woensdag 7 december 2022

Corvee

Het verplichte uurtje corvee vond plaats op het strand bij de Merlijn. Want al weken had ik de amerikaanse zee-eend genegeerd die ook deze herfst weer verbleef op zee voor de kust van Schiermonnikoog. Net als vorige herfst. Als ik hem belangrijk genoeg had gevonden, was ik er natuurlijk allang heen geweest maar op een of andere manier trok-ie me niet aan. Hij komt op mij toch teveel over als gewoon maar een zwarte zee-eend met een iets afwijkende snavel. Bij andere soorten, hoe zeldzaam ook, heb je toch altijd het idee dat je naar een andere vogel staat te kijken, iets herkenbaars, iets dat meer is dan alleen maar dat ene kenmerk. Bij amerikaanse zee-eend niet. Onder voorbehoud natuurlijk, want ik heb nog nooit in het echt naar een amerikaanse zee-eend staan kijken. Maar heb wel de foto’s gezien. Weinig opzienbarend dus, wat mij betreft, afgezien van zijn zeldzaamheid, en daarbij ook nog eens op een voor een OV-twitcher vrijwel onbereikbare plek. Ik liet het erbij. Maar nu ik op Schiermonnikoog was, voelde ik me verplicht toch naar de vogel te gaan zoeken. Ook al was-ie al twee weken niet meer gemeld. Zon en weinig wind: ideale omstandigheden om op zee een rare zee-eend tussen de zee-eenden te vinden. Maar ook ik kon hem niet vinden. Helaas pindakaas. Wellicht volgend jaar een nieuwe herkansing? Misschien zal ik er dan tijdig bij zijn, al durf ik nog niks te beloven.
Ik heb er een paar uur gestaan en dat was zeker geen straf. Op zee een paar roodkeelduikers en wat zwarte zee-eenden (dat amerikaanse er nog tussen zat kon ik niet eens uitsluiten: meest ver weg, veel met de kop in de veren en bovendien zelfs met deze zwakke wind het meest onzichtbaar in de golfdalen, maar goed, heb je niks aan), af en toe een dwergmeeuwtje boven zee, paar keer ijsgors overvliegend en op het eind een mooi groepje strandleeuweriken op het strand.
Dat alles tijdens een (hoe kon het ook anders) heel prettig weekendje op Schiermonnikoog, goedmakertje voor het wegens omstandigheden gehalveerde DT3 op Vlieland enkele weken geleden. Het was heerlijk rondstruinen op dat heerlijke kleine eilandje, elke keer als ik er ben denk ik: dit is de mooiste, al heb ik dat op de andere eilanden eigenlijk net zo.
Veel zon en mooie wolkenvelden, hoewel op zondag ineens helemaal geen zon en juist veel miezerregen. Het deerde ons niet. Van west naar oost gegaan en van noord naar zuid, Westerplas en omgeving, het Noordzeestrand, de waddenkust, het polderland en Kobbeduinen: overal geweest. Behalve dan het gebied ten oosten van Kobbeduinen, wat natuurlijk wel zowat de helft van het eiland uitmaakt. En wat me dan, terug in Utrecht, met terugwerkende kracht ineens opvalt, terwijl ik sta te wachten voor het derde rode stoplicht binnen een paar honderd meter: niet één stoplicht daar. Kent iemand ook maar één stoplicht op Schiermonnikoog? (Of op Vlieland? Op Texel, Terschelling of Ameland?) En wat me natuurlijk ook opvalt, terwijl in Utrecht overal het autoverkeer langs raast: die rust, die stilte overal op Schier. Stilte van ruisende zee, stilte van wind die ritselt in de herfstbladeren, stilte van het ijle geroep van overvliegende koperwieken, nee, nooit helemaal stil, maar toch een vorm van stilte.

In het westen liepen we over de strandvlakte langs ondiepe lagunes met tientallen drieteenstrandlopers, temidden van een weidse creatie van zand en water, pioniervegetaties en verre jonge duinvorming, alles vormgegeven door een duet van wind en getijden. In de polders zagen we rot- en (vooral) brandganzen waartussen enkele mooie roodhalsganzen en één duidelijke zwarte rotgans. Zwarte rotgans is zeldzaam, hoewel niet meer zoals vroeger. En roodhalsgans is op het vasteland vaak wat verdacht, riekend naar eendenfarm of vogelkooi, maar lijkt op de Waddeneilanden, waar geregeld familiegroepjes worden aangetroffen, van alle smetten vrij. En dan is het gewoon een waanzinnig mooie vogel.
In het oosten naar Kobbeduinen geweest. Een verplicht nummer als je op Schiermonnikoog bent want je bent pas echt op Schier geweest als je onder het baken hebt gestaan. Als je lopend naar het baken die balken diagonaal langs elkaar heen hebt zien schuiven en als je tenslotte tegen dat houten reuzen­klimrek hebt aangekeken dat je al vanaf de boot in de verte had zien opdoe­men. Als je de eindeloosheid van de kwelder rondom hebt geproefd, als je omgeven bent geweest door die ongedwongen weidsheid, die weerloos­heid tegen de elementen. En als je over heel het eiland hebt uitgekeken, tot aan de waddendijk in het zuiden, tot aan de stuifdijk in het noorden, tot aan de beide vuurtorens in het westen en in het oosten hooguit als het helder genoeg is tot aan het Willemsduin aan de horizon.

Soort van het weekend was voor mij misschien wel de ijsgors die zich op een akker langs de Waddendijk bevond in een groep strandleeuweriken. IJsgors heb ik bijna ieder jaar wel maar dat zijn bijna altijd overvliegers waarvan ik soms alleen maar roepjes hoor. Het is alweer heel wat jaren geleden dat ik er een zo mooi aan de grond zag.
Een andere soort van het weekend waren misschien wel de twee wilde zwanen die ik vond op een akker bij het dorp. Die blijken op Schier behoorlijk zeldzaam te zijn. Ik kreeg er zelfs vragen over van een admin. Verder weinig opzienbarends dit weekend, maar ik klaag daar niet over. Duizenden goudplevieren, honderden pijlstaarten, zilverplevieren, rosse grutto's, bonte en drieteenstrandlopers, dat zijn toch soorten waarvoor je graag af en toe naar het hoge noorden afreist.

27 november 2022


Meer Wadden? Ameland








woensdag 23 november 2022

IJmuiden

Een van de klassieke bestemmingen waar vogelaars in Nederland altijd weer naar terugkeren, is IJmuiden. Met een spannend duinmeertje achter de nog jonge zeereep met omringende rietoevers en natte oeverlanden. Met jonge pioniersduintjes met stuivend zand en krioelende struwelen aan het strand. En bovenal met een havenhoofd dat zo ver in zee steekt dat je je op het eind, geheel omringd door golven, door eindeloze deining, door god en vaderland verlaten kunt voelen. Nou ja, samen met de zeevissers die er hun hengel uitwerpen, en met je medevogelaars die net als jij de horizon afspeuren op zoek naar zeevogels. Nederland is hier ver weg en je kunt je hier, als de wind net wat harder rond het torentje blaast dan je bij het betreden van de pier gedacht had, best kwetsbaar en verloren voelen. Maar bij weinig wind, of zoals vandaag bij oostenwind, is het een ideale plek om iets mee te maken van het leven der zeevogels dat zich, zeker op dagen als deze, meest ver weg boven zee afspeelt.
Ik was er alweer lang niet geweest dus het was weer eens tijd. Het was er ook de dag voor: een prachtige winterse herfstdag, zonnig maar koud en met een felle oostenwind. Het was waarschijnlijk juist die oostenwind die de pier begaanbaar maakte. Had deze wind uit het westen gewaaid, dan zouden de golven over tientallen kilometers Noordzee zijn komen aanrollen om op de pier hoog uiteen te slaan, en had de reddingsbrigade ons zonder twijfel de toegang ontzegd. Maar bij oostenwind komen de golven van niet verder dan de honderden meters, nou ja, misschien enkele kilometers vanaf het strand tot hier aanrollen en dat is te weinig om de kracht te ontwikkelen die ons op het uiteinde van de pier zou kunnen bedreigen. De IJmuider reddingbrigade liet ons dus begaan zodat we iets konden meemaken van het leven der zeevogels. Roodkeelduikers bijvoorbeeld. Enkele dreven er tussen de pieren, misschien was dat er trouwens maar eentje die dan weer hier opdook en dan weer daar, en op zee. Maar spectaculairder waren de roodkeelduikers die we vanaf de punt van de pier langs zagen vliegen. Soms wel vier of vijf tegelijk en soms mooi vrij dicht langs ons heen. De meeste naar zuid, sommige naar noord. Mooi waren ook de zeekoeten en de alken. Van beide, pinguïnachtige zeevogels die buiten de broedtijd maar zelden aan land verschijnen, zaten er enkele dicht langs de pier op het water, voor zover ze zich niet onder water bevonden, en ook deze zagen we geregeld over zee naar het zuiden vliegen, waarbij overigens meestal niet was vast te stellen welke van de twee het was.
Het was een dag van wisselend succes maar uiteindelijk was ik er tevreden mee. In de jonge duintjes op het strand foerageerden twee strandleeuweriken, mooi in het zonnetje, en over zee vloog een kleine alk. Kwam uit het zuiden aangevlogen, ging even op zee zitten en vloog na een tijdje met wat omwegen weer verder. Er vloog ook even een alk/zeekoet mee. Het grootteverschil was navenant, wat de determinatie als het ware in beton beitelde. Alles op enige afstand maar wel herkenbaar, ook afgezien van het grootteverschil.
Leuk dus, maar kuifaalscholver dit keer niet kunnen vinden en velduilen werden langs de pier gezien net op plekken waar ik net op dat moment niet was. En dat was dan weer jammer. Zo is er altijd wat natuurlijk. Je ziet eens wat, je mist eens wat maar zolang dat het ergste leed is dat je te lijden hebt, heb je niets te klagen.
Amen.

19 november 2022






woensdag 2 november 2022

Hoe overleef ik een half DT3?

Ik zal het familieomstandigheden noemen en ik zal er niet in detail op ingaan, maar het gevolg was dat we pas zondagochtend met de eerste boot, dat wel, naar Vlieland afreisden. Op Vlieland meteen fietsen gehuurd, even bij ons hotelletje langs om wat bagage te droppen en daarna meteen op de fiets naar het westen. We hebben geprobeerd het maximale te halen uit de anderhalve dag die ons nog restte en dat is gelukt want maandagmiddag, toen we de laatste boot weer terug naar Harlingen namen, hadden we het gevoel dat die heenreis niet gisterochtend was geweest maar dagen geleden, en die familieomstandigheden een eeuwigheid terug. Maar ik maakte al met al van DT3 dus slechts de helft mee. De helft van het weekend, de helft van de soorten.
Wat ik vooral gemist had, waren de vale gierzwaluwen. Er had de afgelopen week langs de kust een ware tsunami aan vale gierzwaluwen plaatsgevonden, vrijdagmiddag hadden er maar liefst zeven boven de noordoosthoek van Vlieland gevlogen, dat was me uiteraard niet ontgaan, maar toen we zondagochtend tegen elven het eiland betraden, hadden de laatste giertjes het alweer verlaten. Die tsunami is dus helaas helemaal aan me voorbij gegaan.
Wel kon ik in de duinen nog voorbij de Kroon’s polders op zoek naar wat inmiddels officieel tot de soort van het weekend is benoemd: de turkestaanse klauwier in het laatste duinland voor de Vliehors. Notabene turkestaanse klauwier: zou mijn tweede dit jaar zijn. Ik had natuurlijk liever een daurische gehad, maar die keuze heb je niet en het zou wel verreweg de zeldzaamste soort zijn die ik ooit twee keer in één jaar gezien heb en dat is ook iets natuurlijk. Dus Westerse veld, Lange Paal, de Oude Kooi, Bomenland en de Kroon’s polders liet ik allemaal links, of rechts liggen en aan het begin van de Vliehors begonnen we onze wandeling. Dat werd een beetje een overlevingstocht door de binnenlanden van Vlieland, over het strand, langs de duinrand en langs jonge pioniersduintjes, maar klauterend over de laatste duinhellinkjes vonden we uiteindelijk de plek en twee uur na onze aankomst op Vlieland stonden we naar een prachtige adulte vrouw turkestaanse klauwier te kijken. Een mooi, karakteristiek beest: relatief contrastrijk, met duidelijke wenkbrauwstreep en scherp begrensd oogmasker, en eerder grijsachtig dan beige van kleur. De CDNA moet er natuurlijk nog over beslissen, maar ik heb er wel vertrouwen in. De vogel zat geregeld fraai in de top van een struikje, dook af en toe weg maar verscheen telkens weer in de top van een volgend struikje. Zoals het een klauwier betaamt. Terwijl intussen een nabije cetti’s zanger af en toe uitbundig zat te zingen en geregeld groepen vinken over ons heen naar het westen trokken. Het uitzicht over het westelijke deel van Vlieland was intussen ook niet te versmaden: woeste duinen, natte kwelders en een zich snel verbredende strandvlakte als opmaat naar de Vliehors. Het was genieten. Er werd ook nog een giertje gemeld over de Kroon’s polders naar west, maar ondanks verwoede pogingen konden we die niet terugvinden.

’s Middags heb ik me vooral nog bezig gehouden met zoeken naar zeldzame zangertjes aan de oostkant van het eiland. Eerst op Stortemelk, waar ik op de aangegeven plek een paar keer kort siberische tjiftjaf zag. Het was overtuigend genoeg maar niet erg bevredigend. Pallas boszanger liet even verderop al helemaal niet van zich horen of zien, al hoorde ik die aan de rand van de Oostervallei wel heel even roepen. Heb je ook weinig aan.
Met sibtjif had ik de volgende ochtend nog minder geluk: taal noch teken, maar met pallas meer. Het was even zoeken maar uiteindelijk werd-ie teruggevonden en kon ik aanschuiven. Paar keer leuk gezien: ook alweer mijn tweede dit jaar.
Dat was nog voor het ontbijt. Na het ontbijt de oostkant van het eiland verkend. In de bossen rond de torenvijver op zoek geweest naar paddenstoelen. Alleen al vanwege de namen de moeite waard: duivelsbroodrussula, narcisamaniet, gewoon vuurzwammetje en dooiergele mestzwam. Daarna over en langs de Oostervallei naar zee gelopen, tijdje over zee zitten kijken, wat gedwaald door de duinen van de noordoosthoek en over het strand gewandeld van het einde naar het begin van de Fortweg. Ja, zo kwamen we de laatste uurtjes op het eiland wel door. Fietsen ingeleverd, nog wat in en rond het dorp rondgehangen en in toenemende schemer de boot terug naar het vasteland.

31 oktober 2022


Meer Deception tours: DT 2
En wat betreft die vale gierzwaluwen, ach: Vogelen in tijden van corona






zondag 23 oktober 2022

Geelbrauwgors

Een ouderwetse spoedtwitch vandaag, en bovendien een modeltwitch: na een eindeloze autorit arriveerden we in het buitengebied van Bunne, diep in de Drentse binnenlanden temidden van kale akkers, boomrijen en houtkades. Een zijweggetje, een groepje zwijgzaam toeziende vogelaars en toen ik me bij hen had gevoegd: geelbrauwgors. Meteen in beeld, eerst alleen in de verrekijker maar daarna ook prachtig in de telescoop.
Want diep in de Drentse binnenlanden was een geelbrauwgors neergestreken, zeer zeldzame dwaalgast uit het verre oosten van Siberië en pas de tweede voor Nederland na een ringvangst veertig jaar geleden. Voor iedereen een nieuwe soort dus, en dus massaal getwitcht. Tientallen vogelaars hier, en tientallen vogelaars een meter of honderd verderop en daartussen, foeragerend in de berm vlak langs de Bongveenweg, de gors. Die liet zich bijna permanent en geregeld zeer fraai zien. Dat leek dus perfect maar voor de toeschouwers waren de omstandigheden verre van ideaal want de weg plus berm is amper vijf meter breed en dat is veel te weinig om iedereen een plaatsje op de eerste rang, of zelfs op de tweede rang te kunnen bieden. Langs elkaar heen, over elkaar heen en door elkaar heen zochten we een gaatje om een blik op het beestje te kunnen werpen. Dat klinkt tamelijk rampzalig maar eigenlijk ging het er vrij gemoedelijk aan toe. Iedereen gunde de ander het zicht op de vogel, mensen maakten plaats voor elkaar en lieten elkaar door elkaars telescoop kijken, en uiteindelijk heeft, denk ik, iedereen de vogel mooi kunnen zien. In elk geval toen ik er was.

Tientallen vogelaars, over de hele dag moeten het er honderden geweest zijn, bijeen op een landweggetje in Drenthe, loerend naar een eenzaam vogeltje afkomstig uit ongelooflijk verre streken, dat staat tegenwoordig garant voor vele zure commentaren op internet. Wat ik vreemd vind is dat als we met tientallen naar een zeldzame vogel staan te kijken, die commentaren niet van de lucht zijn terwijl als we met tienduizenden op de tribune zitten bij Ajax of Feijenoord of met honderden in de rij staan voor het rijksmuseum, niemand daar iets van vindt.
Wat ik ook vreemd vind is dat als we een keertje met honderden naar dezelfde plek rijden, er meteen wordt geroepen dat we zo slecht bezig zijn qua milieu en klimaat terwijl als we met duizenden allemaal ergens anders heen rijden, elke dag weer, er niets aan de hand is.
Ach, waarom zou ik me verdedigen. Ook ik was naar die geelbrauwgors, want voor een bepaald soort vogelaars is dat een soort Mona Lisa, een soort Nachtwacht: als je de kans krijgt (en die krijg je in Nederland niet heel vaak, en dat is een understatement van jewelste) dan moet je hem gaan zien, desnoods met tientallen tegelijk, net als bij de Mona Lisa of de Nachtwacht. Wie dat niet leuk vindt, staat het uiteraard vrij om niet te gaan kijken. Ik ging wel.

22 oktober 2022


Meer twitchen: Pieper



dinsdag 18 oktober 2022

Tschutschensis

Dit jaar geen weekend Dutch Birding op Texel, maar alleen een dagje heen en weer met vogelwacht Utrecht op zondag. Daar leek ik enorme spijt van te gaan krijgen. Want op zaterdag was er bij Dorpzicht, onder de rook van De Cocksdorp, een prachtige grijs met witte kwikstaart ontdekt die zeer goede papieren heeft om de eerste aanvaarde oostelijke gele kwikstaart van Nederland te worden, een variatie van gele kwikstaart afkomstig uit het hele verre oosten. Zeer zeldzaam dus, eentje die ik wel heel graag wilde zien. Ook omdat inmiddels roep was gehoord, opgenomen en geanalyseerd, en die bleek bijna één op één overeen te komen met roepjes die zijn opgenomen in het broedgebied van tschutschensis, van alle gele kwikstaarten uit die verre streken net de soort die nog het meest hier te verwachten is.
Maar toen we vanmorgen bij het kijkscherm langs de Hoofdweg stonden uit te kijken over de natte graslanden en de plasjes bij Dorpzicht, van de vogel geen spoor. Louter witte kwikstaarten, hoe hard we ook zochten, en een enkele bonte strandloper, een stel wintertalingen, bontbekplevier, een paar steenlopers, nee, het was akelig stil hier. Het zag ernaar uit dat de vogel gevlogen was en dat onze keus om alleen vandaag naar Texel te gaan, keihard werd afgestraft.
Dan maar naar Dorpzicht zelf gegaan, bosje dat meestal wel goed is voor een bladkoning en dat bovendien (daar was het ons eerlijk gezegd vooral om te doen) goed zicht biedt op de andere kant van het veld en van waar de kwikstaart gisteren ook regelmatig gezien is. Maar vanmorgen was daar helemaal geen kwikstaart te bekennen en ook van blako hier geen spoor, slechts af en toe een zucht meesjes, een paar koperwieken over … Ik begon me al af te vragen of dit weer zo’n dag ging worden dat alles mislukt toen daar ineens de bevrijdende melding was: oostelijke gele kwikstaart teruggevonden op de oude plek bij het kijkscherm.
Teruglopen naar de auto, proberen te keren terwijl van allebei de kanten kolonnes dagjesmensen passeren en dan nog de kleine kilometer met de auto naar het kijkscherm, uitstappen, telescoop opzetten: het lijkt op zo’n moment allemaal eindeloos te duren maar gelukkig zat-ie er nog en stonden we even later allemaal naar het bewuste beestje te kijken. Die was, als je hem eenmaal een beetje door had, nog best eenvoudig terug te vinden. Hij was vooral grijs en wit, zonder spoortje geel wat je bij onze gele kwikstaart zou verwachten, met een vette witte wenkbrauwstreep en met een zwakke beige-achtige tint die maakte dat je hem er gemakkelijk uitpikte tussen de omringende witte kwikstaarten. Dat gecombineerd met de opgenomen roep: kat in ’t bakkie, zou je zeggen.
Helaas blijkt het iets minder eenvoudig. Er komen in het hele verre oosten enkele taxa van gele kwikstaart voor die in juveniel kleed zeer lastig van elkaar te onderscheiden zijn en die door onze CSNA als aparte soorten worden gezien. In andere, minder split-gerichte landen hebben ze het er makkelijker mee: daar worden ze allemaal als één soort beschouwd, maar wij moeten dus, om hem tot op soortniveau te determineren, de diverse alternatieve taxa uitsluiten. Meestal is daarvoor DNA vereist maar hopelijk kan ook het opgenomen roepje behulpzaam zijn. Nou ja, later zorg. Dat de vogel uit het hele hele verre oosten afkomstig is, daar twijfelt niemand aan en daarmee was-ie de hoofdprijs van de dag en die was in elk geval binnen. Dat gaf ons rust.
Rust was er toch in overvloed, de verdere dag. Het weer was prachtig, de zon scheen volop, de temperatuur was bijna lenteachtig maar de vogels hielden zich gedeisd. We deden ons best, wandelden helemaal om het Renvogelveldje en de Robbenjager heen en bezochten daarna diverse plasdrasjes langs de Waddendijk, maar kwamen niet verder dan honderden spreeuwen, een kleine zilverreiger in Utopia, een groepje sneeuwgorzen in het Wagejot en hier en daar wat mooie zilverplevieren, een groepje kluten en een paar honderd rotganzen. Maar goed, die zijn ook leuk en bij ons thuis hebben we die niet of hooguit zelden.

Dat was voor ons het Dutch Birding Texelweekend. Wat op de terugweg nog volgde, viel daarbuiten. Maar was wel erg leuk. Bij Petten zagen we op de parallelweg naast de autoweg een paar vogelaars staan, gebogen achter hun telescopen. En we herinnerden ons weer de melding van een gestreepte strandloper hier in de buurt. Toen we verderop eindelijk de autoweg af konden en over de parallelweg waren teruggereden, bleek 1 + 1 inderdaad 2: op een ondergelopen bollenveldje zat een mooie groep steltjes. Tientallen bonte strandlopers, tientallen kleine strandlopers, wat kieviten, een paar kemphanen en daartussen een stuk of twee juveniele krombekstrandlopers en een mooie gestreepte strandloper. Maar de bijzonderste soort hier was misschien nog wel die paarse strandloper. Zelf zag ik die nooit eerder verder dan pakweg 10 meter van zee vandaan.

16 oktober 2022


Meer lezen? Texel met Dutchbirding

woensdag 12 oktober 2022

Hoe overleef ik DT2?

Het is weer prima gelukt, dank u. Naar de maatstaven die men daartoe graag hanteert, voldeed ook DT2, het tweede Deception Tours-weekend, ook dit jaar weer niet helemaal aan de verwachtingen, maar aan die verwachtingen voldoen feitelijk de meeste DT-weekends niet. We hopen allemaal elke keer weer (behalve als ik er niet bij ben natuurlijk) dat dit keer die kolossale Mega valt, dat glorieuze lot uit de loterij van het vogelaarswalhalla, maar vrijwel altijd moeten we met (veel) minder genoegen nemen. En denken we weer eens een hele grote soort gescoord te hebben, dan blijkt die vaak een paar jaar later heel wat minder waard. Zie blauwstaart, zie raddes boszanger, allebei overigens dit weekend niet van de partij, en zie bijvoorbeeld grote kruisbek, die er wel was: soorten die tegenwoordig lang niet meer zijn wat ze pakweg tien of twintig jaar geleden waren.
Wat betreft grote kruisbek: meldingen kwamen vanuit Bomenland in het westen en toevallig was ik net naar die kant op weg. Al was dat ook weer niet zo heel toevallig want veel keus heb je op Vlieland niet: je bent ofwel op weg naar het oosten, ofwel naar het westen en ben je toevallig naar de verkeerde kant onderweg, dan kun je altijd nog omkeren. In Bomenland, dat me in bijna alles doet denken aan een elfenwoud uit Lord of the Rings en aanverwanten maar ik zal dan wel fan zijn, in Bomenland dus een tijdje staan wachten op een mooie, venige open plek waar een fraaie grote gele kwikstaart het wachten aanzienlijk veraangenaamde. Uiteindelijk verschenen de kruisbekken, moeder en jong, waarbij moeder fier haar klassieke, kolossale snavel droeg maar jong met een aanzienlijk bescheidener geval genoegen moest nemen, wat de vraag opriep: is dat er wel eentje? Hij was echter overduidelijk gekoppeld aan moeder. Kan het zijn, vroegen we ons af, dat bij (sommige) jonge vogels de snavel nog moet groeien?

Zelf was ik dit weekend vooral erg tevreden met bladkoning, een klassieke DT-soort die inmiddels op de nominatie staat om te degraderen naar de klasse ‘vrij algemeen’, maar vorig jaar nagenoeg afwezig was. En DT1 had ik dit jaar overgeslagen dus ik moest hem nog. Nou, dat is prima gelukt: eindelijk weer eens mooie blako's. Vooral zaterdagochtend in het oostelijk bos (Klaas Douwes heette het daar) waar er eentje fraai hoewel zwijgzaam foerageerde, en die middag bij het voetbalveld, waar er eentje riep in een flokje en enige keren kort mooi zichtbaar was.
Heel erg tevreden zelfs was ik met mijn pijlstormvogels op zaterdag. ’s Ochtends na mijn eerste bladkoning een tijdje aan het eind van de Badweg over zee staan kijken. Van de eerste grauwe pijl die toen ik daar stond werd omgeroepen, kon ik ternauwernood nog een glimp opvangen voor die voorgoed achter de horizon verdwenen was. Toen tien minuten later de tweede voorbijkwam, was ik er wel op tijd bij. Daarna ging het los: enkele minuten later gingen er liefst vijf tegelijk naar zuid, fraai keilend in sierlijke bogen af en toe hoog boven de horizon. Op zeker moment waren ze alle vijf tegelijk zichtbaar. En ze waren nog niet eens voorbij toen er weer twee passeerden. Deze vlogen echter veel dichterbij zodat behalve de klassieke vliegwijze en het klassieke, wat gekromde vliegbeeld, ook iets van de kleedkenmerken zichtbaar was. Maar het was toch vooral dat gevoel dat ze opriepen, dat oerbeeld dat al eeuwen lang over de oceanen zwerft en van tijd tot tijd verre horizons siert, dat beklijft.
Het enige dat nog ontbrak, vond ik, was noordse pijlstormvogel. Want die was die ochtend ook gezien, alleen stond ik er toen helaas nog niet. Maar nog diezelfde middag, na een hoewel vruchteloos niet oncomfortabele uurtje in een lui zonnetje te Langepaal waar mogelijk iets heel bijzonders was gezien maar niet meer was teruggevonden, nam ik nog even plaats op de zeereep ergens bij dam 20, volgens de ANWB-paddenstoel, en daar vloog na een tijdje toch die noordse pijl langs. Een schitterende noordse pijl, kort achter de branding en laag over de golven naar west.
Natuurlijk was er ook nog sprake van vaal stormvogeltje, zelfs de veel zeldzamere vale pijl werd gemeld en daar kun je natuurlijk lichtelijk gedeprimeerd van raken, het gevoel van krijgen dat wat jij ziet eigenlijk de moeite niet waard is maar ach, je mist altijd meer dan je ziet, een waarheid die elke dag weer bevestigd wordt en die je het best maar kunt negeren. En als ik dan toch een beetje filosofisch bezig ben: het ware vogelen zit ‘m natuurlijk niet in de eerste plaats in het resultaat, het zien van mooie vogels, maar in het zoeken naar dat resultaat, in het ‘lekker bezig zijn’. Iets met Zen of zo? Struinen langs het strand waar je de drieteenstrandlopertjes, sommige in hun prachtige juveniele kleed, langs de branding kunt zien hollen. Ook een resultaat natuurlijk. En langs de Waddendijk, waar je op het wad duizenden bontjes kunt zien en mooie kanoeten, rosse grutto’s en zilverplevieren.
Zondag was het vooral de landtrek die indruk maakte. Een constante stroom van graspiepers, mooie groepen koperwieken, mooie groepen vinken ook, met kepen ertussen, zanglijsters, het was een komen en gaan. Of vooral een gaan eigenlijk. Tenslotte was ik nog bij de Kroon’s polders en achterliggende kwelders. Veel vogels leverde dat niet op, maar dat gaf niet, ik was lekker op zoek. En het landschap was er niet minder indrukwekkend om. De weidse vlakte, het reflecterende zonlicht, de duinruggetjes in de verte, aan de horizon de vuurtoren van Texel: het was spectaculair. En intussen nog altijd geen mega’s van buiten Vlieland. Zo overleef je DT2 wel. Maar dat is natuurlijk niet zo filosofisch.

10 oktober 2022


Meer Deception tours: Hoe overleef ik een half DT3









woensdag 5 oktober 2022

Steppearend

De gebeurtenissen van vandaag hadden iets onvermijdelijks. Ik moest wel, ik kon niet anders. Ik was, zeg maar, voorbestemd. Want twee jaar geleden deed kort na elkaar twee keer een steppearend Nederland aan, terwijl eentje al zeer zeldzaam is. Alleen: allebei gemist. Ik herinner me nog dat ik net op station Den Bosch was toen het bericht doorkwam dat de vogel bij Goes hoog was opgevlogen en vertrokken. Ik ging toen maar wat anders doen. Dus toen bleek dat de steppearend die vrijdag was gefotografeerd in de Groote Peel, daar gisteren nog steeds aanwezig was, kon ik niet anders dan vandaag de trein nemen naar Deurne en van daar met de vouwfiets naar het veen fietsen. Als ik vroeg genoeg was, zou-ie er hopelijk nog wel zitten. Moest het natuurlijk niet al te mooi helder en zonnig zijn, want dat zou hem ertoe kunnen verleiden toch voortijdig een hoge vlucht naar verre streken te nemen. Ik was dus wel blij met het miezerige weer en de regen onderweg. Maar ik was ook blij met de eerste voorzichtige opklaringen toen ik zo’n beetje het veen had bereikt, de vaalblauwe plekken in de lucht en de plotselinge schim van de zon die al het druipende kreupelhout deed glinsteren en de kale takkenbossen en de vergeelde veenvlakte zwakjes deed oplichten. Dit moest haast wel goedkomen, toch?
Eenmaal in de Peel begon het lange wachten en het grote zoeken. In een ambiance van uitgestrekte vaalgele steppes waarin een creatieve geest verspreide bosjes en verre boomrijen en bosranden had aangebracht, speurden we de horizon af. Vooralsnog vlogen er slechts vinken en zwaluwen, een paar boomleeuweriken en af en toe een buizerd. Enkele kilometers achter ons zagen we soms de uitkijktoren waarop in dichte drommen de vogelaars stonden, alsof ze er de natuurlijke vegetatie van vormden. Ook van hen geen nieuws. Maar uiteindelijk sijpelden er toch goede berichten binnen. Iemand had de vogel ergens in het veen gefotografeerd en iemand had hem in de verte kort zien vliegen, dus we wisten ongeveer waar we moesten zoeken. En gingen dieper het veen in. We stonden al een tijdje met een man of tien te turen op de plek waar de vogel zich bij benadering zou moeten ophouden, toen iemand riep ‘daar vliegt-ie’. Op zo’n moment gaat er een bliksemschicht door je lijf maar het was te kort. Toen ik de verrekijker gericht had, was-ie alweer naar de grond verdwenen. De ontgoocheling duurde echter maar kort want even later was het wel raak: korte tijd was-ie fraai zichtbaar boven een verre boomrij. Eindeloos lange vleugels met diep ingesneden vingers en opvallende witte markeringen: steppearend in de pocket! De euforie op dat moment: onbeschrijfelijk.
Een volgende bericht: ‘vanaf hier zichtbaar op zo’n 25 meter!’ Het is zo te zien een klein half uur lopen. Ter plaatse inderdaad: schitterend zicht op een machtige vogel. Zowel aan de grond als in vlucht, laag over ons heen. Een onvergetelijke ervaring.
Alleen: hij heeft een ring om een poot! Het is de moeder aller dompers. Al gauw weet men te vertellen dat dit type ring niet wordt gebruikt door de ringcentrales. Een kwekersring dus, en dus een escape. En dan mag het nog steeds een geweldige vogel zijn, het gevoel erbij is heel anders. Afkomstig uit de steppes in midden Afrika of uit een vogelkooi wie weet waar: het is een wereld van verschil. Maar er is ook een Engelsman die de indruk wekt verstand van zaken te hebben en die stellig en volkomen overtuigd beweert dat dit soort ringen gebruikt worden bij ringprojecten in Afrika. Toch een wilde vogel dus, volgens hem, toch afkomstig van steppes duizenden kilometers hier vandaan. En ja, ik heb er natuurlijk geen verstand van maar ik kan me goed voorstellen dat ringers in Afrika zich niet houden aan de voorgeschreven maten en gewichten die wij in Europa hanteren. Waarom zouden ze ook? En ook kan ik me voorstellen dat Nederlandse deskundigen om die reden zo’n ring niet herkennen als wetenschappelijke ring. Ik ben niet naïef hoor, ik geloof zo’n man heus niet meteen op zijn woord, maar ik hoop wel dat iemand bij de CDNA zijn claim nog even serieus onderzoekt. Want het zou zonde zijn als we zo’n geval verloren laten gaan, alleen maar doordat wij hier de Afrikaanse ringers niet kennen.

2 oktober 2022


Meer: Geelbrauwgors