zaterdag 20 juli 2013

Zwarte ooievaar

Mag er ook een keertje iets wel lukken? vroeg ik me vertwijfeld af toen ik vergeefs het Trekvogelveldje bij de Blocq van Kuffeler had afgespeurd. En toen liep daar ineens de zwarte ooievaar mijn beeld in, verderop in de sloot. Alsof mijn beden waren verhoord. Ik geloof eigenlijk niet zo in god, en zeker niet in een god die te pas en te onpas de gebeden verhoort van gefrustreerde vogelaars die zo nodig op een doordeweekse donderdagavond een zwarte ooievaar moeten gaan twitchen bij Almere. Alsof hij niks beters te doen heeft. Alsof er geen ernstiger problemen zijn in de wereld, waarmee hij zich trouwens ook niet erg schijnt te bemoeien. We zullen het er maar op houden dat de vogel er nou eenmaal zat, en dat het dan helemaal geen wonder is dat je hem na enig zoeken op zeker moment ook te zien krijgt. Hoe dan ook: het maakte de avond wel helemaal af. Ik had al jaren geen zwarte ooievaar gezien. Het is zo’n soort die je op een gegeven moment niet meer twitcht, daar is-ie net te gewoon voor geworden. Maar als je er dan jarenlang niet spontaan een tegen het lijf loopt, dan komt er een moment dat je er toch maar weer eens op af gaat. Dat moment was dit jaar. Al twee keer zelfs, en beide keren vergeefs. Beide keren was de vogel net gevlogen toen ik ter plaatse was. Maar vanavond was het wel raak. Toen-ie eenmaal tevoorschijn was gekomen, liet hij zich geruime tijd mooi bekijken.
Het was het hoogtepunt van een mooie zomeravond rondom de Lepelaarsplassen. Die verder weer eens ouderwetse aantallen grote zilverreigers opleverde, en één kleine zilverreiger. Dat de najaarstrek alweer aardig op gang begint te komen, bleek onder meer uit de oeverloper en de witgatjes die ik zag langs slootkanten in de natte graslanden verderop. En wellicht ook uit de smienten die zich daar hadden verzameld? Of waren dat toch overzomerende vogels? Waarschijnlijk het laatste: een korte blik op Waarneming.nl leert dat ze er de hele zomer niet zijn weggeweest. Het is waarschijnlijk sowieso niet erg te verwachten dat eenden midden in hun ruiperiode op reis gaan.
Verder vanavond nog volop lepelaars, kluten, een mooie man bruine kiekendief, kleine plevier, dodaars en een vos vol in de telescoop. Sommige avonden moet je het met minder doen. De meeste zelfs. We sloten af met een hoewel ietwat clichématige toch erg fraaie zonsondergang.


18 juli 2013

vrijdag 28 juni 2013

Dubbelslag

4 uur Galgenwaard, was de afspraak. We zouden met vogelwacht Utrecht een avondexcursie houden in de Flevo. Maar de dag begon zo mooi, met volop zon en dat is geen alledaags verschijnsel de laatste tijd, dat ik liever niet tot 4 uur wilde wachten. ’s Ochtends het treintje naar Rhenen, de vouwfiets naar Dodewaard, daar zwarte ooievaar, terug naar Rhenen en uiterlijk half 4 terug op Utrecht centraal. Dat was de planning, en die planning werd voorbeeldig uitgevoerd. Behalve die zwarte ooievaar: al enkele dagen aanwezig in de uiterwaarden nabij Dodewaard, maar niet vandaag. Bij aankomst geen spoor, een uurtje later geen spoor en bij vertrek geen spoor. Wat ik wel gezien heb: de oude kerncentrale, wat een vreemd soort nostalgie teweeg bracht. Even keerde ik terug naar de duistere jaren tachtig en naar mijn overigens niet al te duistere verleden. Eén nachtelijke tocht naar Dodewaard herinner ik me, waar we enige tijd bij de ingang stilhielden, tot de ME ons met zachte drang verwijderde. Nu was de ingang verlaten. De hekken waren net als toen hermetisch afgesloten maar er leek eigenlijk niet veel reden, achter die hekken, om ze zo hermetisch af te sluiten. Het leek alle strijd en actie van vroeger eigenlijk nauwelijks waard. Een leeg, half verwilderd veld en daarachter de centrale, als een slapende reus. Hoewel er vast nog wel, diep in die grijze kolos, zwaar radioactief materiaal te vinden was.
Bosrietzanger zong, en verderop in de uiterwaard een groep judoënde kinderen. Tijd weer voor belangrijker zaken: zwarte ooievaar. Maar die liet het nog steeds afweten. Verder dan diverse witte ooievaars kwam ik niet. En intussen sloeg het weer om, kwamen er buien en veranderde de harde, warme zuidenwind die er al de hele ochtend geweest was, in een onaangename, kille zuidenwind. Nog steeds hard. Gelukkig mocht ik naar het noorden, terug naar Rhenen.

Dat kille en winderige weer hadden we ook ’s avonds in de Flevo. Buien wisselden af met zon, hoewel het meest grijs was. In het Roggebotzand, zo’n typisch stukje nieuwbouwbos dat dient als schaamlapje op de verder vooral op intensieve landbouw ingerichte inpolderingen in Flevoland, stonden we naar een kolossaal zeearendennest te kijken waarboven een prachtige adulte zeearend vrij zichtbaar was. Vele malen dichterbij dan je ze gewoonlijk ziet.
In het Oostvaardersveld zagen we, na enig zoeken, een fraaie man grauwe klauwier hoog in een kaal boompje. En in akkers in de buurt van Lelystad zagen we, aan het eind van een enorme regenbui, de meest fantastische regenboog die ik me heugen kan. Fel schitterden de kleuren in een volmaakte boog die hoog de grijze lucht doorkliefde. De grauwe kiekendieven die hier in de omgeving moesten verblijven, vertoonden zich niet. Die waren wel wijzer.
Tenslotte zaten we in het laatste uitdovende avondlicht langs een bloeiend koolzaadveld in de auto met open raampje te wachten tot de kwartelkoning wakker werd. Het was zo’n bijna magisch moment dat alleen een vogelaar kan begrijpen. De schemer, de verre contouren van bosranden, de in de verte zingende zanglijster, en nabij de stilte. In afwachting van dat heerlijke moment dat eindelijk de kwartelkoning zou roepen. Dat duurde even. Tussendoor naar het bedrijventerrein nabij Lelystad even verderop, een veel minder idyllische locatie waar ze ook niet wilden roepen. Maar terug op de oude plek: crex crex, luidkeels en dichtbij, en bijna onophoudelijk. Zo’n geluid waarbij je je afvraagt: waarom toch? Een nachtegaal is toch veel mooier? Om maar niet te spreken over de negende van Beethoven of King Crimsons Song of the Gulls. En toch, het fascineert, het verbaast, dat rouwe, toonloze raspen dat de stilte zo meedogenloos verbrijzelt. Het was een mooi besluit van de dag.

22 juni 2013


En dan nog deze: Johanna

maandag 10 juni 2013

Voor Jan

Het was zo’n bericht waar alle vogelaars hard van schrokken. Zo’n bericht dat al die heerlijke twitches en al die afschuwelijke dips zo ontzettend, ontzettend onbelangrijk maakte. Jan de Jong geschept door een auto en in kritieke toestand in het ziekenhuis. Toenemende druk in zijn hoofd, schedel gelicht, botbreuken, noem maar op. Dat is echt heftig, realiseer je je. Ook ik ken Jan grotendeels van internet, van het forum op Waarneming.nl en van Facebook. Al ben ik ‘m ook in het veld weleens tegen gekomen. Maar dan blijkt al die moderne, digitale verbondenheid toch ergens goed voor: veel, heel veel mensen voelden zich betrokken bij Jan. Het aantal likes, het aantal reacties van afschuw, die stonden denk ik voor een eerlijk en oprecht gevoel dat zonder internet nooit op die schaal bestaan zou hebben. Al zou Jan daar weinig mee zijn opgeschoten als hij niet zou zijn hersteld. Maar dan een foto op dat onvolprezen, vermaledijde Facebook: Jan in een rolstoel buiten het ziekenhuis. Het gaat dus goed. Het gaat steeds beter. En hij is in elk geval de kritieke fase te boven. Een zucht van verlichting gaat door het wereldje van vogelaars: het komt goed met Jan.

Vogelen is, zoals dat natuurlijk evengoed voor allerlei andere subculturen geldt, ook een sociaal gebeuren. Als je bij weer eens een mooie mega behalve die mega ook allerlei medevogelaars tegenkomt. Mensen die je alleen kent van die mega’s, van die toptwitches. En van internet. Als je, bij weer zo’n prachtsoort, toch even de lijst doorkijkt van wie ‘m allemaal ook hebben, en wie niet. Met enige jaloezie, als je ‘m zelf gemist hebt, of met voldoening: ja, ik heb ‘m ook! Het missen van zo’n soort voelt dan ook, als die door honderden anderen wel gezien is, altijd een stuk pijnlijker, vind ik, dan als die maar door een handjevol geluksvogels is gezien. Die je het dan van harte gunt. Wat dat betreft was die bonte tapuit vorige week een stuk draaglijker dan die bruinkeelortolaan vorige maand, waar ik nog wel eens nachtmerries van heb (maar niet heus). Of dat nou een positief neveneffect is van internet of een negatief neveneffect, daar ben ik nog niet helemaal uit. Het werkt ook een zekere jaloezie in de hand en dan kun je jezelf wel voornemen daar niet aan toe te geven, vooral niet ongelukkig te zijn om wat je mist maar vooral gelukkig om wat je wel ziet, maar dat is niet altijd zo eenvoudig.
Maar gezellig is het wel, soms, als we weer eens met zijn allen naar een leuke soort staan te kijken. Of vergeefs op die leuke soort staan te wachten. Gedeelde smart is halve smart. En binnenkort weer met Jan.


10 juni 2013

donderdag 6 juni 2013

Glas

Voor de een is het glas half vol, voor de ander half leeg, zegt men. Nou is dat mooi gezegd, maar de praktijk is soms anders. Voor ons twitchers, vogelaars die af en toe op zoek gaan naar zeldzame vogels, is het glas soms angstvallig leeg, maar een week later kan het alweer tot de rand toe gevuld zijn. Het is een wonderlijk glas. Zo liep ik een paar weken terug in één weekend drie leuke soorten op rij mis. Het glas voelde toen even behoorlijk leeg aan. Maar de week daarna dook in de omgeving een groep van rond de twintig bijeneters op. Een geweldig evenement was het gevolg, vogelaars uit heel Nederland kwamen erop af en het glas raakte weer aardig gevuld. En afgelopen weekend was het glas weer tot de nok toe gevuld met de heerlijkste godendrank: in drie dagen tijd achtereenvolgens kleine klapekster, terekruiter, roodmus, kleinst waterhoen en steltkluut. En niet zomaar, nee, allemaal prachtig gezien (ja, ook kleinst waterhoen) en de meeste langdurig en uitvoerig (nee, niet kleinst waterhoen). Zo zie je maar: het kan verkeren. Dan kun je een onhaalbare bonte tapuit wel weer even hebben. Beest zat op verboden terrein dus nou ja, dan houdt het op.
Naast deze jammerlijke bonte tapuit is er momenteel nog een reeks van leuke soorten wel beschikbaar, waar ik reikhalzend naar uitzie maar die ik nu, midden in de week, nog even moet laten zitten want er moet ook nog gewerkt worden. En waarvan je je maar moet afvragen wat daarvan komend weekend nog aanwezig is. Voor je het weet is alles weg en is het glas weer half leeg. En zo parelen weer de zweetdruppels en is er ineens weer het gevoel dat je alles mist. En mocht het er toch allemaal nog zitten van ’t weekend, dan weet ik weer niet waar ik het zoeken moet want ik kan ze niet allemaal doen. Zo is het ook nooit goed.
En zo gaat dat maar door. Euforie en teleurstelling wisselen elkaar af, spanning en bevrijding. Het ene moment in zak en as, het andere zielsgelukkig. Het leven van de twitcher: het is net het echte leven. Hooguit in wat verhevigde vorm, maar dat geldt voor zoveel merkwaardige bezigheden waarmee mensen zich plegen bezig te houden, of je nou postzegels verzamelt of je aan een zijltje van bergwanden stort. Uiteindelijk zijn we allemaal op zoek naar dat ultieme geluk, naar dat ene moment dat alles waard is. Vind je dat moment, dan kun je er weer een weekje tegenaan.

Je hebt natuurlijk ook nog de niet-twitchers. Die laat dit allemaal koud. Ze genieten gewoon van wat ze tegenkomen buiten, ongeacht zeldzaamheid. Voor hen is inderdaad het glas altijd half vol. Minstens. Een bevoorrecht type. Gelukkig zijn we uiteindelijk allemaal ook een beetje niet-twitcher. Toch?


5 juni 2013

zondag 2 juni 2013

Dubbele treintwitch

Zo’n dubbele twitch: voor autovogelaars de gewoonste zaak van de wereld maar voor ‘ons soort mensen’, grotendeels afhankelijk van het openbaar vervoer, iets bijzonders. Deze waren echter geknipt voor ons: het was amper een uur van vogel tot vogel. En beide werkten voorbeeldig mee, dus ik was zelfs heel netjes om 3 uur weer thuis.
In Voorhout was het minder dan een kwartier fietsen naar het tuintjescomplex aan de Eerste Elsgeesterweg. Door weiland, langs wat schrale akkertjes, gele kwikstaarten, alom zingende veldleeuweriken. Waarom juist hier een kleine klapekster opduikt en bij ons niet, dat is een zinloze vraag. Toevallige eenmaligheid. In statistische termen: N is te klein (namelijk 1) om conclusies te kunnen trekken. Maar waarom zingen toch hier nog steeds volop de veldleeuweriken en bij ons in de polder allang niet meer?
Hoe dan ook: het tuinencomplex was daar en de kleine klap was vrijwel onmiddellijk in beeld. Een fantastische vogel. Een adult, met volledig oog- en voorhoofdsmasker en licht rossige buik. Eén keer eerder zag ik een kleine klapekster in Nederland: enkele jaren terug op Walcheren, maar dat was een jonge vogel en die zag er veel minder karakteristiek uit. Al was die juist daarom determinatietechnisch natuurlijk heel interessant: je bent dan gedwongen naar de subtielere kenmerken te zoeken. Deze was in dat opzicht een stuk eenvoudiger, maar wel erg fraai, met dat typische boevenmasker. Hij hopte van paaltje naar paaltje naar hekje naar de grond en terug naar paaltje en kwam zo af en toe nog aardig dichtbij, was in elk geval prachtig door de telescoop.
Ik gunde me een half uurtje, de vogel was dat wel waard, en snelde daarna terug naar Voorhout, nam de trein naar Haarlem, nam de trein naar Santpoort zuid, fietste naar Spaarndam en stond amper een uur later bij het Landje van Gruiters naar een fantastische terekruiter te kijken. Ook deze was onmiddellijk in beeld. Het liep vandaag op rolletjes. Het was alweer mijn tweede terek binnen een week! Die van ’s-Gravenpolder afgelopen zondag was mooi hoor, maar deze …!!! Soms tot op amper twintig meter liep de vogel te foerageren, maakte ruzie met de tureluurs (je zou denken: plek zat hier voor meerdere tureluurs plus een terekruiter, maar de tureluurs dachten daar kennelijk anders over), vloog eens een stukje en ging vervolgens lopen baltsen of iets dat daarop leek. Hoopte een van de turelurenmannen te paaien maar die waren daar niet van gediend. Hybriden tureluur x terek zijn vooralsnog niet te verwachten, als ik het goed inschat. Intussen baltsroep van terekruiter: misschien wel nooit eerder ten gehore gebracht in Nederland. Een uurtje, dat was wat ik deze vogel gunde, en een heerlijk uurtje was het. Waarna ik, na deze dubbele treintwitch, ruim op tijd thuis was om nog gewoon de meeste van mijn vrijdagse taken te volbrengen.


31 mei 2013

vrijdag 31 mei 2013

Winter in Zeeland

De bedoeling was natuurlijk om eens een keer in de lente te gaan kijken in een gebied dat we vooral uit de winter zo goed kennen. De Zuid-Hollandse en Zeeuwse delta: bekend van velden vol ganzen, van winterse eendenscharen op de brede wateren, van kiekendieven wankelend boven de akker. Niet vandaag. Maar toen we vanaf de Grevelingendijk nabij Ouddorp naar het eilandje Markenje en omringende slikken stonden te kijken, was van die lente ook niet veel te merken. Een harde, koude wind uit noordwest deed ons bijna krimpen. Op onze hurken in de luwte van de auto was het nog net uit te houden. Maar wel hier op heel schappelijke afstand want door de telescoop prima herkenbaar diverse broedende dwergsterntjes en ook al meteen een paar strandplevieren: ziezo, de doelsoorten van de dag maar vast binnen. Ook een zwartkopmeeuw af en toe en een paar noordse sterns droegen bij aan de feestvreugde.
Op de Brouwersdam, vol in die winterse noordwester, kwamen we de auto niet eens uit. Hoefde ook niet: de dwergsterntjes zaten er vlak onder de dam op het strand en foerageerden boven de branding. Prachtig! Baltsgedrag, slepen met visjes, allemaal tekenen die wezen op nestelen in de nabijheid, maar ik zou niet weten waar.
Op de Delingsdijk op Schouwen, met uitzicht op de noordelijke Prunjepolder, was het wat draaglijker. De wind was weliswaar nog hard, maar de temperatuur iets milder en het grijze luchtdek vertoonde steeds meer slijtplekken. Maar het waren vooral de strandplevieren die ons hart verwarmden. Tenminste vier vonden we er, vlak onder de dijk op de eerste stukjes kwelder. Lang niet meer zo mooi gezien en daarmee was deze dag definitief geslaagd, vond ik.
Daarna zochten we het een eiland verderop, voor de twitch van de dag: terekruiter op het wad langs de Westerscheldedijk nabij ’s-Gravenpolder. We staken de Zeelandbrug over, snelden langs de Zeeuwse akkers, zochten onderweg vergeefs naar morinellen en ander fijn spul en arriveerden op onze bestemming toen de zon inmiddels uitbundig scheen en het waarachtig lenteachtig aanvoelde. De terek hadden we gauw gevonden, dus alles zat mee deze dag, tot nu toe. Hij zat wel niet heel dichtbij, maar was per telescoop toch erg mooi te zien. Op geheel eigen wijze foerageerde hij over het wad, omringd door tureluurs en bergeenden: laag op de poten, iets opgewipte snavel en proporties die ‘m een beetje de allure gaven van een stripfiguur. Een grijs beest, met af en toe luid en duidelijk de donkere vleugelboeg. Om het af te maken. De zomerkleed rosse grutto’s, zilverplevieren, kanoeten en bonte strandlopers, onder meer, waren hier dan wel bijzaak, maar dan toch bijzonder fraaie bijzaak.
Zo waren we vlakbij het haventje van Hansweert aangeland. En Hansweert is dezer dagen een begrip in vogelend Nederland. Want in Hansweert heeft een schip aangemeerd met enkele mussen uit Kaapverdië aan boord. Ship assisted, daarover bestaat geen enkele twijfel; bovendien aan boord uitgebreid gevoerd, meegelokt als het ware uit donker Afrika en intussen hier nog nauwelijks de boot af geweest: geen schijn van kans natuurlijk voor de Nederlandse lijst maar nu we er toch waren dachten we, toch maar even een kijkje nemen.
Nou, dat werd niks: vogels lieten zich niet zien. Een stel vogelaars en fotografen stond er wat beteuterd bij: nee, al uren lang niks. Vanmorgen waren ze even op de kade geweest, vertelde men, maar daarna waren ze niet meer gezien. Er waren wel mannen met netten gesignaleerd. Voor wat het waard is.
Dat was dus de dip van de dag. Een zware was het eerlijk gezegd niet.
Als afsluiting gingen we op de terugweg nog even langs bij de noordse nachtegaal in de Biesbosch. Die viel dan weer niet mee. Met enige moeite hoorden we af en toe wel wat flarden en sommige van die flarden waren onmiskenbaar, dus op de lijst mocht-ie, maar heel erg bevredigend was het niet. Dan deden de cetti’s zangers het beter: minstens vier zaten er om beurten te zingen in het kleine stukje dat we aandeden. En al is die in de Biesbosch natuurlijk net zo gewoon als een koolmees in onze achtertuin, voor iemand die niet uit de streek komt blijft dat toch een leuke soort.


26 mei 2013

dinsdag 21 mei 2013

Goede tijden slechte tijden

Ik miste de afgelopen dagen bijna al het goede. (Wat vogels betreft dan, laten we het vooral niet erger maken dan het is.) Dat begon afgelopen vrijdag toen de gestreepte strandloper die zich al enkele dagen ophield in een drassig stukje weiland bij Kockengen, juist die dag onvindbaar bleek. Zaterdag bleken drie uren rondhangen nabij het kijkscherm van Mariëndal, bij Den Helder, niet voldoende om de aldaar verblijvende baardgrasmus ook maar één tel in beeld te krijgen. Een beoogde gratis twitch bleek een gratis dip tussendoor. En zondag was de zwarte ooievaar van De Banen in noord Limburg, die ochtend nog gemeld, de verdere dag onvindbaar. ‘Nothing works’, zou Catweazle zeggen. Ach, denk je dan, na de derde dip in drie dagen: met zo’n mooie wielewaal kun je toch onmogelijk ongelukkig naar huis gaan. Eerst vloog hij laag over me heen, daarna zat hij maar liefst een paar tellen lang volkomen vrij en vol in de kijker in een gat in de boomkruin. Zeldzaam moment! Daarnaast was De Banen nog een primeur voor me: nooit eerder geweest, en dit was natuurlijk een prima gelegenheid om aan die omissie een eind te maken. Toen ik de gemiste zwooi eenmaal had weggeslikt, beviel de kennismaking me al met al toch prima. Want overal zongen de wielewalen, vlak voor de hut joeg een boomvalk, en eerst een rode wouw en daarna een wespendief vlogen over. En in het nabije Schoor had ik ook nog eens mijn eerste zomertortel van het jaar. Los van dat alles waren natuurlijk De Banen zelf, en het naastgelegen Sarsven ruimschoots een bezoekje waard, met of zonder zwarte ooievaar. Fraaie vennen met rondom licht geheimzinnige oevers van struweel en rietland, van die oevers waar je je van alles tussen en achter kunt voorstellen, en wat eilandjes van kreupelhout met een minutenlang roerloze ijsvogel nabij. Temidden van het noord Limburgse land met volop geelgorzen, daarmee maak je mij altijd blij, en boompiepers, veldleeuwerik, gele kwikstaarten. En, wat ook telt: volop zon vandaag, tegenwoordig misschien nog wel zeldzamer dan een zwarte ooievaar.
Maar hoe je het ook draaide en keerde, het bleven drie hele leuke soorten die ik was misgelopen. Drie op een rij. Alle drie geen halszaken natuurlijk, maar vrolijk wordt je er niet van. En intussen van dat nare, miezerige herfstweer dat je het gevoel geeft dat de zomer alweer voorbij is. Daarom was dat cadeautje van vandaag wel heel erg welkom. Tussen de middag de melding: bijeneters te Oostbroek. Da’s maar een goed kwartier fietsen. Ergens kun je het niet geloven, maar gaan moet je.

Door de grijze miezervlagen die af en toe op me neer waaien, haast ik me langs de fotogenieke bouwkunst van de Uithof. Als ik eenmaal op Oostbroek ben aangekomen, zie ik overal bijeneters! Je gelooft je ogen niet. Af en toe vliegen er één of twee rond, dan weer zwieren er drie tegelijk door het luchtruim tussen twee bosranden in. Hier zit er eentje in de boom, elders zitten er twee naast elkaar te keuvelen. Soms zitten ze aardig dichtbij en ineens vliegen ze met zijn allen om ons heen. Alle kleuren van de regenboog laten ze zien! Meer kleuren zul je in één vogel zelden aantreffen. Het is ongelooflijk: drie-en-twintig, ja echt, maar liefst drie-en-twintig bijeneters bij elkaar! Van zo’n groep ben je zelfs in Spanje stil. Ik weet niet of ik ze alle 23 gezien heb hoor, maar veel waren het er en het was waanzinnig. Geruime tijd vertoefden ze rond het grasveld ten zuiden van het gebouw en waren daar schitterend te zien, rustend in de bomen. Af en toe vlogen er een paar de boom uit, maakten een rondje en keerden terug in de bomen. Menige dikke hommel be­landde zo in bijeneter-buik. Toen het echt ging regenen, verhuisde de groep naar de westkant van het gebouw, waar ze zich hoog in de bomen schuilhielden en een stuk lastiger te zien waren. Mij kon dat allang niet meer deren.
Door de regen naar huis. Wat heerlijk toch: zulk droevig weer en dat het je niks kan schelen.

21 mei 2013