vrijdag 21 december 2012

Geen mening


Natuurlijk heb ik ook allerlei meningen. Bultrug Johannes hadden ze rustig mogen laten sterven. Al was er ook niet zo veel op tegen om te proberen hem (haar) te redden. De huiskraaien moeten ze gewoon met rust laten want waarom niet? Voorts ben ik van mening dat de bio-industrie moet worden afgeschaft. Ik vind dat Carthago moet worden vernietigd en natuurlijk vergaat ook vandaag de wereld niet. Al is dat laatste morgen al geen mening meer.

Meningen zijn net galakostuums voor bij het kerstdiner: je trekt aan wat je het beste past. Voor elke mening zijn wel de benodigde argumenten te vinden. Argumenten van grote schoonheid en eruditie. Intelligente argumenten, simplistische argumenten, populistische argumenten, voor elk wat wils, meestal geheel en al in overeenstemming met de desbetreffende mening. Kies de juiste argumenten en je kunt je iedere mening aanmeten die je wenst. Maar wat zijn al die meningen nou eigenlijk waard? Er zijn argumenten voor en er zijn argumenten tegen en wie heeft er tijd en gelegenheid, en kennis van zaken, om telkens weer al die voors en tegens op waarde te schatten en tegen elkaar af te wegen? Kun je wel vinden, om nog maar eens een voorbeeld te noemen, dat die taling destijds in Almelo natuurlijk nooit aanvaard had mogen worden. Maar er is dus een commissie van wijze mannen die daar hard over hebben nagedacht en op hebben gestudeerd en tot een andere conclusie zijn gekomen. Nou ben ik heus niet zo gezagsgetrouw dat ik vind dat elke autoriteit altijd gelijk heeft. Maar je zult je dan toch op zijn minst op de hoogte moeten stellen van hun argumenten en daar andere argumenten tegenover moeten stellen. En hoeveel van al die mensen die vinden dat elke vreemde eend bij voorbaat schuldig is, hebben dat daadwerkelijk gedaan?

Meningen … We moeten ze hebben, allemaal, over van alles en nog wat. Maar als ik bijvoorbeeld op een grijze en miezerige ochtend in Nieuwegein naar twee pestvogels sta te kijken, eindelijk ook eens pestvogels in ‘Groot Utrecht’, dan heb ik even helemaal geen mening. Dan kunnen meningen me gestolen worden. Dan ben ik alleen maar de hele dag een klein beetje gelukkig. Gelukkiger dan zonder pestvogels bedoel ik.

21 december 2012

zondag 16 december 2012

Johannes

Onderweg las ik over Johannes Rypma, ‘dark horse’ in de finale van ‘The Voice’. Ja, je moet wat als je zo’n twee en een half uur in de trein zit (en straks twee en een half uur weer terug) om een HEMA dagkaart te verzilveren. Dan lees je alles dat je voor ogen krijgt. Fietsend in de Friese polders nabij IJlst zie ik aan een boerderij een reusachtig spandoek: ‘Johannes Rypma, the voice of Fryslân’. En honderd meter verderop nog een. Toeval? Of is heel Friesland in de ban van die jongen?
(Wel grappig trouwens hoe de ene helft van Nederland in de ban is van een heel andere Johannes terwijl de andere helft vermoedelijk nog nooit van die andere Johannes heeft gehoord maar je precies zal weten te vertellen wie die ene is.)

Nou eens niet getwitcht vandaag. Alle her en der in den lande beschikbare zeldzaamheden links laten liggen (die zaten sowieso niet ver genoeg om mijn HEMA dagkaart aan te besteden), en gewoon een heerlijk dagje fietsen in Zuidwest Friesland. Al had ik natuurlijk wel een doelsoort. Want specialiteit van dit gebied is de kleine rietgans: elders in het land tamelijk schaars maar in deze regio met duizenden aanwezig. Het kostte dan ook niet veel tijd om deze voor mij nog nieuwe jaarsoort te vinden. Toen ik over een doodlopend weggetje een groepje brandganzen benaderde, bleken daar al gauw ook wat bruine ganzen tussen te zitten. Kolganzen, maar zoals bij nadere inspectie bleek, ook wat kleine rieten. Later zag ik er nog vele. Onder andere minimaal 150 verspreid in een groep van enkele duizenden brandganzen. En een mooie groep van een kleine honderd dicht langs de weg.
Wie niet goed kijkt kan denken: al die bruine ganzen zijn hetzelfde. Allemaal saaie bruine beesten met een witte kont. Maar dat zijn ze niet. Wie wel goed kijkt (of even in een vogelgids bladert) ziet subtiele (en soms minder subtiele) verschillen. Zelf vind ik de kleine rietgans een van de leukste van het stel. Een kort, donker nekje, een stomp kopje met kort, donker snaveltje en een grijzige waas over de rug die in een laag winterzonnetje af en toe bijna zilverachtig kan oplichten, ze geven de vogel een heel eigen karakter en met wat ervaring pik je ze er zo uit.
Missie volbracht dus, en tijd voor heerlijk doelloos dwalen door de Friese velden. Af en toe een zonnetje, af en toe een beetje regen, en een frisse tegenwind die aan kwam waaien over de Friese velden, af en toe gestuit door een beboste kade of een door hoge bomen omringde boerderij. Friese meren; ik kwam onder meer langs het Piekemeer, het Rietmeer en de Oudegaaster Brekken, omgeven door diep buigende rietwaaiers en kreunend onder de daar toch stevig aanwakkerende zuidenwind. Beloftevolle natte landjes met plasjes en modderige oevers waar in deze winterse tijden niets te beleven was. En nog meer velden vol ganzen. Na een tijdje waren tussen die ganzen ineens geen rietganzen meer te vinden. Zo snel kan het gaan: enkele kilometers slechts voorbij het gebied waar er in vrijwel elke groep wel minstens een paar zaten. Een nogal plaatselijk verschijnsel dus. Uiteindelijk kwam ik terecht in Workum. Fietste door de fraaie oude dorpsstraat en langs de monumentale oude kerk en fietste aan de andere kant het dorp weer uit. Naar het IJsselmeer, naar de Workumerwaard, naar de bekende uitzichtbult aldaar. Daar telde ik 22 kleine zwanen op het IJsselmeer. De pijlstaarten heb ik niet geteld. In de binnen gelegen graslanden onder meer vele goudplevieren. Hoeveel, dat merkte ik pas toen ik over een doodlopend weggetje door die graslanden fietste. Duizenden moeten het er geweest zijn. En honderden bonte strandlopers. Wulpen ook, een paar kemphanen, brandganzen, een grote zilverreiger. En boven de rietzoom langs het IJsselmeer een mooi vrouwtje blauwe kiekendief.
Geen zeldzaamheden dus vandaag, maar genoeg te beleven. Het was nog tamelijk vroeg maar ik was volmaakt tevreden. In Workum de trein genomen, om mijn HEMA dagkaart op te maken.

15 december 2012

maandag 10 december 2012

Taigastrandloper

Kom je ’s avonds nogal moe terug van enkele dagen Westkapelle, toe aan een rustige zondag, even het huis weer op orde brengen. ‘Liever geen verplichte twitch’ denk je nog, en ‘een knappe vogel die me morgen de deur uit krijgt’. Zet je de computer aan, open je ‘Waarneming.nl’ en daar lees je: taigastrandloper in de Vreugdenrijkerwaard bij Zwolle! Tsja, daar zit je dan met je goede bedoelingen. De eerste voor Nederland, en trouwens de tweede soort van dat kaliber in een week tijd. Hoe is het mogelijk. Honderden vogelaars zijn al wezen kijken. Dus daar is geen ontkomen aan: dat wordt de volgende ochtend de trein naar Zwolle.
Ik heb afgesproken met Hans. In de trein stijgt de spanning. Op de fiets neemt de onrust nog verder toe. Vanmorgen nog gemeld, dus dat komt wel goed, houden we onszelf voor. Maar je weet het niet hè. Zo gaat dat elke keer weer bij zo’n twitch: tussen hoop en vrees ben je op weg naar de totale euforie of de diepste ontgoocheling.
We vinden vrij vlot de Zalkerveerweg en zien, nog voor de afslag Vreugdenrijkerweg, de menigte staan: mannen met telescopen zij aan zij op de dijk. Staan ze daar nou, blij en gelukkig, te kijken naar de vogel, vraag je je dan nog af, of staan ze zenuwachtig en gespannen te zoeken? We haasten ons naar de dijk en voegen ons bij de anderen. ‘Zit-ie er nog?’ ‘Ja, hij zit er nog’. …
We zetten de telescoop op en al gauw hebben we beet: taigastrandloper! Het genieten kan beginnen.

Een onooglijk, ietwat bol strandlopertje loopt driftig te foerageren op het slikje aan deze kant van het watertje beneden de dijk. Type kleine strandloper ruwweg, maar toch: anders. Kort, stomp achtereind. Vage maar doorlopende borstband. Opvallende wenkbrauwstreep. En: gele poten! En je realiseert je ten volle dat je staat te kijken naar een nieuwe soort. Niet alleen nieuw voor jezelf, nee, een nieuwe soort voor Nederland. En dat voelt fantastisch.
Het is, los daarvan, gewoon een mooi vogeltje en hij laat zich schitterend bekijken. Een apart vogeltje ook. Af en toe valt de opgerichte houding op, met een nekje tussen kop en romp. Als een klein ruitertje, zoals ook de vogelgids dat schrijft. Ik herken ook de rug- en halstekening van de foto’s die inmiddels op internet verschenen zijn. Dat het echt niet gewoon een kleine strandloper is, dat is ook mij wel duidelijk. Er zelf een taiga van maken, dat zou een hele klus voor me zijn maar na een tijdje denk je ja, hij is het. Dan kun je tevreden zijn. Dan is de twitch ten volle geslaagd. En als we intussen ook de gestreepte strandloper hebben bekeken die zich al geruime tijd hier ophoudt, kunnen we tevreden en met een gerust hart naar huis. Zodat ik toch nog een stukje van die rustige zondag overhoud.

25 oktober 2009


Meer twitchen: Stukjes griel

zondag 9 december 2012

Düsseldorf

Zaterdag 1 december
Het is nog even wennen, maar het is dus Düsseldorf geworden. Midden in het Ruhrgebied, zoals Harriët me jaren geleden al eens beloofde: ooit gaan we op vakantie naar het Ruhrgebied. Waar geen vogels zijn.
Twee dagen lang doen we alsof we tot de gegoede burgerij behoren, tot de welgestelden: twee dagen verblijven we in een sjiek viersterrenhotel. Met ligbad op de kamer, luxueus ontbijtbuffet en een zwembad op de bovenste etage met uitzicht op de stad. Bij dat laatste stelden we ons heel wat voor, vooral toen we gisteravond onderweg in het donker langs de Münsterstrasse die torenflat zagen opdoemen, met glanzend glas bekleed en een stuk of 32 verdiepingen hoog, met de letters ARAG bovenop. Dat was niet ons hotel, weten we inmiddels. Ons hotel was een paar blokken verderop en het zwembad ligt op de zevende verdieping. Uitzicht inderdaad, onder andere op de torenflat met de letters ARAG bovenop, die hoog boven ons uitsteekt. En vanuit onze kamers op een stukje hedendaagse stadsrandzonde, met beneden ons een snelweg en daarachter een rommeltje van parkeerterreinen, volkstuintjes, een McDonalds en in de verte een fabriekscomplex. Alles vooralsnog onder een grauwe en druilerige wolkenlucht.
Onze eerste verkenningen, gisteravond, hadden nog uitsluitend het hotel zelf ten doel. Stille gangen, rustieke zitjes met plant en schemerlamp, glanzende spiegels en uitzichten in de nacht. En beneden sjieke zalen en eet- en drinkgelegenheden.

Vandaag aan de Rijn gestaan. En bovenop de ‘Rheintur’, waar we vanaf 170 meter hoogte neerkeken op de stad. Op de ‘Altstad’ met zijn wirwar van straatjes en steegjes en pleintjes en dicht opeen gebouwde huizen waartussen enkele monumentale gebouwen hun gerechtigde plek opeisen. Op de ‘Neustad’ met zijn intrigerende architectuur vol vorm en kleur waar plaatselijk de klimmannetjes over de muren kropen en recht onder ons de gebouwen van het deelstaatparlement onze aandacht trokken, die ons beneden niet bijzonder waren opgevallen maar die van boven ineens hun markante ronde en halfronde vormen toonden. En op de Rijn die zich als een sjaal om beide heen wikkelt. Hoogteverschillen daar beneden werden teniet gedaan door de hoogte hierboven. Wat zojuist nog oogde als imposante hoogbouw, is van bovenaf nietig en onbeduidend. Je kijkt erop neer als op Madurodam, met speelgoedmensjes, speelgoedautootjes, speelgoedboompjes, speelgoedhuisjes en speelgoedbootjes op de Rijn. Alles nog steeds onder een grauwsluier en in de verte snel vervagend, behalve een enkele verre plek die oplichtte in een zeldzame zonnestraal die door de wolken sijpelde.
Beneden rijzen de architectonische wonderen weer hoog boven je uit. Het is een wonderlijk schouwspel. Gebouwen lijken wel te bewegen, te dansen. Ronde vormen en onregelmatige contouren wisselen af met rechtlijnige hoekigheid, maar zelden zijn die hoeken recht. Overhellende wanden, scherpe dakconstructies, alles is speels, fantasievol, vormenrijk.
Het gebouw van de ‘Kunstverzameling van Nordrhein-Westfalen’, even verderop, is oud en klassiek maar evengoed fraai en indrukwekkend, en van binnen ineens weer hypermodern en een kunstwerk op zich. De kunstverzameling is erg modern en riep telkens weer vragen op naar het waarom. Natuurlijk is dat waar kunst voor bedoeld is, maar vermoeiend was het wel. Sommige dingen vond ik gewoon mooi, zoals een beeldengroep van een stuk of vijftig bijna identieke oude Chineesachtige mannetjes in een veelheid van houdingen bijeen in een stille zaal. Of een rijtje draaiende speelgoedstellages die belicht door ieder hun eigen schijnwerpertje grillig door elkaar heen bewegende schaduwen wierpen op de muur erachter. En de verwrongen wenteltrap natuurlijk, die in de reusachtige centrale zaal van tientallen meters hoog omlaag hing.
Aan het eind van de middag raakten we verzeild in de oude stad. In late schemer dwaalden we door overvolle straten en pleinen en schuifelden voort in de menigte die zich bewoog over kerstmarkten en langs verlichte winkeletalages. Terwijl we thuis nog druk zijn met sinterklaas, is Düsseldorf al volledig in de ban van kerst. Met kerstkraampjes, kerstversieringen, kerststellages en kerstmannen. Overvolle warenhuizen, lange rijen, massa’s mensen op jacht naar kerstaankopen. Altijd voel ik me op zulke momenten wat vervreemd van mijn medemensen, als ik zie waar die zo massaal warm voor lopen, door welke luxe en weelde ze zich laten verleiden die mij volkomen koud laten. Maar meestal blijken, als het zo uitkomt, al die mensen toch gewoon heel aardig. Prettige kerstgedachte.

Zondag 2 december
Vanochtend eerst een uurtje in mijn eentje naar buiten geweest. Beide uitzichten vanuit het hotel bewandeld. Gewone woonstraten, gewone woonhuizen, tuintjes, garages. Het is niet dat het nou zo bijzonder is hier rond ons hotel. Maar ooit een keer zal ik me ze weer herinneren, station Düsseldorf Berendorf, het uitgestrekte spoorwegemplacement, het verlaten parkeerterrein, de McDonalds die pronkt in het uitzicht vanuit onze kamers, de oase van het volkstuintjescomplex. Ooit zal ik me ze weer herinneren, en me afvragen waar en wanneer dat toch ook alweer was. Je bent hier, hoe dan ook, in een ander land en dat merk je, al weet je niet altijd waaraan.
Memorabeler is natuurlijk de oude stad waar we vanmiddag waren. Meteen al liepen we tegen een kolossaal, een monumentaal complex aan van de plaatselijke kunstacademie: zo groot, zo overweldigend, daar zou je woorden voor willen gebruiken die net zo groot zijn. Verder een mooie oude kerk hier, een mooie oude kerk daar, een paar mooie hoekjes, en de loop van de Düssel, het smalle riviertje dat in Düsseldorf in de Rijn uitmondt. De Rijnkade met het zicht op het stadsdeel aan de overkant met markante geveltjes langs de kade, en op de nieuwe stad achter de Rheintur die als altijd hoog overal bovenuit steekt. Maar al gauw waren er ook weer de drukke winkelstraten, de overvolle warenhuizen, de kerstmarkten. De mensenmassa’s. Aan het eind van de middag onttrokken we ons nog even aan de drukte in het keramiekmuseum, waar de zalen stil zijn en af en toe vol van een schoonheid die net zo goed product is van mensenhanden als de edelkitsch buiten op de kerstmarkten. Het verschil is niet eens altijd zo duidelijk. Daarna de reis naar huis aangevangen.

2 december 2012


Meer buitenlandse zaken: Bretagne



dinsdag 27 november 2012

372: ENCI-groeve

Hij zat er mooi bij, op de bekende plek dus tamelijk ver maar open en bloot en door de telescoop mooi in beeld. Meest roerloos, maar ook even kopkrabbend, waarbij de vogel zijn machtige en dicht bevederde poot verhief.
Al jaren is de ENCI-groeve bij Maastricht dé plek voor oehoe in Nederland. Al jaren trekken vogelaars bijna elk jaar wel een keer naar het diepe zuiden om er deze iconische vogel te gaan bezichtigen. Voor mij was het pas mijn derde ooit, naast minstens het dubbele aantal mislukkingen op deze plek dus in principe iets om heel gelukkig van huiswaarts te keren. Maar niet vandaag. Vandaag ging het niet om de oehoe. Dezer dagen is de ENCI-groeve, een van de spectaculairste plekken van Nederland met steile rotsen, loodrechte kliffen, holen en gaten die maken dat je je in een ver buitenland waant, vandaag is dit de ‘Place-to-be’ voor vogelend Nederland vanwege rotskruiper, een vogel uit het hooggebergte die slechts zeer zelden in Nederland wordt aangetroffen maar die sinds enkele dagen is afgedaald naar het Limburgse heuvelland, zich in de groeve heeft gevestigd en daarmee vele vogelaarshoofden op hol heeft gebracht. Het is zo’n vogel die je ofwel zielsgelukkig maakt ofwel ontroostbaar, en die laatste optie stond nog nadrukkelijk open want wat is dat beest onooglijk klein, vergeleken met de rotswanden waarop-ie moest rondhangen. Daarmee was wel het probleem van de dag geschetst: de nietigheid van zo’n vogel in de context van die reusachtige groeve. Hoe moest je ‘m in die context in vredesnaam terugvinden?
Na een dag lang vruchteloos speuren, turen naar loodrechte kliffen en zoeken in elke nis en elke holte die in het zicht lag, belandden we uiteindelijk met zijn allen op het zuidelijke uitkijkpunt, vol in de koude en af en toe stevig waaiende wind, waar de kou van een hele dag lang rondsjouwen me geleidelijk aan overmande en ik van het bibberen de verrekijker niet meer stilhouden kon. Gelukkig hadden we de telescoop. Het was wachten, met tientallen dicht opeen, en over elkaars schouders loeren naar de rotswand schuin voor ons en naar de holtes in die rotswand waar de vogel werd verwacht. Af en toe een blik omhoog naar de top van de schoorsteen van de fabriek in de diepte, die hoog boven ons uitstak en waarop twee slechtvalken verbleven. Enige tijd joegen die fraai boven de groeve maar slechts weinigen leken daar oog voor te hebben.
Dan wordt geroepen: ‘Ik heb ‘m!’ En dan slaat het hart je in de keel. Heel precies wordt aangeduid waar we kijken moeten en ik kijk, precies op de aangeduide plek, denk ik, maar ik zie ‘m niet. Ik zie niks! ‘Hij vliegt weg’ wordt geroepen, en hij verdwijnt in de grotten. Niks gezien. …
Nog enkele keren wordt-ie door een enkeling kort gezien maar telkens krijg ik ’m niet te pakken. Dan is-ie opnieuw enige tijd in beeld, vlak naast het verste zichtbare gat. Ik kijk op de aangewezen plek maar zie alweer niks. Ik zie gewoon niks. Waar dan? Waar dan? Dan zie ik iets, iets heel kleins, is dat ‘m? Een vlo, kruipend over de rots. Een vogel, ja, het zal wel, grijs, met misschien iets wittigs waar je een keel zou kunnen vermoeden, en dan is-ie weer uit beeld.
Dat was mijn rotskruiper voor deze dag. Nee, ik was er nog niet klaar mee.

En dus zwoeg ik een paar dagen later opnieuw tegen de flanken van de Pietersberg op, de koude lucht als schuurpapier in m’n luchtpijp. Opnieuw sta ik zwetend bovenop de berg en klopt het hart me in de keel. Het gevoel dat ik binnenstebuiten ben gekeerd, oh, oude man …
Het is een schitterende, maar ook een bitterkoude winterdag. Meest helder en zonnig en een temperatuur die denk ik niet of nauwelijks boven het vriespunt komt. De oehoeplek laat ik dit keer links liggen. Op het noordwestelijke uitkijkpunt staan wat mensen te kijken maar al gauw gaan de gesprekken over gisteren, toen de vogel ’s middags niet meer is gezien. En over vanmorgen, toen de vogel wel weer is gemeld dus er is nog hoop. Maar nu: geen spoor. Mooi, helder zicht op een zonovergoten maar verlaten rotswand.
Het andere uitkijkpunt, aan de zuidoostkant van de groeve, biedt zicht op de vermoedelijke slaapplaats. Daar duikt de vogel steevast aan het eind van de middag op bij de grotten in de wand schuin onder ons. Alleen niet gisteren. Nee, er is geen enkele garantie, dat kunnen velen uit eigen ervaring beamen. Het is een rotbeest, een bron van frustratie voor velen.
Maar op het zuidoostelijke uitkijkpunt blijkt-ie zojuist nog gezien te zijn. Hij zou beneden rondscharrelen tussen de grotten, weet men mij te vertellen. Dus het lange wachten kan weer een aanvang nemen, en het speuren tot je er scheel van wordt, naar elke oneffenheid, naar elk onooglijk pukkeltje. Is dat ‘m? gaat het even met een schok door je heen. Helaas … Af en toe wordt-ie omgeroepen, langs vliegend, door de grotten vliegend, even ter plaatse, misschien, maar alweer uit beeld. Dan wordt er weer opgewonden geroepen: ‘nu in beeld, op de grond bij de ingang van het tweede gat van links!’ Geschrokken richt ik de telescoop en … ik zie alweer niks. Ik kan ‘m weer niet vinden! Heb ik weer. Ligt dat nou aan mij? Mijn telescoop kan het nu niet meer zijn toch? Mijn gloednieuwe Swarovski doet niet onder voor die van wie dan ook hier op het uitzichtpunt. Dan moet het wel aan mij liggen, en ik zie alweer het angstvisioen voor me van afgelopen woensdag: dat ik er gewoon niet in slaag om dat ene pukkeltje eruit te pikken temidden van al die andere pukkeltjes. ‘Nu weer in beeld, vlak bij de rechterwand.’ Ik zoek en ik zoek, ik tuur tot mijn ogen ervan tranen … en dan, yes! Ik heb ‘m! En de trompetten schallen en de bellen rinkelen, want hij is geweldig, hoe ver en hoe piepklein ook. Oh wat is-ie klein temidden van die reusachtige groeve. Even vliegt-ie, en dan zie ik het rood in de vleugels! Dat is een waterscheiding: wie het rood heeft gezien, die heeft ‘m echt gezien.
Een minuutje of zo duurt het, daarna is-ie weer geruime tijd zoek. Hij wordt teruggevonden op een glad stuk rotswand vlakbij waar die de hoek om verdwijnt. Daar kan zelfs ik ‘m gemakkelijk vinden. Als een soort vlo zo klein kruipt-ie over de wand. Tenslotte verdwijnt-ie met de rotswand mee de hoek om.

Ik neem er genoegen mee. Nog even de oehoe’s proberen, nog even wat in de buurt rondkijken, en dan bijtijds naar huis. Ze zullen nog opkijken thuis.
Op de uitzichtplek voor de oehoe’s heb ik na enig zoeken beide vogels in beeld. Verderop staan een paar mensen te kijken naar de rotswand tegenover. Of-ie nog in beeld is? ‘Jawel’, antwoordt men, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld is. Nu even niet, wordt me verteld, maar geregeld laat-ie zich daar mooi zien. Nou, dan wil ik toch nog wel even wat tijd voor ‘m nemen. Ik richt de telescoop op het stuk rotswand waar je vanaf het andere uitkijkpunt net geen zicht op hebt. Daar staan de mensen nu ongeduldig en misschien wel hevig gefrustreerd te wachten tot de vogel weer opduikt, maar dat zal niet binnenkort zijn want al gauw vertoont hij zich aan ons. Sodeknetter! Dit is pas een rotskruiper. Hij laat zich hier echt geweldig zien, kruipend, scharrelend, neuzend, wroetend en af en toe vlinderend, en veel dichterbij dan zojuist. Helemaal een rotskruiper. Af en toe spreidt hij de vleugels en laat zijn rode veren zien: hij is als een tropische vlinder, daar op die kale rotsen. Dit is de perfecte afsluiting. Na misschien wel een half uur pak ik de telescoop in en vertrek.

28 november 2010


Meer: Canon

maandag 12 november 2012

Armchairtik


Het was weer tijd voor actie. Enkele dagen had ik de vogel min of meer genegeerd, je kan niet bezig blijven immers, en het is maar een ondersoort bovendien. Het kwam er niet van, het paste niet, ik was ook een paar dagen niet zo fit geweest, kortom: ik had gewoon effe geen zin. Maar intussen waren de foto’s fantastisch, en die foto’s vertelden vooral dat de vogel fantastisch was. En zo bouwde de onrust zich op, die onstuitbare drang, ja, die afgunst op al die mensen die wel waren wezen kijken. De honger naar de vogel. En die honger, die moest gestild. Dat is (‘ook’, zeg ik er veiligheidshalve bij) twitchen: het telkens weer stillen van die honger die telkens weer terugkomt. Inderdaad: zo blijf je bezig. En dat blijven we dan ook.
Een heerlijk dagje Drenthe was het gevolg, met veel zon, veel herfst en in elk geval één fantastische vogel, dus ik klaag niet.
Die vogel was, amper twintig minuten fietsen van station Assen, gauw gevonden. Al was-ie er, toen ik hem amper één tel in de kijker had gehad, alweer vandoor. En zo werd toch nog het geduld op de proef gesteld. Maar niet al te lang: een rondje om het kale maïsakkertje nabij Rolde, een beknopte zoektocht langs een kleurrijke bosrand en langs een rijtje kreupelhout met geelgorzen en ringmus, terug bij het groepje wakende vogelaars en daar was-ie alweer, vlak voor ons tussen de afgesneden maïsstompen: oosterse zwarte roodstaart. De telescoop kon opgeborgen blijven: de vogel foerageerde onverstoorbaar af en toe op slechts enkele meters van ons vandaan. En inderdaad: een fantastische vogel! Als een zwarte roodstaart maar dan met een gloedvolle oranjerode buik. En verder met subtiele schakeringen in zwart en donkergrijsbruin die prachtig uitkwamen in het af en toe doorbrekende herfstzonnetje. Natuurlijk heeft onze eigen zwarte roodstaart net zulke fraaie schakeringen, maar daar heb ik nooit zo lang en van zo dichtbij naar staan kijken. Misschien reden om dat een keer wel te doen.
Slechts een ondersoort, dus van een nieuwe soort is geen sprake (nog niet eens van een nieuwe dagsoort: vanmorgen tijdens het trektellen op de Uithof hadden we er nog twee), maar zo bijzonder, zo anders … En bovendien: zo zeldzaam. De tweede voor Nederland pas, al schijnt zich toevalligerwijs momenteel ook de derde in ons land op te houden, en afkomstig van ver in centraal Azië. Die wetenschap, dat besef: zo klein en kwetsbaar en van zo ver hierheen gekomen, dat is toch één van de dingen die zo fascineren aan die zeldzaamheden en die de twitcher gaande houden.
Slechts een ondersoort dus, maar wel een die naar verluidt op de nominatie staat ooit te promoveren tot echte soort. Dus laat de armchairtik maar komen.

11 november  2012

zondag 4 november 2012

386: Sibopi

In gedachten had ik mijn verhaal al bijna af. Over de tripledip zou het gaan. Al twee keer eerder was ik de afgelopen weken op zoek geweest naar siberische boompieper, Sibopi in vogelaarsjargon; mochten er nog leken meelezen: een zeldzame vogel die echter deze herfst opmerkelijk veel gezien wordt. Maar ik had ‘m nog altijd niet. Beide keren was ik één dag te laat geweest. En vandaag ging het opnieuw mis. Om 10 over 7 de trein genomen naar Alkmaar, om 5 voor half 9 de bus naar Den Oever en om kwart over 9 de wandeling aangevangen naar het Robbenoordbos. Toen ik een half uur later het bos inliep kwam me al een groepje vogelaars met ietwat zure gezichten tegemoet, Herman van den Brand was erbij en Cornelis Fokker, en ze gebaarden van ‘nee’! Al twee uur hadden ze lopen zoeken, geen spoor van de Sibopi’s die hier gisteren nog door zovelen waren gezien. Ik plakte daar nog maar eens twee uur aan vast, in het zompige, natte bos. Struinde door de rottende herfstbladeren over drassige en modderige paadjes, langs de oever van het kanaal en over half verzopen veldjes. Speurde in dicht begroeide bosbodems en in de takkenbossen boven me. Keek waar ik kijken kon maar ik kon ze niet vinden. Niemand kon ze vinden. Als de Oost- en de Westgothen uit Asterix en de Gothen (wie kent nog Asterix en de Gothen?) doorkruisten groepjes vogelaars het bos, maar uiteindelijk taaiden ze af en druppelden één voor één het bos uit. Siberische boompieper: blijkbaar niet mijn soort. Nou ja, ik had dit jaar al witwangstern weggewerkt als hardnekkige frustratiesoort, en daarna kleine vliegenvanger, ik was wel weer toe aan een nieuwe. Ik was dan ook niet zozeer ontgoocheld maar eerder verwonderd om een dergelijk statistisch fenomeen: drie keer na elkaar één dag te laat!

Nederlaag geslikt: dan maar op zoek naar de pestvogels die gisteren nog gezien waren in Den Oever. Het parkeerplaatsje bij de voetbalvelden, de rijk beladen gelderse rozenstruikjes aldaar, de bomen in het straatje verderop, de tuintjes, appelvink, wat groenlingen maar nergens een pestvogel. Ik belandde op de waddendijk, bij het schor en op het piertje en ha: vogels, eindelijk vogels. Geen siberische boompiepers, geen pestvogels maar wel mooie groepen kanoeten en bonte strandlopers. Pijlstaarten, kluten, rosse grutto’s, zilverplevieren, twee zwarte roodstaarten en op het schor een komen en gaan van vinken. Op het piertje vond ik nog een groepje sneeuwgorzen, verderop sliepen drie lepelaars en intussen begon de regen. Telescoop ingepakt, het dorp weer in, nog even naar het parkeerplaatsje van (gisteren) de pestvogels en daarna, nam ik me voor, de bus. Het was niet mijn dag.

Maar dan neemt het verhaal een andere wending. Een auto houdt stil, een vogelaar draait zijn raampje omlaag: ‘ze worden weer gezien hoor, in het Robbenoordbos’.
Tsja, dan is er geen keus. Het wordt een latertje vanavond: terug naar het Robbenoordbos. Diverse mensen spreken me daar enthousiast aan: jawel, ze zitten er. Ze foerageren in de dichte oeverbegroeiing langs het kanaal, wordt me verteld. Wel erg lastig want meest goed verborgen, maar er zijn een boel mensen daar die ze je kunnen aanwijzen. Dus vol goede moed weer het bos in. Maar ter plaatse zie ik niemand. De vogels zijn uit beeld en de vogelaars blijken hun aandacht verlegd te hebben naar een mogelijke pallas boszanger die daar gezien zou zijn. Ik sta er alleen voor en dan is het bij zo’n gluiperig typje niet eenvoudig. Ik heb het al bijna opnieuw opgegeven als er versterking komt: nieuwe vogelaars. En nogmaals, en nu met vele, doorzoeken we de oevers van het kanaal, maar ook nu zonder resultaat. Dan wordt ineens de aandacht verlegd naar een stukje bos aan de andere kant van het pad. En daar, eindelijk, vinden we ze: twee siberische boompiepers kruipen onopvallend en geruisloos door de vegetatie op de bodem van het bos, als muizen. Telkens verdwijnen ze maar telkens komen ze ook weer tevoorschijn en af en toe zijn ze heerlijk vrij zichtbaar. Ik check alle kenmerken maar ook zonder dat is het glashelder: eindelijk mijn siberische boompiepers. Zo apart, zo anders. In verenkleed natuurlijk: de markante koptekening en de zwak getekende, groenig bruine bovenzijde zijn onmiskenbaar. Maar ook in gedrag: dat stiekeme, dat bijna onzichtbare zoals ze door de bosbodem sluipen. Hoeveel zullen er nog elders over de bosbodem sluipen, ongezien door vogelaars?

3 november 2012


Meer: Duiker