dinsdag 21 juli 2020
Flamingo’s
De meeste mensen zijn zich daar niet van bewust, wat wel blijkt uit de ruime belangstelling die de vogels ten deel valt die momenteel in polder IJdoorn verblijven, maar flamingo’s hebben we ieder jaar in Nederland. In groepen veel groter dan de zeven die nu zo de aandacht trekken. Niks om je druk over te maken. Maar bij deze zeven zijn er twee dingen anders: twee van de vogels dragen een ring. En niet zomaar een ring, normaal gesproken geldt een ring voor een vogelaar niet als aanbeveling en zeker niet bij een flamingo, maar deze twee blijken geringd in Zuid Spanje! Dat betekent de eerste met zekerheid wilde flamingo’s ooit in Nederland, helemaal vanuit Zuid Spanje hierheen afgedwaald. En dat betekent niet alleen belangstelling van dagjesmensen die iets uit het plaatselijke huis-aan-huisblad hadden opgevangen en zich weleens wilden verlustigen aan deze tropische verrassingen, maar ook van diehard vogelaars die normaal gesproken hun neus ophalen voor die rare zuurstokken. Want aan flamingo’s kleeft voor ons altijd een geur van namaak, van edelkitsch. Maar aan deze niet, deze zijn echt, wild, en dan is een flamingo ineens een heel andere vogel.
Dus vandaag met trein en vouwfiets naar Durgerdam en naar polder IJdoorn, en daar een uurtje naar zeven flamingo’s staan kijken.
Kijken naar zeven flamingo’s die met zekerheid uit Spanje afkomstig zijn, dat is een geheel nieuwe ervaring. In zekere zin is het een lifer, al mijn eerdere flamingo’s kunnen in de prullenbak, al zaten daar best spannende gevallen bij. Dezelfde flamingo’s als al zo vaak eerder, net zo roze, net zulke rare slungels met hun lange en buigzame nekken en kromme snavels maar nu geen dierentuindieren, geen ordinaire tuincentrumornamenten maar echte, wilde. Geen slungels maar elegante, langbenige gestalten. Geen zuurstokken maar verschijningen in zachtroze tinten. Noem ons snobs maar nu zijn het vreemde maar fascinerende wezens in plaats van mislukte siervogels en daarvoor reizen wij graag af naar IJdoorn. En als je dan daarna nog lekker door het Amsterdamse achterland kunt dwalen, door de polders van Waterland, langs meren en vaarten en rietlanden met kiekendief, zilverreiger en veldleeuwerik, dan heb je gewoon een fijn dagje.
Raamsdonksveer
Familieaangelegenheden waar ik overigens zelf niet direct bij betrokken was, brachten ons vandaag in Raamsdonksveer en in Geertruidenberg. Het was zo’n lekker dagje zomaar ergens waar in principe niets te beleven was maar waar dan meestal stiekem toch iets te beleven blijkt te zijn.
Raamsdonksveer bijvoorbeeld is als je er verder niets mee hebt niet bijzonder. We bekeken er enkele voorouderlijke woonhuizen die ook voor mij niet heel veel betekenis hadden, maar we vonden (nou ja, vonden, het werd ons aangewezen) er ook het oorlogsmonument van Anton Brejaart, destijds collega van de opa van Harriët op het gemeentehuis. Deze Anton Brejaart werd in de Tweede Wereldoorlog op kantoor voor de ogen van zijn collega's door een Duitse officier doodgeschoten. ‘Op 22 augustus 1944 laat waarnemend burgemeester De Jong de Duitsers schriftelijk weten geen arbeidskrachten aan te zullen wijzen voor de aanleg van verdedigingswerken bij Keizersveer. Een dag later komt de woedende Feldwebel (sergeantmajoor) Jozef Geesink verhaal halen op het gemeentehuis. In de hal treft hij Anton, die juist de kamer van de secretarie uitloopt met papieren voor een huwelijksaangifte. Met veel lawaai eist de Duitser van hem te vernemen waar hij de burgemeester kan vinden. Anton loopt de Duitser zonder te reageren voorbij; hij hoort hem niet door zijn slechthorendheid, of probeert hem te negeren. Zonder verdere discussie pakt Jozef Anton bij de arm, draait hem om en schiet hem door het voorhoofd.’ (Brabantsegesneuvelden.nl, Anton Brejaart, Breda,1889.) Het monument was niet erg bezienswaardig, maar het verhaal is wel een verhaal, al zijn er uit die tijd ongetwijfeld vele soortgelijke verhalen te vertellen. Een stukje oorlogsgeschiedenis, en ook een soort van stukje familiegeschiedenis, al was de familie natuurlijk maar zijdelings betrokken. Was dat anders geweest, dan had mijn wereld er heel anders uitgezien.
Even verderop was de grote kerk van Raamsdonksveer, die ook al een stukje oorlogsgeschiedenis vertegenwoordigt. De huidige kerk is een typisch geval van naoorlogse architectuur, niet onaardig maar zonder de grandeur die we bijvoorbeeld later vandaag aan de andere kant van de Donge aantroffen. De oorspronkelijke kerk is door de Duitsers aan het eind van de oorlog plat gebombardeerd. Na dat bombardement stond tussen het puin alleen het Mariabeeld uit de toren nog fier overeind. De foto daarvan verscheen in alle regionale kranten. Het zal voor velen destijds een krachtig godsbewijs zijn geweest. Zelf geloof ik niet zo in godsbewijzen.
Aan de andere kant van de Donge ziet de wereld er heel anders uit. Geertruidenberg is een prachtig, historisch vestingstadje. Vooral de langgerekte vismarkt is een juweel. Aan het ene uiteinde staat de imposante, eeuwenoude Geertruidskerk. Aan het andere uiteinde is de markt open en doemt daarachter de op een bepaalde manier evenzeer imposante koeltoren van de Amercentrale op. Zo’n tegenstelling, twee tijdperken, twee culturen, het onverenigbare als het ware verenigd, ik kan dat altijd wel waarderen.
Tenslotte langs de Amercentrale en langs een wirwar van elektriciteitsmasten en -leidingen naar de oever van de Amer gelopen, alwaar we ook nog even een stukje natuurbeleving ondergingen. Stenige kades, plantenwildernissen, de rivier die langs stroomt en aan de overkant de Biesbosch.
18 juli 2020
Niet bij vogels alleen: Aantallen
Raamsdonksveer bijvoorbeeld is als je er verder niets mee hebt niet bijzonder. We bekeken er enkele voorouderlijke woonhuizen die ook voor mij niet heel veel betekenis hadden, maar we vonden (nou ja, vonden, het werd ons aangewezen) er ook het oorlogsmonument van Anton Brejaart, destijds collega van de opa van Harriët op het gemeentehuis. Deze Anton Brejaart werd in de Tweede Wereldoorlog op kantoor voor de ogen van zijn collega's door een Duitse officier doodgeschoten. ‘Op 22 augustus 1944 laat waarnemend burgemeester De Jong de Duitsers schriftelijk weten geen arbeidskrachten aan te zullen wijzen voor de aanleg van verdedigingswerken bij Keizersveer. Een dag later komt de woedende Feldwebel (sergeantmajoor) Jozef Geesink verhaal halen op het gemeentehuis. In de hal treft hij Anton, die juist de kamer van de secretarie uitloopt met papieren voor een huwelijksaangifte. Met veel lawaai eist de Duitser van hem te vernemen waar hij de burgemeester kan vinden. Anton loopt de Duitser zonder te reageren voorbij; hij hoort hem niet door zijn slechthorendheid, of probeert hem te negeren. Zonder verdere discussie pakt Jozef Anton bij de arm, draait hem om en schiet hem door het voorhoofd.’ (Brabantsegesneuvelden.nl, Anton Brejaart, Breda,1889.) Het monument was niet erg bezienswaardig, maar het verhaal is wel een verhaal, al zijn er uit die tijd ongetwijfeld vele soortgelijke verhalen te vertellen. Een stukje oorlogsgeschiedenis, en ook een soort van stukje familiegeschiedenis, al was de familie natuurlijk maar zijdelings betrokken. Was dat anders geweest, dan had mijn wereld er heel anders uitgezien.
Even verderop was de grote kerk van Raamsdonksveer, die ook al een stukje oorlogsgeschiedenis vertegenwoordigt. De huidige kerk is een typisch geval van naoorlogse architectuur, niet onaardig maar zonder de grandeur die we bijvoorbeeld later vandaag aan de andere kant van de Donge aantroffen. De oorspronkelijke kerk is door de Duitsers aan het eind van de oorlog plat gebombardeerd. Na dat bombardement stond tussen het puin alleen het Mariabeeld uit de toren nog fier overeind. De foto daarvan verscheen in alle regionale kranten. Het zal voor velen destijds een krachtig godsbewijs zijn geweest. Zelf geloof ik niet zo in godsbewijzen.
Aan de andere kant van de Donge ziet de wereld er heel anders uit. Geertruidenberg is een prachtig, historisch vestingstadje. Vooral de langgerekte vismarkt is een juweel. Aan het ene uiteinde staat de imposante, eeuwenoude Geertruidskerk. Aan het andere uiteinde is de markt open en doemt daarachter de op een bepaalde manier evenzeer imposante koeltoren van de Amercentrale op. Zo’n tegenstelling, twee tijdperken, twee culturen, het onverenigbare als het ware verenigd, ik kan dat altijd wel waarderen.
Tenslotte langs de Amercentrale en langs een wirwar van elektriciteitsmasten en -leidingen naar de oever van de Amer gelopen, alwaar we ook nog even een stukje natuurbeleving ondergingen. Stenige kades, plantenwildernissen, de rivier die langs stroomt en aan de overkant de Biesbosch.
18 juli 2020
Niet bij vogels alleen: Aantallen
donderdag 16 juli 2020
Libellendagje
Hoewel er natuurlijk allerlei zaken van eminenter belang zijn om over te schrijven, wil ik het hier toch even hebben over mijn libellendagje vandaag. Ik weet het, niemand maalt erom maar ik zal hem mij nog herinneren. Het was een mooie, zonovergoten maar niet overdreven warme zomerdag en ik ging naar Roermond om op zoek te gaan naar de gaffellibel langs de Roer bij Paarlo. Want de gaffellibel is een mooie libel en ik had er nog nooit een gezien. Soms is dat voldoende.
Het bleek vooral zoeken naar de juiste plek. De fietsbrug over de Roer was gauw gevonden. Rond die plek zijn ze de afgelopen jaren vaak gezien maar momenteel was de juiste plek een kleine 500 meter verderop langs de Roer. Maar hoe kwam ik daar? Ik had geen idee. Die kant uit gefietst maar ter hoogte van de bewuste plek waren er tussen de weg en de Roer slechts ondoordringbare maïsvelden. Daarop maar verder die kant uit gefietst, steeds op zoek naar de Roer. Het werd een mooie fietstocht door het Roerdal, tot voorbij Herkenbosch, langs velden in boeiende vlakverdelingen, langs hagen en bosranden en af en toe een karige blik op de Roer. En weer terug. Intussen een berichtje van Toon, die toevalligerwijs ook vandaag op zoek was: hij had ze gevonden hoor, precies op de plek waar ik naar op zoek was. Het probleem bleef hetzelfde: hoe kwam ik daar? Tussen de weg en de Roer daar nog steeds uitsluitend maïsvelden. Dan maar de fietsbrug over en aan de overkant geprobeerd. Een plaatselijke landwerker wees me een soort wandelspoor langs het water dat me precies tegenover de plek bracht. Ik zag ze aan de overkant staan kijken maar de libel zag niet ik. Ik stond aan de verkeerde kant, ik moest het pad vanaf de brug nemen, riep men me toe. Maar er was daar helemaal geen pad. Ik had nog gezocht maar niets van een pad gevonden. Terug bij de brug bleek er toch een pad. Althans, er was een halve opening in de afrastering waar je overheen kon stappen en langs de Roer kon lopen. Was legaal, had men mij verzekerd. Zo vond ik dan toch de plek, de mensen die naar een gaffellibel stonden te kijken en tenslotte, na enig navigeren op aanwijzingen van de aanwezigen, de gaffellibel. Die zat te rusten halverwege in een wilgenstruik. Lifer! en zeer zeldzaam bovendien. Dit was al mooi, maar later zag ik hem nog veel fraaier, dichtbij rondvliegend, prachtig op een kaal takje aan de oever en zelfs een kort moment op mijn hand: gaffellibel als handsoort!Verderop richting de brug vonden we er nog een. Fraai waren ook de weidebeekjuffers die met 10, misschien wel 15 mannen rustten boven het water en af en toe plotseling uitzwermden achter een passerend vrouwtje aan. En als bonus wees Toon me nog een kanaaljuffer, een van de vele bijna identieke blauwe juffertjes maar wel zeldzaam en ook een lifer. Bovendien: als iemand je laat zien waarom het een kanaaljuffer is, als iemand je de subtiele kenmerken toont, dan is een kanaaljuffer ineens toch de moeite waard.
En als er dan ook nog geelgorzen en wielewalen zingen, dan ben ik een gelukkig mens. Meer dan dit was het niet. Meer dan dit hoeft het niet te zijn.
12 juli 2020

Roze spreeuw
De melding van een roze spreeuw, adulte vogel nog wel met alle roze dat daarbij hoort, bracht me ondanks de grauwe miezer van vanochtend naar de Haarrijnse plas. Vroeg op pad voor een uurtje zoeken vóór het thuiswerk. Af en toe was het bijna (of misschien zelfs heel even helemaal) droog, maar meestal miezerde het zachtjes en soms een beetje hard. Roodhalsfuut zat er nog maar daaraan weinig aandacht besteed. Verderop spreeuwen. Veel spreeuwen. Hoog in een groep bomen midden in het veld, met honderden af en toe op het veld en verder weer volop in en rond de kersenboomgaard. Net als een week geleden. Ik herinner me dat ik toen ook tussen die spreeuwen gezocht heb naar een afwijkend typje, maar niet zo hardnekkig en aanhoudend als vanochtend. Voorlopig was de meeropbrengst van mijn extra inspanningen marginaal. Spreeuwen in het gras, spreeuwen in de bomen, spreeuwen in de boomgaard, spreeuwen in de haag en spreeuwen in vlucht. Soms een paar, soms honderden tegelijk en ik probeerde ze allemaal te checken. Een voor een keek ik ze na maar geen een was er roze. En de miezer druilde neer.
Het zijn de dingen die je kunt meemaken als vogelaar, je mag er niet over klagen want het hoort erbij en er is zoveel erger leed in de wereld, maar een beetje jammer is dat wel want klagen helpt wel als je iets te klagen hebt. Terug bij de fiets. Wat te doen? Naar huis? Op het nippertje besloot ik nog even ‘achterom’ te fietsen, richting Haarzuilens, en het nog even vanaf de Thematerweg te proberen. En dat bleek een goede greep. Tegenover de Geertjeshoeve weer veel spreeuwen. In het gras, in de haag, in de bomen. En ineens zat-ie daar. Een roze spreeuw, nat gezabberd maar verder piekfijn in orde. Roze borst en rug, zwarte kop en vleugels. En het was dan wel grijs en miezerig, had ik dat nog niet gezegd? en door de wind die de takken heen en weer wiegde was-ie soms helemaal aan het zicht onttrokken, maar als-ie zichtbaar was en dat was-ie soms geruime tijd, dan knalde hij er echt uit. Kijk, zo kan het dus ook.
9 juli 2020
Meer uit het Utrechtse: Sneeuw en ijs
Het zijn de dingen die je kunt meemaken als vogelaar, je mag er niet over klagen want het hoort erbij en er is zoveel erger leed in de wereld, maar een beetje jammer is dat wel want klagen helpt wel als je iets te klagen hebt. Terug bij de fiets. Wat te doen? Naar huis? Op het nippertje besloot ik nog even ‘achterom’ te fietsen, richting Haarzuilens, en het nog even vanaf de Thematerweg te proberen. En dat bleek een goede greep. Tegenover de Geertjeshoeve weer veel spreeuwen. In het gras, in de haag, in de bomen. En ineens zat-ie daar. Een roze spreeuw, nat gezabberd maar verder piekfijn in orde. Roze borst en rug, zwarte kop en vleugels. En het was dan wel grijs en miezerig, had ik dat nog niet gezegd? en door de wind die de takken heen en weer wiegde was-ie soms helemaal aan het zicht onttrokken, maar als-ie zichtbaar was en dat was-ie soms geruime tijd, dan knalde hij er echt uit. Kijk, zo kan het dus ook.
9 juli 2020
Meer uit het Utrechtse: Sneeuw en ijs
dinsdag 7 juli 2020
Texel reviseted
Ik was er al meer dan een half jaar niet meer geweest. Het was lang voor Corona ons met een bezoekje kwam vereren, dat ik voor het laatst het Marsdiep was overgestoken. De winter en het voorjaar heb ik er helemaal overgeslagen dus het was wel weer een keertje tijd. Daarom op deze wat stormachtige zomerdag voor het eerst in meer dan een half jaar de trein naar Den Helder en de boot naar Texel genomen. Een harde wind uit zuidwest blies me vervolgens in volle vaart het eiland op. Niet te ver, had ik me voorgenomen, want ik moest ook nog terug en dan zou die stormachtige zuidwester in plaats van een steuntje in de rug een hele zware dobber zijn. Wolkenvelden maar geleidelijk ook steeds meer zon. Af en toe een buitje maar dat had niet veel om het lijf. En om me heen het eiland zoals ik me dat nog herinnerde: de velden, de tuunwallen en de drefthuisjes (in tweeën geknipt, de ene helft in Dreft gewassen en zie …). De Waddendijk, schapen op de dijk, de veldleeuwerik jubelend boven je hoofd, de duincontouren in de verte want ik begon aan de wadkant, en rondom een horizon waarin het kerktorentje van Den Hoorn en dat van Den Burg en de molen van Oudeschild. En dat alles onder een hoge, weidse hemel met mooie wolkenpartijen en wat blauw tussendoor. Het klinkt sentimenteel maar het voelde echt een beetje als thuis komen. Heerlijk om er weer te zijn, al was het maar voor één dag.
Echte doelsoorten had ik niet vandaag. Voor een flamingo ga ik niet naar Texel maar nu ik er toch was en nu hij er toch (nog steeds!) zat, wilde ik hem wel weer zien. Temeer omdat dit blijkbaar geen vogel van Zwillbrock is want die zitten nu allemaal op het ven. We zullen hem dus serieus moeten nemen als mogelijke dwaalgast en dat kun je van de meeste flamingo’s in Nederland niet zeggen. En hij zat er hoor, in de Molenkolk inmiddels, vlak naast de plek waar hij vorige herfst (lang voor Corona …) voor het eerst was opgedoken. Een tropische verrassing, toch altijd weer, al deed-ie niet meer dan daar staan, in het water, met zijn slungelige nek die ergens tussen zijn veren verdween. Leuker dan die flamingo waren eigenlijk de dwergsterntjes die zich ook in de Molenkolk ophielden.
Ik had dan wel geen doelsoorten vandaag, maar ook noordse stern wilde ik wel erg graag weer eens mooi zien. Voor een binnenlander als ik immers geen alledaagse soort, bij ons en trouwens ook langs de Hollandse kust zie je bijna alleen maar visdiefjes. Die lijken er erg op maar noordse stern is net even sjieker. Te Nieuw Buitenheim, voorbij Oudeschild, ging mijn wens in vervulling. Er zaten er diverse en zowel in vlucht als aan de grond lieten ze zich mooi zien. Dat was behalve fraai ook leerzaam want zo eenvoudig is het onderscheid met de ook volop aanwezige visdieven niet. Noordse is witter en grijzer, vrijwel zonder zwartachtige tekening in de handpennen maar wel met een scherp zwartachtig randje aan de ondervleugel. Iets anders van structuur ook, en met een andere snavel, subtiel anders van vorm en ook subtiel anders van kleur. Ze lieten het op zijn tijd allemaal mooi zien dus ik was helemaal tevreden.
Oeverzwaluwen in de Minkewaai, duizenden grote sterns met volop jongen in het Wagejot en ik vond dat ik wel weer ver genoeg was gekomen. Tijd om over te steken naar de Noordzeekant om ook met dat aspect van Texel hernieuwd kennis te maken. Aan het eind van de Muyweg het binnenduin overgestoken en naar de Slufter gelopen. Langs de duinzoom en langs de duinweiden, leuke duinplantjes als parnassia en duizendguldenkruid, zomertortel over en in de Slufter nog aardige aantallen rosse grutto’s en kanoeten. Overigens van beide slechts een enkeling in zomerkleed. Eiders, grote sterns, maar het mooiste hier waren twee dwergsterntjes die voortdurend tot dichtbij om me heen vlogen. Prachtig, maar was ik nu een nest aan het verstoren? Ik zag het niet, ik stond netjes achter de bedrading en verderop zaten recreanten (… en wat was ik dan?) te picknicken en ook daar hingen ze af en toe omheen. Nou ja, dan weet ik het ook niet meer. Na korte tijd toch maar weer vertrokken. Dat was ik toch al van plan. Op een van de kale pioniersduintjes die de overgang vormen naar het oude duinland, vond ik nog een mooie plek zeewinde, mag ook niet onvermeld blijven.
Op de terugweg nog een mooie eikenpage: een felblauwe flits langs mee heen waarna ik hem (? of een andere) terugvond, hangend onder een blaadje waarbij alleen de veel fletsere (maar wel leuk getekende) ondervleugel zichtbaar was. En in de Bollenkamer, alweer bijna terug in Den Hoorn, een mooie vrouw blauwe kiekendief laag over me heen. Daarmee was mijn eerste bezoek aan Texel sinds meer dan een half jaar, tot volle tevredenheid tot een goed einde gebracht.
Echte doelsoorten had ik niet vandaag. Voor een flamingo ga ik niet naar Texel maar nu ik er toch was en nu hij er toch (nog steeds!) zat, wilde ik hem wel weer zien. Temeer omdat dit blijkbaar geen vogel van Zwillbrock is want die zitten nu allemaal op het ven. We zullen hem dus serieus moeten nemen als mogelijke dwaalgast en dat kun je van de meeste flamingo’s in Nederland niet zeggen. En hij zat er hoor, in de Molenkolk inmiddels, vlak naast de plek waar hij vorige herfst (lang voor Corona …) voor het eerst was opgedoken. Een tropische verrassing, toch altijd weer, al deed-ie niet meer dan daar staan, in het water, met zijn slungelige nek die ergens tussen zijn veren verdween. Leuker dan die flamingo waren eigenlijk de dwergsterntjes die zich ook in de Molenkolk ophielden.
Ik had dan wel geen doelsoorten vandaag, maar ook noordse stern wilde ik wel erg graag weer eens mooi zien. Voor een binnenlander als ik immers geen alledaagse soort, bij ons en trouwens ook langs de Hollandse kust zie je bijna alleen maar visdiefjes. Die lijken er erg op maar noordse stern is net even sjieker. Te Nieuw Buitenheim, voorbij Oudeschild, ging mijn wens in vervulling. Er zaten er diverse en zowel in vlucht als aan de grond lieten ze zich mooi zien. Dat was behalve fraai ook leerzaam want zo eenvoudig is het onderscheid met de ook volop aanwezige visdieven niet. Noordse is witter en grijzer, vrijwel zonder zwartachtige tekening in de handpennen maar wel met een scherp zwartachtig randje aan de ondervleugel. Iets anders van structuur ook, en met een andere snavel, subtiel anders van vorm en ook subtiel anders van kleur. Ze lieten het op zijn tijd allemaal mooi zien dus ik was helemaal tevreden.
Oeverzwaluwen in de Minkewaai, duizenden grote sterns met volop jongen in het Wagejot en ik vond dat ik wel weer ver genoeg was gekomen. Tijd om over te steken naar de Noordzeekant om ook met dat aspect van Texel hernieuwd kennis te maken. Aan het eind van de Muyweg het binnenduin overgestoken en naar de Slufter gelopen. Langs de duinzoom en langs de duinweiden, leuke duinplantjes als parnassia en duizendguldenkruid, zomertortel over en in de Slufter nog aardige aantallen rosse grutto’s en kanoeten. Overigens van beide slechts een enkeling in zomerkleed. Eiders, grote sterns, maar het mooiste hier waren twee dwergsterntjes die voortdurend tot dichtbij om me heen vlogen. Prachtig, maar was ik nu een nest aan het verstoren? Ik zag het niet, ik stond netjes achter de bedrading en verderop zaten recreanten (… en wat was ik dan?) te picknicken en ook daar hingen ze af en toe omheen. Nou ja, dan weet ik het ook niet meer. Na korte tijd toch maar weer vertrokken. Dat was ik toch al van plan. Op een van de kale pioniersduintjes die de overgang vormen naar het oude duinland, vond ik nog een mooie plek zeewinde, mag ook niet onvermeld blijven.
Op de terugweg nog een mooie eikenpage: een felblauwe flits langs mee heen waarna ik hem (? of een andere) terugvond, hangend onder een blaadje waarbij alleen de veel fletsere (maar wel leuk getekende) ondervleugel zichtbaar was. En in de Bollenkamer, alweer bijna terug in Den Hoorn, een mooie vrouw blauwe kiekendief laag over me heen. Daarmee was mijn eerste bezoek aan Texel sinds meer dan een half jaar, tot volle tevredenheid tot een goed einde gebracht.
zaterdag 27 juni 2020
Limburg
Het was natuurlijk best een lelijk vakantieparkje, laten we eerlijk wezen, met die containers als vakantiewoningen, rijen vakantiecontainers naast elkaar. Met ramen, met badkamer, met slaapkamers, oh ja, van alle gemakken voorzien maar toch, containers. Het was een beetje of je op een crematorium verbleef. Al wende het gauw hoor, uiteindelijk voelden we ons er prima thuis, die paar dagen. Maar waar het natuurlijk echt om ging, dat was de ligging. Dat je via een achterdeurtje, een klaphekje in de omheining, het terrein kon verlaten en dat je dan meteen Limburgs mergelland binnenstapte. Dat je meteen midden in het Geuldal stond. Met een riviertje dat langs steile oevers kronkelt, met bultige graslandjes omzoomd door kreupelhout, wat schamele heggen en vervallen hekjes, met een bosrand, een halfkale boom hier en een halfkale boom daar die bossen maretakken tussen hun takken torsen, en daarachter de Limburgse heuvelen. De glooiende hoogtes waar het landschap zich roerloos aan je voeten legt, zich heeft geformeerd rond een dorpje in de diepte, ergens in een plooi een vakwerkboerderij, … Ja, van hier beneden zag je daar natuurlijk niets van maar je kon je er een voorstelling van maken. En des te beter na de eerste omzwervingen waarbij je dat allemaal wel gezien had. Nee, meer buitenlands krijg je het niet in Nederland.
Ik was er bij het eerste ochtendlicht, in dat stukje Geuldal naast de camping, bij ochtendmist en opkomende zon die voorzichtig door de ochtendmist prikte, en ik was er in de late schemer toen er langs het pad de vuurvliegjes zweefden. Vuurvliegjes! Magischer gaat het niet worden. Vuurvliegje blijkt in werkelijkheid overigens kleine glimworm te heten en is geen vlieg en al helemaal geen worm, wormen kunnen niet vliegen. Kleine glimworm is een kevertje. Met name de mannetjes staan bekend als vuurvliegjes, omdat die tijdens het vliegen een fel licht produceren. Dat doen ze om elkaar te kunnen vinden. Het voordeel daarvan is blijkbaar groter dan het nadeel van hun zichtbaarheid. Die lijkt een uitnodiging aan nachtelijke jagers maar misschien valt dat wel mee, omdat de meeste nachtelijke jagers niet op zicht jagen.
Tussen het eerste ochtendlicht en de late schemer in met Harriët een klassieke wandeling gemaakt: omhoog door het Gerendal, het plateau overgestoken, omlaag het holle weggetje naar het Geuldal beneden en langs de Geul terug. Oude bekenden, plekken waar je al zo vaak geweest bent maar die nooit vervelen. Vele jaren van beschaving hebben ze nog steeds ongemoeid gelaten. Hoe lang nog?
Het is eigenlijk het hart van het heuvelland. Alles wat het heuvelland mooi maakt, vind je hier slechts enkele kilometers van elkaar. Het Gerendal, dat vanaf het Geuldal toegang verleent tot het plateau van Margraten, is het volmaakte droogdal. De licht glooiende velden, de ruige landjes, de heggen die zich door het land begeven, de hoogtes daarachter, de bosrand tegenover, eenzame hoeves in de schaduw van het bronsgroen eikenhout, het klinkt allemaal bekend, woorden die op heel Zuid Limburg van toepassing zijn, die staan voor heel het Limburgse heuvelland maar bijna nergens oogt dat zo volmaakt als hier. Het straalt rust uit, geborgenheid, eeuwigheid, ja, som ze maar op, de clichés, maar hier passen ze allemaal. Dit is het Limburgse landschap waar talloze schilderijen van zijn geschilderd en foto’s van zijn gemaakt. Het Limburgse landschap waar reclame mee wordt gemaakt en waar je van droomt als je droomt van het Limburgse landschap.
Oké, ik ga te ver. Back to earth. We vonden een poeltje met salamanders. Geelgorzen zongen. En we vonden de orchideeënweitjes waar je als je goed keek tussen het gras zeeën van bloeiende orchideeën zag opdoemen waaronder grote muggenorchis en (eentje) welriekende nachtorchis, naast nog zoveel ander zeldzaams. Beemdkroon, grote centaurie, rapunzelklokje, ruige weegbree, agrimonie: een paradijs. Boven, waar langs het pad de ruigtekruiden bloeien en akkers zich roerloos buigen naar een volgende bosrand, daar vonden we in een poeltje de geelbuikvuurpad. ‘The best bird was a toad’ vandaag, want die is bijna uitgestorven in Nederland, al maakt-ie inmiddels een voorzichtige comeback. Natuurbeheer levert weleens wat moois op. Hun roepen, zacht, wat dof, herinnert enigszins aan de bekendere vroetmeesterpad, maar dan een paar tertsen lager. En hun buik heeft echt helder gele vlekken. Prachtig om te zien.
En weer omlaag over wat mij betreft een van de iconen van Zuid Limburg: de Gronselendel. Het is het volmaakte holle weggetje dat zich diep in de helling heeft ingegraven. Hoge wanden waarachter rijke graslandjes vol bloeiende centauries en margrieten en nog veel meer, nabije bosranden, bomen als kromgetrokken oergestaltes en daar tussendoor af en toe een blik op de eindeloosheid van het heuvelland. Van afstand zie je er bijna niets van, een smalle reep groen die de helling doorsnijdt. Maar van binnen ben je in een andere wereld.
En tenslotte beneden de Geul. Hoog water: een woeste, kolkende watermassa, een bruin monster dat door zijn bedding raast. Alle stroomversnellingen, alle obstakels verdwenen.
’s Avonds onder dreiging van spectaculaire buienluchten die veilig uit de buurt bleven, heen en weer naar Ransdaal. Prachtige avond, prachtige luchten, de prachtige kerk van Ransdaal en een heroïsch gevecht tussen noodweer en opklaringen boven ons. Vanavond wonnen de opklaringen. Gisteren was dat anders. Gisteren viel, al op onze eerste avond, de bui van de week. We waren effe heen en weer naar Wijlre, ik had mijn eerste geelgorzen opgestreken en we hadden twee volle rugzakken met boodschappen, toen-ie daar hing, loodgrijs boven de heuvelkam. Terwijl we nog helemaal terug moesten lopen. Tot aan ons parkje hielden we het wonderwel droog, maar eenmaal binnen barstte het los. In alle hevigheid, met hagel en onweer aan alle kanten. Op een gegeven moment stond het weggetje waaraan onze vakantiecontainer stond, helemaal blank. We zagen het water al naar onze voordeur toe kruipen maar net op tijd kalmeerde de bui. Het regende nog de hele avond, maar niet zo hard dat ons huisje erdoor bedreigd werd.
Op de derde dag gingen we fietsen. Want er moesten ook nog een paar zaken worden opgestreken die net buiten wandelbereik lagen. Zoals het Eysserbeekdal voor braamparelmoervlinder. De Kromhagerweg voor orpheusspotvogel. Eys, nou ja, voor Eys. Wittem, Gulpen, Ingber, Scheulder en tenslotte door het Gerendal omlaag terug naar Schin op Geul. Veel zon weer, zoals alle dagen. Maar boven, in de wind en bezweet na een slopende klim zonder eind, was het bijna koud. En omlaag, als de heuvel gul weer prijsgaf wat ze genomen had en je in volle vaart terugkreeg wat je gegeven had, had ik graag dat extra laagje aangetrokken dat ik vanochtend toch maar in onze container had achtergelaten. Maar weer beneden in het dal was het broeierig warm en kon het zweet opwarmen. Braamparelmoervlinder was moeizaam vandaag, alleen een paar keer zien vliegen, maar verder was het Eysserbeekdal volmaakt, met zijn bloemrijke hooilandjes, zijn ruige en bloemrijke hellingen, zijn machtige reuzenpaardenstaarten langs de oude spoorbaan en zijn holle weggetjes die diep verscholen door glooiende velden ploegen.
Een paar kilometer verderop was Orpheus aanvankelijk stil, sputterde af en toe wat maar begon na een tijdje toch leuk te zingen. En aan het eind van de dag, in het Gerendal, vloog eerst een wespendief over, vermaakten we ons vervolgens met een poeltje met prachtige alpenwatersalamanders plus nog allerlei andere waterwezens in vormen, bizarder dan een mens verzinnen kan, riep middelste bonte specht uit het bos tegenover en vloog tenslotte een prachtige rode wouw over. Meestal moet je het met minder doen.
Op de vierde dag wandelden we naar Valkenburg en terug. Heen op en neer over de hellingen en het plateau aan de noordkant van de Geul. Onder andere langs de fraaie kalksteenwand van de Däölkesberg (ja, zo stond het er echt! Geen idee hoe je het uitspreekt), door fraaie hellingbossen zoals overal in het heuvelland juist op de hellingen het bos is behouden gebleven, omdat men daar niets beters mee wist te doen, en langs de oude kluizenaarswoning en kruisweg op de Schaelsberg waar ik nog een mooie keizersmantel vond. Prachtige, haast tropische vlinder en zeldzaam bovendien. Na een bezoekje aan Valkenburg langs de Geul terug gewandeld. Onder andere langs de kasteeltjes Schaloen en Genhoes: het een stoer en teruggetrokken, het ander charmant en behaagziek.
Vanochtend nog even een korte wandeling: omhoog naar Fromberg en weer omlaag richting Schoonbron. Hoge, kale glooiingen met een veldkruis met verse bloemen op een kruising van veldwegen, half beboste hellingen, mooie holle weggetjes: onze dagen in Limburg in een notendop. We hadden het allemaal al gezien, het was tijd om weer naar huis te gaan.
Ik was er bij het eerste ochtendlicht, in dat stukje Geuldal naast de camping, bij ochtendmist en opkomende zon die voorzichtig door de ochtendmist prikte, en ik was er in de late schemer toen er langs het pad de vuurvliegjes zweefden. Vuurvliegjes! Magischer gaat het niet worden. Vuurvliegje blijkt in werkelijkheid overigens kleine glimworm te heten en is geen vlieg en al helemaal geen worm, wormen kunnen niet vliegen. Kleine glimworm is een kevertje. Met name de mannetjes staan bekend als vuurvliegjes, omdat die tijdens het vliegen een fel licht produceren. Dat doen ze om elkaar te kunnen vinden. Het voordeel daarvan is blijkbaar groter dan het nadeel van hun zichtbaarheid. Die lijkt een uitnodiging aan nachtelijke jagers maar misschien valt dat wel mee, omdat de meeste nachtelijke jagers niet op zicht jagen.
Tussen het eerste ochtendlicht en de late schemer in met Harriët een klassieke wandeling gemaakt: omhoog door het Gerendal, het plateau overgestoken, omlaag het holle weggetje naar het Geuldal beneden en langs de Geul terug. Oude bekenden, plekken waar je al zo vaak geweest bent maar die nooit vervelen. Vele jaren van beschaving hebben ze nog steeds ongemoeid gelaten. Hoe lang nog?
Het is eigenlijk het hart van het heuvelland. Alles wat het heuvelland mooi maakt, vind je hier slechts enkele kilometers van elkaar. Het Gerendal, dat vanaf het Geuldal toegang verleent tot het plateau van Margraten, is het volmaakte droogdal. De licht glooiende velden, de ruige landjes, de heggen die zich door het land begeven, de hoogtes daarachter, de bosrand tegenover, eenzame hoeves in de schaduw van het bronsgroen eikenhout, het klinkt allemaal bekend, woorden die op heel Zuid Limburg van toepassing zijn, die staan voor heel het Limburgse heuvelland maar bijna nergens oogt dat zo volmaakt als hier. Het straalt rust uit, geborgenheid, eeuwigheid, ja, som ze maar op, de clichés, maar hier passen ze allemaal. Dit is het Limburgse landschap waar talloze schilderijen van zijn geschilderd en foto’s van zijn gemaakt. Het Limburgse landschap waar reclame mee wordt gemaakt en waar je van droomt als je droomt van het Limburgse landschap.
Oké, ik ga te ver. Back to earth. We vonden een poeltje met salamanders. Geelgorzen zongen. En we vonden de orchideeënweitjes waar je als je goed keek tussen het gras zeeën van bloeiende orchideeën zag opdoemen waaronder grote muggenorchis en (eentje) welriekende nachtorchis, naast nog zoveel ander zeldzaams. Beemdkroon, grote centaurie, rapunzelklokje, ruige weegbree, agrimonie: een paradijs. Boven, waar langs het pad de ruigtekruiden bloeien en akkers zich roerloos buigen naar een volgende bosrand, daar vonden we in een poeltje de geelbuikvuurpad. ‘The best bird was a toad’ vandaag, want die is bijna uitgestorven in Nederland, al maakt-ie inmiddels een voorzichtige comeback. Natuurbeheer levert weleens wat moois op. Hun roepen, zacht, wat dof, herinnert enigszins aan de bekendere vroetmeesterpad, maar dan een paar tertsen lager. En hun buik heeft echt helder gele vlekken. Prachtig om te zien.
En weer omlaag over wat mij betreft een van de iconen van Zuid Limburg: de Gronselendel. Het is het volmaakte holle weggetje dat zich diep in de helling heeft ingegraven. Hoge wanden waarachter rijke graslandjes vol bloeiende centauries en margrieten en nog veel meer, nabije bosranden, bomen als kromgetrokken oergestaltes en daar tussendoor af en toe een blik op de eindeloosheid van het heuvelland. Van afstand zie je er bijna niets van, een smalle reep groen die de helling doorsnijdt. Maar van binnen ben je in een andere wereld.
En tenslotte beneden de Geul. Hoog water: een woeste, kolkende watermassa, een bruin monster dat door zijn bedding raast. Alle stroomversnellingen, alle obstakels verdwenen.
’s Avonds onder dreiging van spectaculaire buienluchten die veilig uit de buurt bleven, heen en weer naar Ransdaal. Prachtige avond, prachtige luchten, de prachtige kerk van Ransdaal en een heroïsch gevecht tussen noodweer en opklaringen boven ons. Vanavond wonnen de opklaringen. Gisteren was dat anders. Gisteren viel, al op onze eerste avond, de bui van de week. We waren effe heen en weer naar Wijlre, ik had mijn eerste geelgorzen opgestreken en we hadden twee volle rugzakken met boodschappen, toen-ie daar hing, loodgrijs boven de heuvelkam. Terwijl we nog helemaal terug moesten lopen. Tot aan ons parkje hielden we het wonderwel droog, maar eenmaal binnen barstte het los. In alle hevigheid, met hagel en onweer aan alle kanten. Op een gegeven moment stond het weggetje waaraan onze vakantiecontainer stond, helemaal blank. We zagen het water al naar onze voordeur toe kruipen maar net op tijd kalmeerde de bui. Het regende nog de hele avond, maar niet zo hard dat ons huisje erdoor bedreigd werd.
Op de derde dag gingen we fietsen. Want er moesten ook nog een paar zaken worden opgestreken die net buiten wandelbereik lagen. Zoals het Eysserbeekdal voor braamparelmoervlinder. De Kromhagerweg voor orpheusspotvogel. Eys, nou ja, voor Eys. Wittem, Gulpen, Ingber, Scheulder en tenslotte door het Gerendal omlaag terug naar Schin op Geul. Veel zon weer, zoals alle dagen. Maar boven, in de wind en bezweet na een slopende klim zonder eind, was het bijna koud. En omlaag, als de heuvel gul weer prijsgaf wat ze genomen had en je in volle vaart terugkreeg wat je gegeven had, had ik graag dat extra laagje aangetrokken dat ik vanochtend toch maar in onze container had achtergelaten. Maar weer beneden in het dal was het broeierig warm en kon het zweet opwarmen. Braamparelmoervlinder was moeizaam vandaag, alleen een paar keer zien vliegen, maar verder was het Eysserbeekdal volmaakt, met zijn bloemrijke hooilandjes, zijn ruige en bloemrijke hellingen, zijn machtige reuzenpaardenstaarten langs de oude spoorbaan en zijn holle weggetjes die diep verscholen door glooiende velden ploegen.
Een paar kilometer verderop was Orpheus aanvankelijk stil, sputterde af en toe wat maar begon na een tijdje toch leuk te zingen. En aan het eind van de dag, in het Gerendal, vloog eerst een wespendief over, vermaakten we ons vervolgens met een poeltje met prachtige alpenwatersalamanders plus nog allerlei andere waterwezens in vormen, bizarder dan een mens verzinnen kan, riep middelste bonte specht uit het bos tegenover en vloog tenslotte een prachtige rode wouw over. Meestal moet je het met minder doen.
Op de vierde dag wandelden we naar Valkenburg en terug. Heen op en neer over de hellingen en het plateau aan de noordkant van de Geul. Onder andere langs de fraaie kalksteenwand van de Däölkesberg (ja, zo stond het er echt! Geen idee hoe je het uitspreekt), door fraaie hellingbossen zoals overal in het heuvelland juist op de hellingen het bos is behouden gebleven, omdat men daar niets beters mee wist te doen, en langs de oude kluizenaarswoning en kruisweg op de Schaelsberg waar ik nog een mooie keizersmantel vond. Prachtige, haast tropische vlinder en zeldzaam bovendien. Na een bezoekje aan Valkenburg langs de Geul terug gewandeld. Onder andere langs de kasteeltjes Schaloen en Genhoes: het een stoer en teruggetrokken, het ander charmant en behaagziek.
Vanochtend nog even een korte wandeling: omhoog naar Fromberg en weer omlaag richting Schoonbron. Hoge, kale glooiingen met een veldkruis met verse bloemen op een kruising van veldwegen, half beboste hellingen, mooie holle weggetjes: onze dagen in Limburg in een notendop. We hadden het allemaal al gezien, het was tijd om weer naar huis te gaan.
maandag 15 juni 2020
L'amour
Al wekenlang zit er een vogeltje in de Strypsche Wetering bij Rockanje met de prachtige naam amoerkwikstaart. Maar zo romantisch als de naam is, zo onbeduidend is de vogel, vond ik. Want je kunt hem wel zo’n naam geven, daarmee is nog niet gezegd dat-ie werkelijk van zo ver komt als men dacht dat-ie kwam. Voor mij was het vooralsnog niet meer dan een wat afwijkende witte (of meer in het bijzonder rouw-)kwikstaart. Ik had me er dus nog niet toe kunnen zetten die voor mij nogal omslachtige reis te gaan ondernemen: trein naar Rotterdam, metro naar Spijkenisse en bus naar Rockanje en dat in tijden van corona. Langzamerhand lijkt de discussie echter te worden beslecht in het voordeel van de gelovigen. Dat garandeert uiteraard nog helemaal niets maar er lijkt toch wel veel te kloppen voor amoer en ook steeds meer coryfeeën, steeds meer echte kenners geloven inmiddels op grond van zorgvuldige analyse van kenmerken in een Chinese herkomst. Wie ben ik dan om ze tegen te spreken? Met het verschijnen van foto's uit China van vrouwtjes en jonge vogels met grijze flanken, tot nu toe een van mijn belangrijkste bezwaren omdat amoer immers, zo had ik begrepen (zelf uiteraard geen ervaring met de soort) spierwitte flanken moest hebben, werd ook mijn laatste argument om thuis te blijven me uit handen genomen. Ik moest op pad.
Lege trein, lege metro en lege bus, allemaal volledig coronaproof: dat verliep op rolletjes. Niemand die me vroeg of mijn reis wel echt noodzakelijk was en daar stond ik dan, midden in het Voornse laagland. Het was nog even wachten en zoeken in de Strypsche Wetering. Kluten, een lepelaar, nog een lepelaar, groenpootruiter, bruine kiekendief, gele kwikstaart, een paar juveniele witte maar toen, na pakweg een uur, toen zat-ie daar ineens. Uitgebreid witte kop zonder zwarte keel, zwartachtige rug, witte plek op de dekveren: een bijzondere ‘witte kwikstaart’ was het in elk geval. Een afwijkende Hollandse vogel of eentje uit China of daaromtrent? Het zou niet eens de eerste in Europa zijn dus het kan wel en je kunt niet anders dan de vogel serieus nemen. We zullen zien wat de bevoegde instanties ervan maken.
Voorne dus, en nog bijna een hele dag te gaan. Een mooie aanleiding om weer eens een duik in het verleden te nemen. In mijn hele jonge jaren ging ik met mijn oom en tante vaak naar de duinen van Voorne. Ik vond het er geweldig, een paradijs, dus toen ik de jaren van zelfstandigheid had bereikt, voldoende toegerust om op eigen benen die reis te ondernemen, ging ik jaren lang meerdere keren per jaar die kant op. Dat was mijn manier van avontuur beleven, van me voor even onttrekken aan de samenleving met al haar verplichtingen. Heerlijk vond ik het toen om één dag lang daarvan verlost te zijn en me voor iedereen ongezien, ongeweten en onbereikbaar in dat paradijs te begeven. Ja, de tijden zijn nogal veranderd sinds die dagen, in vele opzichten. De moderne technologie, het voortdurend in contact zijn met de wereld, het heeft zijn voordelen en ik zou niet meer zonder willen, maar je raakt ook iets kwijt.
Later leerde ik Texel kennen en hoe gemakkelijk het was om daar te komen. En IJmuiden en Camperduin. Ook liet ik mijn bestemming steeds vaker bepalen door waar een leuke, liefst zeldzame soort te vinden was. Dat bracht me in al die jaren op de mooiste en soms ook de gekste plekjes in het land. Maar de reis naar Voorne was me in toenemende mate te omslachtig en zonder aanleiding kon ik me er niet meer toe zetten die te ondernemen. En aanleiding was er eigenlijk nooit. Kortom, ik was er al jaren niet meer geweest. De laatste keer dat ik er was, waren cetti’s zanger en grote zilverreiger hier nog grote zeldzaamheden. En nu? Een grote zilverreiger zat op de oever van een eilandje in het Breede water en cetti’s zanger? Ach, cetti's zanger, daar kijken we allang niet meer van op, ook in de duinen van Voorne niet.
Het voelde een beetje onwennig toen ik door het klaphekje het gebied betrad. Ik had even niet meer zo’n duidelijk idee waar ik was en waar ik heen moest. Maar toen ik eenmaal binnen was, herkende ik het meteen. De Tenellaplas met zijn rietranden en waterlelievelden en omringende vegetatie met orchideeën, ogentroost en ratelaars. De mêlee van duinstruwelen en bosranden die zich aan je opdringen en de grazige duinweiden die ze tussen zich in dulden. En het pad dat ineens het duistere en vochtige bos induikt, zo kenmerkend voor de kalkrijke duinen in dit deel van het land, en je uiteindelijk brengt aan de oever van het Breede water, het duinmeer dat er na al die jaren nog altijd ligt, verscholen achter de duinhellinkjes. Schrale, zilte bloemenweiden met orchideeën en met bijvoorbeeld teer guichelheil. Zeldzaam. Zeewolfsmelk in de zeereep. En de zilte weelde van het groene strand, met zilt torkruid, zeeraket en bossen heen. Een uitstapje naar een vermeende zwartkopgors was vergeefs maar het was een feest om er weer eens te zijn en op de terugweg was het alleen in de metro ietsje te druk en af en toe lastig om de anderhalve meter in stand te houden. Maar toen was ik op weg naar huis en was mijn reis dus echt wel echt noodzakelijk.
Lege trein, lege metro en lege bus, allemaal volledig coronaproof: dat verliep op rolletjes. Niemand die me vroeg of mijn reis wel echt noodzakelijk was en daar stond ik dan, midden in het Voornse laagland. Het was nog even wachten en zoeken in de Strypsche Wetering. Kluten, een lepelaar, nog een lepelaar, groenpootruiter, bruine kiekendief, gele kwikstaart, een paar juveniele witte maar toen, na pakweg een uur, toen zat-ie daar ineens. Uitgebreid witte kop zonder zwarte keel, zwartachtige rug, witte plek op de dekveren: een bijzondere ‘witte kwikstaart’ was het in elk geval. Een afwijkende Hollandse vogel of eentje uit China of daaromtrent? Het zou niet eens de eerste in Europa zijn dus het kan wel en je kunt niet anders dan de vogel serieus nemen. We zullen zien wat de bevoegde instanties ervan maken.
Voorne dus, en nog bijna een hele dag te gaan. Een mooie aanleiding om weer eens een duik in het verleden te nemen. In mijn hele jonge jaren ging ik met mijn oom en tante vaak naar de duinen van Voorne. Ik vond het er geweldig, een paradijs, dus toen ik de jaren van zelfstandigheid had bereikt, voldoende toegerust om op eigen benen die reis te ondernemen, ging ik jaren lang meerdere keren per jaar die kant op. Dat was mijn manier van avontuur beleven, van me voor even onttrekken aan de samenleving met al haar verplichtingen. Heerlijk vond ik het toen om één dag lang daarvan verlost te zijn en me voor iedereen ongezien, ongeweten en onbereikbaar in dat paradijs te begeven. Ja, de tijden zijn nogal veranderd sinds die dagen, in vele opzichten. De moderne technologie, het voortdurend in contact zijn met de wereld, het heeft zijn voordelen en ik zou niet meer zonder willen, maar je raakt ook iets kwijt.
Later leerde ik Texel kennen en hoe gemakkelijk het was om daar te komen. En IJmuiden en Camperduin. Ook liet ik mijn bestemming steeds vaker bepalen door waar een leuke, liefst zeldzame soort te vinden was. Dat bracht me in al die jaren op de mooiste en soms ook de gekste plekjes in het land. Maar de reis naar Voorne was me in toenemende mate te omslachtig en zonder aanleiding kon ik me er niet meer toe zetten die te ondernemen. En aanleiding was er eigenlijk nooit. Kortom, ik was er al jaren niet meer geweest. De laatste keer dat ik er was, waren cetti’s zanger en grote zilverreiger hier nog grote zeldzaamheden. En nu? Een grote zilverreiger zat op de oever van een eilandje in het Breede water en cetti’s zanger? Ach, cetti's zanger, daar kijken we allang niet meer van op, ook in de duinen van Voorne niet.
Het voelde een beetje onwennig toen ik door het klaphekje het gebied betrad. Ik had even niet meer zo’n duidelijk idee waar ik was en waar ik heen moest. Maar toen ik eenmaal binnen was, herkende ik het meteen. De Tenellaplas met zijn rietranden en waterlelievelden en omringende vegetatie met orchideeën, ogentroost en ratelaars. De mêlee van duinstruwelen en bosranden die zich aan je opdringen en de grazige duinweiden die ze tussen zich in dulden. En het pad dat ineens het duistere en vochtige bos induikt, zo kenmerkend voor de kalkrijke duinen in dit deel van het land, en je uiteindelijk brengt aan de oever van het Breede water, het duinmeer dat er na al die jaren nog altijd ligt, verscholen achter de duinhellinkjes. Schrale, zilte bloemenweiden met orchideeën en met bijvoorbeeld teer guichelheil. Zeldzaam. Zeewolfsmelk in de zeereep. En de zilte weelde van het groene strand, met zilt torkruid, zeeraket en bossen heen. Een uitstapje naar een vermeende zwartkopgors was vergeefs maar het was een feest om er weer eens te zijn en op de terugweg was het alleen in de metro ietsje te druk en af en toe lastig om de anderhalve meter in stand te houden. Maar toen was ik op weg naar huis en was mijn reis dus echt wel echt noodzakelijk.
Abonneren op:
Posts (Atom)


























