maandag 15 februari 2021

Sneeuw en ijs

Het is winter in Nederland, het zal niemand zijn ontgaan. Sneeuw en ijs in overvloed. Je zou daar iets moois over willen schrijven, maar wat? Dat het prachtig is buiten, dat je je in een andere wereld waant, dat het is alsof je in een sprookje beland bent, of in een ver buitenland? Dat hebben er al zoveel gezegd. Dat we er zo aan toe zijn, in deze donkere tijden, dat we zo behoefte hebben aan iets leuks, aan een pleziertje? Dat we zo graag voor even al de grauwheid van corona willen kunnen vergeten? Dat roept iedereen dus wie ben ik om het tegen te spreken? En ze hebben gelijk natuurlijk, je ziet dat ook: iedereen is buiten, iedereen is op stap, de wereld is een soort openluchtkroeg, met de gelagkamer aan de plas of in het bos of op een bruggetje, uitzicht op bokje of krooneend, en je ontmoet er de leukste mensen.
Het is een cliché van schoonheid waar we ons in begeven, schoonheid die de menselijke smaak te boven gaat. Dat wit van horizon tot horizon, als een soort weerspiegeling van de oneindigheid, waarin af en toe een zwart bosje drijft. Een verre bosrand, subtiel wit getekend. Woorden als goddelijk en magisch komen in je op. Ook clichés natuurlijk, en volstrekt ontoereikend maar het trekt voortdurend. Telkens weer moet je naar buiten. Je verzuimt je plichten, verzaakt je taken, want buiten moet je wezen. Zo veel mogelijk, zo lang mogelijk in die fantastische sprookjeswereld die de hevige sneeuwval van de afgelopen dagen teweeg heeft gebracht.
Vogels zijn in die context eigenlijk bijzaak. Hoewel: het strenge winterweer heeft veel moois in de aanbieding, vanuit het perspectief van de vogelaar. Vanuit het perspectief van de vogels overigens heeft het winterweer vooral nogal wat ellende in de aanbieding. Daar kun je je schuldig over voelen maar dat is in dit geval niet terecht. Dit is nou eens ellende waar de mens niets mee van doen heeft. Hij komt of hij komt niet, zo’n vorstperiode, en of wij daar plezier aan beleven is daarop van geen enkele invloed. Sterker nog, we doen ons uiterste best om dit soort kou de komende 100 jaar te voorkomen, maar dat is helaas nog niet helemaal gelukt. Komt goed. Dus we kunnen onbekommerd genieten. Van de fraaie vluchten kleine zwanen die luid roepend door de blauwe lucht bewegen, op de vlucht voor vorst en sneeuw. Van een stel watersnippen die prachtig dichtbij lopen te foerageren in het besneeuwde weiland. Van een bokje dat, alle schuwheid afgelegd, op de oever van een sloot zit te wachten op het einde. Het einde van de vorst? Of het einde van alles? Nou ja, van zijn alles, laten we het niet dramatischer maken dan het is. Maar houdt afstand, laat hem met rust want hij kan zijn rust goed gebruiken en zo haalt hij misschien nog het einde van de vorst, daar op de oever van zijn sloot. Intussen genieten we van een waterral die zonder enige schroom rondscharrelt langs de waterkant. En van de houtsnippen die af en toe langs je heen vliegen, soms zo dichtbij dat je ze bijna uit de lucht zou kunnen plukken. Ik overdrijf natuurlijk maar het is houtsnippentijd, zoals altijd bij streng winterweer. Opeens komen ze dan uit hun schuilplaatsen tevoorschijn en gaan op zoek naar plekjes waar nog wel iets voor ze te halen valt. Een scheutje influx uit het noorden erbij en dan krijg je dit: overal worden ze gezien, soms in belachelijke aantallen en ik zie ook heel wat foto’s langskomen van houtsnippen in de sneeuw, houtsnippen aan de grond, foeragerend. Ik zag die foto’s met enige jaloezie want tot vandaag zag ik ze alleen nog maar vliegend, zij het sommige wel heel dichtbij en fraai in de kijker, maar vanmorgen had ik prijs: prachtige houtsnip scharrelend onder het struikgewas en af en toe prachtig vrij zichtbaar. Daarmee is deze winterperiode voor mij volmaakt. Het mag wel weer gaan dooien.

13 februari 2021


Meer uit het Utrechtse: De Utrechtse honderd soortendag











Geen opmerkingen:

Een reactie posten