dinsdag 3 september 2019

Van Glasgow tot Oban

Glasgow is een stad die op je palmares niet misstaat. Zo’n stad waar je weliswaar eerder nooit zo bij had stilgestaan maar die je nu je er bent geweest, toch niet had willen missen. Stad van Celtic en van Glasgow Rangers, grote voetbalclubs van weleer die zo’n stad toch aanzien geven. Een stad van enige naam en faam dus. Een indrukwekkende stad ook, vond ik. Soms een oude industriestad met smalle straatjes en dichtgetimmerde ramen, soms een historische monumentententoonstelling met kerken en kathedralen en standbeelden met een verkeerskegel op hun kop, en soms een moderne, culturele metropool.
Die verkeerskegels, die behoeven nog enige toelichting. Een van de meest iconische bezienswaardigheden van Glasgow is Carlo Marochetti's ruiterstandbeeld uit 1844 van Arthur Wellesley, hertog van Wellington, aan het Royal Exchange Square. Iconisch is dat beeld niet zozeer vanwege de hertog zelf of de vaardigheden van Marochetti, hoewel die niet genoeg geprezen kunnen worden, maar vanwege de verkeerskegel op het hoofd van de hertog. In iedere andere stad zou die zijn verwijderd en ook in Glasgow is dat vaak gebeurd, maar inmiddels verkoopt men er ansichtkaarten van! Dit onschuldige maar ondeugende attribuut wordt al sinds de jaren tachtig telkens weer op het hoofd van de hertog geplaatst, meestal anoniem en in het holst van de nacht. En niet als het impulsieve uitvloeisel van een uit de hand gelopen avondje uit, maar als sociale boodschap die het publieke bewustzijn van het moment weerspiegelt. Zo werd het beschilderd tot een regenboog tijdens Gay Pride, versierd met sterren toen Groot Brittannië voor de Brexit had gekozen en recent voorzien van een opgeheven vuist tijdens de Black Lives Matter-protesten. De kegel is icoon van anti-establishment geworden, hinderlijk voor de gemeenteraad van Glasgow die miljoenen heeft uitgegeven aan maatregelen om zijn terugkeer te voorkomen. Vergeefs. De verkeerskegel is een uiting van de publieke betrokkenheid en beeldmerk van het levende culturele erfgoed van Glasgow. Beeldmerk dat inmiddels ook is terug te vinden op allerlei andere plekken in Glasgow. Zo vonden we er onder andere een op een vuilcontainer in de universiteitswijk van de stad.
In het etmaal dat ik in Glasgow ben geweest, heb ik net genoeg gezien om een zekere indruk van de stad op te doen. Gistermiddag na aankomst langs de Clyde naar het culturele centrum gewandeld waar Harriët haar congres heeft gehad, met opvallende combinatie van moderne en oud-industriële architectuur. 's Avonds met zijn allen het drukke centrum in geweest, met winkelstraten, met pleinen en met paleizen. Vanochtend met Renske naar mooi park in Engelse stijl, zo’n oase in de zee van bedrijvigheid die elke stad is, een woest stromend riviertje erdoorheen en de universiteitswijk met imposante pronkarchitectuur er tegenaan. En tenslotte met zijn allen onder andere naar de kathedraal geweest. En zo verliet ik Glasgow met het gevoel toch iets van Glasgow te hebben meegekregen. Nog wel een verbeterpuntje: dat je bij de voetgangersstoplichten meestal zo oneindig lang moet wachten en vaak twee en soms zelfs drie keer per oversteek. Dat kan voetgangersvriendelijker. Maar er zal wel geen enkele ambtenaar in Glasgow zijn die dit leest.

Verder vandaag Schotland gezien. Het Schotland van de vakantiefolders, van de reisboeken: de meren, de bergen, de hooglanden, het ware gezicht van Schotland dus, decor van heldenverhalen, van mythen en sagen, een oud en eerbiedwaardig landschap dat miljoenen jaren aan geologische geschiedenis achter de kiezen heeft. We zijn er nog wel niet binnen geweest, in dat ware Schotland, dat komt nog, maar we hebben het gezien, en het was prachtig.
Eindpunt was vandaag Oban, bruisend havenstadje aan zijn eigen baai in het westen van Schotland. Met kades vol bedrijvigheid, met vissersgerij, pakhuizen, terrasjes, stijgers en piertjes met boten en met daarachter in het gelid rijen van indrukwekkende gevels, met monumentale hotels en de stoere kathedraal en de terminal van de vele veerboten naar de vele eilanden in de buurt. Waarachter de steile helling verrees waar huizen en kastelen elkaar verdrongen, bekroond door helemaal bovenaan de ellipsvormige muren van de McCraigs Tower, mislukt speeltje van plaatselijk miljonair van weleer. In de volksmond wordt-ie ook wel McCraigs Folly genoemd, vanwege de volslagen nutteloosheid van het bouwwerk. Het heet een negentiende-eeuwse replica van het Colosseum, al is er wel wat fantasie voor nodig om die erin te herkennen.
Oban was oorspronkelijk een klein vissersdorpje met een beschutte haven, maar sinds de komst van een stoomveerdienst en een spoorweg in 1880 dient het als belangrijke uitvalsbasis naar veel Schotse eilanden in de Binnen- en de Buiten-Hebriden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de haven van Oban door de Royal Navy als marinehaven gebruikt en ook tijdens de koude oorlog speelde het dorpje een kleine rol. Hier werd namelijk de eerste trans-Atlantische onderzeekabel aangelegd. Door deze kabel was telefoonverkeer tussen de presidenten van de Sovjet Unie en de Verenigde Staten mogelijk.
Oban, Gaelic woord voor kleine baai, is tegenwoordig een populaire toeristische bestemming. Er wonen ruim 12 duizend mensen maar in het toeristenseizoen kan dat aantal oplopen tot zo’n 25.000 personen. Aan de overkant van de kleine, hoefijzervormige baai en tot ver daarachter verrijzen gordels van eilanden steeds verder en hoger uit zee.
Oké, genoeg Wikipedia. Soort van de dag: bonte kraai, vanuit de bus al ontdekt en in Oban volop aanwezig. We zitten hier weer in bonte kraaienland.


10 augustus 2019


Verder in Schotland: 11 augustus
Meer buitenlandse zaken: Luxemburg

























Naar Mull

Oban had nog een leuke verrassing in petto: vlak voor de kade nabij de kathedraal op het water wel 17 zwarte zeekoeten! Vlak onder mijn neus. En zwarte zeekoet, dat is een soort waar je als vogelaar mee thuis kunt komen. Zeldzaam in Nederland; in Schotland blijkbaar niet.
Daarna met onze schare aan kids, aan knuffelbeesten en fabeldieren, monsters en goedlachs fruit of groente en wat dies meer zij, verkast naar de eilanden. De overtocht naar Mull was regenachtig maar toch de moeite waard, met zicht op bergachtige kusten en eilanden rondom, en leverde ook alvast wat zeevogels op: jan van genten, drieteenmeeuwen en een paar kuifaalscholvers. Daarna een soort herhaling van gisteren: fantastische bustocht, dwars over Mull dit keer, waarbij we echt het eiland hebben gezien, het Mull van de reisboeken en de vakantiefolders, met immense half kale hoogtes en natte laagtes en diepe zeearmen, om uiteindelijk, op Suidhefarm in het verre en verlaten westen, dat eiland te betreden. Het is hier een fantastische plek. Uitzicht vanuit ons huisje naar alle kanten in de oneindigheid van Mull. Op golvende, half verwilderde graslanden met schapen en met graspiepers. Vooral op het uitzicht op de berg achter het beneden aan de baai gelegen Bunessan, een torenhoog steil klif met daarna een glooiende hoogte, raak je niet uitgekeken.
Soort van de dag? Die zwarte zeekoeten natuurlijk.


11 augustus 2019


12 augustus








vrijdag 26 juli 2019

...

In de krant gaat het over oorlog, over moord en doodslag, over de dreiging van hernieuwde economische malaise, over de huizenprijzen en de woningnood en over nog veel meer rottigheid. ‘Dit is de eerste generatie die het slechter krijgt dan haar ouders’, kopte de Volkskrant laatst. Maar dat ik vanochtend in de Gagelpolder een stukje liep langs wat sloten en poelen en dat ik daar vrijwel geen juffer vinden kon, en gisteren ook niet en vorige week ook al niet, daar heeft dan weer niemand het over. Terwijl ik daar toch vroeger de juffertjes met tallozen boven het water zag vliegen. Geen enkele vlinder ook vanochtend, en geen enkele libel, oh ja, eentje. En dan denk je, een stukje van 500 meter, wat zegt dat? Misschien is het verderop wel beter? Maar nee, verschillende slootjes en plasjes verderop oogden net zo verlaten. Misschien ligt het wel aan de tijd van het jaar en is het volgende week alweer beter? Of aan de nog vroege ochtend? Maar: vroeg? Een uur of 9, dat is in juli niet vroeg. De zon scheen en de temperatuur was al (nou ja, nog) aangenaam. Andere jaren was ik altijd net zo vroeg en toen vlogen ze wel.
Het gaat niet goed met de vlinders en libellen in Nederland. Het gaat ook niet goed met de vissen in de zee. Het gaat niet goed met de grote karekiet en met de blauwe kiekendief, met de zomertortel en de veldleeuwerik en de patrijs. Het gaat sowieso niet goed met de akkervogels in Nederland. En het gaat ook niet goed met de bijen, en met de amfibieën en de reptielen. Enzovoort. En ja, natuurlijk, met sommige dingen in de natuur gaat het wel goed, met de brandnetels en de nijlganzen bijvoorbeeld, maar het gaat niet goed met de biodiversiteit. VN-commissies produceren de ene alarmerende rapportage na de andere maar er gebeurt niks. En zie hier waar die rapporten over rapporteren. En dan kun je denken jammer maar toch een beetje een luxeprobleem, maar dat zou weleens kunnen gaan tegenvallen. Dit zou ons uiteindelijk weleens zwaarder op de maag kunnen gaan liggen dan die oorlog, die moord en doodslag, die huizenprijzen en die dreiging van hernieuwde economische malaise. Meer dan dat zouden natuur en milieu er weleens verantwoordelijk voor kunnen zijn dat ‘deze generatie’ het slechter krijgt dan haar ouders. Want minder juffers en minder libellen, dat wijst ook op minder mugjes en minder vliegjes. Ik zag een spinnenweb in de slootkant met daarin nog niet een handvol beestjes. Was dat vroeger altijd anders? Dat weet je op zo’n moment natuurlijk niet, dan is gedegen onderzoek nodig. Nou, dat is dus gedaan, dat onderzoek, en je ziet hier dus gewoon de weerslag van dat onderzoek. Minder libellen en minder vlinders en minder vliegen en muggen betekent ook minder zwaluwen en minder tjiftjaffen, minder boomvalken en minder sterntjes en minder vleermuizen. Het betekent ook minder bijen en minder spinnen en misschien zullen sommige mensen daar alleen maar blij mee zijn, enge beesten, die kunnen we wel missen, maar het punt is, die kunnen we niet missen.
En intussen is het vandaag ook nog eens loei- en loeiheet, ja, je zou het vandaag eigenlijk moeten hebben over dat andere probleempje dat moedertje natuur ons voorschotelt. Warmterecords sneuvelen waar je bij staat. Natuurlijk hoop ik dat de klimaatontkenners op onnavolgbare wijze toch nog gelijk krijgen, maar wie nu nog denkt dat er niets aan de hand is, steekt zijn kop in het zand en dat is met deze temperaturen niet aan te bevelen.

Ik probeer optimistisch te blijven hoor maar soms wordt ik er wat somber van. Je kunt het natuurlijk negeren (‘het klimaat, daar ben ik nu wel klaar mee’), maar je kunt ook drastische maatregelen nemen. Zo heb je mensen die vanwege al die problemen met natuur, met milieu en klimaat, geen kinderen meer willen. Want elk nieuwe kind maakt die problemen op termijn groter. Hun bijdrage aan die problemen is dan in elk geval veel kleiner dan die van mensen met kinderen. Nou is dat natuurlijk een denkfout. Het is niet de bijdrage van de ouders aan de problemen die groter wordt als ze kinderen krijgen, het is de bijdrage van die kinderen zelf die erbij komt. Nou wil ik geen verantwoordelijkheden afschuiven, natuurlijk komen die kinderen niet vanzelf en iedereen moet het vooral zelf weten, maar als je geen kinderen wilt omdat die het milieu teveel belasten, dan is het toch net alsof je tegen ons hypothetische nageslacht zegt: sorry, voor jullie is geen plaats meer, want wij belasten het milieu teveel.

24 juli 2019


Niet bij vogels alleen: Raamsdonksveer

maandag 22 juli 2019

Zes uur

Wat me gevraagd werd, was een verhaal dat even lang was als de tijd dat ik op de dijk bij Vatrop heb staan wachten. Helemaal geen druk hoor, welnee. Ik heb er zo’n zes uur gestaan, maar hoe vertaal je nou die zes uur in de lengte van een verhaal? Die wordt niet gemeten in uren, niet in minuten maar in letters of in woorden. Of je moet het hebben over hoe lang je erover doet om het te lezen. Nou, dan moet je heel langzaam lezen, of ik moet zowat een roman schrijven. Een roman over een sakervalk die drie dagen achtereen rond het middaguur was gezien vanaf de Waddendijk bij Vatrop in de Kop van Noord Holland, en over de honderden fanatieke vogelaars die daardoor naar die dijk waren gelokt. Indien aanvaard de eerste voor Nederland want de schaarse voorgaande gevallen betroffen allemaal verdachte exemplaren. Beesten waaraan altijd wel iets mis was. Een ringetje of een leertje dat wees op herkomst uit valkenierskooi. Of kenmerken van gier-, slecht- of lannervalk: geen zuivere koffie, wat ook wees op herkomst uit valkenierskooi. Er worden best regelmatig van die vage grote valken gezien in Nederland, maar zuivere vogels zijn dat zelden. Een heel enkele keer een giervalk, dat is eigenlijk alles. Als we de slechtvalken niet meetellen, die ook best groot zijn maar niet vaag: een slechtvalk is gewoon een slechtvalk en dat is tegenwoordig een vrij algemene vogel in Nederland. Gaat niemand voor naar de Waddendijk bij Vatrop in de Kop van Noord Holland. Maar een echte, zuivere sakervalk, zonder ringetjes of leertjes of andere verdachte versierselen? Die hebben we eigenlijk (zo goed als?) nooit in Nederland. In elk geval nooit eerder een die de toets der kritiek kon doorstaan. Maar deze leek er heel sterk op. Enkele hele fraaie foto’s die alles onthulden wat je zou willen dat ze onthulden, lieten geen ringetjes en geen leertjes zien. En ook geen kenmerken van gier-, slecht- of lannervalk. De grootste roofvogeldeskundigen van Europa hadden zich er al over gebogen en hadden ook niets kunnen vinden dat determinatie als zuivere sakervalk in de weg stond. En dat betekende dat een flinke schare vogelaars hevig geïnteresseerd was.
De vogel was voor het eerst gezien en gefotografeerd op donderdag rond het middaguur. Door één persoon slechts, die toevallig rond het middaguur ter plaatse was stel ik me zo voor, dus best mogelijk dat het beest ook eerder die dag al aanwezig was. Dezelfde persoon zag de vogel ook vrijdag, ongeveer op dezelfde tijd. Maar ook toen was hij de enige dus ook toen was het best mogelijk dat het beest ook eerder die dag al aanwezig was. Intussen hadden de foto’s de aandacht getrokken en later die middag al hebben enkele vogelaars urenlang gepost op de dijk bij Vatrop. Zonder resultaat. Zaterdagochtend regende het. Het zal weinigen zijn ontgaan. Het regende regelmatig vreselijk hard. Ik was er niet bij toen, helaas, maar ik stel me zo voor dat er die ochtend weinig of geen mensen ter plaatse zijn geweest, of anders zal de valk zelf zich wellicht gedeisd hebben gehouden. Rond het middaguur echter, toen de regen was weggetrokken, werd die opnieuw ontdekt vanaf de Waddendijk bij Vatrop. Een select gezelschap vogelaars heeft de vogel toen gezien; velen kwamen te laat, sommigen amper een minuutje, want tegen drieën ging-ie er vandoor en hij heeft zich de verdere dag niet meer laten zien.
Drie keer rond het middaguur dus, maar voor de zekerheid stonden we vanmorgen toch al om half tien op de dijk. Bijna hadden we de expeditie nog afgelast, toen op de DB-app het bericht verscheen dat er bij een valkenhouderij in Berkel en Rodenrijs onlangs precies zo’n vogel was ontsnapt. Toch maar gegaan, en dat bleek de goede keus: we stonden nog maar net op de dijk toen het bericht doorkwam dat de vogel van Berkel en Rodenrijs een adult was. De vogel van hier was een juveniel, dus een andere. Bovendien is juveniel altijd goed: verreweg de meeste dwaalgasten die bij ons opduiken zijn onvolwassen vogels die de weg nog niet zo goed kennen, terwijl die in de vogelkooien juist meestal tamelijk schaars zijn. Dus vol goede moed begonnen we met wachten. De zon scheen. Eerst nog mild, later steeds harder en hoger. Zakten we eerst nog een stukje de dijk af om de frisse wind te vermijden die van het wad kwam aanwaaien, later klommen we juist weer omhoog om ons door die wind aangenaam te laten verkoelen. Zo kroop de tijd voort, zo langzaam als-ie maar kruipen kon. Een grote groep wulpen stond vredig op een akker in de verte. Elders meeuwen. Een grote zilverreiger. Een lepelaar over, oeverzwaluw, zwarte sterns boven de Waddenzee, een paar rosse grutto's, jagende bruine kiekendief. En diverse buizerden hier en daar hoog in de lucht. Zo sprokkelden we de onbeduidende soortjes bijeen. Het middaguur naderde en dan, zo vanaf een uur of een, moest het dan maar gaan gebeuren. De gedachte dat-ie ook best vroeger in de ochtend zou kunnen verschijnen, hadden we inmiddels verworpen. Velen hadden het al van te voren zo ingeschat, want het werd nu steeds drukker op de dijk. Of waren ze pas vertrokken toen was vastgesteld dat de vogel hier niet uit de kooi in Berkel en Rodenrijs kwam?
Steeds meer vogelaars, steeds meer ogen, steeds meer speurende blikken. Maar een sakervalk konden ze met zijn allen niet tevoorschijn brengen. De klok tikte door, het middaguur of wat daarvoor moet doorgaan schreed voort. Af en toe vlogen ineens massaal de wulpen en de meeuwen op en dan speurden we, loerden we, zochten de hemel af zover we kijken konden, zochten boven de akker of iets wellicht die algehele paniek kon hebben teweeg gebracht maar zie, alles daalde alweer en al gauw keerde de rust weer. We hadden niets kunnen vinden. Een vogel die over de Waddenzee vloog en ons heel even schrik had aangejaagd, was een koekoek. Toen ineens van verderop geroep en gefluit klonk, was het bij nader inzien toch maar gewoon een torenvalk die langs kwam vliegen, een van de diverse die zich ophielden in het gebied aan onze voeten.
Intussen alle tijd om je allerlei vragen te stellen. De gebruikelijke vragen. Vragen naar de zin van zo’n exercitie. Of het nog leuk is, dat twitchen? Of je je tijd niet beter had kunnen besteden. Aan vlindertjes en libellen in Limburg, of aan boomkikkers in Brabant. Het zijn vragen die je je natuurlijk nooit stelt na een geslaagde twitch naar een kalanderleeuwerik of een grijskopkievit. Ach, is de conclusie, het hoort er allemaal bij. Als je die heerlijke twitches naar kalanderleeuwerik of grijskopkievit wilt meemaken, dan moet je accepteren dat het ook weleens fout gaat. Wie nooit wil dippen, moet niet gaan twitchen, luidt de aloude wijsheid onder vogelaars van het type dat weleens een zeldzame soort wil opzoeken. En natuurlijk zijn er nog wel andere argumenten te verzinnen om niet te gaan twitchen. Of het wel verantwoord is, al die liters benzine die verstookt zijn vandaag, voor één zo’n vogel? Je ziet de venijnige reacties straks op de diverse internetfora al aankomen. Dan ook maar niet meer naar Amsterdam om de Nachtwacht te zien? denk ik dan altijd. Niet meer naar theater of concert verder dan een steenworp van je woonplaats? Niet meer naar Parijs voor Mona Liza? Niet meer naar familie aan de andere kant van het land, niet meer een dagje naar de Efteling? Het leven wordt wel erg karig dan. Nee, al met al vind ik twitchen toch nog veel te leuk. En daarbij: waren we vandaag niet met zijn allen naar de Waddendijk bij Vatrop gegaan, dan waren we allemaal ergens anders gaan vogelen. Want vogelen is nou eenmaal wat wij vogelaars doen. Had in de meeste gevallen net zo goed benzine gekost. Voor de benzine maakt het dus uiteindelijk helemaal geen verschil, dat twitchen.
Ja, ze kunnen filosofischer hoor, die gedachten op de Waddendijk bij Vatrop in de Kop van Noord Holland gedurende zes uur wachten op een sakervalk. Ze kunnen dieper, je kunt er Nietzsche en Cicero bijhalen, maar uiteindelijk is dat toch waar het om gaat in het leven: je probeert er wat van te maken, ieder op zijn of haar manier, je probeert het leuk te hebben en af en toe lukt dat, en af en toe niet. Zo simpel is het gewoon.
En trouwens, het was erg gezellig hoor, daar op de Waddendijk bij Vatrop in de Kop van Noord Holland.

Intussen tikte de klok door en ging het middaguur of wat daarvoor moest doorgaan bijna ongemerkt over in de namiddag. De gevreesde namiddag waarin de vogel steevast spoorloos was geweest de afgelopen dagen. En allengs werd het minder druk. Mensen vertrokken weer, het geloof in een goede afloop vervluchtigde. De zon begon alweer wat te zakken en wij zakten weer een stukje de dijk af om de frisse wind te vermijden die van het wad kwam aanwaaien. En uiteindelijk gaven ook wij het op en gingen, na uren vergeefs wachten, zonder sakervalk weer naar huis.

21 juli 2019


Meer dips: https://guuspeterse.blogspot.com/2020/10/gedipt.html

zaterdag 29 juni 2019

Grijskop

‘Grijskopkievit bij Workum, Friesland’. Huh, grijskopkievit? Nooit van gehoord. Zou wel een of andere vage escape zijn, is dan altijd mijn primaire reactie. Ik geloofde er niet in, want: nooit van gehoord immers. En ging door met waar ik mee bezig was.
Ja, zo wordt je dus nooit een toptwitcher.

‘s Avonds, inmiddels over de 300 meldingen op Waarneming.nl verder, werd me langzaam duidelijk dat ik me misschien vergist had. Meer dan 300 mensen hadden er in elk geval anders over gedacht en wellicht met reden: weliswaar afkomstig van heel ver weg (China, Japan, Oost Siberië) maar daar wel (deels) een trekker die bewezen heeft grote afstanden te kunnen afleggen. Een geval in Australië bijvoorbeeld: verder van de broedgebieden dan Workum. En met twee eerdere gevallen in Europa, in Turkije en pas nog in Zweden en Noorwegen, echt wel een spannende soort. Sommige mensen die het weten konden, spraken van de beste soort ooit in Nederland (vergeet langstaartklauwier, vergeet kroonboszanger) en misschien zelfs in heel Europa. Al is de optie vogelkooi natuurlijk nog niet helemaal van de baan.

Dus stapte ik vanmiddag om half 1, na een spannende nacht en een spannende ochtend, met Hans in de auto bij Janneke en reisden we af naar het noorden.
Ook de reis was spannend maar de berichten waren, afgezien van een korte dip toen de vogel korte tijd zoek leek, aanhoudend geruststellend: vogel voortdurend stabiel ter plaatse. Eenmaal op de Breewarsdyk, na een korte wandeling vanuit Workum want parkeren langs het smalle landweggetje werd ons afgeraden, bleek dat te kloppen: vogel zat rustig aan de achterrand van een gemaaid stuk weiland. Iets te rustig misschien: hij zat er meest wat roerloos en maar half zichtbaar bij en dook af en toe omlaag in een greppel, veronderstelden we, en was dan zelfs helemaal onzichtbaar. Het was nog niet helemaal de gehoopte droomwaarneming maar grijze kop, bruin lichaam en opvallende gele snavel waren er wel aan te zien en voor determinatie was dat afdoende. Binnen dus. En geleidelijk begon de vogel te bewegen en verenigden de waargenomen kenmerken, de gele snavel en de grijze kop en inmiddels ook de gele poten, de donkere borstband en het wit op staart en vleugels, zich tot een heuse grijskopkievit, vogel waar ik tot gisteren nog nooit van gehoord had maar die ik nu in levende lijve voor me zag. En zo ontpopte de waarneming zich van een mager zesje in een ruime 8, als je zijn zeldzaamheid mee laat wegen, en dat is een reisje naar Workum ruimschoots waard.


28 juni 2019


Meer: Als het niet gaat zoals het moet


donderdag 27 juni 2019

Parelmoeren

Het moest een vlinderdag worden vandaag. En dat werd het ook, maar eerst nog even iets anders: de route voerde langs een plek waar vorig jaar weken lang een kleine vliegenvanger heeft zitten zingen. Als je daar dan bent, luister je natuurlijk toch even extra goed, in de verwachting dat stilte je deel is, in elk geval waar het kleine vliegenvanger betreft. Maar hoor: daar zat-ie doodgewoon weer te zingen. Alsof er niets veranderd was. Alsof er niet een lange herfst en winter voorbij waren gegaan. Ik heb nog even op Waarneming gekeken, maar niets. Heb ik dan een kleine vliegenvanger zelf ontdekt? Dat valt te betwijfelen: mijn waarneming ging onmiddellijk en automatisch onder embargo, wat doet vermoeden dat lokale vogelaars er toch al wel van wisten en een embargoverzoek hebben ingediend. Hoe dan ook een aangename verrassing.
Goed, vlinders vandaag. Op de hei. Zinderende warmte, felle zon, zoemende insecten. Overal fladderen vlinders. Het is zo’n dag dat je je afvraagt of het nou echt wel zo slecht gaat met insecten in Nederland. Maar ja, wat is je referentiekader? En bovendien, een heitje verder vliegt weer bijna niets. Maar hier dus wel. Distelvlinders, maar die vliegen momenteel overal. Die schrijven dezer dagen hun eigen verhaal, een mooi, hedendaags verhaal over massamigratie vanuit Afrika tot ver in west Europa, waar hebben we dat toch eerder gehoord? In dit geval geen protestacties, geen grenscontroles, geen kamervragen en geen politieke crisis. Niemand die ze een strobreed in de weg legt. Het is overigens geen ongebruikelijk verhaal voor deze soort, maar zo massaal als nu is het lang niet ieder jaar.
Kleine vuurvlinders, bruin zandoogjes, hooibeestjes, witjes, allemaal van het gebruikelijke soort. Een mogelijk scheefbloemwitje (ik ben niet alleen, zelf zou ik die nooit durven claimen) blijft vooralsnog onbevestigd. Maar het is me natuurlijk om parelmoeren te doen, een bijzonder fraaie vlinderfamilie met louter spectaculaire leden. Bosparelmoervlinder is vrij gemakkelijk: die vliegen af en toe met meerdere rond. Een prachtig vlindertje, subtiel oranje-zwart getekend maar dat is dus parelmoervlinders eigen. In mijn vlindergids staat-ie nog als dwaalgast genoteerd maar er is in de jaren sinds verschijning daarvan blijkbaar een en ander veranderd. Grote parelmoervlinder is lastiger maar uiteindelijk krijg ik er ook hiervan een fraai te zien. En die is misschien wel het kroonjuweel onder de parelmoeren (al doe ik er daarmee misschien een paar tekort: veldparelmoer die ik een paar weken terug in Limburg nog had, keizersmantel natuurlijk, en ook de bosparelmoeren waren vandaag erg fijn): een helder oranje vlinder met fijne zwarte tekening. Alsof er een zonnetje over de hei fladdert. Maar ach, dat kan je dus van elke parelmoervlinder wel zeggen.
Missie geslaagd dus. De verdere middag kunnen genieten van bos, hei en zand met bijbehorende levende have.

22 juni 2019


Overigens, kleine vliegenvanger is inmiddels alweer vertrokken, daar hoeft niemand meer naar op zoek.

vrijdag 21 juni 2019

Uit het zuiden

Druk druk druk, afgelopen weekend. Na zo’n weekend heb ik soms iets van ‘nu even niet’. Dan kan ik me wel een vrije avond veroorloven, vind ik, een avondje thuis voor de buis. Lang duurt dat bij mij nooit. Vanochtend moest ik weer, vond ik, naar Nieuw Wulven waar gisteren zowel zuidelijk keizer- als zadellibel gemeld waren. Dan wel allebei geen vogels maar wel allebei tamelijk, en tot voor kort zelfs razend zeldzaam. Zuidelijke keizer is inmiddels alweer een aantal jaren min of meer een standaard zeldzaamheid: nog wel zeldzaam maar ieder jaar wel aanwezig. Zadellibel was tot vorig jaar nog een vrijwel ondenkbare soort voor Nederland, een Afrikaan waarvan er hooguit zeer incidenteel eens eentje in West Europa verzeild raakt. Maar vorige herfst was er ineens die sensationele invasie in onze contreien en werden ze met name langs de kust op diverse plaatsen gevonden. Dat was natuurlijk eenmalig, meenden we, maar nee: dit voorjaar duiken ze in het hele land op allerlei plekken op.
Zuidelijke soorten die almaar gewoner worden in noordwest Europa: we zien het ook bij vogelsoorten als bijeneter, steltkluut en cetti’s zanger. Hoezo klimaatverandering?
Eerst vond ik vanmorgen zuidelijke keizerlibel: een libel waarbij onmiddellijk de helderblauwe basis van het staartstuk opviel. Toen hij dichtbij langs vloog, want dat deed-ie af en toe, was duidelijk te zien dat dat blauw helemaal rond liep. Even later zag ik een andere libel. Oogde wat ieliger maar da’s geen al te betrouwbaar determinatiekenmerk. Maar wat opviel, of wat eigenlijk juist niet opviel, was dat je er bijna niets aan zag. Je moest echt heel goed kijken om te zien dat ook deze iets blauws had op de basis van het staartstuk. Als-ie dichtbij langs vloog, want dat deed-ie af en toe, was duidelijk te zien dat het een helderblauw zadel was dat alleen op de bovenkant zat: zadellibel! Een trofee waar je mee thuis kunt komen, al zal dat over een paar jaar ook wel weer voorbij zijn.

En waar had ik het nou zo druk mee afgelopen weekend? Nou, om te beginnen vrijdag met orpheusspotvogels. Ook al zo’n zuidelijke soort die steeds minder zeldzaam wordt. Maar dat er in de omgeving van Utrecht twee tegelijk opduiken, dat is nog steeds ongekend. Op vrijdagochtend werd er eentje gemeld bij Vleuten, dus toen het weer na een wat regenachtige ochtend wat was opgeklaard, meteen die kant op gefietst. Want een orpheusspotvogel in de eigen regio, die mag je natuurlijk niet missen. De vogel liet zich uitgebreid horen en af en toe ook aardig zien. Weer thuis, terwijl ik op de bank een beetje Schotland - Japan hing te kijken, belde Hans Russer: of ik gauw naar de Gagelpolder kon komen want hij dacht daar nóg een orpheusspotvogel gevonden te hebben. Nou beschouw ik de Gagelpolder als mijn achtertuin dus die kon ik al helemaal niet laten lopen. Het duurde wel even en ik dacht al, dit wordt niks meer maar na een half uurtje wachten in de inmiddels brandende zon begon-ie ineens te zingen. Een paar keer, telkens vrij kort dus eigenlijk nogal atypisch, maar onmiskenbaar. Bovendien liet-ie zich door de telescoop erg mooi zien. Op één dag twee orpheusspotvogels dus, in Nederland: nog steeds niet alledaags. Maar hoe lang nog?

Zaterdagavond hadden we een klassieker: nachtzwaluwexcursie met vogelwacht Utrecht. De Amerongse berg moest het gaan doen dit keer. Zon met nog wat nagekomen buienluchten die niets om het lijf hadden. Om zes uur op weg, dus we hadden nog heel wat tijd te besteden voor we aan nachtzwaluwen toe waren. Te besteden aan de Amerongse Bovenpolder. Allereerst aan het uitzichtplateau, waar ik de leukste soort misliep: toen een bosuil uit het struikgewas wegvloog, keek ik net even de andere kant op. Een wandeling rond het kasteel bracht ons in de polder bij enkele plasjes. Rietlandjes, slikjes en baltsende watersnip, tegenwoordig zeer vermeldenswaardig. Daarna naar de berg. Ruim op tijd stonden we op de hei. Lage zon. Zingende boompiepers. Zingende roodborsttapuit. Schemer spreidt zich vanuit de bosrand over de hei. Mistflarden hangen laag boven de vegetatie. Alleen roodborst zingt nog. Dan, ik heb net de eerste baltsende houtsnip opgepikt: nachtzwaluw. Van ergens op de hei klinkt dat aanhoudend gesnor. Vleugelgeklapper kondigt een naderende vogel aan en kort daarna vliegt die vlak langs ons heen, al gauw gevolgd door een tweede. Zo ontpopt de avond zich tot een magische, een bijna historische: nooit zag ik nachtzwaluwen mooier dan deze avond. Enkele keren vliegen ze dichtbij langs en ze laten zich waanzinnig mooi zien. Kleeddetails als de witte vleugelvlekken en de witte staarthoeken zijn prachtig zichtbaar en ook tonen ze die typische glijvluchten met geheven vleugels. En diverse keren zien we ze zingend zitten op een kale tak. Ja, het is een geweldige avond op de hei.
Als je op de verspreidingskaarten kijkt, is nachtzwaluw natuurlijk niet exclusief een zuidelijke soort. Toch ken ik hem goed uit Zuid-Europa en als soort die pas laat in Nederland arriveert is het wel een warmteminnaar en profiteert hij natuurlijk ook van de opwarming. Met nachtzwaluw gaat het dan ook tamelijk goed in Nederland. Alles wat uit het zuiden komt, doet het tegenwoordig goed in de Nederlandse natuur. Het is een prettige bijkomstigheid, maar wellicht ook een teken aan de wand?

18 juni 2019