donderdag 25 april 2019

Met Birding Breaks naar Estland

Na het fantastische vogelreisje naar Extremadura vorig jaar had ik de smaak te pakken. Nog een keer! Nog een keer! Dit jaar naar Estland.
Laat ik met de deur in huis vallen: Estland is, voor zover ik dat na zes dagen kan beoordelen, geen Extremadura. Geen hemel verduisterende rotsgebergten, geen diep uitgesleten rivierdalen, geen angstwekkende afgronden en geen eindeloos verre zichten. De grootste hoogteverschillen die we meemaakten, werden veroorzaakt door het hoogveen dat enkele meters boven het omringende land uitrees. Estland is echter in oppervlakte net iets groter dan Nederland met nog niet één tiende van het aantal inwoners. Meer dan anderhalf miljoen zijn het er niet. En dat merk je. Estland is een leeg land. Er is ruimte. Niet alles is er perfect hoor, ook Estland kent zijn problemen, zijn afbraak van natuurwaarden, zijn koppige grondbezitters die hun landschap louter voor eigen gewin verruïneren. Houtkap, ontwatering, de vernietiging van oeroude natuur kan ook hier ontluisterend zijn, maar ze is er nog, die oeroude natuur, de eindeloze hoogvenen, de uitgestrekte boreale bossen, de vrij stromende beken en rivieren, in elk geval veel meer dan in Nederland. Er is nog plaats voor ongerepte gronden, voor kleinschalige landbouw, voor verwilderde houtkades en boomsingels, en voor oeroude bossen, oude loofbossen waar naar verluidt de witrugspechten huizen, en oude sparrenbossen met half vergane, overjarige sparren met afbladderende stammen waar naar verluidt de drieteenspechten thuis zijn. (Er zijn ook productiebossen hoor, maar ook die hebben iets ongerepts over zich.) Voor natuur dus, ook buiten de planologische kaders die ‘de boven ons gestelden’ daartoe hebben aangebracht. Het land is, mag ik dat cliché gebruiken? het land is ongepolijst. Er zijn akkers en er zijn velden net als bij ons, maar ze ogen niet zo aangeharkt, niet zo eeuwig groen als bij ons. Er zijn woeste gronden, er zijn verwilderde hoekjes en randjes, niet alleen in de daartoe bestemde natuurreservaten maar gewoon langs de weg, en er zijn kraanvogels, zowat op elke akker. Nou ja, dat is natuurlijk overdreven, maar om een idee te geven. Ik begreep van onze Estse gids dat het de boerenzwaluw is, maar eigenlijk zou natuurlijk de kraanvogel de nationale vogel van Estland moeten zijn.
Op een verloren uurtje liep ik ergens in midden Estland de akkers in. Ik kan daar altijd erg van genieten: even alleen met dat onbekende land. Op het eerste gezicht zag dat er heel gewoon uit. Het waren heel gewone akkers, half kaal, licht glooiend. Een hoge haag, een stukje bos, een half ingestorte hoeve, heel alledaags allemaal. Maar: gewoon? De kraaien waren bonte en joegen een raaf achterna. Tientallen geelgorzen in de akker en in de haag. En luid trompetterend vlogen twee kraanvogels over. Noem dat maar gewoon. Het was kil, winderig en grijs dat uurtje. Het was nog winter in Estland. De velden nog geel, bomen en struiken nog kaal, nog nauwelijks bloeiende bloemen en nog geen tjiftjaf te bekennen. De natuur liep zowat een maand achter bij Nederland. En het was koud, op de eerste anderhalve dag na, soms ijzig koud. Het was grijs en af en toe viel er sneeuw. De winterse landschapjes die dat tot gevolg had, zouden op een kerstkaart niet misstaan.

We waren naar Estland gelokt met hoenders, spechten en uilen. Auerhoen was ons beloofd, oeraluil en dwerguil, drieteen- en witrugspecht, en de stellers eiders niet te vergeten, die overwinteren aan de westkust en waarvan er normaliter in april nog wel wat zouden moeten zijn achtergebleven. Vier lifers zou dat moeten kunnen opleveren, een aantrekkelijk vooruitzicht. Estland is echter geen Extremadura. Je hebt er de goede soorten niet zo voor het opscheppen als destijds. Het ging niet altijd van een leien dakje. We moesten er moeite voor doen, soms was het hard zoeken en vrijwel elke soort kostte tijd. Maar dat levert wel de mooiste verhalen op, toch?
Niet zozeer de verhalen van de spechten overigens. De spechten werkten maar matig mee. Ja, grijskopspecht was prachtig. En ja, ik heb witrugspecht een paar keer horen roffelen en dat is leuk hoor, om te merken dat je dat geluid kunt onderscheiden van de spechten die je kent uit Nederland. Ook zag ik er een keer een over me heen vliegen maar al met al was het niet helemaal wat ik gehoopt had. En drieteenspecht? Alle tijd dat we aan de rand van oeroude sparrenbossen stonden te luisteren, dat je nauwelijks durfde adem halen om geen kekje, geen roffeltje ergens uit de diepte van het bos te missen. Geregeld werd het bos bevraagd, werd een geluidsopname het bos in geslingerd. Het bos antwoordde niet, de spechten zwegen. In elk geval die we zochten.

Een van de verhalen was dat van de stellers eider. Stellers eider is zo’n soort waarbij je maar zelden had stilgestaan maar die, op het moment dat-ie je wordt beloofd, ineens alles waard is. Want zo’n soort die je nooit gedacht had ooit te zullen zien en die dan ineens binnen handbereik is! Voor stellers eider moesten we naar Saaremaa, eiland voor de westkust van Estland. En dus vanaf het vliegveld in het noorden in één ruk naar het westen van het land. En vanaf Virtsu met de boot naar Muhu. Tijdens de overtocht hoopten we al op de eerste stellers eiders maar we moesten genoegen nemen met onder andere honderden ijseenden en tientallen toppers. Stellers eiders hielden we hopelijk nog tegoed. We doorkruisten Muhu, ongeveer zo groot als de provincie Utrecht, en staken over naar het nog veel grotere Saaremaa. Die oversteek, dat was nog wel even een dingetje: een smalle dam tussen aan beide zijden brede zeearmen. Open water met wilde zwanen, rietvelden met hoempende roerdomp, en zeearenden! Eerst zagen we er eentje over het riet vliegen, daarna zagen we er drie voor het riet zitten, aan de andere kant zagen we er eentje op de oever zitten en ineens zagen we er drie tegelijk in vlucht. Verder zagen we er onder andere nog eentje op een rotspunt in het water en eentje ver in een kale boom. Er zal wel wat dubbel tussen gezeten hebben, maar tien waren het er zeker.
Toen we aan de andere kant uiteindelijk de snelweg verlieten, betraden we een soort Arcadië. Stille weggetjes langs boomrijen, tunnels van takkenbossen, besloten veldjes tussen de bosranden en akkers met kraanvogels. Twee vlak langs de weg begonnen spontaan luid te trompetteren. Het galmde in de avondstilte en de rillingen liepen ons over de rug. Een fraaie bomenlaan en verderop ons verblijf voor één nacht: een statig landhuis omgeven louter door bosschages, boomrijen en velden. Loona Manor ligt ver, ver verwijderd van de hedendaagse moderniteit. Toen ik er ’s avonds na een lekker en gezellig gezamenlijk avondmaal nog even op het bordes stond, waren een indrukwekkende sterrenhemel en louter stilte mijn deel, volmaakte en oorverdovende stilte. Ja, je zou er eeuwig willen blijven maar dat kon niet. We moesten verder, op zoek naar de stellers eiders. De laatste waarneming was drie dagen geleden en we begonnen op de plek waar ze toen gezien zijn, langs het schiereiland Ninase. Vanaf een piertje bij een kleine werkhaven speurden we over zee. IJseenden, overal ijseenden, sommige prachtig dichtbij. Het gebied is een belangrijke overwinteringsplaats voor ijseend. We ontdekten ook middelste zaagbekken, kuifeenden, brilduikers maar geen spoor van stellers eider. Geen inkoppertje dus, helaas.
Een paar kilometer verderop een tweede poging. IJseenden, kuifeenden, een paar miza's maar ook, ver op zee, een spannend groepje eenden. Veel wit, maar met een rossige gloed dus geen ijseenden. Witte buiken dus ook geen gewone eiders. Geen kuifeenden ook, nee, eigenlijk klopte alles voor stellers eider en alleen voor stellers eider, maar ja …
De laatste plek, onze laatste kans. Als we vanaf een soort zeereep naar zee kijken, zien we meteen dicht voor de kust groepen eenden drijven. Als dat ze toch eens zouden zijn, dromen we. Telescopen worden gericht en een golf van euforie, van heerlijke gelukzaligheid stroomt ons door de aderen: stellers eiders! Een stuk of honderd, misschien wel meer, drijven vlak voor ons op zee. Fantastische eendjes met onder andere een soort moedervlek op de borst en een rare wrat op het achterhoofd: echt bezienswaardigheden die een reisje naar Estland wel waard zijn.
One down, three to go.










Maandag 8 april, we bevinden ons inmiddels oostelijker, in het binnenland van Estland, deze maandag wordt geheel gewijd aan het Soomaa Nationaal Park. Soomaa is het op een na grootste Nationaal Park van Estland en bestaat uit uitgestrekte hoogvenen, zeeën van geel doorspekt met een fijnmazig patroon van magere, stakerige boompjes; omzoomd door bossen, diepe, oeroude oerbossen en sprookjesachtige overstromingsbossen waar markeringen aan de bomen aangeven hoe hoog het water in sommige voorgaande jaren gestaan heeft (heel hoog), en doorstroomd door soms machtige, vrij meanderende rivieren met natuurlijke oevers. Soomaa is ook het decor van mijn verhaal van het auerhoen. De ochtend is nog stralend, de aangekondigde weersomslag nog slechts van horen zeggen, als we in alle vroegte het Nationaal Park doorkruisen. We stoppen eens hier, we stoppen eens daar en luisteren naar de geluiden van het bos. Die zijn talrijk op deze heldere maar koude ochtend. Kabaal van vink, roodborst, zanglijster, winterkoning, net als bij ons, maar ook van koperwieken, volop zingende koperwieken. En spechten. We horen grote bonte, maar herhaaldelijk horen we ook een langer aangehouden en tragere roffel die veel doffer klinkt: witrugspecht. Eén keer zie ik die over me heen vliegen: two down, two to go, al wil ik hem graag nog wat beter.
Grijskopspecht werkt beter mee: we horen van dichtbij zijn kenmerkende roep, een weemoedige, licht dalende en licht vertragende opeenvolging van fluittonen, en zien hem mooi in een kale boom. Boven een fraai drassig dal met riet en struweel waar doorheen een beek meandert die het water uit het hoogveen afvoert, baltsen watersnippen en later ook witgat. Maar het ging natuurlijk om auerhoen deze ochtend. Auerhoen is een van de iconen van Soomaa en een van mijn grootste wenssoorten van deze reis, en met name de hennen schijnen geregeld te foerageren op of langs zandweggetjes door het reservaat. Tot nu toe is het ons vanochtend echter nog niet gelukt. Misschien is het te druk, suggereert onze Estse gids: al drie keer het afgelopen uur passeerde ons een auto en die kan best elke foeragerende hen terug het bos in gejaagd hebben. Geen inkoppertje dus, helaas. Maar zijn woorden galmen nog na in mijn hoofd als: vrouw auerhoen langs de weg! Op slechts enkele meters afstand. Ik zit vandaag voorin in de voorste auto. Ik zit dus eerste rang maar gelukkig krijgt iedereen de vogel mooi te zien. En een mooie vogel is ze! Natuurlijk zijn ook bij deze soort de hanen de eigenlijke pronkjonkers maar de hennen, met hun subtiele kleurschakeringen van bruin, geelbruin, bijna oranje en grijsbruin, en hun subtiele schubtekening met fijne witte belijning, ik vind ze eigenlijk minstens zo mooi. Na te korte tijd passeert ons een ongeduldige automobilist en verdwijnt de vogel het bos in. Gelukkig krijgen we even verderop een tweede auerhen langduriger te zien.
Three down, one to go.











Weerbarstiger is het verhaal van de uilen. Al op Saaremaa waren we een vroege ochtend het bos in op zoek naar dwerguil. Op twee plaatsen waar een paartje moest huizen, hielden we stil en probeerde de gids ze met nabootsingen uit de tent te lokken. Vergeefs. Als troost een notenkraker hoog in de bosrand. In Soomaa proberen we het beide avonden. De eerste avond hebben we eerst in de avondschemer op diverse plaatsen dwerguil geprobeerd, en toen het helemaal donker was, oeraluil. De uilen zwegen echter als het graf. De tweede avond eigenlijk hetzelfde: ze gaven geen kik. Onze gids suggereerde dat het de voorbije periode te warm is geweest waardoor de uilen hun actieve periode zouden hebben afgesloten.
Daarna vertrokken we richting Roosta Holiday Village in het noordwesten van Estland. Onderweg werden weer enkele pogingen ondernomen om spechten tot enige activiteit te verleiden. Bijvoorbeeld in een fraai oud en vervallen landgoedbos rond een kasteelruïne. Goed voor witrugspecht, werd ons gezegd maar we moesten genoegen nemen met kleine, middelste en grote bonte specht en taigaboomkruiper. Aan de prachtige, vervallen kasteelruïne kleeft trouwens ook nog een verhaal: in de jaren 80 (van de vorige eeuw, moet je daar bij zeggen, alsof anders verwarring mogelijk zou zijn met de jaren 80 van deze eeuw) is hier een film opgenomen. Het kasteel was toen nog intact maar voor de film moest destijds een brandje georganiseerd worden en dat brandje liep danig uit de hand. Boze tongen beweren overigens dat dat stiekem geen ongelukje was geweest.
Later staan we bij weer zo’n oud loofbos te luisteren. Roffel en roepjes van witrugspecht kan ik inmiddels dromen maar de echte doet er ook hier het zwijgen toe. Naast nog enkele natte gebieden met kraanvogels en een kustvlakte met zeearenden en nog veel meer, bezochten we tenslotte nog een oeroud sparrenbos. Dode stammetjes vol met spechtengaten, levende stammen waar de schors vanaf bladerde: sporen van drieteenspecht, maar ook die gaf niet thuis.
Onze nieuwe verblijfplaats was een klassiek vakantiepark met vakantiehuisjes verspreid tussen de oude dennen en een centrale eet- en speelgelegenheid. Het had zo op de Veluwe kunnen zijn. In de avond, het was nogal koud en winderig, gingen we weer op zoek naar uilen. Een open plek tussen omringende bosranden. Baltsende houtsnippen. Voor de zoveelste keer bootst onze gids roepjes van dwerguil na. Voor de zoveelste keer zwijgt het bos. Het zwijgt in alle talen. We zijn inmiddels niet anders gewend, of het nou om spechten gaat of om uilen. Maar dan, eindelijk, antwoordt dwerguil. Een echte. Eerst nog ver weg, daarna steeds dichterbij, eerst uit de ene bosrand, daarna uit de andere. Tenslotte wordt-ie ook nog gezien, klein en schemerig bij de bosrand. Het is inmiddels zo goed als donker en tijd om over te schakelen op die andere uil. En ook die kan onze lokroep dit keer niet weerstaan. Een paar keer klinkt uit de diepte van het nachtelijk bos die roep die de vogelgids omschrijft als ‘een diep, enigszins koerend wo-ho … wo-ho-uh wo-ho’. Ik hoor het er niet in, maar toch was het onmiskenbaar de oeraluil. In al zijn bescheidenheid toch een magisch moment.
Four down, none to go.







Woensdag 10 april werd, ik verklap het maar alvast, een legendarische dag. ‘Moeite voor doen’? ‘Hard zoeken’? ‘Vrijwel elke soort kostte tijd’? Vandaag niet! Vandaag hadden we de goede soorten voor het opscheppen.
Het was een koude dag, een winterse dag. Toen we ’s ochtends in alle vroegte ons vakantiedorp verlieten, waren de velden en de bosranden fraai berijpt. Verderop was er zelfs heuse, verse sneeuw. De winterse landschapjes die dat tot gevolg had, zouden op een kerstkaart niet misstaan. Maar vooral een legendarische dag. We gingen op weg naar de baltsplaats van de korhoenders, in het hoogveen van Läänemaa. Onze eerste korhoen vonden we al op een bijna Hollands-groene weide. Verderop, op veel schralere gronden, telden we er al gauw meer dan de tien die ons in de voorbereidende stukken beloofd waren. De Holterberg in zijn beste dagen kon er niet aan tippen. Baltsend, springend en bolderend zaten de hoenders bijeen in het veld. Hennen konden we niet vinden trouwens, niet één. Schijnen zich er pas wat later, later op de dag maar ook later in de lente tegenaan te gaan bemoeien. De bonussen mochten er ook zijn deze ochtend: alom zingende veldleeuweriken, een jagende man blauwe kiekendief, een paar kraanvogels en een prachtig smelleken op een paal tussen de korhoenders.
Dieper in het veen vonden we nog veel meer korhoenders, en sommige behoorlijk dichtbij. We vonden hier ook klapekster, en ruigpootbuizerd. Een vogel in een boomgroep, daarna rond vliegend, jagend en biddend en tenslotte in een laag wilgje dicht langs het weggetje, en een tweede bij de boomgroep waar de eerste net vandaan was gekomen. En toen, we waren weer een stukje doorgereden: grote roofvogel vlak voor ons boven de bosrand. Witte staart, donkere eindband: ruigpootbuizerd, schoot het even door ons heen. Heel even maar, want veel groter. En die kalme vlucht, die lange vingers, die witte banen op de ondervleugels, die ver uitstekende kop en die forse, arendachtige snavel: dit was geen ruigpootbuizerd, dit was een steenarend. Uitgerekend de vogel die we vorig jaar in Extremadura (als enige) hadden misgelopen, kregen we zomaar in de schoot geworpen. En hoe! Enige tijd hing-ie zelfs laag recht boven ons. Een paar keer verdween-ie achter de bosrand om daarna weer terug te keren. Uiteindelijk verdween-ie voorgoed en liet ons in verbijstering achter.
Dit zijn de momenten die je nooit vergeet, nooit wilt vergeten. Dit in tegenstelling tot de momenten later vanochtend toen we weer eens vergeefs stonden te luisteren aan de rand van oude sparrenbossen. Fraaie oude besneeuwde sparrenbossen. Roepjes van taigaboomkruiper, witgatje in baltsvlucht boven ons, kuifmees maar geen specht te bekennen.

Het middagprogramma was ook leuk: naar een door riet omzoomd meer in de omgeving, met hoempende roerdomp, vier fraaie roodhalsfuten, zeearend en foeragerende reuzenstern. In de context van deze dag was het bijna gewoontjes. ’s Avonds gingen we nog één keer op zoek naar uilen. Maar op weg naar de uilen werden we ernstig opgehouden: twee elanden stonden voor ons langs het weggetje. Helemaal vrij zichtbaar, minuten lang. En elanden mogen dan dezer dagen hun gewei kwijt zijn, mythische beesten blijven het. Het duurde wel een kwartier voor ze het bos in trokken en we verder konden. Het schemerbos in. Baltsende houtsnip. Een late merel, keffend. Stilte. Dan een ingehouden kreet van Pip, onze Estse gids. Hij wijst: op een tak die half boven het pad hangt, zit een …, een …, een propje is het, niets, een minuscuul bolletje veren. Maar wel een bolletje veren in de vorm van een uiltje, een minuscuul uiltje en dat maakt de avond, deze dag definitief een legendarische, want: dwerguil! Op amper vijf meter. Roerloos kijken we toe. We durven nauwelijks adem te halen, bang hem aan het schrikken te maken. Heel voorzichtig worden kijkers opgericht en voor ogen geplaatst en dan zien we … dwerguil bijna kijkervullend in beeld. Geluidloos staan we te juichen daar op dat schemerige bospad. Dan vliegt-ie toch op, maar een paar meter verder zien we hem alweer terug. We zien nu zelfs een tweede! Enige tijd hebben we zicht op twee dwerguilen maar dan verdwijnt de tweede uit beeld en moeten we het weer met alleen de eerste doen. Die lijkt zich in het geheel niet bewust van onze aanwezigheid en zo hij dat wel is, dan stoort hij zich daar in het geheel niet aan. Intussen staan ook enkele telescopen gericht en door die telescopen zijn we er tot in detail getuige van hoe hij een muis sloopt, opeet en af en toe wat restjes laat vallen.
Het is een briljante afsluiting van deze reis. Ja, afsluiting. Dat we even later in de verte nog wat piepjes horen die worden toegeschreven aan vrouw oeraluil, dat doet er niet meer toe. Dat we de volgende ochtend vroeg op Pöösaspea staan, landtong die als een dolk in de Oostzee steekt, of is het hier al de Finse golf? het is van geen belang. Brilduikers, ijseenden, twee roodkeelduikers naar oost: voetnoten. Zelfs een passerende visarend boven de grassteppe een stukje het binnenland in, is bijzaak. We zien nog een van de vele Sovjet-restanten die Estland rijk is, getuigen van een verleden dat men hier misschien liefst vergeten zou: een oude bunker met een versleten communistische ster boven de poort. En onderweg naar het vliegveld houden we nog één keer een korte stop bij een oud sparrenbos waar we nog één keer vergeefs op drieteenspecht wachten. Zodat het verhaal van de spechten toch nog het laatste woord heeft.

11 april 2019


Meer buitenlandse zaken: Schotland

zaterdag 30 maart 2019

Urban birding

Stadstwitch naar een notenkraker, akkoord. Stadstwitch naar een oosterse tortel, natuurlijk. Stadstwitch naar een zwartkeellijster of naar een azuurmees of wat daarvoor moet doorgaan, allemaal goed. Maar een stadstwitch naar een papegaaiduiker, vogel van oceanen en rotskusten? Wat heeft zo’n beest te zoeken in een waterpartij in een Vinexwijk zowat 60 kilometer van zee? Kan niet goed zijn.
We waren met zijn tweeën naar de Reeuwijksche plassen om te genieten van het prachtige lenteweer en van het mooie gebied en wat mezelf betreft, ik was op zoek naar de ringsnaveleend, zeldzame dwaalgast uit Noord-Amerika die hier al enkele dagen rondhangt. Vandaag echter niet meer; daar had het althans erg de schijn van want niemand kon hem vinden. Mijn tweede dip van deze soort dit jaar. Nou ja, geen halszaak en ik had wel mijn eerste fitissen, diverse zingende cetti’s zangers, een mooie man zomertaling en dichtbij zes fraaie krooneenden. Maar toen nam de dag een andere, geheel onverwachte wending, in de vorm van een van de meest onwaarschijnlijke DB alerts ooit: papegaaiduiker in een buitenwijk van Dordrecht. Een invoerfoutje, denk je dan. Of een slecht getimede 1 aprilgrap. Maar nee: er was een foto en die was duidelijk genoeg. Er zwom daar in Dordrecht echt een papegaaiduiker in de sloot.
En dus stond ik twee uur later in Dordrecht Sterrenburg aan een waterpartij tussen de huizen en de plantsoenen weer eens te socialiseren met mijn mede-vogelaars onder het genot van een tweede kalenderjaar papegaaiduiker die af en toe tot op amper twee meter naderde. Die af en toe ruzie maakte met een meerkoet maar die meest apathisch ronddreef, vaak met de ogen gesloten. Veel leven zat er niet meer in, leek het, al ging-ie een enkele keer stoer staan flapperen met de vleugels, alsof-ie ons wilde laten weten: ‘jongens, ik leef nog hoor, jullie hoeven me nog niet op te vangen’.
Tsja, hoe bizar, hoe absurdistisch wil je het hebben? Zoveel moeite als je daarvoor moet doen op een winderige dag aan zee, en hier zwom-ie voor je neus op een roerloos watertje tussen de huizen. Tussen de meerkoeten en een paar zwanen. In Nederland zul je niet zo gauw nog eens de kans krijgen vanaf luttele meters afstand een papegaaiduiker te zien zwemmen tussen meerkoeten en knobbelzwanen. Nee, het ging niet zo goed met hem, maar voor ons een moment dat we ons zullen heugen, dat in ieder geval.

29 maart 2019


Edit: ‘jongens, ik leef nog hoor, jullie hoeven me nog niet op te vangen’, het was aan dovemansoren gericht. De vogel is de volgende ochtend vroeg halfdood opgeraapt en naar de opvang gebracht. Waardoor tientallen vogelaars te laat waren: geen kans meer op een papegaaiduiker op hun lijst. Wat te denken? Moet het belang van die vogelaars dan zwaarder wegen dan dat van de vogel? Nee, natuurlijk niet, roepen we in koor. En wie wil er nou een halfdode papegaaiduiker op zijn lijst? (Tsja, ik heb ‘m natuurlijk wel en ben daar eerlijk gezegd redelijk gelukkig mee. Maar misschien was-ie gisteren nog niet zo halfdood?) Maar aan de andere kant: moeten we ons nou druk maken om elke vogel, elk beestje in nood? Elke zieltogende meerkoet, elk koolmezenkuiken in zijn door koolmees verlaten nestkast, elke door reiger of ooievaar afgeranselde waterrat? Dan zijn we nog wel even bezig. ’t Is de natuur hè, die is niet zo diervriendelijk.


Meer urban birding: Maasvlakte deel tig





vrijdag 29 maart 2019

Zwartkop

Hij werd al aangekondigd vanmorgen in onze appgroep: diverse zingende zwartkoppen her en der in en rond Utrecht. Blijkbaar zijn ze juist afgelopen nacht op grote schaal binnen gekomen. En inderdaad: amper vijf minuten in het Gagelbos en daar had ik ‘m. Zwartkop zingend vanuit een oude wilg, ik kreeg hem zelfs nog even mooi in de kijker. Het wachten is inmiddels op de eerste fitis. Kan ook niet lang meer duren. Want het voorjaar gaat voort. Als een oerkracht, dat valt niet te stoppen. Zoals elk jaar weer. Sleedoorns kleuren langs de akkers de struweelranden wit, tjiffen zingen inmiddels vanuit elk bosje, speenkruid bloeit, paarse dovenetel en klein hoefblad idem. Enzovoort. De eerste boerenzwaluwen zijn ook alweer gemeld. Kan de mens bezig zijn zijn omgeving om zeep te helpen, gif te spuiten, afval te dumpen, overal natuurwaarden af te breken, een onomkeerbare klimaatverandering op gang te brengen waar hij uiteindelijk ook zelf aan ten onder zou kunnen gaan, stel hè, stel, ik weet dat ook niet zeker maar het zou zomaar kunnen, maar de aarde overleeft dat wel. Er zal altijd iets zijn, er zal altijd natuur zijn en als er ooit geen mensen meer zijn, is er ook niemand meer die onderscheid maakt tussen brandnetels en orchideeën, tussen paapjes en nijlganzen, tussen wat er was en wat er zal zijn. Zonder mensen maakt dat allemaal niks uit. Nee, over de aarde en de natuur hoeven we ons geen zorgen te maken. Over de mens misschien wel.

28 maart 2019


Niet bij vogels alleen: […]

dinsdag 26 maart 2019

Winterswijk

Het is inmiddels een populaire bestemming onder vogelaars. Onze excursie met vogelwacht Utrecht bracht niet minder dan zestien mensen op de been, en onderweg kwamen we diverse keren de groep van Birding Holland tegen: dat waren er misschien nog wel meer. De omgeving van Winterswijk heeft dan ook heel wat bezienswaardigheden in de aanbieding, een aantal leuke soorten en heel wat mooie plekjes ook. Hier en daar oogt het er nog alsof Nederland eeuwen lang heeft stilgestaan: weelderig beek begeleidend bos rond duistere poelen, de snelstromende beek die door het bos kronkelt, elders een oude groeve met steile rotswanden, en prachtige hoogveenreservaten met natte poelen, uitgestrekte geelkleurende vlaktes en struwelen in jong lentegroen. En dat op een prachtige lentedag. Onderweg nog af en toe mist maar eenmaal ter plaatse scheen de zon. Aanvankelijk was het nog koud maar in de middag kon het uit de wind en in de zon zelfs warm aanvoelen en vlogen al de eerste vlinders.

Om te beginnen het weelderig beek begeleidend bos rond duistere poelen en de snelstromende beek die door het bos kronkelt. Bekendelle heeft inmiddels naam en faam in natuurminnend Nederland. De combinatie van zeiknatte bosbodem, krioelend kreupelhout en grillig loofgeboomte dat uit die warboel omhoog rijst, staat garant voor een oorverdovend lentekoor. Toch gebeurt het mij telkens weer dat ik me na een tijdje ga afvragen waar al die fijne soorten toch gebleven zijn. Ja, grote lijster. Ja, boomklevers, en boomkruipers ook. Ja, grote bonte spechten. Maar dat is allemaal tamelijk alledaags. Hoef je niet voor naar Bekendelle. Niets van de pareltjes, vooralsnog, waar dit paradijsje om bekend staat. Maar dan: de eerste vuurgoudhaan. En dan: kleine bonte specht. Eerst roffelend, dan leuk vrij zichtbaar op een kale tak hoog in de boomkruin. En dan: roep van middelste bonte specht, dat net wat gruiziger gekekker in dat wat lijzige maar aanhoudende ritme, ja, beter weet ik het ook niet onder woorden te brengen. En dan: mibo prachtig boven ons. En met mibo was de hoofdprijs binnen: wel niet meer zo zeldzaam als nog niet zo heel lang geleden, maar nog steeds een erg fijn spechtje.

Ach, ik ben gewoon een ongeduldig type, denk ik.
Middelste bonte specht zagen we daarna nog diverse keren fraai foerageren op kale takken en stammen. Geregeld klonk ook zijn geroep vanuit het omringende bos, hoewel geen enkele keer zijn mauwende baltsroep. Vuurgoudhaan hoorden we bijna steeds zingen en kregen we als we er even ons best voor deden meestal ook mooi te zien. Zwarte specht vertoonde zich prachtig in zijn nesthol, waar-ie af en toe zijn kop uit naar buiten stak. Grote gele kwikstaart, glanskop, bosgeelster (nee, geen vogel), alleen kortsnavelboomkruiper wilde nog niet zo lukken. Maakt ook een serieus lastig geluidje, en van geluidjes moet je het vaak hebben in het bos. Een paar keer lukte het om dat subtiele trillertje te horen dat aan die hoge toontjes zit vastgeplakt. Een paar keer hoorde ik ook de hoge, ijle roepjes die bij kortsnavel horen. Maar pas helemaal op het eind, bijna terug bij de auto, slaagden we volledig. Een opvallend lichte boomkruiper foerageerde op nabije bomen en overhangende takken. Vrijwel spierwit van onder, tot onder de staart aan toe, en een vrij prominente wenkbrauwstreep: kon bijna niet missen maar het was wel fijn dat foto’s al ter plaatse onomstotelijk het juiste ‘trapjeskenmerk’ toonden, met opvallend hoekje eruit geknipt en met het kenmerkende haakje aan het eind.

Met een gerust hart verlieten we Bekendelle om enkele andere bezienswaardigheden van Winterswijk en omstreken met een bezoek te vereren. Zoals de steengroeve, waar de plaatselijke oehoe heel wat minder tijd kostte. Kon ook niet anders: mevrouw zat gewoon op haar nest. Het was nog wel even zoeken naar de juiste rotsrichel maar eenmaal gevonden konden de telescopen gericht worden door de gaten in wat geheel ten onrechte een kijkwand genoemd wordt, en kon men omstebeurt een blik werpen op madam die uitgestrekt over haar richel van de zon lag te genieten. Nou ja, daar leek het op. Hoe dan ook een prachtig beeld.

De middag besteedden we aan het veen. Aan de natte poelen, de uitgestrekte geelkleurende vlaktes en de struwelen in jong lentegroen. Eerst het Meddosche veen aan de westkant van Winterswijk, waar een mooie wandelroute voerde langs rietvelden, poelen en bosranden. Een stel heikikkers die zich leuk lieten zien en ook leuk lieten horen, een kraanvogel laag over de bosrand, een paar mooie goudvinkenmannen, een klapekster in een kaal boompje en op het eind een kleine bonte specht, eerst roffelend vanuit kale bomen aan de ene kant, daarna over ons heen vliegend en vervolgens roepend vanuit een kale boom aan de andere kant.
Tenslotte nog naar het Wooldse veen, aan de andere kant van Winterswijk tegen de Duitse grens aan. Een plankierpad dat geen tegenliggers duldde, het was hier min of meer eenrichtingsverkeer, voerde ons over een door de boven ons gestelden vastgelegde wandelroute door de ongerepte veenvlakte. Roodborsttapuiten, twee raven over en terug bij de auto nog even de mauwende baltsroep van middelste bonte specht.
Aldus een mooie doorsnede van de bezienswaardigheden van Winterswijk en omstreken.

24 maart 2019





maandag 18 maart 2019

Mees

De discussie is nog lang niet verstomd. Is het een vogel van de oostelijke ondersoort tianschanicus, uit Kazachstan, Kirgizië en noordwest China helemaal, standvogel van de bergen daar die doorgaans niet verder trekt dan naar de aangrenzende dalen? Wilde herkomst is dan vrijwel uitgesloten. Of is het een pleskesmees, een hybride van azuur met pimpelmees uit oost Europa? Die schijnen wel af en toe met de pimpelmezen mee deze kant uit te komen. Daarvan zijn diverse gevallen in West Europa bekend dus dan kun je naar andere factoren kijken. Ongeringd? Check! Gaaf verenkleed? Check! Gedrag en gezelschap waarin de vogel verkeert? Ziet er allemaal niet slecht uit voor een wilde vogel. Maar een wilde pleskes is een hybride, dus een nieuwe soort, een plus één voor welke lijst dan ook gaat het waarschijnlijk niet worden. Als het je alleen om je lijst te doen is, kun je thuis blijven. Dan hoef je niet in weer zo’n typerende vogelrijke buitenwijk, van Bergen dit keer, je af te vragen of je nou staat te kijken naar een ontsnapte kooivogel of naar een miezerige mengvogel. Toch sta ik daar, in die buitenwijk van Bergen, want een prachtige vogel is het sowieso, azuurmees immers, die is oogverblindend. En een interessante vogel, met zijn subtiele tintje geel aan de keel dat natuurlijk heel goed van een voorouderlijke pimpelmees afkomstig zou kunnen zijn (enkele generaties terug waarschijnlijk want de vogel ziet er veel meer uit als azuur dan als pimpelmees) maar ook perfect past op tianschanicus. Het is een hoofdbreker, maar hij is toch, ondanks de twijfelachtige perspectieven, het reisje naar Bergen ruimschoots waard. En dus, ondanks de al even twijfelachtige weersvooruitzichten (in elk geval veel wind, en kans op flink wat regen) vanmorgen de trein naar Alkmaar genomen en van daar met de vouwfiets naar Bergen. Daar, tussen de bloementuinen, de tegeltuintjes, de sierheesters, de bengelende vetbollen, kinderspeeltuintje, de boomsingel en de brandgangetjes achter de huizen door, daar moest het gebeuren. Maar het was toch weer wachten. Wachten en zoeken. Net een gewone twitch. Escape of hybride, het maakt niets uit, nu je er eenmaal bent wil je dat beest zien ook en daarvoor is weer eens een flinke dosis geduld vereist. Zoeken en wachten. En voor je het weet een paar uur wachten. En zoals zo vaak gaan dan de gedachten uit naar de dreigende dip en probeer je je alvast bij die dip neer te leggen. Als een paar vogelaars weten te melden dat ze hem zojuist anderhalve straat verderop gezien hebben, flakkert de hoop weer op. Maar als even later blijkt dat ze hem net zowat achter je rug gezien hebben, zakt die weer tot onder het vriespunt: de kans van de dag gemist. Gaat dit ooit nog goed komen? Maar dan is daar toch dat bevrijdende moment: hoog in de kale takken aan de overkant van het water is een paar tellen lang dat zo opvallende blauw met witte meesje te zien dat je al op al die schitterende foto’s gezien had en dat in je gedachten gegrift stond. Het was maar even, het was niet al te dichtbij maar hij was herkenbaar en je bent bereid er genoegen mee te nemen. Hoeft niet: later krijgen we de vogel allemaal schitterend, dichtbij en helemaal vrij te zien. Alle details, het vale toefje geel, het grijzige kopje, de brede witte tertialranden, de subtiele grijsblauw tot helderblauwe tekening op het verder overwegende wit tot grijswitte lijfje: alles wat dit tot een azuurmees maakt, tot een betoverend mooie azuurmees, of bijna een azuurmees, dat is nog even de vraag, alles waar die discussie uiteindelijk om draait, allemaal tekent het zich voor onze ogen af. Zelfs hoorden we hem even zingen, wat net even anders klonk dan een doorsnee pimpelmees. En intussen geen druppel. Een geweldige dag was het. En daar gaat het toch om? Ach, dat plusje op de lijst, wie maalt daarom?

16 maart 2019


Meer urban birding: Urban birding

vrijdag 1 maart 2019

Even wat anders

De krokussen bloeien, de merels zingen en ’s middags zijn langs de gracht de terrassen overvol. Het voorjaar heeft zich als een wervelwind over het land uitgestort en we genieten daar met volle teugen van. Ik ook hoor, als mensen mij vragen hoe het met me gaat, antwoord ik natuurlijk ‘goed’, zoals dat hoort. En nou ga ik heus niet beweren dat het niet goed met me gaat, wees gerust. Ik geniet er nog altijd erg van, van dat leven van me. Van het voorjaar dat zich als een wervelwind over het land heeft uitgestort. Alleen, ik merk dat ik er steeds meer toe neig er vooral nu van te genieten, want ik weet af en toe niet wat er in de toekomst nog te genieten valt. Want ik maak me wel wat zorgen. Zorgen of ik de deur wel op slot heb gedaan en het fornuis uit, toen ik vanmorgen de deur uitging. Zorgen of ik mijn telescoop niet heb laten staan toen we zojuist wegreden, en of de vogel waar ik naar op weg ben, er nog wel zit. Zorgen over het werk, of ik over een jaar nog wel voldoende geld te besteden heb om ook dan van het voorjaar te genieten dat zich als een wervelwind over het land heeft uitgestort. Al is dat in het verleden zelden anders geweest. Zorgen over onze dames, of het wel goed met ze komt, zorgen over de conjunctuur en over de stemming in het land. En zorgen over het voorjaar zelf, dat veel te vroeg gekomen is. Over de warmte, alweer de warmte, dat is niet normaal. En over de mensen die met volle overtuiging roepen dat het wel normaal is, dat er niets aan de hand is, gaat u maar rustig slapen (en ‘stem op mij’ natuurlijk, vooral dat, ‘stem op mij’), alsof ze daar voor hebben doorgeleerd. Ik ook niet hoor, maar waarom zou ik hen dan geloven, in plaats van iemand die er wel voor heeft doorgeleerd?
Zorgen over de arrogantie van mensen die nergens vanaf weten maar net doen alsof ze overal vanaf weten en worden geloofd door mensen die liever geloven dat alles goedkomt dan dat het misschien, heel misschien weleens faliekant mis zou kunnen gaan als we niets doen want het komt een beetje slecht uit om dat te geloven. Je kiest gewoon de mening die jou het best bevalt, dat wil zeggen: die het prettigst voor je is, en geloven dat alles goed komt is natuurlijk veel prettiger. Zorgen ook omdat uiteindelijk, als het erop aankomt, toch nu even iets anders belangrijker is, dat veel geld verdienen belangrijker is en dat het daarom nu even niet zo goed uitkomt om te geloven dat het misschien weleens faliekant mis zou kunnen gaan als we niets doen. Strakjes, strakjes misschien maar nu nog even niet want nu moet Schiphol nog even groeien want dat moet nou eenmaal en nu moeten er nog even wat wegen aangelegd want we moeten natuurlijk wel kunnen doorrijden allemaal en nu moeten nog even de schorstenen roken want anders staan we straks allemaal op straat enzovoort.
En zo maak ik me af en toe alsmaar zorgen en word ik daar af en toe steeds somberder van. Iets minder zorgen zou me wellicht goed doen. Ik moet maar weer naar buiten, waar het heerlijk voorjaar zich als een wervelwind over het land heeft uitgestort. Waar vanmorgen alweer de eerste tjiftjaf zong. Buiten ben ik zorgeloos. Nog steeds. Nou ja, afgezien van die tjiftjaf dan, want die is wel erg vroeg dit jaar. Ook al.

28 februari (!) 2019


Niet bij vogels alleen: Zwartkop

maandag 25 februari 2019

Gaan of blijven?

Ik vond het eindelijk tijd om ook eens naar de zwartkeellijster te gaan. Die zit al een paar weken in een buitenwijk in Coevorden maar had me tot nu toe nog niet weten te inspireren. Vorig jaar immers nog eentje in Scheemda en een dergelijke zeldzaamheid hoef ik niet ieder jaar. Maar goed, de foto’s waren fraai dus nu dan toch maar. Voor de zekerheid de vroegst mogelijke trein genomen, om 10 uur in Coevorden, want het kan een lastige vogel zijn en de afgelopen dagen is-ie vooral ‘s morgens gezien. Achteraf mocht ik me gelukkig prijzen met die beslissing. Ik was amper vijf minuten ter plaatse en daar was-ie al. Een tijdje mooi kunnen bekijken, terwijl hij foerageerde in het gras in de inmiddels bekende tuin, maar toen ik mijn telescoop had opgesteld om ‘m eens extra diep in de ogen te kijken, was-ie zoek. Zou zo wel weer tevoorschijn komen, stelden we enkele nieuwkomers gerust. Maar merels, mussen, koolmees, roeken in de buurt, maar alsmaar geen zwartkeellijster.
Je voelt op zo’n moment bijna hoe de dilemma’s zich manifesteren in de hoofden om je heen. Gaan of blijven? Maar hoe lang dan nog? Hoe langer je er al staat, hoe langer dat voor niks zou zijn geweest als je nu weggaat. En hoe langer je nog blijft, hoe langer dat voor niks zal zijn geweest op het moment dat je weggaat voor-ie weer is opgedoken. Het is een bijna wiskundige afweging, met mathematisch vast te stellen kosten- en batenverwachtingen. Daar kun je vast een mooie formule op loslaten. Nu wegwezen lijkt rationeel de beste optie, zegt mijn gevoel, maar waarschijnlijk zit-ie er dan binnen het kwartier weer. Al is daar natuurlijk geen enkel bewijs voor. De kloof tussen rationaliteit en gevoel groeit met de minuut.
Zelf verkeerde ik natuurlijk in een luxepositie. Ik had hem al. Maar ik wilde hem graag nog een keer, beter, door de telescoop. Zodat ik ook niet helemaal ontkwam aan dat dilemma. Heb je een keer mazzel, sta je toch nog uren te wachten. Om 12 uur ben ik toch maar iets anders gaan doen. De velden in aan de andere kant van Coevorden. Steenwijkermoer, Nieuwe Krim, Dalerpeel. Uitgestrekte akkers met verre bosranden, een enorme vlucht toendrarietganzen laag over me heen, in het veld een groepje wilde en kleine zwanen, en overal roeken. Ook een paar fraaie snippers hoogveen midden in de kale akkers, met berkenopslag rond vergeelde veenvegetaties. Zal een klus zijn om dat in stand te houden, tussen die kale, ongetwijfeld rijkelijk bemeste akkers. Maar wat een stilte nog hier! Het was genoeg om tegen mezelf te kunnen zeggen dat ik niet alleen voor die zwartkeellijster helemaal naar Coevorden was afgereisd. Al zou daar op zich wat mij betreft niks op tegen zijn geweest.
Waarna ik thuis vaststelde dat de vogel na mijn waarneming de hele dag niet meer is gezien. Degenen die meteen waren vertrokken, hadden dus het gelijk aan hun zijde gehad. Maar ja, dat wisten ze toen nog niet.

24 februari 2019


Meer urban birding: Mees