer dan een week zwerft er een steenarend rond in het oosten van Nederland. Voor velen een droomsoort maar ook een onvoorspelbaar ding, alleen weggelegd voor toevallige geluksvogels. Duikt dan weer eens hier op, dan weer heel ergens anders en is daarna telkens onvindbaar. Ik kan me daar meestal gemakkelijk bij neerleggen: gedeelde smart immers, en die toevallige geluksvogels is het van harte gegund.
Heel anders wordt het als zo’n vogel ineens min of meer ter plaatse wordt gemeld. Aan het eind van de middag bij Duiven en na enkele korte tussenstops uiteindelijk in de avondschemer in zijn vermoedelijke slaapboom voor deze nacht bij Didam. Dat biedt kansen want daar zal-ie vermoedelijk morgenochtend ook weer wakker worden. En dan wordt er ook in ons weer iets wakker. Dan staan we weer in de vroege ochtendschemer met tweehonderd man langs een tot voor kort nog stil landweggetje dat zich kromt rond akkers en velden in de Achterhoek. In de berm auto’s in eindeloze rijen en telescopen gericht maar helaas, we zijn een paar minuten te laat: vogel zojuist weggevlogen, weet men ons te vertellen. Sta je dan. Een nog koud en grijs landschap van boomsingels en verre bosranden doemt op uit de ochtendnevels maar daar hebben we even geen boodschap aan. Wat te doen?
Een nieuwe melding, een stroom auto’s die zich in beweging zet en wij er achteraan. Maar op de nieuwe plek aangekomen staan sommige vogelaars alle kanten op te loeren en anderen wat met elkaar te kletsen. Geen steenarend te bekennen. Opnieuw te laat? Of miscommunicatie? En de zoektocht gaat verder. In colonne over smalle landweggetjes door de velden rond Wehl. Ik zie alweer zo’n epische zoektocht voor me, met tientallen of meer auto’s crossend over half verharde zandpaden met kuilen en gaten, ik moet denken aan keizerarend en kleine regenwulp. Die beide overigens goed afliepen. Ook dit keer valt het mee: verderop stoppen de auto’s alweer en staan de telescopen collectief gericht op een bosje midden in het veld. Men wijst ons en legt uit. Daar in die kale boom helemaal rechts in het bosje die dikke prop: steenarend!
Aanvankelijk ver, grijs, slecht licht, een propje tussen een wirwar van kale takken: niks aan te zien. Maar als we wat verder lopen, dichterbij komen, misschien is ook het licht al ietsje beter? dan wordt het beeld van de vogel steeds ietsje helderder, ietsje gedetailleerder, ietsje karakteristieker. Krijg je steeds meer het idee dat je inderdaad naar een steenarend staat te kijken. Die forse gestalte, die zware snavel, die geelbruine kopveren, af en toe zijn ze zichtbaar. Lichte baan over de dekveren, een streepje wit van de staart: steenarend! De fiere kop die daar bij hoort, de felle ogen, de dodelijke klauwen, die verzinnen we er zelf wel bij. Ja, hij is mooi. Tenslotte vliegt-ie op en dat maakt het helemaal af! Met kalme vleugelslag vliegt-ie over het veld richting bosrand, wint hoogte en vliegt voor de hoogspanningsleidingen langs. Brede en diep gevingerde vleugels zien we, wit in de handvleugels, witte staart met donkere eindband en natuurlijk die bedaarde arendachtige vlucht. Een jongensdroom! Nog één keer duikt-ie omlaag naar een denkbeeldige haas, daarna verdwijnt-ie uit beeld.
We besteden nog een uurtje aan de velden rond Wehl, op zoek naar patrijzen en naar steenarend natuurlijk maar geen van beide geeft zich bloot en we keren terug naar Utrecht. 11 uur thuis, een herinnering rijker en nog een hele werkdag voor me.
1 maart 2021
Meer twitchen: Uiltje
Zie ook: Half scheepsrecht
Heel anders wordt het als zo’n vogel ineens min of meer ter plaatse wordt gemeld. Aan het eind van de middag bij Duiven en na enkele korte tussenstops uiteindelijk in de avondschemer in zijn vermoedelijke slaapboom voor deze nacht bij Didam. Dat biedt kansen want daar zal-ie vermoedelijk morgenochtend ook weer wakker worden. En dan wordt er ook in ons weer iets wakker. Dan staan we weer in de vroege ochtendschemer met tweehonderd man langs een tot voor kort nog stil landweggetje dat zich kromt rond akkers en velden in de Achterhoek. In de berm auto’s in eindeloze rijen en telescopen gericht maar helaas, we zijn een paar minuten te laat: vogel zojuist weggevlogen, weet men ons te vertellen. Sta je dan. Een nog koud en grijs landschap van boomsingels en verre bosranden doemt op uit de ochtendnevels maar daar hebben we even geen boodschap aan. Wat te doen?
Een nieuwe melding, een stroom auto’s die zich in beweging zet en wij er achteraan. Maar op de nieuwe plek aangekomen staan sommige vogelaars alle kanten op te loeren en anderen wat met elkaar te kletsen. Geen steenarend te bekennen. Opnieuw te laat? Of miscommunicatie? En de zoektocht gaat verder. In colonne over smalle landweggetjes door de velden rond Wehl. Ik zie alweer zo’n epische zoektocht voor me, met tientallen of meer auto’s crossend over half verharde zandpaden met kuilen en gaten, ik moet denken aan keizerarend en kleine regenwulp. Die beide overigens goed afliepen. Ook dit keer valt het mee: verderop stoppen de auto’s alweer en staan de telescopen collectief gericht op een bosje midden in het veld. Men wijst ons en legt uit. Daar in die kale boom helemaal rechts in het bosje die dikke prop: steenarend!
Aanvankelijk ver, grijs, slecht licht, een propje tussen een wirwar van kale takken: niks aan te zien. Maar als we wat verder lopen, dichterbij komen, misschien is ook het licht al ietsje beter? dan wordt het beeld van de vogel steeds ietsje helderder, ietsje gedetailleerder, ietsje karakteristieker. Krijg je steeds meer het idee dat je inderdaad naar een steenarend staat te kijken. Die forse gestalte, die zware snavel, die geelbruine kopveren, af en toe zijn ze zichtbaar. Lichte baan over de dekveren, een streepje wit van de staart: steenarend! De fiere kop die daar bij hoort, de felle ogen, de dodelijke klauwen, die verzinnen we er zelf wel bij. Ja, hij is mooi. Tenslotte vliegt-ie op en dat maakt het helemaal af! Met kalme vleugelslag vliegt-ie over het veld richting bosrand, wint hoogte en vliegt voor de hoogspanningsleidingen langs. Brede en diep gevingerde vleugels zien we, wit in de handvleugels, witte staart met donkere eindband en natuurlijk die bedaarde arendachtige vlucht. Een jongensdroom! Nog één keer duikt-ie omlaag naar een denkbeeldige haas, daarna verdwijnt-ie uit beeld.
We besteden nog een uurtje aan de velden rond Wehl, op zoek naar patrijzen en naar steenarend natuurlijk maar geen van beide geeft zich bloot en we keren terug naar Utrecht. 11 uur thuis, een herinnering rijker en nog een hele werkdag voor me.
1 maart 2021
Meer twitchen: Uiltje
Zie ook: Half scheepsrecht
dinsdag 23 februari 2021
Limburgse lente
Na sneeuw en ijs amper nog een week geleden, kon de tegenstelling nauwelijks groter zijn. Het was een heerlijke lentedag in ‘Klein Zuid Limburg’, het gebied rond Puth en Doenrade ten zuiden van Sittard. De hele dag zon, zowat 20 graden, bloeiende sneeuwklokjes, speenkruid en maagdenpalm, citroenvlinders die alweer door de bermen dartelen en zingende veldleeuweriken en geelgorzen. Gefietst door Limburgs heuvelland, samengebald tot zijn kern, zijn cliché bijna: glooiende velden, weelderige hellingbossen en holle weggetjes, sommige oude bekende, sommige nieuw voor me. De Hagendoornweg, vanaf het plateau bij Doenrade omlaag, is fantastisch. In een diepe vouw in de helling, omgeven door stokoud, door klimop overwoekerd geboomte hoog boven je, daal je af naar het laagland rond Oirsbeek. Ook de Wanenberg, met zijn afwisseling van steile bossen en golvende akkers, is prachtig. Blauwe kiekendieven boven het veld (allemaal vrouwtjes vandaag, maar ook die zijn fraai), riet- en geelgorzen overwinterend (mag je dat nog zo noemen op een dag als vandaag?) op en rond een paar verruigde akkers en uiteindelijk ook grauwe gors (het kostte wat tijd en moeite maar uiteindelijk had ik er een paar, waaronder eentje fraai in de scoop bovenin een pol), wat wil je nog meer?
Nou, kraanvogels dus. Want de kraanvogeltrek is een van de indrukwekkendste, een van de meest enerverende verschijnselen waar je als vogelaar getuige van kunt zijn. Als ze met honderdduizenden vanuit Spanje en Frankrijk naar het noordoosten trekken en daarbij met een beetje geluk nog net een stukje Nederland schampen en dan met tienduizenden over Limburg en Oost Brabant, over Twente en over de Achterhoek trekken, dan moet je daar als het effe kan bij zijn. Het duurt meestal maar een paar dagen en dan zijn ze alweer door. En met een beetje pech trekken ze zo oostelijk dat er zelfs in het uiterste oosten van Nederland maar weinig van te zien is. Maar nu was het weer zover, dit weekend was het raak. Gisteren op Waarneming.nl 1.653 meldingen van in totaal 409.317 vogels. Nou zaten daar natuurlijk enorm veel dubbeltellingen bij maar de 20.614 die er werden geteld vanaf de Karsstraat bij Wittem, geven een indruk van de massaliteit van het fenomeen. Ik was bang dat ik mijn kans gemist had want maar al te vaak zijn ze na een zo’n dag alweer op, maar op hoop van zegen vandaag toch maar naar Limburg gegaan.
Toen ik een paar uur lang aan de Wintrakerweg op het plateau had gestaan, op de plek van de grauwe gorzen (twee vliegen in één klap, hoopte ik), zag ik de bui al hangen. Ik had weliswaar ver in het zuidwesten één groep in lange slierten over de verre heuvels naar noord zien vliegen, maar met die ene verre groep was ik nauwelijks tevreden en verder urenlang niets dan blauwe lucht. Vergeefs speurde ik van horizon tot horizon. En als ik op Waarneming.nl keek, zag ik ook maar betrekkelijk weinig meldingen uit het zuiden van Zuid Limburg. Het meeste leek ten noorden van hier te vliegen en was dus alweer door. Ik maakte een ommetje langs Windraak, Doenrade en Oirsbeek, onder andere over die geweldige Hagendoornweg en was ook even in het bos op de Beukenberg, allemaal prachtig ontluikend Limburgs heuvelland onder een fijn lentezonnetje en ik had me al bijna verzoend met mijn bijna kraanvogelloze dagje Zuid Limburg toen ik zag dat er ten zuiden van hier toch weer nieuwe kraanvogels waren gezien. Nieuwe aanvoer? Terug aan de Wintrakerweg duurde het dit keer helemaal niet lang voor ik ze ook had. Alleen ook nu weer zo achterlijk ver weg: ver in het zuidoosten een groep naar noordoost, en kort daarop in diezelfde richting een enorme cirkelende groep die uiteindelijk ook doorging naar noordoost. Ook deze bleven dus onmogelijk ver weg, ternauwernood herkenbaar (maar wat hadden het anders kunnen zijn dezer dagen?) en onhoorbaar. Toch was het, hoe ver ook, geweldig om zo toch nog iets van de kraanvogeltrek mee te maken. Maar toen ontdekte ik een groep veel dichterbij, en in het zuidwesten bovendien: koersend naar noordoost zouden ze aardig mijn kant op moeten komen. En ik hoorde ze! Van ver klonk hun luide trompetteren en dat maakt alle verschil, want dat geluid is zo gaaf!
Inderdaad kwamen ze mijn kant op, en bovendien ontdekte ik er steeds meer. Eigenlijk waren het twee groepen, samen misschien wel 500 vogels, die, eerst de ene en daarna de andere voor me langs naar het noordoosten trok, luid trompetterend en prachtig in de telescoop. Een gebeurtenis waarbij je de rillingen over de rug lopen, waarbij je bijna smelt van gelukzaligheid. Ik zou graag willen uitleggen wat het toch is dat trekkende kraanvogels zo gaaf maakt. Iets over legers die door de hemel koersen, die als slagschepen in de ether drijven, dat ze zich bewegen in hun eigen wereld en los van ons armzalig bestaan hier beneden over ons heen naar verre verten gaan (al geldt dat natuurlijk voor alle trekvogels). Het is ontoereikend. Het kan nog niet een klein beetje weergeven van wat een zwerm trekkende kraanvogels met een vogelaar doet.
Terug op aarde zag ik op de terugweg in Sittard trouwens nog twee sperwers die samen achter een lijster aanzaten. Twee tegen één: niet eerlijk.
Nou, kraanvogels dus. Want de kraanvogeltrek is een van de indrukwekkendste, een van de meest enerverende verschijnselen waar je als vogelaar getuige van kunt zijn. Als ze met honderdduizenden vanuit Spanje en Frankrijk naar het noordoosten trekken en daarbij met een beetje geluk nog net een stukje Nederland schampen en dan met tienduizenden over Limburg en Oost Brabant, over Twente en over de Achterhoek trekken, dan moet je daar als het effe kan bij zijn. Het duurt meestal maar een paar dagen en dan zijn ze alweer door. En met een beetje pech trekken ze zo oostelijk dat er zelfs in het uiterste oosten van Nederland maar weinig van te zien is. Maar nu was het weer zover, dit weekend was het raak. Gisteren op Waarneming.nl 1.653 meldingen van in totaal 409.317 vogels. Nou zaten daar natuurlijk enorm veel dubbeltellingen bij maar de 20.614 die er werden geteld vanaf de Karsstraat bij Wittem, geven een indruk van de massaliteit van het fenomeen. Ik was bang dat ik mijn kans gemist had want maar al te vaak zijn ze na een zo’n dag alweer op, maar op hoop van zegen vandaag toch maar naar Limburg gegaan.
Toen ik een paar uur lang aan de Wintrakerweg op het plateau had gestaan, op de plek van de grauwe gorzen (twee vliegen in één klap, hoopte ik), zag ik de bui al hangen. Ik had weliswaar ver in het zuidwesten één groep in lange slierten over de verre heuvels naar noord zien vliegen, maar met die ene verre groep was ik nauwelijks tevreden en verder urenlang niets dan blauwe lucht. Vergeefs speurde ik van horizon tot horizon. En als ik op Waarneming.nl keek, zag ik ook maar betrekkelijk weinig meldingen uit het zuiden van Zuid Limburg. Het meeste leek ten noorden van hier te vliegen en was dus alweer door. Ik maakte een ommetje langs Windraak, Doenrade en Oirsbeek, onder andere over die geweldige Hagendoornweg en was ook even in het bos op de Beukenberg, allemaal prachtig ontluikend Limburgs heuvelland onder een fijn lentezonnetje en ik had me al bijna verzoend met mijn bijna kraanvogelloze dagje Zuid Limburg toen ik zag dat er ten zuiden van hier toch weer nieuwe kraanvogels waren gezien. Nieuwe aanvoer? Terug aan de Wintrakerweg duurde het dit keer helemaal niet lang voor ik ze ook had. Alleen ook nu weer zo achterlijk ver weg: ver in het zuidoosten een groep naar noordoost, en kort daarop in diezelfde richting een enorme cirkelende groep die uiteindelijk ook doorging naar noordoost. Ook deze bleven dus onmogelijk ver weg, ternauwernood herkenbaar (maar wat hadden het anders kunnen zijn dezer dagen?) en onhoorbaar. Toch was het, hoe ver ook, geweldig om zo toch nog iets van de kraanvogeltrek mee te maken. Maar toen ontdekte ik een groep veel dichterbij, en in het zuidwesten bovendien: koersend naar noordoost zouden ze aardig mijn kant op moeten komen. En ik hoorde ze! Van ver klonk hun luide trompetteren en dat maakt alle verschil, want dat geluid is zo gaaf!
Inderdaad kwamen ze mijn kant op, en bovendien ontdekte ik er steeds meer. Eigenlijk waren het twee groepen, samen misschien wel 500 vogels, die, eerst de ene en daarna de andere voor me langs naar het noordoosten trok, luid trompetterend en prachtig in de telescoop. Een gebeurtenis waarbij je de rillingen over de rug lopen, waarbij je bijna smelt van gelukzaligheid. Ik zou graag willen uitleggen wat het toch is dat trekkende kraanvogels zo gaaf maakt. Iets over legers die door de hemel koersen, die als slagschepen in de ether drijven, dat ze zich bewegen in hun eigen wereld en los van ons armzalig bestaan hier beneden over ons heen naar verre verten gaan (al geldt dat natuurlijk voor alle trekvogels). Het is ontoereikend. Het kan nog niet een klein beetje weergeven van wat een zwerm trekkende kraanvogels met een vogelaar doet.
Terug op aarde zag ik op de terugweg in Sittard trouwens nog twee sperwers die samen achter een lijster aanzaten. Twee tegen één: niet eerlijk.
maandag 15 februari 2021
Sneeuw en ijs
Het is winter in Nederland, het zal niemand zijn ontgaan. Sneeuw en ijs in overvloed. Je zou daar iets moois over willen schrijven, maar wat? Dat het prachtig is buiten, dat je je in een andere wereld waant, dat het is alsof je in een sprookje beland bent, of in een ver buitenland? Dat hebben er al zoveel gezegd. Dat we er zo aan toe zijn, in deze donkere tijden, dat we zo behoefte hebben aan iets leuks, aan een pleziertje? Dat we zo graag voor even al de grauwheid van corona willen kunnen vergeten? Dat roept iedereen dus wie ben ik om het tegen te spreken? En ze hebben gelijk natuurlijk, je ziet dat ook: iedereen is buiten, iedereen is op stap, de wereld is een soort openluchtkroeg, met de gelagkamer aan de plas of in het bos of op een bruggetje, uitzicht op bokje of krooneend, en je ontmoet er de leukste mensen.
Het is een cliché van schoonheid waar we ons in begeven, schoonheid die de menselijke smaak te boven gaat. Dat wit van horizon tot horizon, als een soort weerspiegeling van de oneindigheid, waarin af en toe een zwart bosje drijft. Een verre bosrand, subtiel wit getekend. Woorden als goddelijk en magisch komen in je op. Ook clichés natuurlijk, en volstrekt ontoereikend maar het trekt voortdurend. Telkens weer moet je naar buiten. Je verzuimt je plichten, verzaakt je taken, want buiten moet je wezen. Zo veel mogelijk, zo lang mogelijk in die fantastische sprookjeswereld die de hevige sneeuwval van de afgelopen dagen teweeg heeft gebracht.
Vogels zijn in die context eigenlijk bijzaak. Hoewel: het strenge winterweer heeft veel moois in de aanbieding, vanuit het perspectief van de vogelaar. Vanuit het perspectief van de vogels overigens heeft het winterweer vooral nogal wat ellende in de aanbieding. Daar kun je je schuldig over voelen maar dat is in dit geval niet terecht. Dit is nou eens ellende waar de mens niets mee van doen heeft. Hij komt of hij komt niet, zo’n vorstperiode, en of wij daar plezier aan beleven is daarop van geen enkele invloed. Sterker nog, we doen ons uiterste best om dit soort kou de komende 100 jaar te voorkomen, maar dat is helaas nog niet helemaal gelukt. Komt goed. Dus we kunnen onbekommerd genieten. Van de fraaie vluchten kleine zwanen die luid roepend door de blauwe lucht bewegen, op de vlucht voor vorst en sneeuw. Van een stel watersnippen die prachtig dichtbij lopen te foerageren in het besneeuwde weiland. Van een bokje dat, alle schuwheid afgelegd, op de oever van een sloot zit te wachten op het einde. Het einde van de vorst? Of het einde van alles? Nou ja, van zijn alles, laten we het niet dramatischer maken dan het is. Maar houdt afstand, laat hem met rust want hij kan zijn rust goed gebruiken en zo haalt hij misschien nog het einde van de vorst, daar op de oever van zijn sloot. Intussen genieten we van een waterral die zonder enige schroom rondscharrelt langs de waterkant. En van de houtsnippen die af en toe langs je heen vliegen, soms zo dichtbij dat je ze bijna uit de lucht zou kunnen plukken. Ik overdrijf natuurlijk maar het is houtsnippentijd, zoals altijd bij streng winterweer. Opeens komen ze dan uit hun schuilplaatsen tevoorschijn en gaan op zoek naar plekjes waar nog wel iets voor ze te halen valt. Een scheutje influx uit het noorden erbij en dan krijg je dit: overal worden ze gezien, soms in belachelijke aantallen en ik zie ook heel wat foto’s langskomen van houtsnippen in de sneeuw, houtsnippen aan de grond, foeragerend. Ik zag die foto’s met enige jaloezie want tot vandaag zag ik ze alleen nog maar vliegend, zij het sommige wel heel dichtbij en fraai in de kijker, maar vanmorgen had ik prijs: prachtige houtsnip scharrelend onder het struikgewas en af en toe prachtig vrij zichtbaar. Daarmee is deze winterperiode voor mij volmaakt. Het mag wel weer gaan dooien.
13 februari 2021
Meer uit het Utrechtse: De Utrechtse honderd soortendag
Het is een cliché van schoonheid waar we ons in begeven, schoonheid die de menselijke smaak te boven gaat. Dat wit van horizon tot horizon, als een soort weerspiegeling van de oneindigheid, waarin af en toe een zwart bosje drijft. Een verre bosrand, subtiel wit getekend. Woorden als goddelijk en magisch komen in je op. Ook clichés natuurlijk, en volstrekt ontoereikend maar het trekt voortdurend. Telkens weer moet je naar buiten. Je verzuimt je plichten, verzaakt je taken, want buiten moet je wezen. Zo veel mogelijk, zo lang mogelijk in die fantastische sprookjeswereld die de hevige sneeuwval van de afgelopen dagen teweeg heeft gebracht.
Vogels zijn in die context eigenlijk bijzaak. Hoewel: het strenge winterweer heeft veel moois in de aanbieding, vanuit het perspectief van de vogelaar. Vanuit het perspectief van de vogels overigens heeft het winterweer vooral nogal wat ellende in de aanbieding. Daar kun je je schuldig over voelen maar dat is in dit geval niet terecht. Dit is nou eens ellende waar de mens niets mee van doen heeft. Hij komt of hij komt niet, zo’n vorstperiode, en of wij daar plezier aan beleven is daarop van geen enkele invloed. Sterker nog, we doen ons uiterste best om dit soort kou de komende 100 jaar te voorkomen, maar dat is helaas nog niet helemaal gelukt. Komt goed. Dus we kunnen onbekommerd genieten. Van de fraaie vluchten kleine zwanen die luid roepend door de blauwe lucht bewegen, op de vlucht voor vorst en sneeuw. Van een stel watersnippen die prachtig dichtbij lopen te foerageren in het besneeuwde weiland. Van een bokje dat, alle schuwheid afgelegd, op de oever van een sloot zit te wachten op het einde. Het einde van de vorst? Of het einde van alles? Nou ja, van zijn alles, laten we het niet dramatischer maken dan het is. Maar houdt afstand, laat hem met rust want hij kan zijn rust goed gebruiken en zo haalt hij misschien nog het einde van de vorst, daar op de oever van zijn sloot. Intussen genieten we van een waterral die zonder enige schroom rondscharrelt langs de waterkant. En van de houtsnippen die af en toe langs je heen vliegen, soms zo dichtbij dat je ze bijna uit de lucht zou kunnen plukken. Ik overdrijf natuurlijk maar het is houtsnippentijd, zoals altijd bij streng winterweer. Opeens komen ze dan uit hun schuilplaatsen tevoorschijn en gaan op zoek naar plekjes waar nog wel iets voor ze te halen valt. Een scheutje influx uit het noorden erbij en dan krijg je dit: overal worden ze gezien, soms in belachelijke aantallen en ik zie ook heel wat foto’s langskomen van houtsnippen in de sneeuw, houtsnippen aan de grond, foeragerend. Ik zag die foto’s met enige jaloezie want tot vandaag zag ik ze alleen nog maar vliegend, zij het sommige wel heel dichtbij en fraai in de kijker, maar vanmorgen had ik prijs: prachtige houtsnip scharrelend onder het struikgewas en af en toe prachtig vrij zichtbaar. Daarmee is deze winterperiode voor mij volmaakt. Het mag wel weer gaan dooien.
13 februari 2021
Meer uit het Utrechtse: De Utrechtse honderd soortendag
Abonneren op:
Posts (Atom)












