De melding van een roze spreeuw, adulte vogel nog wel met alle roze dat daarbij hoort, bracht me ondanks de grauwe miezer van vanochtend naar de Haarrijnse plas. Vroeg op pad voor een uurtje zoeken vóór het thuiswerk. Af en toe was het bijna (of misschien zelfs heel even helemaal) droog, maar meestal miezerde het zachtjes en soms een beetje hard. Roodhalsfuut zat er nog maar daaraan weinig aandacht besteed. Verderop spreeuwen. Veel spreeuwen. Hoog in een groep bomen midden in het veld, met honderden af en toe op het veld en verder weer volop in en rond de kersenboomgaard. Net als een week geleden. Ik herinner me dat ik toen ook tussen die spreeuwen gezocht heb naar een afwijkend typje, maar niet zo hardnekkig en aanhoudend als vanochtend. Voorlopig was de meeropbrengst van mijn extra inspanningen marginaal. Spreeuwen in het gras, spreeuwen in de bomen, spreeuwen in de boomgaard, spreeuwen in de haag en spreeuwen in vlucht. Soms een paar, soms honderden tegelijk en ik probeerde ze allemaal te checken. Een voor een keek ik ze na maar geen een was er roze. En de miezer druilde neer.
Het zijn de dingen die je kunt meemaken als vogelaar, je mag er niet over klagen want het hoort erbij en er is zoveel erger leed in de wereld, maar een beetje jammer is dat wel want klagen helpt wel als je iets te klagen hebt. Terug bij de fiets. Wat te doen? Naar huis? Op het nippertje besloot ik nog even ‘achterom’ te fietsen, richting Haarzuilens, en het nog even vanaf de Thematerweg te proberen. En dat bleek een goede greep. Tegenover de Geertjeshoeve weer veel spreeuwen. In het gras, in de haag, in de bomen. En ineens zat-ie daar. Een roze spreeuw, nat gezabberd maar verder piekfijn in orde. Roze borst en rug, zwarte kop en vleugels. En het was dan wel grijs en miezerig, had ik dat nog niet gezegd? en door de wind die de takken heen en weer wiegde was-ie soms helemaal aan het zicht onttrokken, maar als-ie zichtbaar was en dat was-ie soms geruime tijd, dan knalde hij er echt uit. Kijk, zo kan het dus ook.
9 juli 2020
Meer uit het Utrechtse: Sneeuw en ijs
donderdag 16 juli 2020
dinsdag 7 juli 2020
Texel reviseted
Ik was er al meer dan een half jaar niet meer geweest. Het was lang voor Corona ons met een bezoekje kwam vereren, dat ik voor het laatst het Marsdiep was overgestoken. De winter en het voorjaar heb ik er helemaal overgeslagen dus het was wel weer een keertje tijd. Daarom op deze wat stormachtige zomerdag voor het eerst in meer dan een half jaar de trein naar Den Helder en de boot naar Texel genomen. Een harde wind uit zuidwest blies me vervolgens in volle vaart het eiland op. Niet te ver, had ik me voorgenomen, want ik moest ook nog terug en dan zou die stormachtige zuidwester in plaats van een steuntje in de rug een hele zware dobber zijn. Wolkenvelden maar geleidelijk ook steeds meer zon. Af en toe een buitje maar dat had niet veel om het lijf. En om me heen het eiland zoals ik me dat nog herinnerde: de velden, de tuunwallen en de drefthuisjes (in tweeën geknipt, de ene helft in Dreft gewassen en zie …). De Waddendijk, schapen op de dijk, de veldleeuwerik jubelend boven je hoofd, de duincontouren in de verte want ik begon aan de wadkant, en rondom een horizon waarin het kerktorentje van Den Hoorn en dat van Den Burg en de molen van Oudeschild. En dat alles onder een hoge, weidse hemel met mooie wolkenpartijen en wat blauw tussendoor. Het klinkt sentimenteel maar het voelde echt een beetje als thuis komen. Heerlijk om er weer te zijn, al was het maar voor één dag.
Echte doelsoorten had ik niet vandaag. Voor een flamingo ga ik niet naar Texel maar nu ik er toch was en nu hij er toch (nog steeds!) zat, wilde ik hem wel weer zien. Temeer omdat dit blijkbaar geen vogel van Zwillbrock is want die zitten nu allemaal op het ven. We zullen hem dus serieus moeten nemen als mogelijke dwaalgast en dat kun je van de meeste flamingo’s in Nederland niet zeggen. En hij zat er hoor, in de Molenkolk inmiddels, vlak naast de plek waar hij vorige herfst (lang voor Corona …) voor het eerst was opgedoken. Een tropische verrassing, toch altijd weer, al deed-ie niet meer dan daar staan, in het water, met zijn slungelige nek die ergens tussen zijn veren verdween. Leuker dan die flamingo waren eigenlijk de dwergsterntjes die zich ook in de Molenkolk ophielden.
Ik had dan wel geen doelsoorten vandaag, maar ook noordse stern wilde ik wel erg graag weer eens mooi zien. Voor een binnenlander als ik immers geen alledaagse soort, bij ons en trouwens ook langs de Hollandse kust zie je bijna alleen maar visdiefjes. Die lijken er erg op maar noordse stern is net even sjieker. Te Nieuw Buitenheim, voorbij Oudeschild, ging mijn wens in vervulling. Er zaten er diverse en zowel in vlucht als aan de grond lieten ze zich mooi zien. Dat was behalve fraai ook leerzaam want zo eenvoudig is het onderscheid met de ook volop aanwezige visdieven niet. Noordse is witter en grijzer, vrijwel zonder zwartachtige tekening in de handpennen maar wel met een scherp zwartachtig randje aan de ondervleugel. Iets anders van structuur ook, en met een andere snavel, subtiel anders van vorm en ook subtiel anders van kleur. Ze lieten het op zijn tijd allemaal mooi zien dus ik was helemaal tevreden.
Oeverzwaluwen in de Minkewaai, duizenden grote sterns met volop jongen in het Wagejot en ik vond dat ik wel weer ver genoeg was gekomen. Tijd om over te steken naar de Noordzeekant om ook met dat aspect van Texel hernieuwd kennis te maken. Aan het eind van de Muyweg het binnenduin overgestoken en naar de Slufter gelopen. Langs de duinzoom en langs de duinweiden, leuke duinplantjes als parnassia en duizendguldenkruid, zomertortel over en in de Slufter nog aardige aantallen rosse grutto’s en kanoeten. Overigens van beide slechts een enkeling in zomerkleed. Eiders, grote sterns, maar het mooiste hier waren twee dwergsterntjes die voortdurend tot dichtbij om me heen vlogen. Prachtig, maar was ik nu een nest aan het verstoren? Ik zag het niet, ik stond netjes achter de bedrading en verderop zaten recreanten (… en wat was ik dan?) te picknicken en ook daar hingen ze af en toe omheen. Nou ja, dan weet ik het ook niet meer. Na korte tijd toch maar weer vertrokken. Dat was ik toch al van plan. Op een van de kale pioniersduintjes die de overgang vormen naar het oude duinland, vond ik nog een mooie plek zeewinde, mag ook niet onvermeld blijven.
Op de terugweg nog een mooie eikenpage: een felblauwe flits langs mee heen waarna ik hem (? of een andere) terugvond, hangend onder een blaadje waarbij alleen de veel fletsere (maar wel leuk getekende) ondervleugel zichtbaar was. En in de Bollenkamer, alweer bijna terug in Den Hoorn, een mooie vrouw blauwe kiekendief laag over me heen. Daarmee was mijn eerste bezoek aan Texel sinds meer dan een half jaar, tot volle tevredenheid tot een goed einde gebracht.
Echte doelsoorten had ik niet vandaag. Voor een flamingo ga ik niet naar Texel maar nu ik er toch was en nu hij er toch (nog steeds!) zat, wilde ik hem wel weer zien. Temeer omdat dit blijkbaar geen vogel van Zwillbrock is want die zitten nu allemaal op het ven. We zullen hem dus serieus moeten nemen als mogelijke dwaalgast en dat kun je van de meeste flamingo’s in Nederland niet zeggen. En hij zat er hoor, in de Molenkolk inmiddels, vlak naast de plek waar hij vorige herfst (lang voor Corona …) voor het eerst was opgedoken. Een tropische verrassing, toch altijd weer, al deed-ie niet meer dan daar staan, in het water, met zijn slungelige nek die ergens tussen zijn veren verdween. Leuker dan die flamingo waren eigenlijk de dwergsterntjes die zich ook in de Molenkolk ophielden.
Ik had dan wel geen doelsoorten vandaag, maar ook noordse stern wilde ik wel erg graag weer eens mooi zien. Voor een binnenlander als ik immers geen alledaagse soort, bij ons en trouwens ook langs de Hollandse kust zie je bijna alleen maar visdiefjes. Die lijken er erg op maar noordse stern is net even sjieker. Te Nieuw Buitenheim, voorbij Oudeschild, ging mijn wens in vervulling. Er zaten er diverse en zowel in vlucht als aan de grond lieten ze zich mooi zien. Dat was behalve fraai ook leerzaam want zo eenvoudig is het onderscheid met de ook volop aanwezige visdieven niet. Noordse is witter en grijzer, vrijwel zonder zwartachtige tekening in de handpennen maar wel met een scherp zwartachtig randje aan de ondervleugel. Iets anders van structuur ook, en met een andere snavel, subtiel anders van vorm en ook subtiel anders van kleur. Ze lieten het op zijn tijd allemaal mooi zien dus ik was helemaal tevreden.
Oeverzwaluwen in de Minkewaai, duizenden grote sterns met volop jongen in het Wagejot en ik vond dat ik wel weer ver genoeg was gekomen. Tijd om over te steken naar de Noordzeekant om ook met dat aspect van Texel hernieuwd kennis te maken. Aan het eind van de Muyweg het binnenduin overgestoken en naar de Slufter gelopen. Langs de duinzoom en langs de duinweiden, leuke duinplantjes als parnassia en duizendguldenkruid, zomertortel over en in de Slufter nog aardige aantallen rosse grutto’s en kanoeten. Overigens van beide slechts een enkeling in zomerkleed. Eiders, grote sterns, maar het mooiste hier waren twee dwergsterntjes die voortdurend tot dichtbij om me heen vlogen. Prachtig, maar was ik nu een nest aan het verstoren? Ik zag het niet, ik stond netjes achter de bedrading en verderop zaten recreanten (… en wat was ik dan?) te picknicken en ook daar hingen ze af en toe omheen. Nou ja, dan weet ik het ook niet meer. Na korte tijd toch maar weer vertrokken. Dat was ik toch al van plan. Op een van de kale pioniersduintjes die de overgang vormen naar het oude duinland, vond ik nog een mooie plek zeewinde, mag ook niet onvermeld blijven.
Op de terugweg nog een mooie eikenpage: een felblauwe flits langs mee heen waarna ik hem (? of een andere) terugvond, hangend onder een blaadje waarbij alleen de veel fletsere (maar wel leuk getekende) ondervleugel zichtbaar was. En in de Bollenkamer, alweer bijna terug in Den Hoorn, een mooie vrouw blauwe kiekendief laag over me heen. Daarmee was mijn eerste bezoek aan Texel sinds meer dan een half jaar, tot volle tevredenheid tot een goed einde gebracht.
zaterdag 27 juni 2020
Limburg
Het was natuurlijk best een lelijk vakantieparkje, laten we eerlijk wezen, met die containers als vakantiewoningen, rijen vakantiecontainers naast elkaar. Met ramen, met badkamer, met slaapkamers, oh ja, van alle gemakken voorzien maar toch, containers. Het was een beetje of je op een crematorium verbleef. Al wende het gauw hoor, uiteindelijk voelden we ons er prima thuis, die paar dagen. Maar waar het natuurlijk echt om ging, dat was de ligging. Dat je via een achterdeurtje, een klaphekje in de omheining, het terrein kon verlaten en dat je dan meteen Limburgs mergelland binnenstapte. Dat je meteen midden in het Geuldal stond. Met een riviertje dat langs steile oevers kronkelt, met bultige graslandjes omzoomd door kreupelhout, wat schamele heggen en vervallen hekjes, met een bosrand, een halfkale boom hier en een halfkale boom daar die bossen maretakken tussen hun takken torsen, en daarachter de Limburgse heuvelen. De glooiende hoogtes waar het landschap zich roerloos aan je voeten legt, zich heeft geformeerd rond een dorpje in de diepte, ergens in een plooi een vakwerkboerderij, … Ja, van hier beneden zag je daar natuurlijk niets van maar je kon je er een voorstelling van maken. En des te beter na de eerste omzwervingen waarbij je dat allemaal wel gezien had. Nee, meer buitenlands krijg je het niet in Nederland.
Ik was er bij het eerste ochtendlicht, in dat stukje Geuldal naast de camping, bij ochtendmist en opkomende zon die voorzichtig door de ochtendmist prikte, en ik was er in de late schemer toen er langs het pad de vuurvliegjes zweefden. Vuurvliegjes! Magischer gaat het niet worden. Vuurvliegje blijkt in werkelijkheid overigens kleine glimworm te heten en is geen vlieg en al helemaal geen worm, wormen kunnen niet vliegen. Kleine glimworm is een kevertje. Met name de mannetjes staan bekend als vuurvliegjes, omdat die tijdens het vliegen een fel licht produceren. Dat doen ze om elkaar te kunnen vinden. Het voordeel daarvan is blijkbaar groter dan het nadeel van hun zichtbaarheid. Die lijkt een uitnodiging aan nachtelijke jagers maar misschien valt dat wel mee, omdat de meeste nachtelijke jagers niet op zicht jagen.
Tussen het eerste ochtendlicht en de late schemer in met Harriët een klassieke wandeling gemaakt: omhoog door het Gerendal, het plateau overgestoken, omlaag het holle weggetje naar het Geuldal beneden en langs de Geul terug. Oude bekenden, plekken waar je al zo vaak geweest bent maar die nooit vervelen. Vele jaren van beschaving hebben ze nog steeds ongemoeid gelaten. Hoe lang nog?
Het is eigenlijk het hart van het heuvelland. Alles wat het heuvelland mooi maakt, vind je hier slechts enkele kilometers van elkaar. Het Gerendal, dat vanaf het Geuldal toegang verleent tot het plateau van Margraten, is het volmaakte droogdal. De licht glooiende velden, de ruige landjes, de heggen die zich door het land begeven, de hoogtes daarachter, de bosrand tegenover, eenzame hoeves in de schaduw van het bronsgroen eikenhout, het klinkt allemaal bekend, woorden die op heel Zuid Limburg van toepassing zijn, die staan voor heel het Limburgse heuvelland maar bijna nergens oogt dat zo volmaakt als hier. Het straalt rust uit, geborgenheid, eeuwigheid, ja, som ze maar op, de clichés, maar hier passen ze allemaal. Dit is het Limburgse landschap waar talloze schilderijen van zijn geschilderd en foto’s van zijn gemaakt. Het Limburgse landschap waar reclame mee wordt gemaakt en waar je van droomt als je droomt van het Limburgse landschap.
Oké, ik ga te ver. Back to earth. We vonden een poeltje met salamanders. Geelgorzen zongen. En we vonden de orchideeënweitjes waar je als je goed keek tussen het gras zeeën van bloeiende orchideeën zag opdoemen waaronder grote muggenorchis en (eentje) welriekende nachtorchis, naast nog zoveel ander zeldzaams. Beemdkroon, grote centaurie, rapunzelklokje, ruige weegbree, agrimonie: een paradijs. Boven, waar langs het pad de ruigtekruiden bloeien en akkers zich roerloos buigen naar een volgende bosrand, daar vonden we in een poeltje de geelbuikvuurpad. ‘The best bird was a toad’ vandaag, want die is bijna uitgestorven in Nederland, al maakt-ie inmiddels een voorzichtige comeback. Natuurbeheer levert weleens wat moois op. Hun roepen, zacht, wat dof, herinnert enigszins aan de bekendere vroetmeesterpad, maar dan een paar tertsen lager. En hun buik heeft echt helder gele vlekken. Prachtig om te zien.
En weer omlaag over wat mij betreft een van de iconen van Zuid Limburg: de Gronselendel. Het is het volmaakte holle weggetje dat zich diep in de helling heeft ingegraven. Hoge wanden waarachter rijke graslandjes vol bloeiende centauries en margrieten en nog veel meer, nabije bosranden, bomen als kromgetrokken oergestaltes en daar tussendoor af en toe een blik op de eindeloosheid van het heuvelland. Van afstand zie je er bijna niets van, een smalle reep groen die de helling doorsnijdt. Maar van binnen ben je in een andere wereld.
En tenslotte beneden de Geul. Hoog water: een woeste, kolkende watermassa, een bruin monster dat door zijn bedding raast. Alle stroomversnellingen, alle obstakels verdwenen.
’s Avonds onder dreiging van spectaculaire buienluchten die veilig uit de buurt bleven, heen en weer naar Ransdaal. Prachtige avond, prachtige luchten, de prachtige kerk van Ransdaal en een heroïsch gevecht tussen noodweer en opklaringen boven ons. Vanavond wonnen de opklaringen. Gisteren was dat anders. Gisteren viel, al op onze eerste avond, de bui van de week. We waren effe heen en weer naar Wijlre, ik had mijn eerste geelgorzen opgestreken en we hadden twee volle rugzakken met boodschappen, toen-ie daar hing, loodgrijs boven de heuvelkam. Terwijl we nog helemaal terug moesten lopen. Tot aan ons parkje hielden we het wonderwel droog, maar eenmaal binnen barstte het los. In alle hevigheid, met hagel en onweer aan alle kanten. Op een gegeven moment stond het weggetje waaraan onze vakantiecontainer stond, helemaal blank. We zagen het water al naar onze voordeur toe kruipen maar net op tijd kalmeerde de bui. Het regende nog de hele avond, maar niet zo hard dat ons huisje erdoor bedreigd werd.
Op de derde dag gingen we fietsen. Want er moesten ook nog een paar zaken worden opgestreken die net buiten wandelbereik lagen. Zoals het Eysserbeekdal voor braamparelmoervlinder. De Kromhagerweg voor orpheusspotvogel. Eys, nou ja, voor Eys. Wittem, Gulpen, Ingber, Scheulder en tenslotte door het Gerendal omlaag terug naar Schin op Geul. Veel zon weer, zoals alle dagen. Maar boven, in de wind en bezweet na een slopende klim zonder eind, was het bijna koud. En omlaag, als de heuvel gul weer prijsgaf wat ze genomen had en je in volle vaart terugkreeg wat je gegeven had, had ik graag dat extra laagje aangetrokken dat ik vanochtend toch maar in onze container had achtergelaten. Maar weer beneden in het dal was het broeierig warm en kon het zweet opwarmen. Braamparelmoervlinder was moeizaam vandaag, alleen een paar keer zien vliegen, maar verder was het Eysserbeekdal volmaakt, met zijn bloemrijke hooilandjes, zijn ruige en bloemrijke hellingen, zijn machtige reuzenpaardenstaarten langs de oude spoorbaan en zijn holle weggetjes die diep verscholen door glooiende velden ploegen.
Een paar kilometer verderop was Orpheus aanvankelijk stil, sputterde af en toe wat maar begon na een tijdje toch leuk te zingen. En aan het eind van de dag, in het Gerendal, vloog eerst een wespendief over, vermaakten we ons vervolgens met een poeltje met prachtige alpenwatersalamanders plus nog allerlei andere waterwezens in vormen, bizarder dan een mens verzinnen kan, riep middelste bonte specht uit het bos tegenover en vloog tenslotte een prachtige rode wouw over. Meestal moet je het met minder doen.
Op de vierde dag wandelden we naar Valkenburg en terug. Heen op en neer over de hellingen en het plateau aan de noordkant van de Geul. Onder andere langs de fraaie kalksteenwand van de Däölkesberg (ja, zo stond het er echt! Geen idee hoe je het uitspreekt), door fraaie hellingbossen zoals overal in het heuvelland juist op de hellingen het bos is behouden gebleven, omdat men daar niets beters mee wist te doen, en langs de oude kluizenaarswoning en kruisweg op de Schaelsberg waar ik nog een mooie keizersmantel vond. Prachtige, haast tropische vlinder en zeldzaam bovendien. Na een bezoekje aan Valkenburg langs de Geul terug gewandeld. Onder andere langs de kasteeltjes Schaloen en Genhoes: het een stoer en teruggetrokken, het ander charmant en behaagziek.
Vanochtend nog even een korte wandeling: omhoog naar Fromberg en weer omlaag richting Schoonbron. Hoge, kale glooiingen met een veldkruis met verse bloemen op een kruising van veldwegen, half beboste hellingen, mooie holle weggetjes: onze dagen in Limburg in een notendop. We hadden het allemaal al gezien, het was tijd om weer naar huis te gaan.
Ik was er bij het eerste ochtendlicht, in dat stukje Geuldal naast de camping, bij ochtendmist en opkomende zon die voorzichtig door de ochtendmist prikte, en ik was er in de late schemer toen er langs het pad de vuurvliegjes zweefden. Vuurvliegjes! Magischer gaat het niet worden. Vuurvliegje blijkt in werkelijkheid overigens kleine glimworm te heten en is geen vlieg en al helemaal geen worm, wormen kunnen niet vliegen. Kleine glimworm is een kevertje. Met name de mannetjes staan bekend als vuurvliegjes, omdat die tijdens het vliegen een fel licht produceren. Dat doen ze om elkaar te kunnen vinden. Het voordeel daarvan is blijkbaar groter dan het nadeel van hun zichtbaarheid. Die lijkt een uitnodiging aan nachtelijke jagers maar misschien valt dat wel mee, omdat de meeste nachtelijke jagers niet op zicht jagen.
Tussen het eerste ochtendlicht en de late schemer in met Harriët een klassieke wandeling gemaakt: omhoog door het Gerendal, het plateau overgestoken, omlaag het holle weggetje naar het Geuldal beneden en langs de Geul terug. Oude bekenden, plekken waar je al zo vaak geweest bent maar die nooit vervelen. Vele jaren van beschaving hebben ze nog steeds ongemoeid gelaten. Hoe lang nog?
Het is eigenlijk het hart van het heuvelland. Alles wat het heuvelland mooi maakt, vind je hier slechts enkele kilometers van elkaar. Het Gerendal, dat vanaf het Geuldal toegang verleent tot het plateau van Margraten, is het volmaakte droogdal. De licht glooiende velden, de ruige landjes, de heggen die zich door het land begeven, de hoogtes daarachter, de bosrand tegenover, eenzame hoeves in de schaduw van het bronsgroen eikenhout, het klinkt allemaal bekend, woorden die op heel Zuid Limburg van toepassing zijn, die staan voor heel het Limburgse heuvelland maar bijna nergens oogt dat zo volmaakt als hier. Het straalt rust uit, geborgenheid, eeuwigheid, ja, som ze maar op, de clichés, maar hier passen ze allemaal. Dit is het Limburgse landschap waar talloze schilderijen van zijn geschilderd en foto’s van zijn gemaakt. Het Limburgse landschap waar reclame mee wordt gemaakt en waar je van droomt als je droomt van het Limburgse landschap.
Oké, ik ga te ver. Back to earth. We vonden een poeltje met salamanders. Geelgorzen zongen. En we vonden de orchideeënweitjes waar je als je goed keek tussen het gras zeeën van bloeiende orchideeën zag opdoemen waaronder grote muggenorchis en (eentje) welriekende nachtorchis, naast nog zoveel ander zeldzaams. Beemdkroon, grote centaurie, rapunzelklokje, ruige weegbree, agrimonie: een paradijs. Boven, waar langs het pad de ruigtekruiden bloeien en akkers zich roerloos buigen naar een volgende bosrand, daar vonden we in een poeltje de geelbuikvuurpad. ‘The best bird was a toad’ vandaag, want die is bijna uitgestorven in Nederland, al maakt-ie inmiddels een voorzichtige comeback. Natuurbeheer levert weleens wat moois op. Hun roepen, zacht, wat dof, herinnert enigszins aan de bekendere vroetmeesterpad, maar dan een paar tertsen lager. En hun buik heeft echt helder gele vlekken. Prachtig om te zien.
En weer omlaag over wat mij betreft een van de iconen van Zuid Limburg: de Gronselendel. Het is het volmaakte holle weggetje dat zich diep in de helling heeft ingegraven. Hoge wanden waarachter rijke graslandjes vol bloeiende centauries en margrieten en nog veel meer, nabije bosranden, bomen als kromgetrokken oergestaltes en daar tussendoor af en toe een blik op de eindeloosheid van het heuvelland. Van afstand zie je er bijna niets van, een smalle reep groen die de helling doorsnijdt. Maar van binnen ben je in een andere wereld.
En tenslotte beneden de Geul. Hoog water: een woeste, kolkende watermassa, een bruin monster dat door zijn bedding raast. Alle stroomversnellingen, alle obstakels verdwenen.
’s Avonds onder dreiging van spectaculaire buienluchten die veilig uit de buurt bleven, heen en weer naar Ransdaal. Prachtige avond, prachtige luchten, de prachtige kerk van Ransdaal en een heroïsch gevecht tussen noodweer en opklaringen boven ons. Vanavond wonnen de opklaringen. Gisteren was dat anders. Gisteren viel, al op onze eerste avond, de bui van de week. We waren effe heen en weer naar Wijlre, ik had mijn eerste geelgorzen opgestreken en we hadden twee volle rugzakken met boodschappen, toen-ie daar hing, loodgrijs boven de heuvelkam. Terwijl we nog helemaal terug moesten lopen. Tot aan ons parkje hielden we het wonderwel droog, maar eenmaal binnen barstte het los. In alle hevigheid, met hagel en onweer aan alle kanten. Op een gegeven moment stond het weggetje waaraan onze vakantiecontainer stond, helemaal blank. We zagen het water al naar onze voordeur toe kruipen maar net op tijd kalmeerde de bui. Het regende nog de hele avond, maar niet zo hard dat ons huisje erdoor bedreigd werd.
Op de derde dag gingen we fietsen. Want er moesten ook nog een paar zaken worden opgestreken die net buiten wandelbereik lagen. Zoals het Eysserbeekdal voor braamparelmoervlinder. De Kromhagerweg voor orpheusspotvogel. Eys, nou ja, voor Eys. Wittem, Gulpen, Ingber, Scheulder en tenslotte door het Gerendal omlaag terug naar Schin op Geul. Veel zon weer, zoals alle dagen. Maar boven, in de wind en bezweet na een slopende klim zonder eind, was het bijna koud. En omlaag, als de heuvel gul weer prijsgaf wat ze genomen had en je in volle vaart terugkreeg wat je gegeven had, had ik graag dat extra laagje aangetrokken dat ik vanochtend toch maar in onze container had achtergelaten. Maar weer beneden in het dal was het broeierig warm en kon het zweet opwarmen. Braamparelmoervlinder was moeizaam vandaag, alleen een paar keer zien vliegen, maar verder was het Eysserbeekdal volmaakt, met zijn bloemrijke hooilandjes, zijn ruige en bloemrijke hellingen, zijn machtige reuzenpaardenstaarten langs de oude spoorbaan en zijn holle weggetjes die diep verscholen door glooiende velden ploegen.
Een paar kilometer verderop was Orpheus aanvankelijk stil, sputterde af en toe wat maar begon na een tijdje toch leuk te zingen. En aan het eind van de dag, in het Gerendal, vloog eerst een wespendief over, vermaakten we ons vervolgens met een poeltje met prachtige alpenwatersalamanders plus nog allerlei andere waterwezens in vormen, bizarder dan een mens verzinnen kan, riep middelste bonte specht uit het bos tegenover en vloog tenslotte een prachtige rode wouw over. Meestal moet je het met minder doen.
Op de vierde dag wandelden we naar Valkenburg en terug. Heen op en neer over de hellingen en het plateau aan de noordkant van de Geul. Onder andere langs de fraaie kalksteenwand van de Däölkesberg (ja, zo stond het er echt! Geen idee hoe je het uitspreekt), door fraaie hellingbossen zoals overal in het heuvelland juist op de hellingen het bos is behouden gebleven, omdat men daar niets beters mee wist te doen, en langs de oude kluizenaarswoning en kruisweg op de Schaelsberg waar ik nog een mooie keizersmantel vond. Prachtige, haast tropische vlinder en zeldzaam bovendien. Na een bezoekje aan Valkenburg langs de Geul terug gewandeld. Onder andere langs de kasteeltjes Schaloen en Genhoes: het een stoer en teruggetrokken, het ander charmant en behaagziek.
Vanochtend nog even een korte wandeling: omhoog naar Fromberg en weer omlaag richting Schoonbron. Hoge, kale glooiingen met een veldkruis met verse bloemen op een kruising van veldwegen, half beboste hellingen, mooie holle weggetjes: onze dagen in Limburg in een notendop. We hadden het allemaal al gezien, het was tijd om weer naar huis te gaan.
maandag 15 juni 2020
L'amour
Al wekenlang zit er een vogeltje in de Strypsche Wetering bij Rockanje met de prachtige naam amoerkwikstaart. Maar zo romantisch als de naam is, zo onbeduidend is de vogel, vond ik. Want je kunt hem wel zo’n naam geven, daarmee is nog niet gezegd dat-ie werkelijk van zo ver komt als men dacht dat-ie kwam. Voor mij was het vooralsnog niet meer dan een wat afwijkende witte (of meer in het bijzonder rouw-)kwikstaart. Ik had me er dus nog niet toe kunnen zetten die voor mij nogal omslachtige reis te gaan ondernemen: trein naar Rotterdam, metro naar Spijkenisse en bus naar Rockanje en dat in tijden van corona. Langzamerhand lijkt de discussie echter te worden beslecht in het voordeel van de gelovigen. Dat garandeert uiteraard nog helemaal niets maar er lijkt toch wel veel te kloppen voor amoer en ook steeds meer coryfeeën, steeds meer echte kenners geloven inmiddels op grond van zorgvuldige analyse van kenmerken in een Chinese herkomst. Wie ben ik dan om ze tegen te spreken? Met het verschijnen van foto's uit China van vrouwtjes en jonge vogels met grijze flanken, tot nu toe een van mijn belangrijkste bezwaren omdat amoer immers, zo had ik begrepen (zelf uiteraard geen ervaring met de soort) spierwitte flanken moest hebben, werd ook mijn laatste argument om thuis te blijven me uit handen genomen. Ik moest op pad.
Lege trein, lege metro en lege bus, allemaal volledig coronaproof: dat verliep op rolletjes. Niemand die me vroeg of mijn reis wel echt noodzakelijk was en daar stond ik dan, midden in het Voornse laagland. Het was nog even wachten en zoeken in de Strypsche Wetering. Kluten, een lepelaar, nog een lepelaar, groenpootruiter, bruine kiekendief, gele kwikstaart, een paar juveniele witte maar toen, na pakweg een uur, toen zat-ie daar ineens. Uitgebreid witte kop zonder zwarte keel, zwartachtige rug, witte plek op de dekveren: een bijzondere ‘witte kwikstaart’ was het in elk geval. Een afwijkende Hollandse vogel of eentje uit China of daaromtrent? Het zou niet eens de eerste in Europa zijn dus het kan wel en je kunt niet anders dan de vogel serieus nemen. We zullen zien wat de bevoegde instanties ervan maken.
Voorne dus, en nog bijna een hele dag te gaan. Een mooie aanleiding om weer eens een duik in het verleden te nemen. In mijn hele jonge jaren ging ik met mijn oom en tante vaak naar de duinen van Voorne. Ik vond het er geweldig, een paradijs, dus toen ik de jaren van zelfstandigheid had bereikt, voldoende toegerust om op eigen benen die reis te ondernemen, ging ik jaren lang meerdere keren per jaar die kant op. Dat was mijn manier van avontuur beleven, van me voor even onttrekken aan de samenleving met al haar verplichtingen. Heerlijk vond ik het toen om één dag lang daarvan verlost te zijn en me voor iedereen ongezien, ongeweten en onbereikbaar in dat paradijs te begeven. Ja, de tijden zijn nogal veranderd sinds die dagen, in vele opzichten. De moderne technologie, het voortdurend in contact zijn met de wereld, het heeft zijn voordelen en ik zou niet meer zonder willen, maar je raakt ook iets kwijt.
Later leerde ik Texel kennen en hoe gemakkelijk het was om daar te komen. En IJmuiden en Camperduin. Ook liet ik mijn bestemming steeds vaker bepalen door waar een leuke, liefst zeldzame soort te vinden was. Dat bracht me in al die jaren op de mooiste en soms ook de gekste plekjes in het land. Maar de reis naar Voorne was me in toenemende mate te omslachtig en zonder aanleiding kon ik me er niet meer toe zetten die te ondernemen. En aanleiding was er eigenlijk nooit. Kortom, ik was er al jaren niet meer geweest. De laatste keer dat ik er was, waren cetti’s zanger en grote zilverreiger hier nog grote zeldzaamheden. En nu? Een grote zilverreiger zat op de oever van een eilandje in het Breede water en cetti’s zanger? Ach, cetti's zanger, daar kijken we allang niet meer van op, ook in de duinen van Voorne niet.
Het voelde een beetje onwennig toen ik door het klaphekje het gebied betrad. Ik had even niet meer zo’n duidelijk idee waar ik was en waar ik heen moest. Maar toen ik eenmaal binnen was, herkende ik het meteen. De Tenellaplas met zijn rietranden en waterlelievelden en omringende vegetatie met orchideeën, ogentroost en ratelaars. De mêlee van duinstruwelen en bosranden die zich aan je opdringen en de grazige duinweiden die ze tussen zich in dulden. En het pad dat ineens het duistere en vochtige bos induikt, zo kenmerkend voor de kalkrijke duinen in dit deel van het land, en je uiteindelijk brengt aan de oever van het Breede water, het duinmeer dat er na al die jaren nog altijd ligt, verscholen achter de duinhellinkjes. Schrale, zilte bloemenweiden met orchideeën en met bijvoorbeeld teer guichelheil. Zeldzaam. Zeewolfsmelk in de zeereep. En de zilte weelde van het groene strand, met zilt torkruid, zeeraket en bossen heen. Een uitstapje naar een vermeende zwartkopgors was vergeefs maar het was een feest om er weer eens te zijn en op de terugweg was het alleen in de metro ietsje te druk en af en toe lastig om de anderhalve meter in stand te houden. Maar toen was ik op weg naar huis en was mijn reis dus echt wel echt noodzakelijk.
Lege trein, lege metro en lege bus, allemaal volledig coronaproof: dat verliep op rolletjes. Niemand die me vroeg of mijn reis wel echt noodzakelijk was en daar stond ik dan, midden in het Voornse laagland. Het was nog even wachten en zoeken in de Strypsche Wetering. Kluten, een lepelaar, nog een lepelaar, groenpootruiter, bruine kiekendief, gele kwikstaart, een paar juveniele witte maar toen, na pakweg een uur, toen zat-ie daar ineens. Uitgebreid witte kop zonder zwarte keel, zwartachtige rug, witte plek op de dekveren: een bijzondere ‘witte kwikstaart’ was het in elk geval. Een afwijkende Hollandse vogel of eentje uit China of daaromtrent? Het zou niet eens de eerste in Europa zijn dus het kan wel en je kunt niet anders dan de vogel serieus nemen. We zullen zien wat de bevoegde instanties ervan maken.
Voorne dus, en nog bijna een hele dag te gaan. Een mooie aanleiding om weer eens een duik in het verleden te nemen. In mijn hele jonge jaren ging ik met mijn oom en tante vaak naar de duinen van Voorne. Ik vond het er geweldig, een paradijs, dus toen ik de jaren van zelfstandigheid had bereikt, voldoende toegerust om op eigen benen die reis te ondernemen, ging ik jaren lang meerdere keren per jaar die kant op. Dat was mijn manier van avontuur beleven, van me voor even onttrekken aan de samenleving met al haar verplichtingen. Heerlijk vond ik het toen om één dag lang daarvan verlost te zijn en me voor iedereen ongezien, ongeweten en onbereikbaar in dat paradijs te begeven. Ja, de tijden zijn nogal veranderd sinds die dagen, in vele opzichten. De moderne technologie, het voortdurend in contact zijn met de wereld, het heeft zijn voordelen en ik zou niet meer zonder willen, maar je raakt ook iets kwijt.
Later leerde ik Texel kennen en hoe gemakkelijk het was om daar te komen. En IJmuiden en Camperduin. Ook liet ik mijn bestemming steeds vaker bepalen door waar een leuke, liefst zeldzame soort te vinden was. Dat bracht me in al die jaren op de mooiste en soms ook de gekste plekjes in het land. Maar de reis naar Voorne was me in toenemende mate te omslachtig en zonder aanleiding kon ik me er niet meer toe zetten die te ondernemen. En aanleiding was er eigenlijk nooit. Kortom, ik was er al jaren niet meer geweest. De laatste keer dat ik er was, waren cetti’s zanger en grote zilverreiger hier nog grote zeldzaamheden. En nu? Een grote zilverreiger zat op de oever van een eilandje in het Breede water en cetti’s zanger? Ach, cetti's zanger, daar kijken we allang niet meer van op, ook in de duinen van Voorne niet.
Het voelde een beetje onwennig toen ik door het klaphekje het gebied betrad. Ik had even niet meer zo’n duidelijk idee waar ik was en waar ik heen moest. Maar toen ik eenmaal binnen was, herkende ik het meteen. De Tenellaplas met zijn rietranden en waterlelievelden en omringende vegetatie met orchideeën, ogentroost en ratelaars. De mêlee van duinstruwelen en bosranden die zich aan je opdringen en de grazige duinweiden die ze tussen zich in dulden. En het pad dat ineens het duistere en vochtige bos induikt, zo kenmerkend voor de kalkrijke duinen in dit deel van het land, en je uiteindelijk brengt aan de oever van het Breede water, het duinmeer dat er na al die jaren nog altijd ligt, verscholen achter de duinhellinkjes. Schrale, zilte bloemenweiden met orchideeën en met bijvoorbeeld teer guichelheil. Zeldzaam. Zeewolfsmelk in de zeereep. En de zilte weelde van het groene strand, met zilt torkruid, zeeraket en bossen heen. Een uitstapje naar een vermeende zwartkopgors was vergeefs maar het was een feest om er weer eens te zijn en op de terugweg was het alleen in de metro ietsje te druk en af en toe lastig om de anderhalve meter in stand te houden. Maar toen was ik op weg naar huis en was mijn reis dus echt wel echt noodzakelijk.
zaterdag 30 mei 2020
Struikriet
Of het nou direct het gevolg was van corona of indirect, of helemaal niet, of van mijn eigen laksheid (die dan toch weer een beetje het gevolg was van het virusje dat ons allen zo bezighoudt), ik ben nogal wat moois misgelopen de afgelopen maanden. Ik noem geen namen maar ik vond het wel weer eens tijd worden voor een fijne en bovenal geslaagde twitch. Voor een dagje vogelen waarop het eens allemaal meezit, dat je achteraf kunt zeggen: ik heb er alles uitgehaald wat erin zat vandaag. Dus op deze zoveelste prachtige, zonnige lentedag van het jaar me door vrijwel lege, coronavrije treinen laten vervoeren naar station Nijmegen, vanwaar het vouwfietsje me de Ooijpolder in bracht.
Om struikrietzanger was het me te doen vandaag, een prachtig zingende struikrietzanger in de Millingerwaard. Dat was iets nieuws voor me. Ik had wel al eerder struikrieten natuurlijk, hoewel niet al teveel want ze zijn behoorlijk zeldzaam (twee om precies te zijn, allebei in de herfst op Texel), maar nog nooit zo. Nog nooit in het voorjaar en nog nooit volop zingend. En zang van struikrietzanger, dat is wat hoor, dat is iets waar je wel een tochtje naar de Millingerwaard aan wilt besteden. Dus onderweg maar weinig aandacht besteed aan sprinkhaanzangers, spotvogels, bosrietzangers, zwarte sterns en roeken, en maar ietsje meer aan een wespendief en een koninginnenpage. Ter plaatse in de Millingerwaard, een fraai en uitgestrekt doolhof van grindplassen, rivierbossen, rietvelden en drassige oeverlanden en een van de paradepaardjes van de Nieuwe Natuur in Nederland, meteen neus in de boter: zingende struikrietzanger! Die zong vervolgens zowat een uur lang vrijwel permanent, wat een heerlijk geluid, en liet zich geregeld ook zeer fraai zien, helemaal vrij en af en toe op amper tien meter. Dus daar stonden we, met een man of tien, te luisteren naar die fascinerende afwisseling van ratelende en knarsende en juist heldere, scherpe, zelfs melodieuze klanken waar men struikrietzanger aan kan herkennen. Alleen het ratelen van de camera’s verstoorde enigszins de idylle, hoewel dat eigenlijk ook wel aardig paste in het repertoire van struikriet. Eindelijk weer eens een fijne en geslaagde twitch dus. Waarna de vogel in de middag overigens een stuk stiller werd en nog maar sporadisch van zich liet horen.
Het waren ook de bonussen die deze dag zo’n topdag maakten. Een geweldige zwarte wouw vloog laag over ons heen. Een tweede kalenderjaar pontische meeuw, een heel karakteristieke vogel, was korte tijd ter plaatse. Af en toe liet een man blauwborst zich prachtig bekijken. Zingende bosrietzanger, matkop, en op de terugweg nogmaals koninginnenpage, en nu wel enige tijd voor haar genomen. Op diverse plekken zongen luid de nachtegalen. Twee boomvalken cirkelden driftig om elkaar heen. En tenslotte, na lang zoeken en toen ik me er al bijna bij had neergelegd dat de dag toch weer zou eindigen met een dipje, zwarte ooievaar laag over de dijk bij wat op de kaart Tiengeboden heet. Hij verdween achter de bomen en leek daar buitendijks neergestreken, maar ik kon hem niet meer vinden. Ik heb er ook niet al te lang mijn best voor gedaan. Ik wilde op tijd terug naar Nijmegen om me weer door lege treinen naar huis te laten vervoeren. Want ik ben nog wel een beetje bang voor de spits.
27 mei 2020
Meer lezen? L'amour
Om struikrietzanger was het me te doen vandaag, een prachtig zingende struikrietzanger in de Millingerwaard. Dat was iets nieuws voor me. Ik had wel al eerder struikrieten natuurlijk, hoewel niet al teveel want ze zijn behoorlijk zeldzaam (twee om precies te zijn, allebei in de herfst op Texel), maar nog nooit zo. Nog nooit in het voorjaar en nog nooit volop zingend. En zang van struikrietzanger, dat is wat hoor, dat is iets waar je wel een tochtje naar de Millingerwaard aan wilt besteden. Dus onderweg maar weinig aandacht besteed aan sprinkhaanzangers, spotvogels, bosrietzangers, zwarte sterns en roeken, en maar ietsje meer aan een wespendief en een koninginnenpage. Ter plaatse in de Millingerwaard, een fraai en uitgestrekt doolhof van grindplassen, rivierbossen, rietvelden en drassige oeverlanden en een van de paradepaardjes van de Nieuwe Natuur in Nederland, meteen neus in de boter: zingende struikrietzanger! Die zong vervolgens zowat een uur lang vrijwel permanent, wat een heerlijk geluid, en liet zich geregeld ook zeer fraai zien, helemaal vrij en af en toe op amper tien meter. Dus daar stonden we, met een man of tien, te luisteren naar die fascinerende afwisseling van ratelende en knarsende en juist heldere, scherpe, zelfs melodieuze klanken waar men struikrietzanger aan kan herkennen. Alleen het ratelen van de camera’s verstoorde enigszins de idylle, hoewel dat eigenlijk ook wel aardig paste in het repertoire van struikriet. Eindelijk weer eens een fijne en geslaagde twitch dus. Waarna de vogel in de middag overigens een stuk stiller werd en nog maar sporadisch van zich liet horen.
Het waren ook de bonussen die deze dag zo’n topdag maakten. Een geweldige zwarte wouw vloog laag over ons heen. Een tweede kalenderjaar pontische meeuw, een heel karakteristieke vogel, was korte tijd ter plaatse. Af en toe liet een man blauwborst zich prachtig bekijken. Zingende bosrietzanger, matkop, en op de terugweg nogmaals koninginnenpage, en nu wel enige tijd voor haar genomen. Op diverse plekken zongen luid de nachtegalen. Twee boomvalken cirkelden driftig om elkaar heen. En tenslotte, na lang zoeken en toen ik me er al bijna bij had neergelegd dat de dag toch weer zou eindigen met een dipje, zwarte ooievaar laag over de dijk bij wat op de kaart Tiengeboden heet. Hij verdween achter de bomen en leek daar buitendijks neergestreken, maar ik kon hem niet meer vinden. Ik heb er ook niet al te lang mijn best voor gedaan. Ik wilde op tijd terug naar Nijmegen om me weer door lege treinen naar huis te laten vervoeren. Want ik ben nog wel een beetje bang voor de spits.
27 mei 2020
Meer lezen? L'amour
woensdag 20 mei 2020
Vogelen in tijden van Corona
Nu we dan, naar het schijnt, in een nieuwe fase zijn beland, nu het motto niet meer is: ‘blijf thuis’ maar: ‘vermijd drukte’, is het tijd voor een terugblik. Om te beginnen moet ik vaststellen dat er voor mij maar weinig veranderd is. Ik moet eerlijk bekennen dat thuisblijven mij niet altijd even goed afging en dat ik al die tijd al leefde naar het motto: ‘vermijd drukte’. Wat op al mijn vaste corona-ommetjes prima gelukt is. Waar de autoriteiten ons af en toe bestraffend toespraken vanwege de drukte op het strand of in de winkelstraten en de rijen voor de Gamma of de Praxis, begaf ik mij vooral in het nabije polderland. Daar was het niet moeilijk om me aan mijn eigen motto te houden. Ook de anderhalve-meterregel leverde geen enkel probleem op: de afstand tot mijn medemensen was maar heel af en toe minder dan 150 meter. Knap virusje dat die afstand zou weten te overbruggen. Tijdens mijn rondwandelingen rond de westelijke Gagelpolder kwam ik zelden iemand tegen. Tijdens mijn vanwege mijn beperkte actieradius weer net als vroeger wekelijkse fietstochtjes naar Tienhoven en omgeving kwamen pas als ik alweer zowat op de terugweg was, de racefietsers mij luid rinkelbellend voorbij gesneld en moest ik af en toe slalommen om de wandelaars te ontwijken en daarbij de anderhalve meter afstand in stand te houden. Intussen baltsen in de Bethunepolder weer ouderwets de grutto's, zingen langs de Veenkade de blauwborsten, jaagt daar dagelijks de bruine kiekendief, hoempen bij Tienhoven de roerdompen (jawel, meervoud, het is echt!) en vond ik op een mooie avond in een groep gele kwikstaarten een mooie engelse. Ik zag ze nog net wegvliegen, die kwikstaarten, maar een voor een keerden ze terug om weer te gaan foerageren tussen de koeienpoten en de eerste die ik in de kijker had, was een onberispelijke engelse kwikstaart! Ja, zo komen we de coronaquarantaine wel door.
Aan twitchen heb ik al die tijd vrijwel niet gedaan, in elk geval niet buiten de regio. Een trein heb ik al twee maanden niet van binnen gezien. Ik heb me vooral verdiept in mijn eigen omgeving en dat is me eerlijk gezegd prima bevallen. Natuurlijk heeft me dat een paar mooie soorten gekost, ik had zonder lockdown misschien een of twee lifers kunnen opstrijken, maar ik heb daar niet al te ernstig onder geleden. Het is natuurlijk jammer maar het is ook bevrijdend om je voor even niet alsmaar te laten opjagen door weer een zeldzaamheid waar je achteraan moet. Je niet te laten sturen door wat anderen vinden. Ik heb veel genegeerd en dat scheelt in elk geval veel adrenaline. Al stroomde die adrenaline dan weer volop bij enkele min of meer lokale, in elk geval fietsbare zeldzaamheden waar ik wel achteraan ben gegaan. Zoals die zwartkeellijster bij ons in Hoograven, ik mag het nu wel verklappen: met een man of tien, vijftien, voorzichtig manoeuvrerend om elkaar heen om de vereiste anderhalve meter in stand te houden, stonden we te kijken naar een boompje waar de vogel zich fraai liet bezichtigen. En op een heerlijke bijna zomerse ochtend stond ik bij Kortenhoef in mijn eentje te kijken naar een prachtige witvleugelstern tussen de zwarte sterns. Ja, een spoedactie, ik was het al bijna verleerd maar lokaal kan het je nog zomaar overkomen en het voelde lekker, eerlijk gezegd. Toch een kleine verademing, een lichtend baken in deze dus niet eens al te schrale coronatijden.
Gewoon rustig thuisblijven, in ruime zin natuurlijk, en afwachten wat zich in eigen omgeving zou voordoen: het was eigenlijk heerlijk en het betaalde zich nog rijkelijk uit ook. Een schemeravond met zowel ransuil, eerst nabij roepend en daarna laag over me heen, als bosuil luid roepend uit het inmiddels donkere Gagelbos. Een paar steltkluten foeragerend op hun lange stelten op hooguit enkele tientallen meters afstand. Parende kleine bonte spechten te Beukenburg, je durft bijna niet te kijken. Tientallen dwergmeeuwen boven de Loosdrechtse plassen, reuzensterns op de Hoogekampse plas, temmincks strandlopers in de Taartpunt en een heerlijke windstille avond in de Zodden met tussen klassieke avondschemergeluiden als snor, blauwborst, roerdomp en waterral het al even klassieke geluidje van kwartel. Het kan allemaal, op luttele kilometers vanaf Overvecht noord. Je hoeft niet ver weg om het voorjaar te zien voortschrijden, om telkens een nieuwe soort zijn intrede te zien doen: eerst de eerste, daarna steeds een paar meer en na een week of zo overal aanwezig. Tjiftjaf, karekiet, spotvogel: steeds verzet het voorjaar haar pionnen.
Nu zijn we dus weer een klein beetje vrijer, nu wordt ons weer ietsje meer ruimte gegund. Ik merk dat ik nog steeds niet echt sta te trappelen. Het wachten is natuurlijk op de soort die ik niet kan afslaan. Maar tot zover vermaak ik me prima in mijn eigen achtertuin.
Aan twitchen heb ik al die tijd vrijwel niet gedaan, in elk geval niet buiten de regio. Een trein heb ik al twee maanden niet van binnen gezien. Ik heb me vooral verdiept in mijn eigen omgeving en dat is me eerlijk gezegd prima bevallen. Natuurlijk heeft me dat een paar mooie soorten gekost, ik had zonder lockdown misschien een of twee lifers kunnen opstrijken, maar ik heb daar niet al te ernstig onder geleden. Het is natuurlijk jammer maar het is ook bevrijdend om je voor even niet alsmaar te laten opjagen door weer een zeldzaamheid waar je achteraan moet. Je niet te laten sturen door wat anderen vinden. Ik heb veel genegeerd en dat scheelt in elk geval veel adrenaline. Al stroomde die adrenaline dan weer volop bij enkele min of meer lokale, in elk geval fietsbare zeldzaamheden waar ik wel achteraan ben gegaan. Zoals die zwartkeellijster bij ons in Hoograven, ik mag het nu wel verklappen: met een man of tien, vijftien, voorzichtig manoeuvrerend om elkaar heen om de vereiste anderhalve meter in stand te houden, stonden we te kijken naar een boompje waar de vogel zich fraai liet bezichtigen. En op een heerlijke bijna zomerse ochtend stond ik bij Kortenhoef in mijn eentje te kijken naar een prachtige witvleugelstern tussen de zwarte sterns. Ja, een spoedactie, ik was het al bijna verleerd maar lokaal kan het je nog zomaar overkomen en het voelde lekker, eerlijk gezegd. Toch een kleine verademing, een lichtend baken in deze dus niet eens al te schrale coronatijden.
Gewoon rustig thuisblijven, in ruime zin natuurlijk, en afwachten wat zich in eigen omgeving zou voordoen: het was eigenlijk heerlijk en het betaalde zich nog rijkelijk uit ook. Een schemeravond met zowel ransuil, eerst nabij roepend en daarna laag over me heen, als bosuil luid roepend uit het inmiddels donkere Gagelbos. Een paar steltkluten foeragerend op hun lange stelten op hooguit enkele tientallen meters afstand. Parende kleine bonte spechten te Beukenburg, je durft bijna niet te kijken. Tientallen dwergmeeuwen boven de Loosdrechtse plassen, reuzensterns op de Hoogekampse plas, temmincks strandlopers in de Taartpunt en een heerlijke windstille avond in de Zodden met tussen klassieke avondschemergeluiden als snor, blauwborst, roerdomp en waterral het al even klassieke geluidje van kwartel. Het kan allemaal, op luttele kilometers vanaf Overvecht noord. Je hoeft niet ver weg om het voorjaar te zien voortschrijden, om telkens een nieuwe soort zijn intrede te zien doen: eerst de eerste, daarna steeds een paar meer en na een week of zo overal aanwezig. Tjiftjaf, karekiet, spotvogel: steeds verzet het voorjaar haar pionnen.
Nu zijn we dus weer een klein beetje vrijer, nu wordt ons weer ietsje meer ruimte gegund. Ik merk dat ik nog steeds niet echt sta te trappelen. Het wachten is natuurlijk op de soort die ik niet kan afslaan. Maar tot zover vermaak ik me prima in mijn eigen achtertuin.
woensdag 15 april 2020
Vogelen in tijden van Corona
Al dagen, nee, al weken lang bijna is het meest mooi, zonnig lenteweer met oostenwind en trekt buizerd na buizerd over de stad en omgeving naar noord. En niet alleen buizerds, naar verluidt. Dat is een van die dingen die we nog kunnen meepikken nu we niet verder meer komen dan stad en af en toe omgeving. Denkend aan de vele meldingen van niet alleen buizerds elders rond Utrecht denk ik bij iedere buizerd: op een keer is het een wouw. En vandaag was het zo ver: een fraaie zwarte wouw cirkelde omhoog uit het moerasbos in de westelijke Gagelpolder en gleed, nadat-ie zich korte tijd geweldig had laten bekijken, af naar noordwest.
Het was een van de eerlijk gezegd nog niet eens zo heel schaarse hoogtepunten tijdens de inmiddels alweer enkele weken durende ‘intelligente lockdown’ die aan ons is opgelegd. Eigenlijk heb ik weinig te klagen. Vogelen kun je altijd en overal en afstand bewaren gaat daarbij bijna vanzelf. Alleen als je per ongeluk met bijna tien man naar een lijster staat te kijken, komt als je niet oppast de anderhalve meter enigszins in gevaar.
Een ommetje is toegestaan, een frisse neus immers, we kunnen niet zonder, een frisse neus halen is inmiddels een van de populairste bezigheden in Nederland. ‘Ommetje’ is natuurlijk een rekbaar begrip en ik moet toegeven dat ik die rekbaarheid af en toe tot het uiterste beproef. Want thuisblijven, dat is eerlijk gezegd niet een van mijn grootste kwaliteiten. Dat kan ik slecht. Sorry voor al diegenen die om het hardst roepen ‘blijf thuis!’ Ik zie er ook het kwaad niet van in als ik af en toe de deur uitstap, door de lege straten loop en de relatieve stilte van de Gagelpolder opzoek. Nergens ben je zo veilig voor het virus als daar want je komt er meestal bijna geen mens tegen. En zo is het wandelrondje om de westelijke Gagelpolder een van mijn vaste corona-tochtjes geworden. Langs dat warrelige struweel en die stille watertjes half verscholen achter het warrelig struweel, langs eerst de roodbloeiende gagelstruikjes en nu de witblinkende krenteboompjes, langs wat dunne rietwaaiers en langs het jonge bos waarvan de bosbodem bedekt is met speenkruid, een groene zee van speenkruid. Een steenuiltje in een knotwilg, ik zag hem al een paar keer. Terwijl inmiddels rietzanger, zwartkop en fitis zingen, ja, corona of geen corona, het voorjaar zet stap na stap. Maar dat is natuurlijk geen opzienbarend inzicht, wat zou het voorjaar zich van corona aantrekken? Dat hebben overigens velen voor mij ook al gezegd, niets nieuw onder de zon.
Soms stap ik op de fiets en fiets stilletjes de polder in. Langs velden en plassen met soms lepelaars en alweer purperreigers, met bruine kiekendief wankelend boven de rietvelden en met talloze jubelende blauwborsten. Onder meer. Beflijsters hebben we ook dezer dagen, diverse beflijsters op diverse plaatsen en ook dat helpt goed bij het doorstaan van deze in beginsel nogal sombere dagen.
Verder zit ik meest thuis en zie, tussen het werken door, vanuit de tuin of door het raam van de studeerkamer die ik tot mijn voorlopige werkplek heb gepromoveerd, af en toe de buizerds over vliegen. Steevast kijk ik naar buiten als ik de meeuwen wat al te nadrukkelijk hoor klagen. Meestal vliegen ze alleen elkaar achterna maar soms zie ik dan zo’n buizerd zich door het blauw begeven. Een wouw zat daar nog niet tussen en een visarend evenmin. En de ooievaars die geregeld komen langs zijlen, waren tot nu toe allemaal gewone witte. Wel had ik al een keer drie roeken, af en toe een sperwertje en een keer een groepje goudplevieren, de bescheiden krentjes dezer dagen, maar meest kijk ik de Grote Blauwe Leegte recht in zijn gezicht. Maar daarover klagen mag ik na mijn zwarte wouw van vandaag natuurlijk niet meer.
12 april 2020
Meer lezen? Vogelen in tijden van corona
Het was een van de eerlijk gezegd nog niet eens zo heel schaarse hoogtepunten tijdens de inmiddels alweer enkele weken durende ‘intelligente lockdown’ die aan ons is opgelegd. Eigenlijk heb ik weinig te klagen. Vogelen kun je altijd en overal en afstand bewaren gaat daarbij bijna vanzelf. Alleen als je per ongeluk met bijna tien man naar een lijster staat te kijken, komt als je niet oppast de anderhalve meter enigszins in gevaar.
Een ommetje is toegestaan, een frisse neus immers, we kunnen niet zonder, een frisse neus halen is inmiddels een van de populairste bezigheden in Nederland. ‘Ommetje’ is natuurlijk een rekbaar begrip en ik moet toegeven dat ik die rekbaarheid af en toe tot het uiterste beproef. Want thuisblijven, dat is eerlijk gezegd niet een van mijn grootste kwaliteiten. Dat kan ik slecht. Sorry voor al diegenen die om het hardst roepen ‘blijf thuis!’ Ik zie er ook het kwaad niet van in als ik af en toe de deur uitstap, door de lege straten loop en de relatieve stilte van de Gagelpolder opzoek. Nergens ben je zo veilig voor het virus als daar want je komt er meestal bijna geen mens tegen. En zo is het wandelrondje om de westelijke Gagelpolder een van mijn vaste corona-tochtjes geworden. Langs dat warrelige struweel en die stille watertjes half verscholen achter het warrelig struweel, langs eerst de roodbloeiende gagelstruikjes en nu de witblinkende krenteboompjes, langs wat dunne rietwaaiers en langs het jonge bos waarvan de bosbodem bedekt is met speenkruid, een groene zee van speenkruid. Een steenuiltje in een knotwilg, ik zag hem al een paar keer. Terwijl inmiddels rietzanger, zwartkop en fitis zingen, ja, corona of geen corona, het voorjaar zet stap na stap. Maar dat is natuurlijk geen opzienbarend inzicht, wat zou het voorjaar zich van corona aantrekken? Dat hebben overigens velen voor mij ook al gezegd, niets nieuw onder de zon.
Soms stap ik op de fiets en fiets stilletjes de polder in. Langs velden en plassen met soms lepelaars en alweer purperreigers, met bruine kiekendief wankelend boven de rietvelden en met talloze jubelende blauwborsten. Onder meer. Beflijsters hebben we ook dezer dagen, diverse beflijsters op diverse plaatsen en ook dat helpt goed bij het doorstaan van deze in beginsel nogal sombere dagen.
Verder zit ik meest thuis en zie, tussen het werken door, vanuit de tuin of door het raam van de studeerkamer die ik tot mijn voorlopige werkplek heb gepromoveerd, af en toe de buizerds over vliegen. Steevast kijk ik naar buiten als ik de meeuwen wat al te nadrukkelijk hoor klagen. Meestal vliegen ze alleen elkaar achterna maar soms zie ik dan zo’n buizerd zich door het blauw begeven. Een wouw zat daar nog niet tussen en een visarend evenmin. En de ooievaars die geregeld komen langs zijlen, waren tot nu toe allemaal gewone witte. Wel had ik al een keer drie roeken, af en toe een sperwertje en een keer een groepje goudplevieren, de bescheiden krentjes dezer dagen, maar meest kijk ik de Grote Blauwe Leegte recht in zijn gezicht. Maar daarover klagen mag ik na mijn zwarte wouw van vandaag natuurlijk niet meer.
12 april 2020
Meer lezen? Vogelen in tijden van corona
Abonneren op:
Posts (Atom)























