zaterdag 21 december 2013

Donkere dagen

Grijs, kil, winderig en nat: het zijn de donkere dagen voor kerst. Het blijft tot laat schemerig en op dagen als deze wordt het eigenlijk de hele dag nauwelijks licht. ‘Vandaag moesten we de gezelligheid binnen zoeken’ vertelde de weerman op het NOS-journaal. ‘Buiten was het vaak grauw, grijs en nat.’ Waarvan akte.
Maar dan kennen ze ons nog niet. Vogelaars laten zich door niets weerhouden: buiten moeten we zijn! Terwijl de meerderheid van ons volk binnen druk was met de gezelligheid te zoeken, waar hadden we die toch gelaten, vorige winter? ploeterden wij op onze fietsjes tegen de wind in vanuit Kampen naar het Vossemeer, randmeer tussen oostelijk Flevoland en west Overijssel. We passeerden de Roggebotsluis, staken het water over en draaiden de Vossemeerdijk op. We bevonden ons inmiddels in Flevoland. Op het water rechts enkele fraaie mannen grote zaagbek, vogels waarvan je zelfs in het slechtste licht altijd nog de romige tinten in de witte onderzijde ziet doorschemeren. Ook wat nonnetjes: het wit veel witter, en op hun manier ook prachtig. Verderop stonden we tegenover de zandplaten in het Vossemeer en installeerden we ons op de dijk.
Een paar honderd kieviten. Een toenemend aantal van steeds opnieuw invallende  goudplevieren en daartussen tientallen bonte strandlopers. Daartussen moesten we zoeken. Aanvankelijk kon niemand van de aanwezigen iets afwijkends vinden, maar toen riep iemand: ‘Ik geloof dat ik ‘m heb, helemaal links in de groep’. Even zoeken en toen zagen we hem allemaal: een ‘ander’ strandlopertje. Ietsje kleiner, met wat langgerekter lijf en lange vleugelpunten, en met korter snaveltje dan de bontjes. Donker, maar met duidelijke donker-en-lichttekening op de bovendelen. En soms, bij goede lichtval (voor zover mogelijk vandaag) was ook iets van tekening langs de flanken zichtbaar. Bona was binnen! Eindelijk mijn tweede bonapartes strandloper: de vogel die al een week hier vertoeft en zo vriendelijk was om in elk geval tot vandaag te blijven. Een uurtje of zo aan de vogel besteed, toen het nog vrijwel droog was. Hij zat natuurlijk zo ver als-ie zat, maar ik was er gelukkig mee. Je kunt die zeldzaamheden nou eenmaal niet altijd op 10 meter hebben en het kan juist een uitdaging zijn om ook onder deze omstandigheden de karakteristieken van zo’n vogel tot je te nemen. En dat is gelukt. Het was een mooie afsluiter van het jaar.
In Zwolle, omdat we er toch waren, nog even langs geweest bij de sperweruil. Hij zat er weer mooi bij, op amper tien meter (nou ja, twintig misschien, in elk geval veel dichterbij dan bona zojuist), bovenop een staander van het schakelstation langs de Marsweg. We groeten hem in gedachten, tot volgend jaar, en gaan naar huis.


21 december 2013

maandag 2 december 2013

Onder elkaar

Het was natuurlijk al een gedenkwaardig najaar voor ons vogelkijkers en nu werd dat najaar deze week nog even afgesloten met twee mega’s om van te watertanden. Het houdt maar niet op daarmee. Het begon met die sperweruil in Zwolle waar inmiddels heel het land weet van heeft. Wat een waanzinnige vogel, wat een schoonheid, daarbij viel (bijna?) alles wat we afgelopen jaar hebben beleefd in het niet. Maar ineens gingen de media ermee aan de haal. Ineens kwam het in het nieuws, op De wereld draait door, in de kranten, in Pownews, noem maar op en zo werd het een landelijk evenement, een gebeurtenis van nationale allure. Ineens wist heel Nederland van die sperweruil, vroeg een vriendinnetje van mijn dochter of haar vader soms ook naar die gekke uil was geweest, en werd de vogel massaal bezocht. Niet alleen de fanatieke vogelaars, niet alleen diegenen die voor elke rariteit die zich binnen onze grenzen waagt in de auto stappen, ook dagjesmensen, mensen die feitelijk nergens van weten, wilden die gekke uil bezoeken. En dat is natuurlijk hun goed recht, maar op die manier wordt je die uil wel een beetje uit handen genomen. Hij is niet meer van ‘ons’, niet meer van de echte vogelaars, niet meer van de mensen die weten wat dat betekent, een sperweruil in Nederland. Dag in dag uit massale belangstelling was het gevolg. Opstoppingen op de weg naast ‘ons’. Auto’s die op elkaar botsten omdat automobilisten naar ons keken in plaats van op de weg. En nieuw voer voor nieuwe media-aandacht.

En toen was daar die swinhoes boszanger. Net zo zeldzaam, maar veel minder fotogeniek. En veel minder mediageniek. Kranten, radio en TV, allemaal laten ze deze links liggen en gelijk hebben ze natuurlijk want er zijn heus wel belangrijker dingen gaande in de wereld dan een swinhoes boszanger, of een sperweruil. Bovendien is-ie lastig: hij zit niet voor je klaar, nee je moet ‘m zoeken en dat kan uren duren, en de kans is aanzienlijk dat je na die uren zoeken genoegen moet nemen met niet meer dan enkele korte blikken op een vogeltje dat best een swinhoes boszanger geweest zou kunnen zijn. Of minder. Nee, dat is niks voor het grote publiek, en dat is ook niks voor journalisten en cameraploegen. En ik moet toegeven dat ik deze ook een stuk minder spectaculair, een stuk minder mooi vind dan die uil. Maar voor de ware liefhebber is hij evengoed de moeite waard.
De taferelen lijken veel op die bij de uil. Daar stonden we weer met z’n allen, ze moesten wel denken dat we gek zijn. Weer hollen we als gekken achter elkaar aan, weer haasten we ons naar elk gerucht. We staren het bos in waar ook anderen het bos in staren zonder te weten wat we daar nou eigenlijk zouden moeten zien en waar precies. Op die manier kreeg ik wel nog een mooie vuurgoudhaan in de kijker, veel mooier eigenlijk dan die boszanger. Dezelfde gekte dus, dezelfde opwinding als bij die uil, dezelfde drukte en dezelfde hectiek. Alleen niet midden in een wereldstad maar in een op andere dagen stil bos in het landelijke Flevoland. Hier worden we niet geïnterviewd, niet achtervolgd door camera’s en niet begeleid door politie. We komen niet op TV, worden niet uitgenodigd voor DWDD want daar hebben ze wel weer minstens voor een jaar genoeg vogelaars aan tafel gehad. Nee, we zijn weer lekker onder elkaar en da’s ook wel weer eens prettig, voor een keertje.


30 november 2013

dinsdag 26 november 2013

394: Lof der nutteloosheid

Je kunt naar het rijksmuseum om de nachtwacht te aanschouwen. Je kunt naar het Louvre om Mona Lisa in haar lieftallige ogen te kijken. Of je kunt bijvoorbeeld dezer dagen naar Zwolle om een sperweruil te gaan kijken. Allemaal volmaakt nutteloos. Voor sommige mensen schijnt dat reden te zijn om ervan af te zien, zelfs om dergelijke acties te veroordelen, maar wat zou het leven zijn als we zouden afzien van alles wat nutteloos is? Daarom vanmorgen hals over kop naar Zwolle afgereisd. Je verbetert er de wereld niet mee. Je verhoogt er je carrièrekansen niet mee. Het helpt ook niets bij het oplossen van de economische crisis en het brengt al helemaal de wereldvrede niet dichterbij. Kortom, volmaakt nutteloos. Maar als je slaagt in je opzet, ben je na zo’n ochtend wel minstens een week lang significant gelukkiger, en dat is ook wat waard.
Want de avond tevoren was de ‘spook-sperweruil’ die enkele weken eerder was gemeld in Zwolle maar die daarna door niemand meer was teruggezien, plotseling gematerialiseerd tot een heuse sperweruil, en daarmee tot een mega-evenement in vogel minnend Nederland. Want wat een soort! De cijfers doen hem nauwelijks recht: de vierde alweer voor Nederland maar los daarvan een mythische vogel. Al diezelfde avond waren dan ook tientallen vogelaars naar Zwolle getogen om hem in het lantaarnlicht te bezichtigen. De meute ging vandaag.
Het verschil tussen de nachtwacht en een sperweruil is natuurlijk wel, dat in geval van die sperweruil de afloop niet bij voorbaat vaststaat. Dus balancerend tussen de hoop op een waanzinnige droomwaarneming en de vrees van een vogel die spoorloos is, ’s morgens vroeg de trein naar Zwolle genomen. Bij aankomst bij de grasstrook tussen spoorlijn en rondweg aan de zuidoostkant van Zwolle volgde de geruststelling: hij was er nog! Halleluja! Al moesten we hem wel eerst nog even in beeld zien te krijgen en dat viel nog helemaal niet mee. Hij zat half verscholen in de kruin van een boom en het vergde heel wat aanwijzingen over waar we precies moesten kijken, vlak langs de vierde boom van het andere rijtje en dan net onder de eerste zijtak door in de kruin van de vijfde boom in het rijtje ernaast, maar na enig manoeuvreren kreeg ik de vogel tussen de takken en de blaadjes door half in beeld. En stond ik te kijken naar stukjes van een heuse sperweruil! Meest zat-ie daar stilletjes wat met zijn kop te draaien en af en toe keken twee felgele ogen ons priemend aan. Helemaal de droomwaarneming waar ik op gehoopt had was het nog niet, maar toch gaat er dan een schok door je heen: dat gevoel dat-ie speciaal jou aankijkt … Je voelt je als een verliefde jongen die de ogen van zijn uitverkorene op zich gericht waant.
Ons geduld werd geruime tijd op de proef gesteld maar na een krap uur begon de vogel te bewegen. Eerst ging-ie even verzitten en was daardoor net wat ruimer zichtbaar. Daarna verhuisde hij naar een ander plekje in zijn boom, waar-ie helemaal vrij zichtbaar was. En vervolgens vloog-ie een stukje en ging schitterend open en bloot in een kaal boompje zitten. Sperweruil in vol ornaat: dit was wel helemaal de droomwaarneming waar we op gehoopt hadden. Toen de plots opgeveerde menigte die tot nu toe zo voorbeeldig afstand had gehouden, iets te enthousiast reageerde, vloog de vogel naar achteren. Waarop allen erachteraan holden, telescopen en camera’s op de schouder. Ja, wij vogelaars, wij zijn een bende gekken, ik hoef dat helemaal niet te ontkennen. Maar ach, we doen verder niemand kwaad. Verderop was-ie al gauw weer fraai zichtbaar in de singel langs het dieselspoortje naar Almelo, waar hij af en toe met superieure blik de massa onder zich aankeek en verder onverstoorbaar zijn ding deed. Ding waar wij nooit weet van zullen hebben.

25 november 2013


Meer: Van Lettele naar Netterden

donderdag 21 november 2013

Na het tumult

Na het tumult van de afgelopen weken, de beroering die zo kenmerkend is voor de herfst en die ook aan de Gagelpolder en omstreken niet ongemerkt is voorbij gegaan, ook hier vlogen bij tijd en wijlen massaal de koperwieken, de veldleeuweriken en de vinken, ook hier passeerden af en toe de kruisbekken die het hele land lijken te hebben overspoeld en zelfs vond ik er mijn eigen bladkoning maar na dat alles trad de rust in die zo kenmerkend is voor het einde van de herfst. Als boven je hoofd af en toe geen vogel meer vliegt. Een enkele leeuwerik nog waar ze een week eerder nog met tientallen passeerden, een bescheiden groepje spreeuwen in plaats van de duizenden van toen. Geen paapjes meer op de paaltjes in het weiland. Geen ringmussen meer in de bosjes langs het fietspad, nu daar de maïs inmiddels is gemaaid en de ringmussen er dus niets meer te zoeken hebben.
Maar dan weer wel de grote zilverreigers. Die hebben inmiddels hun respectievelijke plekjes weer ingenomen. Eentje in het noordwestelijke deel van de Gagelpolder, eentje in het moerasbosje aan de oostkant en eentje in de Ruigenhoekse polder. Net als de afgelopen jaren. Op sommige ochtenden zie je ze alle drie en dat is een bescheiden feestje waard, maar meestal mis je er een of twee.
Ook de roerdomp heb ik alweer gezien, op dezelfde plek als waar ik ‘m de laatste paar jaar heel af en toe gezien heb: rustend in het zonnetje pal voor de rietrand van een plasje naast het fietspad. Meestal zit-ie diep in die rietrand, of elders, en zie je ‘m niet.
En zo stelt zich een soort status quo in die erg veel lijkt op die van vorig jaar om deze tijd. Dezelfde zilverreigers, dezelfde roerdomp, nemen we maar aan, en bijvoorbeeld ook dezelfde ganzen op de velden, dezelfde paar knobbelzwanen in het weiland, dezelfde wat rossige buizerd met witte staartbasis en prominente polsvlekken die ooit nog weleens voor ruigpootbuizerd werd versleten, en ook dezelfde havik die hier al jaren rondhangt. Winter heet dat.
Vandaag ook een groepje barmsijzen. Die zijn er dan weer niet elke winter. We hebben zelfs een paar jaar gehad met maar bar weinig barmsijzen. Maar vandaag waren er weer, een groepje in een els vlak langs het pad, en dat was een prettig weerzien. Meest waren het kleine barmsijzen: kleine beestjes met bruinige en zwaar gestreepte flanken, bruine kop en beige gekleurde vleugelstreep. Maar er zaten ook een paar duidelijke grote barmsijzen tussen. Die hebben witte en soms bijna ongestreepte flanken, een veel grijziger kop, wittere vleugelstreep en ook veel opvallendere en wittere banen in de lengterichting over de rug. Eén moment zag ik zelfs een witachtige stuit, iets wat grote barmsijs wel vaker heeft en kleine meen ik nooit. De verleiding om witstuitbarmsijs te overwegen, vele malen zeldzamer, legde ik naast me neer. Zo was het al leuk genoeg. De laatste serieuze invasie van grote barmsijzen, afkomstig uit noord Europa, is alweer enkele jaren geleden. Wie weet is dit een voorbode en komen ze weer.

20 november 2013

dinsdag 5 november 2013

Woestijntapuit

Het was natuurlijk wel effe slikken toen, maar zoals dat altijd gaat: je vergeet het, min of meer. Want wat is me het meest bijgebleven van het afgelopen weekend? Die gemiste provençaalse grasmus? Welnee. De zoveelste vale gierzwaluw deze herfst die niet voor me was weggelegd? Natuurlijk niet. Ik herinner me de visarend, zondagmiddag bij Tienhoven, bepaald geen alledaagse soort in november. Ik herinner me het noodweer dat ik in de verte langs zag drijven, het noodweer dat Utrecht teisterde terwijl ik veilig vanuit de verte toekeek. De nederig makende bliksems die af en toe secondelang schitterden aan de horizon.
Maar wat me het meest is bijgebleven, dat is natuurlijk de woestijntapuit zaterdagmiddag bij Westkapelle. Wat een schitterende vogel. Wat een kleur, wat een design. Misschien wel de allermooiste van ‘onze’ tapuiten. ‘Onze’ in brede zin uiteraard, want eigenlijk is die helemaal niet van ons. Dat maakt ‘m nou juist zo aantrekkelijk voor de honderden vogelaars die de afgelopen dagen zijn wezen kijken.

Het was natuurlijk een briljante gedachte: gewoon een paar uurtjes in de trein gaan zitten, krantje lezen, wat uit het raampje staren en daarna een middagje fietsen rond Middelburg. Akkers en velden, de binnenduinrand in herfsttooi, dodaarsjes op de Westkapelse kreek, nee hoor, ik ben niet aan het twitchen, daar doe ik even niet meer aan na mijn dips de afgelopen weken. En als bonus een half uurtje genieten van een woestijntapuit. Die liet zich geweldig zien. Foerageerde geruime tijd dichtbij op een zanderig terrein aan de binnenkant van de dijk, scharrelde op de grond en ging af en toe prachtig in de top van een struikje of stengel zitten. Wat een schitterende vogel. Wat een kleur, wat een design, je zou er bijna van in god gaan geloven want iemand moet zoiets moois toch verzonnen hebben? En dat ze je dan weten te vertellen dat je net te laat bent voor een provençaalse grasmus op Erika (ik heb het nog anderhalf uur geprobeerd maar vergeefs, wel een komen en gaan van talloze vinken in de bosjes rond het terrein), en dat ze op Neeltje Jans een vale gierzwaluw, alweer een vale gierzwaluw hebben waar ik natuurlijk met mijn vouwfietsje niet komen kon (ik moet zo langzamerhand zowat de enige vogelaar in Nederland zijn zonder vale gierzwaluw op zijn lijst), je zou er bijna toch nog ongelukkig van worden. Maar nee, dat weiger ik, daarvoor was die woestijntapuit te mooi. Want wat een vogel, wat een kleur en wat een design!

5 november 2013

zondag 27 oktober 2013

Gekkenwerk

Twitchen, soms is het gekkenwerk. En twitchen met openbaar vervoer en fiets is soms gekkenwerk in het kwadraat.
Vale gierzwaluwen in Nederland: daar moet je bij zijn. Vogels waren gemeld van Vlieland, van Texel, van bij het Lauwersmeergebied en van de IJsselmeerdijk bij Enkhuizen. We kozen voor Texel en die keus bleek fout. Bij aankomst was al uren gezocht en niets gevonden. Intussen was wel de vogel van Enkhuizen gemeld. Nog even probeerden we het op Texel maar toen maakten we de keus: we gaan terug naar de boot, dik een uur vechten met de harde zuidwester verder. In Den Helder namen we de trein naar Heerhugowaard, daar die naar Hoorn en in Hoorn die naar Enkhuizen. Eigenlijk is het gekkenwerk, zeiden we tegen elkaar.
Om een uur of 4 waren we ter plaatse. Een dik half uur eerder was de vogel nog gezien en in de trein, toen we de melding op Dutchbirding hadden gezien, had dat ons vertrouwen gegeven. Maar ter plaatse wist men ons te vertellen dat de vogel soms wel twee uur zoek kon zijn voor-ie weer opdook boven de dijk.
Dus daar stond ik, met tientallen op de IJsselmeerdijk bij Enkhuizen, te wachten op een vale gierzwaluw die niet kwam. Het was bijna een literair thema. Wachten op … Wat wel kwam was de moeder aller vragen: wat doe ik hier eigenlijk? Waarom sta ik hier te wachten op een glimp van een vale gierzwaluw terwijl ik die afgelopen zomer in Portugal mooier heb gezien dan wie dan ook de afgelopen dagen waar dan ook in Nederland? Niet op Texel, niet op Vlieland, niet bij Enkhuizen. Heerlijk in het mediterrane zomerzonnetje vlogen ze om me heen. En waarschijnlijk zijn er trouwens wel meer mensen hier voor wie dat opgaat, want zeldzaam is-ie bepaald niet in Zuid-Europa. Dus waarom nu al die moeite? Gaat het dan alleen maar om het plusje op de lijst? Om niet achterop te raken bij de tientallen mensen die hem wel hebben? Zijn we met zijn allen niet verzeild geraakt in een neurotische ratrace die ons ertoe dwingt dingen te doen die we eigenlijk liever zouden laten? Had ik niet eigenlijk liever de dag besteed aan Texel, ook al was daar vandaag geen kans op een vale gierzwaluw?
Dat had me in elk geval vermoedelijk wel strandleeuweriken opgeleverd, ook nieuw voor de jaarlijst.
Jaarlijst, heb je ’t weer: alles voor de lijstjes. Zijn wij vogelaars, of in elk geval sommige van ons, niet een beetje geobsedeerd door die lijstjes? Gekkenwerk is het. Misschien moest ik daar maar eens mee ophouden.

Nou ja, dat was vandaag. Dat waren de gedachten van een teleurgestelde vogelaar na een onfortuinlijke dubbele dip. Morgen kan alles weer anders zijn. Een volgende keer, als het effe kan sta ik er weer.

26 oktober 2013


Meer dips: https://guuspeterse.blogspot.com/2014/06/antipiep.html

dinsdag 22 oktober 2013

Lekkere trek

Al voor ik de straat uit was, en die is niet lang kan ik verzekeren, hoorde ik boven me het geluid van overtrekkende koperwieken. Een geluid dat bijna iedere vogelaar een kort momentje van vrolijkheid bezorgt. Het was nog donker, ze waren niet te zien maar het beloofde veel. Onderweg hoorde ik nog meer koperwieken, en soms ook het ‘tsjik’ van zanglijster. Het was de opmaat van wat met recht een historische ochtend voor de Utrechtse trektelpost mag genoemd. Sinds kort hebben we een nieuwe locatie in gebruik genomen. De renbaan op de Uithof is inmiddels toch echt niet meer begaanbaar en daarom staan we sinds enkele weken midden in het weiland tussen De Bilt en Zeist, op de Jacobssteeg bij het bruggetje over de Grift. Of het daaraan gelegen heeft? Ik denk het eigenlijk niet want op andere posten was het niet anders: het ene record na het andere sneuvelde.
9.632 vogels geteld, meldde Anton later op de dag per e-mail, en ik weet ook wel dat dat voor sommige telposten helemaal niets voorstelt, maar voor ons is dat gigantisch. Ik schat zowat een verdubbeling van het oude telpostrecord. Al vanaf de eerste minuten vlogen ze, de vinken, de leeuweriken, de koperwieken, de spreeuwen en nog veel meer. En ze bleven vliegen, de ene groep na de andere, soms bijna hemel verduisterend. Als een orkaan kwam het over ons heen, als een onstuitbare natuurkracht, wat het ook is natuurlijk. Zwarte sneeuw, zoals Janneke het uitdrukte. Ver weg en dichtbij; recht over ons heen en over de bosrand achter het weiland, telkens nieuwe groepen. Bijna onafgebroken. In het Utrechtse nog nooit zoiets meegemaakt. 4.341 spreeuwen, meldde Anton, 1.763 vinken, 709 koperwieken en 705 veldleeuweriken. Maar ook een fraaie slechtvalk laag over, een vrij verre maar zeer herkenbare smelleken in volle vaart naar zuid, vier grote zilverreigers, diverse sperwers, barmsijs, grote gele kwikstaart en boomleeuwerik. Onder andere. Allemaal op weg naar het zuiden, op de vlucht voor de aanstaande winter. En allemaal daarvoor deze heldere herfstochtend uitgekozen, met een lichte tegenwind die ze verleidde tot de geringe trekhoogte die ons in staat stelde het waar te nemen en zo goed en zo kwaad als het ging, te tellen. Al zullen we nog heel wat gemist hebben.
En dan waren er ook nog de vogels die nu dan wel niet onderweg waren, de putters in de lage boompjes langs het pad, de merels in het struikgewas op de oever van de Grift, het tjiftjafje dat even van zich liet horen, en natuurlijk de tientallen kieviten in het land, maar die er morgen vermoedelijk toch ook niet meer zullen zijn. Ook zij naar zuidelijker orden verdwenen.
Dat geldt waarschijnlijk niet voor de raaf die rondvloog boven de bosrand verderop. En voor de beide haviken die enige tijd boven ons rondvlogen. Of de dodaarsjes in de Grift. Geen trekkers, wel details die de telpost extra charme geven. Die zullen ons wellicht nog plezier bezorgen op dagen dat de trek wat minder spectaculair is.

Wat de herfst vermag, waar die massale vogeltrek ook toe kan leiden bleek vanmiddag. Ik kwam thuis, zette de computer aan en keek op Waarneming.nl: daurische klauwier te Waverhoek! Zo’n soort, zo dichtbij: die kon ik niet aan me voorbij laten gaan. Dus ik was weer weg.
Het werd zo’n heerlijke recht-toe-recht-aantwitch. Trein naar Breukelen, vouwfietsje met wind achter naar Waverhoek en daar zag ik de meute al staan. Dat vind ik toch een van de charmes van zo’n twitch: dat je naast zo’n prachtsoort ook weer eens je medevogelaars treft, met wie je weer eens van alles kunt uitwisselen waarmee je niet-vogelaars alleen maar zou vervelen. Lekker is dat. Tot het moment waarop de vogel zich laat zien. In mijn geval was dat pas na een minuut of tien. Spannenede minuten, maar toen was het zover en was even alle aandacht gericht op een daurische klauwier. Zeldzaam. De laatste jaren weliswaar bijna jaarlijks, maar zelden zo diep in het binnenland en voor Utrecht dan ook een nieuwe soort. De vogel zat niet heel dichtbij, maar liet zich door de telescoop toch mooi bekijken. Er was nog enige discussie over de determinatie: het kon ook de nog zeldzamere turkestaanse klauwier zijn. Onder andere een wat donkerder bruin voorhoofd en het op het oog toch behoorlijk donkere oogmasker leken daar op te wijzen. Beide kenmerken blijken echter niet spijkerhard want nogal variabel. Betere kenmerken waren de zwakke en onopvallende wenkbrauwstreep, bij turkestaan veel prominenter, en het overall bruinige en weinig contrastrijke verenkleed. Foto’s op internet tonen dat ook die kenmerken niet zo hard zijn als we graag zouden willen, maar de combinatie van diverse kenmerken wijst uiteindelijk toch op daurische. En daarmee had deze historisch dag toch maar een zeer memorabele soort voortgebracht.
Tussen de bedrijven door genoten we ook nog van een ringslang die heen en weer zwom in de sloot voor ons, van een roerdomp die achter ons langs vloog, en van drie laag overvliegende zwarte ruiters. Wat een dag weer! En wat een fijne hobby hebben we toch!

19 oktober 2013


Meer uit het Utrechtse: Effe tussendoor