‘Wie zijn geluk laat sturen door Waarneming.nl, ontgaat de essentie van vogels kijken. De natuurwetten dicteren: het accepteren van het onverwachte’, schrijft Jean-Pierre. Onder meer. (Spotvogels, door Jean-Pierre Geelen en Saskia van Loenen.) Nou is het zo dat als er iets is wat de natuurwetten niet dicteren, dat wel het onverwachte is. Die dicteren juist de absolute voorspelbaarheid. Het onverwachte treedt slechts op voor zover wij de natuurwetten niet begrijpen. Maar dit is haarkloverij. Het is niet de essentie van wat Jean-Pierre wil zeggen, denk ik. Wat de essentie is van vogels kijken, is natuurlijk niet aan Jean-Pierre. Ook niet aan mij, uiteraard. Iedereen moet wat mij betreft vooral zelf bepalen wat voor hem of haar de essentie is van vogels kijken. In zoverre is het dan weer wel aan Jean-Pierre, en aan mij.
Jean-Pierre houdt niet van twitchen, zoveel is wel duidelijk. Dat is helemaal niet erg hoor. Ik hou wel van twitchen. Op zijn tijd. Jawel, ik ben er zo eentje die zijn geluk laat sturen door Waarneming.nl, zoals Jean-Pierre dat uitdrukt. Soms. Die weleens kijkt waar een leuke soort te halen valt en daar dan op af gaat. Nou ja, oké, best vaak eerlijk gezegd. Dus ja, ik ben een twitcher. Maar niet alleen, niet altijd. En dat is nu even mijn punt. Dat twitchen ontzettend leuk kan zijn, gezellig, spannend en ook uitermate onvoorspelbaar soms, daar gaat het me niet om. Kwestie van smaak. Mijn punt is: niemand is alleen, niemand is altijd twitcher. Niemand laat zijn geluk uitsluitend sturen door Waarneming.nl. Het aardige van al die vogelaars is: ze vormen geen vaste, vast omlijnde groepen. Dat geldt trouwens vast ook voor muziekliefhebbers die het ene moment van free jazz kunnen houden en het andere van een strak georkestreerde symfonie van Beethoven, of voor journalisten die het ene moment doorwrochte analyses schrijven in een landelijke krant en het volgende vogelstukjes in een vogelblaadje. En dat geldt dus ook voor vogelaars. Het ene moment kun je tot de ene ondersoort behoren, het andere moment tot een andere. Meestal zelfs op hetzelfde moment, ja, wij eten van twee walletjes. Of meer. Als ik sta te wachten op het verwachte, ben ik voortdurend gespitst op het onverwachte dat intussen ook langs kan glippen. Nergens worden zoveel zeldzame soorten ontdekt als waar al een zeldzame soort ontdekt was. En als ik hem eenmaal heb, ga ik in de buurt op zoek naar het onverwachte. Zo’n twitch kan ook een aanleiding zijn om naar een bepaalde plek toe te gaan en dat kan tot onverwachte resultaten leiden. En eenmaal weer thuis ga ik de volgende dag lekker weer fietsen in mijn eigen omgeving, zien hoe de zaken er daar voorstaan. En als het moment daar is ga ik op een trektelpost staan, gewoon afwachten wat er voorbij komt. En als er dan een melding komt van een extreem zeldzame dwaalgast, ben ik als het effe kan daar zo weer weg want dan moet ik naar die zeldzame dwaalgast toe. Zo zit ik in elkaar. Gebeurt trouwens niet vaak, zeldzame dwaalgasten zijn zeldzaam.
Overigens wil ik hiermee helemaal niemand ompraten hoor, ik hoef niemand te overtuigen en ik hoef al helemaal niet mezelf te verantwoorden. Je kunt je afvragen waarom ik dit dan schrijf. Er zijn zoveel belangrijker zaken om over te schrijven. Ik zou het ook niet weten, maar goed, het is geschreven.
30 mei 2018
woensdag 30 mei 2018
woensdag 23 mei 2018
Top of Holland 2018
Vrijdagmiddag op weg naar het noorden maakte ik kennis met het moderne leven: file. Het was bijna een soort vuurdoop. Urenlang, nou ja ik overdrijf natuurlijk maar na een uur waren we, vertrokken in Utrecht, nog maar amper Amersfoort voorbij. Ach, het was gezellig in de auto, met Ben, Vincent en Hans op weg naar weer een aflevering Top of Holland, dat voor ons altijd zo succesvolle jaarlijkse vogelaarsevenement in het hoge noorden. Het was al zeven uur geweest toen we incheckten in het Hunehuis en ruim na achten toen we er terugkeerden na een etentje in Havelte. Toen pas vonden we de tijd voor een eerste tochtje, een wandeling over de hei die al bij de tuindeur begon. (De hei, bedoel ik, de wandeling trouwens ook.) Wandeling die overigens niet meetelde voor de competitie van morgen. De houtsnippen die baltsten in de avondschemer en de onzichtbaar zingende nachtzwaluwen waren er overigens niets minder om.
Het doel van de Top of Holland vogeldag is altijd, het vinden van de beste soort van de dag. Nou is ons team daarin nooit erg succesvol geweest dus als nevendoel hadden we ons een zo lang mogelijke lijst van waargenomen vogelsoorten gesteld. En dus stonden we zaterdagochtend om zes uur, in afwachting van ons vertrek, al te tellen. Bonte vliegenvanger, winterkoning, grote bonte specht, en vanuit bed zojuist al zwartkop, merel en koolmees. Onder meer. Ik zal u niet vermoeien met elke nieuwe soort op de lijst want de bedoeling was wel dat dat er meer dan honderd zouden worden vandaag. Bonte vliegenvanger verscheen diverse keren bij en zelfs op een nestkastje vlakbij. Hij telde er niet extra voor maar leuk was het wel.
Om half zeven vertrokken we.
We begonnen dit keer op het Dwingelderveld. Op de parkeerplaats noteerden we appelvink. Verderop zong uitvoerig een fluiter. We kregen hem niet in beeld maar hij telde er niet minder om. Rondwandeling over hei met vennen. Dodaars, boompieper, veldleeuwerik, boomleeuwerik, een verre lepelaar, groenpootruiter, vuurgoudhaan, nog een fluiter en toen, terug bij de bosrand: baltsroep van draaihals. Hé, da’s leuk. Van eerdere meldingen op deze plek was ons niets bekend, dus mogen we dit als een eigen ontdekking beschouwen? Team Spek en Bonen (of heten we dit jaar 010-020-030?) ontdekt ook eens iets. Punten leverde het niet op: om ze enigszins in bescherming te nemen zijn broedende draaihalzen van de competitie uitgesloten. En hoor: aan de andere kant nog een draaihals! Daarvoor gold uiteraard hetzelfde.
Later bracht het Dwingelderveld, naast zwarte specht en grote lijster, nog een derde draaihals. Drie draaihalzen, redelijk bij elkaar in de buurt maar vrijwel zeker drie verschillende vogels: da’s best spectaculair en je vraagt je af hoeveel er dan wel niet op het hele Dwingelderveld zullen zitten. Geen van drie gezien helaas. Maar ze tellen er niet minder om.
Onze volgende bestemming was het Fochteloërveen. We beperkten ons dit keer tot een kort ommetje over het veen (paapje) en een inspectie van de randzone (zingende wielewalen). Kraanvogels niet kunnen vinden en bij het bezoekerscentrum ook geen grauwe klauwier. Wel tapuit, en verder het gebruikelijke werk, dat we ook op het Dwingelderveld al hadden. Intussen nog behoorlijk fris en grijs.
Waarna we naar de Onnerpolder gaan. Omdat Vincent de witkeelkwikstaart daar nog niet gedaan heeft. Daar aangekomen is die aanvankelijk onvindbaar. Genoeg gele kwikstaarten maar niet die ene. We laten Vincent achter en gaan naar de uitkijkbunker verderop. Van daar zien we de witwangsterns, af en toe vliegen ze vlak langs ons heen of onder ons door. Vlakbij zit (nog steeds? Een paar weken terug zat-ie daar ook al) een porseleinhoen te roepen. We zien tientallen geoorde futen, diverse zomertalingen, een paar lepelaars, kemphanen en bontbekplevieren en pikken Vincent weer op, die inmiddels zijn kwikstaart op zak heeft. We hadden dat vanaf ons uitzichtpunt al kunnen vaststellen aan het gedrag van de vogelaars op het weggetje, die op zeker moment allemaal fanatiek dezelfde kant op stonden te loeren.
Toen was het weer tijd voor het Lauwersmeer. Elke Top of Holland mondt uiteindelijk uit in het Lauwersmeer. Om te beginnen de Anjumer en Lioesenserpolder, om de jaarlijkse morinellen daar in te koppen. Alleen: geen morinel te bekennen! Niet toen wij er waren, althans, niet door ons. Op een terrasje bij Oostmahorn maakten we de rekening op van de dag tot nu toe. Ik was daarover nog niet erg enthousiast: teveel gemist, te weinig uitschieters. Geen klachten verder natuurlijk, want het was een leuke dag en de teller tikte aardig door. Inmiddels hadden we de honderd bereikt en we hadden nog heel wat mogelijke soorten te gaan. Te beginnen met een rouwkwikstaart vlak bij ons terrasje op de dijk.
Ezumakeeg noord bracht nog niet de gehoopte verlossing. Hoog water, weinig slikjes, weinig stelten. Niet de boost voor de soortenlijst waarop ik gehoopt had. Kluten. En ver weg twee cirkelende zeearenden. Dat blijft natuurlijk een fijne soort.
De Keeg zuid bracht een soort van ommekeer. Inmiddels scheen alweer geruime tijd de zon en in die zon was het prettig toeven. Zeker met zicht op aan de ene kant een grote groep bontbekpleviertjes met ertussen onder andere bonte en kleine strandloper, en aan de andere kant op kemphaantjes, mooie rosse grutto’s , bosruiters, zomertalingen en drie krombekstrandlopers. En ineens zat daar een steltkluut, door Hans opgemerkt en zo te zien door niemand eerder hier gemeld. Komt ons team hier nou opnieuw met een ontdekking op de proppen? Een prijswinnaar is ook dit niet, en na een kwartiertje is-ie alweer vertrokken.
Aangemoedigd door deze wisseling van kansen wagen we een tweede poging tot morinellen want ja, die zitten er echt nog wel, is ons bij de Keeg verzekerd. Helaas: nog steeds, of wellicht opnieuw voor ons onvindbaar. Dat wordt een jaartje zonder morinellen. Ach, dat kan ik nog wel aan. De telpost langs de Kustweg, enkele kilometers naar het oosten, bracht weer succes. De eerder daar gevonden man grauwe klauwier liet zich na enig geduld fraai bekijken en het moet gezegd: het was een schitterende vogel. Op het wad hier onder andere grote groepen bontbekplevieren met ertussen drieteen-, bonte en kleine strandlopers. Een paar zilverplevieren, een jagende slechtvalk, een late man brilduiker en aan de binnenkant een zingende sprinkhaanzanger: de soorten stroomden nog even binnen, aan het eind van de dag.
We skipten de afsluiting in Schierzicht, hadden daar toch weer niets te winnen, en maakten op weg naar huis nog even een omweg door zuidwest Friesland. In de Kleine Wiskepolder beleefden we de perfecte afsluiting en eigenlijk het hoogtepunt van de dag. Dat we de hier gemelde ross’ gans wisten te lokaliseren, ach, dat was bijzaak. Maar die plasdras even verderop: een hemels paradijs! Lage zon achter en voor ons tientallen bontbekplevieren en tientallen kemphanen. Van die laatste ook een heel stel fraai uitgedoste mannen met spectaculaire sierkragen. We waren natuurlijk op zoek naar de breedbekstrandloper die hier vanmiddag ontdekt was maar net toen die gevonden was, ging om onbekende reden de hele groep stelten op de vleugels. Enige tijd vlogen ze rusteloos in het rond en dreigde alsnog een sof; nog even werd ons geduld op de proef gesteld maar uiteindelijk keerde de rust weer en toen was breedbek gauw teruggevonden. En die liet zich daarna werkelijk geweldig bekijken, tot dichtbij foeragerend op het slik. Mijn beste breedbekstrandloper sinds jaren; mijn vorige was sowieso alweer drie jaar geleden. En daarnaast een strandplevier: ik grossier in strandplevieren de laatste weken maar het blijft een hele goeie soort en een mooie vogel. Diverse temmincks strandlopers ook: van ver tamelijk saai maar prachtig en subtiel als je ze goed te zien krijgt. En dat kregen we. Verder nog zomertalingen, bosruiters, tureluurs, een bonte strandloper, het was een prachtig besluit dat de teller vandaag op 126 bracht. Een persoonlijk record! Mijn enigszins sombere bespiegelingen van Oostmahorn moet ik volledig herroepen: het was weer een geweldige Top of Hollanddag geweest.
19 mei 2018
Top of Holland 2010
Het doel van de Top of Holland vogeldag is altijd, het vinden van de beste soort van de dag. Nou is ons team daarin nooit erg succesvol geweest dus als nevendoel hadden we ons een zo lang mogelijke lijst van waargenomen vogelsoorten gesteld. En dus stonden we zaterdagochtend om zes uur, in afwachting van ons vertrek, al te tellen. Bonte vliegenvanger, winterkoning, grote bonte specht, en vanuit bed zojuist al zwartkop, merel en koolmees. Onder meer. Ik zal u niet vermoeien met elke nieuwe soort op de lijst want de bedoeling was wel dat dat er meer dan honderd zouden worden vandaag. Bonte vliegenvanger verscheen diverse keren bij en zelfs op een nestkastje vlakbij. Hij telde er niet extra voor maar leuk was het wel.
Om half zeven vertrokken we.
We begonnen dit keer op het Dwingelderveld. Op de parkeerplaats noteerden we appelvink. Verderop zong uitvoerig een fluiter. We kregen hem niet in beeld maar hij telde er niet minder om. Rondwandeling over hei met vennen. Dodaars, boompieper, veldleeuwerik, boomleeuwerik, een verre lepelaar, groenpootruiter, vuurgoudhaan, nog een fluiter en toen, terug bij de bosrand: baltsroep van draaihals. Hé, da’s leuk. Van eerdere meldingen op deze plek was ons niets bekend, dus mogen we dit als een eigen ontdekking beschouwen? Team Spek en Bonen (of heten we dit jaar 010-020-030?) ontdekt ook eens iets. Punten leverde het niet op: om ze enigszins in bescherming te nemen zijn broedende draaihalzen van de competitie uitgesloten. En hoor: aan de andere kant nog een draaihals! Daarvoor gold uiteraard hetzelfde.
Later bracht het Dwingelderveld, naast zwarte specht en grote lijster, nog een derde draaihals. Drie draaihalzen, redelijk bij elkaar in de buurt maar vrijwel zeker drie verschillende vogels: da’s best spectaculair en je vraagt je af hoeveel er dan wel niet op het hele Dwingelderveld zullen zitten. Geen van drie gezien helaas. Maar ze tellen er niet minder om.
Onze volgende bestemming was het Fochteloërveen. We beperkten ons dit keer tot een kort ommetje over het veen (paapje) en een inspectie van de randzone (zingende wielewalen). Kraanvogels niet kunnen vinden en bij het bezoekerscentrum ook geen grauwe klauwier. Wel tapuit, en verder het gebruikelijke werk, dat we ook op het Dwingelderveld al hadden. Intussen nog behoorlijk fris en grijs.
Waarna we naar de Onnerpolder gaan. Omdat Vincent de witkeelkwikstaart daar nog niet gedaan heeft. Daar aangekomen is die aanvankelijk onvindbaar. Genoeg gele kwikstaarten maar niet die ene. We laten Vincent achter en gaan naar de uitkijkbunker verderop. Van daar zien we de witwangsterns, af en toe vliegen ze vlak langs ons heen of onder ons door. Vlakbij zit (nog steeds? Een paar weken terug zat-ie daar ook al) een porseleinhoen te roepen. We zien tientallen geoorde futen, diverse zomertalingen, een paar lepelaars, kemphanen en bontbekplevieren en pikken Vincent weer op, die inmiddels zijn kwikstaart op zak heeft. We hadden dat vanaf ons uitzichtpunt al kunnen vaststellen aan het gedrag van de vogelaars op het weggetje, die op zeker moment allemaal fanatiek dezelfde kant op stonden te loeren.
Toen was het weer tijd voor het Lauwersmeer. Elke Top of Holland mondt uiteindelijk uit in het Lauwersmeer. Om te beginnen de Anjumer en Lioesenserpolder, om de jaarlijkse morinellen daar in te koppen. Alleen: geen morinel te bekennen! Niet toen wij er waren, althans, niet door ons. Op een terrasje bij Oostmahorn maakten we de rekening op van de dag tot nu toe. Ik was daarover nog niet erg enthousiast: teveel gemist, te weinig uitschieters. Geen klachten verder natuurlijk, want het was een leuke dag en de teller tikte aardig door. Inmiddels hadden we de honderd bereikt en we hadden nog heel wat mogelijke soorten te gaan. Te beginnen met een rouwkwikstaart vlak bij ons terrasje op de dijk.
Ezumakeeg noord bracht nog niet de gehoopte verlossing. Hoog water, weinig slikjes, weinig stelten. Niet de boost voor de soortenlijst waarop ik gehoopt had. Kluten. En ver weg twee cirkelende zeearenden. Dat blijft natuurlijk een fijne soort.
De Keeg zuid bracht een soort van ommekeer. Inmiddels scheen alweer geruime tijd de zon en in die zon was het prettig toeven. Zeker met zicht op aan de ene kant een grote groep bontbekpleviertjes met ertussen onder andere bonte en kleine strandloper, en aan de andere kant op kemphaantjes, mooie rosse grutto’s , bosruiters, zomertalingen en drie krombekstrandlopers. En ineens zat daar een steltkluut, door Hans opgemerkt en zo te zien door niemand eerder hier gemeld. Komt ons team hier nou opnieuw met een ontdekking op de proppen? Een prijswinnaar is ook dit niet, en na een kwartiertje is-ie alweer vertrokken.
Aangemoedigd door deze wisseling van kansen wagen we een tweede poging tot morinellen want ja, die zitten er echt nog wel, is ons bij de Keeg verzekerd. Helaas: nog steeds, of wellicht opnieuw voor ons onvindbaar. Dat wordt een jaartje zonder morinellen. Ach, dat kan ik nog wel aan. De telpost langs de Kustweg, enkele kilometers naar het oosten, bracht weer succes. De eerder daar gevonden man grauwe klauwier liet zich na enig geduld fraai bekijken en het moet gezegd: het was een schitterende vogel. Op het wad hier onder andere grote groepen bontbekplevieren met ertussen drieteen-, bonte en kleine strandlopers. Een paar zilverplevieren, een jagende slechtvalk, een late man brilduiker en aan de binnenkant een zingende sprinkhaanzanger: de soorten stroomden nog even binnen, aan het eind van de dag.
We skipten de afsluiting in Schierzicht, hadden daar toch weer niets te winnen, en maakten op weg naar huis nog even een omweg door zuidwest Friesland. In de Kleine Wiskepolder beleefden we de perfecte afsluiting en eigenlijk het hoogtepunt van de dag. Dat we de hier gemelde ross’ gans wisten te lokaliseren, ach, dat was bijzaak. Maar die plasdras even verderop: een hemels paradijs! Lage zon achter en voor ons tientallen bontbekplevieren en tientallen kemphanen. Van die laatste ook een heel stel fraai uitgedoste mannen met spectaculaire sierkragen. We waren natuurlijk op zoek naar de breedbekstrandloper die hier vanmiddag ontdekt was maar net toen die gevonden was, ging om onbekende reden de hele groep stelten op de vleugels. Enige tijd vlogen ze rusteloos in het rond en dreigde alsnog een sof; nog even werd ons geduld op de proef gesteld maar uiteindelijk keerde de rust weer en toen was breedbek gauw teruggevonden. En die liet zich daarna werkelijk geweldig bekijken, tot dichtbij foeragerend op het slik. Mijn beste breedbekstrandloper sinds jaren; mijn vorige was sowieso alweer drie jaar geleden. En daarnaast een strandplevier: ik grossier in strandplevieren de laatste weken maar het blijft een hele goeie soort en een mooie vogel. Diverse temmincks strandlopers ook: van ver tamelijk saai maar prachtig en subtiel als je ze goed te zien krijgt. En dat kregen we. Verder nog zomertalingen, bosruiters, tureluurs, een bonte strandloper, het was een prachtig besluit dat de teller vandaag op 126 bracht. Een persoonlijk record! Mijn enigszins sombere bespiegelingen van Oostmahorn moet ik volledig herroepen: het was weer een geweldige Top of Hollanddag geweest.
19 mei 2018
Top of Holland 2010
dinsdag 22 mei 2018
Raalte
Een mooie, zonnige zomerdag in mei. In totaal drie-en-een-half uur van die mooie, zonnige zomerdag in de trein doorgebracht, ten behoeve van een tochtje rond Raalte van twee-en-een-half uur dat die drie-en-een-halve aan de trein besteedde uren meer dan waard was. Om te beginnen naar het ‘Boeterbroek’, paar kilometer ten zuiden van Raalte alwaar in een ratjetoe van riet en bosjes een krekelzanger. Nou had ik wel vaker krekelzanger, vorig jaar nog en normaal heb ik daarna niet zo’n haast met weer een krekelzanger maar deze was bijzonder want liet zich blijkens de foto’s die verschenen waren op Waarneming.nl, fantastisch zien. Bij aankomst was het bijna meteen raak en met pauzes van soms vijf, soms tien minuten kwam de vogel telkens weer terug om vlakbij luidkeels te gaan zitten zingen en daarbij was hij, inderdaad, af en toe schitterend zichtbaar. Een primeur, wat mij betreft, want nooit eerder zo. Bijzonder vond ik ook zijn wat mij betreft wat afwijkende zang. Na een min of meer gebruikelijke opening schakelde hij telkens via een aanzet tot bijna winterkoning-achtige triller over naar een hoger, scherper en helderder geluid. Waarna hij stopte en weer zijn min of meer gebruikelijke toontje inzette.
Krekel binnen: tijd voor iets anders. Aan de andere kant van Raalte, in het Lemelerveld, ligt een fraai stuk hooiland en/of veenweide met onder andere moeraskartelblad en met zeldzame vlinders. Onder het genot van tuinfluiter en boompieper op zoek. Al gauw vond ik zilveren maan. Die waren volop aanwezig en waren prachtig, met hun oranje kleur en subtiele tekening. Pas mijn tweede keer ooit. Heel wat meer moeite had ik met aardbeivlinder. Die is dan ook kleiner en onopvallender. Maar uiteindelijkvond ik ook die. Lifer! En daarnaast, als je goed keek, ook een fraai vlindertje. Zwart met witte stipjes, zo zou je het eenvoudig kunnen samenvatten. Al doe je ze daarmee wellicht iets tekort.
20 mei 2018
Krekel binnen: tijd voor iets anders. Aan de andere kant van Raalte, in het Lemelerveld, ligt een fraai stuk hooiland en/of veenweide met onder andere moeraskartelblad en met zeldzame vlinders. Onder het genot van tuinfluiter en boompieper op zoek. Al gauw vond ik zilveren maan. Die waren volop aanwezig en waren prachtig, met hun oranje kleur en subtiele tekening. Pas mijn tweede keer ooit. Heel wat meer moeite had ik met aardbeivlinder. Die is dan ook kleiner en onopvallender. Maar uiteindelijkvond ik ook die. Lifer! En daarnaast, als je goed keek, ook een fraai vlindertje. Zwart met witte stipjes, zo zou je het eenvoudig kunnen samenvatten. Al doe je ze daarmee wellicht iets tekort.
20 mei 2018
woensdag 16 mei 2018
Withalsvliegenvanger
Vanmorgen met Erik naar Vierhouten voor de withalsvliegenvanger die daar al geruime tijd verblijft in een stukje bos, een soort tuin eigenlijk, tegen de Elspeetsche heide aan. Het was weer een prachtige zonnige zomerochtend, de hei lag er prachtig bij, vogels zongen uit volle borst maar van de gezochte vliegenvanger aanvankelijk geen spoor. Af en toe zong een bonte vliegenvanger, dan weer hier en dan weer daar, en in de boomkruinen riepen grauwe vliegenvangers. Eentje kreeg ik even leuk in de kijker. Aan vliegenvangers dus geen gebrek, alleen die ene … Dat had ik vooraf toch anders ingeschat; dit leek me een inkoppertje, gezien de meldingen die ik tot nu toe gezien had, die slechts repten van ‘continu zingend’ en ‘onmiddellijk in beeld’. Nu even niet. Geduld werd weer eens op de proef gesteld maar na zowat een uur hoorden we toch wat flarden van iets dat verdacht veel weg had van zang van withalsvliegenvanger. Het was nog niet veel maar na een tijdje regen de flarden zich aaneen tot iets wat onmiskenbaar zang van withalsvliegenvanger was, die wat trage, slepende variant op het kordate deuntje van neef bonte. Bingo! Of yes! of Bam! zoals we dat tegenwoordig dienen uit te drukken. Het duurde nu niet lang meer voor de eerste geluksvogel de vogel in beeld kreeg en aan het eind van de ochtend waren alle aanwezigen geluksvogels geworden. Goed speuren, soms met hulp van aanwijzingen van degenen die de vogel al in beeld hadden, werd rijkelijk beloond. Geregeld was-ie tussen alle blaadjes en takjes door prachtig en helemaal vrij te zien, soms kortstondig, soms langdurig. Een fraaie, pikzwart met witte vogel, veel zwarter dan onze bonte zijn en daardoor op het oog ook veel witter, met brede witte halsband en ook opvallend veel wit op de vleugels. Het was pas mijn tweede withalsvliegenvanger ooit, mijn eerste sinds twaalf jaar, mijn eerste ooit in mei en ook mijn eerste ooit in Vierhouten (al gold dat laatste ook voor bonte en grauwe vliegenvanger, zelfs voor merel). Ja, het was weer een fijne twitch geweest.
15 mei 2018
15 mei 2018
donderdag 3 mei 2018
Roodstuitzwaluwen in de Gagelpolder
Een vrolijke lentemiddag, zonnig en zacht, je kon het eigenlijk wel warm noemen. Kom, dacht ik, het werk kan wel wachten. Ik ga nog effe naar de Gagelpolder. Wie weet vliegen er alweer vlinders en libellen. En inderdaad: smaragdlibel, viervlek, en wat vlinders betreft diverse oranjetipjes. Die zijn zó schattig. Heel fijn trouwens dat die hun verkleinvorm hebben mogen behouden. Dat is vogels als paap, woudaap, witgat en goudhaan niet gegund geweest.
Achteraan bij de veenweide langs de Kooijdijk foerageren wat zwaluwen boven de bosrand. Ik zie witte stuiten: huiszwaluwen. Maar wacht eens, … is dat geen roodstuit? Je kunt het nog niet helemaal geloven maar dat wat langgerekte lichaam, die lange, puntige staartpunten, dat is toch niet het compacte dat je kent van huiszwaluw? Die combinatie van lange staartpunten en echt een hele lichte stuit, kan niet missen toch?
Op zo’n moment gebeurt er iets met je, je moet het meemaken om het te weten. 'Wat gaat er door je heen?' vraagt Mart Smeets dan altijd. 'Ik besef het nog niet helemaal, het moet nog tot me doordringen', antwoordt dan de sporter die zojuist wereldkampioen is geworden. ‘Het moet nog landen’. Het begon tot me door te dringen: ik had vandaag de hoofdprijs, want het wás een roodstuitzwaluw! Zeldzame zwerver uit Zuid-Europa die slechts heel af en toe naar het hoge noorden afdwaalt. Nog een laatste restje twijfel, angst dat ik me geweldig verkijk en een zeldzame flater sla. Maar dan komt-ie dichterbij, vliegt bijna recht over me heen en ja, dan is het toch echt een prachtige roodstuitzwaluw. Formaat en type boerenzwaluw, maar met een lichte, wat rossige stuit en een blond koppie. Ook mooi zichtbaar is het recht afgesneden zwart op de onderstaart, een mooi kenmerk dat je uit de brand kan helpen als zo’n beest recht boven je vliegt.
Achteraan bij de veenweide langs de Kooijdijk foerageren wat zwaluwen boven de bosrand. Ik zie witte stuiten: huiszwaluwen. Maar wacht eens, … is dat geen roodstuit? Je kunt het nog niet helemaal geloven maar dat wat langgerekte lichaam, die lange, puntige staartpunten, dat is toch niet het compacte dat je kent van huiszwaluw? Die combinatie van lange staartpunten en echt een hele lichte stuit, kan niet missen toch?
Op zo’n moment gebeurt er iets met je, je moet het meemaken om het te weten. 'Wat gaat er door je heen?' vraagt Mart Smeets dan altijd. 'Ik besef het nog niet helemaal, het moet nog tot me doordringen', antwoordt dan de sporter die zojuist wereldkampioen is geworden. ‘Het moet nog landen’. Het begon tot me door te dringen: ik had vandaag de hoofdprijs, want het wás een roodstuitzwaluw! Zeldzame zwerver uit Zuid-Europa die slechts heel af en toe naar het hoge noorden afdwaalt. Nog een laatste restje twijfel, angst dat ik me geweldig verkijk en een zeldzame flater sla. Maar dan komt-ie dichterbij, vliegt bijna recht over me heen en ja, dan is het toch echt een prachtige roodstuitzwaluw. Formaat en type boerenzwaluw, maar met een lichte, wat rossige stuit en een blond koppie. Ook mooi zichtbaar is het recht afgesneden zwart op de onderstaart, een mooi kenmerk dat je uit de brand kan helpen als zo’n beest recht boven je vliegt.
Het is hoog tijd om de Utrechtse vogelaarsgemeente op de hoogte te brengen. Twee appgroepen moeten daartoe worden aangesproken. Onvermijdelijke vragen moeten beantwoord, locatie doorgegeven. Invoeren op Waarneming. Ja, je hebt het maar druk als je een zeldzame soort ontdekt. En het zijn er zelfs twee! zie ik tussen al het werk door. Ook dat moet in tweevoud geappt. Intussen wil ik ook gewoon kijken, genieten. Sta ik in mijn eigen local patch naar twee roodstuitzwaluwen te kijken! Net als ik bedenk dat ik ook wel een alert mag versturen, schalt roodmus uit de telefoon. Herman Bouwman is me voor geweest: ‘Guus Peterse meldt een roodstuitzwaluw via de Utrecht app’. Staat er toch mooi, vind ik. Wie is er niet een klein beetje ijdel?
Even later zijn het er zelfs drie! Meest blijven ze boven de bosrand, goed herkenbaar maar wel op afstand. Maar af en toe dwaalt er een af tot recht boven me, laag en schitterend zichtbaar. Wat een snoepjes! De eerste vogelaars komen aangehold en ik kan ze de vogels meteen aanwijzen. De eerste foto’s worden gemaakt. Deze zal goed gedocumenteerd in de boeken komen. Na een tijdje staan we met vijftien tot twintig man te kijken. Vijftien tot twintig gelukkige mannen. (De eerste vrouwen arriveren pas na mijn vertrek. Vrouwen zijn nog steeds schaars onder vogelaars.) Uiteindelijk zijn vanavond nog tientallen mensen wezen kijken. Dan heb je eer van je werk
2 mei 2018
Meer uit het Utrechtse: Tienhoven
Even later zijn het er zelfs drie! Meest blijven ze boven de bosrand, goed herkenbaar maar wel op afstand. Maar af en toe dwaalt er een af tot recht boven me, laag en schitterend zichtbaar. Wat een snoepjes! De eerste vogelaars komen aangehold en ik kan ze de vogels meteen aanwijzen. De eerste foto’s worden gemaakt. Deze zal goed gedocumenteerd in de boeken komen. Na een tijdje staan we met vijftien tot twintig man te kijken. Vijftien tot twintig gelukkige mannen. (De eerste vrouwen arriveren pas na mijn vertrek. Vrouwen zijn nog steeds schaars onder vogelaars.) Uiteindelijk zijn vanavond nog tientallen mensen wezen kijken. Dan heb je eer van je werk
2 mei 2018
Meer uit het Utrechtse: Tienhoven
woensdag 2 mei 2018
Breskens
Het is het walhalla van trektellend Nederland. Het is heilige grond, het Wembley, het Wimbledon voor iedereen die geïnteresseerd is in vogeltrek over de lage landen: telpost Breskens. Dus het leek een heel goed plan om eind april een dagje die kant op te gaan. Alleen: het was helemaal de verkeerde dag. Grijs, miezerig, koud. De noordoostenwind leek ook niet erg gunstig. En de regen kwam eraan, zo was ons voorspeld. Gewijde grond, ja, maar het was toch een beetje als Wembley als er niet gevoetbald wordt, Wimbledon als er geen Wimbledon is. Lege tribunes, een leeg veld, een verlaten centercourt.
En toch was er iets van de magie van Breskens te bespeuren. Dat er het ene moment geen gierzwaluw te zien is en er het volgende ineens tientallen voor je boven het veld foerageren. En dat al die gierzwaluwen daarna ineens weer uit beeld zijn. Waarna even later toch weer een groep gierzwaluwen, helemaal aan de andere kant. Tientallen zwaluwen beneden op een hekje of in een paar boompjes en een volgend moment zwermend boven het natuurgebiedje daar, en af en toe een paar die doorgaan. En dat je er ineens een paar oeverzwaluwen tussen ontdekt, en wat huiszwaluwen, die waren er zojuist nog niet. Wat gele kwikken over, een paar groenpootruiters, twee zwartkopmeeuwen, een paar rosse grutto’s. Het is niet heel erg veel maar toch: voortdurend druppelt het door. Beneden ontdekken we liefst drie koppels patrijzen en dat is eigenlijk ook erg leuk want daarvoor moet je tegenwoordig behoorlijk je best doen. Nachtegaal zingt, grasmus zingt, veldleeuweriken zingen maar krenten? Nee, geen krenten vandaag. Na pakweg twee uur koukleumen gaan we iets anders proberen.
Dat blijkt een goed idee. In De Blikken bij Groede zien we onder andere een mooie zomerkleed zwarte ruiter. altijd een lekker snoepje. In de inlagen bij Ellewoutsdijk onder andere een steltkluut en twee zomerkleed zilverplevieren. En de Prunje verblijdt ons met twee verrukkelijke strandplevieren. Hoeveel jaar is het alweer niet geleden dat ik die nog zag? Daarmee sloten we Zeeland voor vandaag af. Op de terugweg nog even langs de iberische tjiftjaf van Heerjansdam. Meestal vind ik iberische tjiftjaf maar een suf ding. Maar deze deed zijn uiterste best mijn oordeel naar boven bij te stellen. Hij zat voortdurend te zingen en liet zich daarbij geregeld helemaal vrij zien. En inderdaad, zo is-ie helemaal zo saai niet. Dan kon de Barendrechtse buffelkop er ook nog wel bij, een oude bekende. We waren immers toch in de buurt. En uiteindelijk is ook dat natuurlijk gewoon een heel mooi eendje waarvan er maar erg weinig zijn in Nederland. Als je de vogelkooien niet meetelt.
29 april 2018
En toch was er iets van de magie van Breskens te bespeuren. Dat er het ene moment geen gierzwaluw te zien is en er het volgende ineens tientallen voor je boven het veld foerageren. En dat al die gierzwaluwen daarna ineens weer uit beeld zijn. Waarna even later toch weer een groep gierzwaluwen, helemaal aan de andere kant. Tientallen zwaluwen beneden op een hekje of in een paar boompjes en een volgend moment zwermend boven het natuurgebiedje daar, en af en toe een paar die doorgaan. En dat je er ineens een paar oeverzwaluwen tussen ontdekt, en wat huiszwaluwen, die waren er zojuist nog niet. Wat gele kwikken over, een paar groenpootruiters, twee zwartkopmeeuwen, een paar rosse grutto’s. Het is niet heel erg veel maar toch: voortdurend druppelt het door. Beneden ontdekken we liefst drie koppels patrijzen en dat is eigenlijk ook erg leuk want daarvoor moet je tegenwoordig behoorlijk je best doen. Nachtegaal zingt, grasmus zingt, veldleeuweriken zingen maar krenten? Nee, geen krenten vandaag. Na pakweg twee uur koukleumen gaan we iets anders proberen.
Dat blijkt een goed idee. In De Blikken bij Groede zien we onder andere een mooie zomerkleed zwarte ruiter. altijd een lekker snoepje. In de inlagen bij Ellewoutsdijk onder andere een steltkluut en twee zomerkleed zilverplevieren. En de Prunje verblijdt ons met twee verrukkelijke strandplevieren. Hoeveel jaar is het alweer niet geleden dat ik die nog zag? Daarmee sloten we Zeeland voor vandaag af. Op de terugweg nog even langs de iberische tjiftjaf van Heerjansdam. Meestal vind ik iberische tjiftjaf maar een suf ding. Maar deze deed zijn uiterste best mijn oordeel naar boven bij te stellen. Hij zat voortdurend te zingen en liet zich daarbij geregeld helemaal vrij zien. En inderdaad, zo is-ie helemaal zo saai niet. Dan kon de Barendrechtse buffelkop er ook nog wel bij, een oude bekende. We waren immers toch in de buurt. En uiteindelijk is ook dat natuurlijk gewoon een heel mooi eendje waarvan er maar erg weinig zijn in Nederland. Als je de vogelkooien niet meetelt.
29 april 2018
maandag 30 april 2018
Vogelreis Extremadura april 2018
Het is nog vroeg in de ochtend als we nabij Trujillo op de steppe staan. De zon komt net boven de horizon uit. Een grote bal van vuur die de laatste mistflarden wegblaast die op de steppe rustten, afijn, men kent dat wel, al oogt dat in de Hollandse polder toch altijd wat alledaagser. Een stevige, nogal frisse wind maakt dat het koud aanvoelt. Maar! Overal zingende kalanderleeuweriken, zo talrijk als bij ons de veldleeuweriken allang niet meer zijn. Dichtbij baltsende kleine trappen, boven het veld een jagende grauwe kiekendief, in de verte roepende hop. We zijn op zoek naar zwartbuikzandhoen, twee dagen terug gemist en voor mij een lifer: nooit eerder gezien. Uiteindelijk vinden we er twee, ver weg in het veld. Dan verschijnt er een vos ten tonele en ineens vliegen er een stuk of vijftien zwartbuikzandhoenders voor ons boven de steppe. Ook zwartbuikzandhoen gelukt! Zoals vrijwel alles gelukt is deze week. En dan, we horen ze achter ons aankomen: witbuikzandhoen! Een stuk of zeventig liefst vliegen laag over ons heen! Ja, het is een magische ochtend. Even later vinden we ook nog twee zwartbuiken een stuk dichterbij in het veld, en op de terugweg vanuit de auto een stuk of dertig vale gieren, op korte afstand rustend en met één monniksgier erbij. Het maakt de ochtend, het maakt in feite deze week in Extremadura helemaal af.
Het was onze laatste ochtend in Extremadura en die was wel enigszins exemplarisch voor deze vogelreis. We waren een week op stap met BirdingBreaks en deze week lukte vrijwel alles. Ik heb er de papieren nog even op nageslagen die we voorafgaand aan de reis toegestuurd hadden gekregen. Daarin ook een dagprogramma met de soorten die we mochten verwachten. Wat we daarvan gemist hebben? IJsvogel. Nou ja, ijsvogel … Overwinterende alpenheggenmus maar dat was een foutje want het is natuurlijk allang geen winter meer. De enige relevante soort die we niet hebben kunnen vinden was steenarend. Daar kunnen we mee leven want daartegenover stonden bijvoorbeeld wel vier spaanse keizerarenden, endemisch op het Iberisch schiereiland. Vier spaanse keizerarenden en ik weet echt niet welke daarvan de meeste indruk maakte. De eerste, een juveniele vogel onderweg vanuit de auto, omdat het de eerste was? De tweede, een adulte vogel ver weg in vlucht toen ik met Peter naar kleine torenvalken stond te kijken bij de stierenarena in Trujillo, omdat het de zelf ontdekte was? De derde omdat die er zo indrukwekkend bij zat, hoog in een boom in Monfragüe? Of toch de vierde, omdat het misschien wel de mooiste was: een adulte vogel die heel rustig dichtbij langs vloog?
Het was de perfecte reis, dat kan niet vaak genoeg gezegd worden. Perfect gezelschap, perfecte begeleiding (Godfried wist alles, zag alles en kende alles), perfect weer (de week voor onze aankomst had het nog volop geregend en de zaterdag na ons vertrek werden weer buien verwacht. Wij hadden welgeteld één dag met wat lichte regen) en perfecte vogels. Het was een vogelreis, daarover geen twijfel, dus vogels waren de hoofdzaak. Over vogels gaat het hier in de eerste plaats en wie dat saai vindt kan beter vertrekken. Maar ook de oude stad van Trujillo die hoog boven de vlakte verrees, kreeg onze aandacht, met smalle straatjes die vanaf fraaie pleinen omhoog voeren tussen oeroude, uit grove steen gemetselde muren en bogen en torens en oude kerken naar het oude kasteel op de top van de heuvel, dat uitziet over de wijde omgeving. En ook het oude Romeinse aquaduct van Merida kreeg onze aandacht. En niet alleen omdat daar ooievaars op broedden. Niet alleen vanwege de fantastische kleine torenvalkjes die rondvlogen boven het oude Trujillo. Niet alleen vanwege de zwarte spreeuwen die ik zag vanuit het raam van mijn luxe tweepersoons hotelkamer voor mij alleen, zwarte spreeuwen zingend met wapperende vleugels op de antennes op de daken aan de overkant van het smalle straatje. Niet alleen daarom, al wil ik het wel even gezegd hebben.







Vraag me wat me van deze reis het meest is bijgebleven en ik zal denk ik de grote trappen noemen. Eindelijk grote trap: iconische soort van de ongerepte Europese steppen maar zeldzaam geworden omdat die ongerepte steppen in Europa zo zeldzaam zijn geworden omdat daar in de moderne landbouw eigenlijk geen plaats meer voor is. Maar in Extremadura heb je ze nog volop, de eindeloze golvende half natuurlijke, half verwilderde vlaktes waar de kalanderleeuweriken zingen, waar overal de grauwe gorzen en de kuifleeuweriken en waar af en toe bendes gieren de velden afstruinen op zoek naar overleden have. Waar af en toe het rotsgesteente door de overigens grazige oppervlakte breekt en waar in de verte de besneeuwde toppen zweven van de Sierra de Gredos. In die steppe was het dat we op een grijze ochtend, de enige grijze ochtend van de week, in de verte hoog op de heuvelrug een grote trap zagen staan. Er ging een schok door me heen. Vogel uit het boekje, mythe gematerialiseerd tot werkelijkheid. Hij bestaat echt, hij ziet er echt zo uit als-ie in de vogelgids getekend staat.
Het was overigens lang niet de laatste keer deze week dat een dergelijk gevoel van overweldiging me overkwam.
Een paar honderd meter verderop vonden we wel vijftien grote trappen in het veld. Diverse mannen stonden zich daar enorm uit te sloven voor de ogenschijnlijk tamelijk ongeïnteresseerde vrouwtjes, en zoals die mannen zich daarbij soms schijnbaar binnenstebuiten keren, dat tart iedere verbeelding. Terwijl intussen rondom de kalanderleeuweriken zongen.
De steppen van de Extremadura zijn voor een vogelaar de hemel op aarde. Het overkwam ons hier dat we stopten voor een slangenarend op een elektriciteitsmast (ja, half natuurlijk hè, de mens is ook hier nooit ver weg), vervolgens op de draden twee scharrelaars zagen, een man grauwe kiekendief zagen jagen boven het veld en aan de andere kant een kleine trap ontdekten, meest half verscholen in de vegetatie maar soms aardig en grotendeels vrij zichtbaar. Intussen vlogen er een paar grote trappen over, zongen ook hier de kalanderleeuweriken, was er een kleine torenvalk in de buurt en werden ook nog eens beneden ons twee fraaie grielen ontdekt. Ik bedoel maar, niet weten waar te kijken was nog nooit zo reëel. In de verte riepen hop en steenuil




Dat was de steppe. Een ander karakteristiek landschap in Extremadura wordt gevormd door de rivieren. Echt ongeschonden, vrijuit stromende rivieren zijn helaas ook hier schaars. De meeste zijn gekooid, omgevormd tot een aaneenschakeling van stuwmeren. Maar je hebt ze nog wel, riviertjes die vrijelijk dartelen door het rotsige landschap, ondiep en ongevaarlijk of, elders of op een ander moment, een machtige stroom die alles in zijn vaart meeneemt. Een mooie vrije rivier is bijvoorbeeld de Almonte. Even onder Jaraicejo zijn bij elkaar drie bruggen die het riviertje oversteken. De moderne brug waar de nieuwe snelweg naar Madrid overheen gaat, de oude brug met de oude weg en de nog veel oudere Romeinse brug. Drie tijdperken in één blik verenigd. De Romeinse is uiteraard de mooiste, de indrukwekkendste. Heeft zowat tweeduizend jaar doorstaan en staat er nog steeds. Onder die bruggen door dartelt het riviertje door zijn stenige bedding, verzonken in groene glooiingen. Nachtegaal zong, grauwe gors uiteraard ook, langs de oever verbleven wat spaanse mussen en af en toe barstte de cetti’s zanger uit. Rotszwaluwen, blauwe ekster, Need I say more? We stonden op de Romeinse brug toen een blauwe rotslijster langs vloog. Hij zat prachtig bovenop een soort oude stenen steunbeer toen Godfried riep: ‘otters!’ Twee visotters zwommen langs de oever, nog redelijk ver maar ze kwamen steeds dichterbij. En zelfs ik had geen oog meer voor blauwe rotslijster, toch een fijne soort.
Zelfs voor Godfried was dit uniek. Keer op keer verzekerde hij ons dat hij in geen tien jaar zo mooi otters had gezien. Ze zwommen langs de kant naar de brug toe, spelend, duikend, vissend en soms golvend als dolfijnen, en zwommen uiteindelijk vrijwel recht onder ons. Een moment om nooit te vergeten. Waarna een groep van zeker dertig vale gieren onze aandacht vroeg, met ertussen één monniksgier. Het was pas onze tweede dag dus we waren daarvan nog behoorlijk onder de indruk. Twee hoog naar noord trekkende grauwe kiekendieven, twee slangenarenden ter plaatse, het kon weer eens niet op.
Een heel andere rivier was de Guadiana, die we ontmoetten bij Merida, hoofdstad van Extremadura. Deze was breed en schreed traag door het omringende land. Vlakbij de oever is een vogeleilandje waar met tientallen de koereigers broeden en diverse kwakken en lepelaars en waar af en toe tientallen zwarte ibissen tegelijk over de rivier kwamen aanvliegen. Zwarte ibissen waren ook geregeld fraai zichtbaar langs de rietrand of op een struikje. Het zijn wondere wezens. Het predicaat zwart is erg onverdiend want in het zonlicht zijn ze allesbehalve zwart. Subtiele tinten paars en donkergroen glimmen je tegemoet.
Verderop was alweer een oude Romeinse brug. Massaal vlogen daar de gierzwaluwen rond. Alpengierzwaluwen waren erbij en die zijn zeer indrukwekkend. Groot, het lijken wel valken, met opvallende witte buiken. Ook vlogen er wat vale gierzwaluwen tussen, meer als gewone gierzwaluwen maar bruiner van kleur. Als je ze goed in beeld had, viel ook de wat lichtere kop op waar een donker oogmaskertje in afstak. Beide, zowel alpen- als vale gierzwaluw, in Nederland slechts zeer zeldzame dwaalgasten. Wij hebben alleen de gewone, die hier trouwens ook het talrijkst is. In de rietrand beneden zagen we prachtig buidelmees, woudaapje en cetti’s zanger, maar vooral: purperkoet. Ook al zo’n iconische soort, ook al voor mij een grote wenssoort, een reusachtig waterhoen maar dan knalblauw met rode poten en rode snavel en voorhoofd. Heel subtiel. Eerder in de week waren we die nog misgelopen dus ik was erg blij. Hij kwam geregeld het riet uit om aan de rand van de rietkraag merg te verzamelen om aan zijn jongen te voeren, en was dan prachtig zichtbaar.


Vaker waren de rivieren gekooid tot stuwmeren. Ook die zagen er indrukwekkend uit, maar het verlies aan natuurwaarden, aan subtiele schakeringen, afwisseling van nat en droog en hoog en laag, weelderige vegetaties en noem maar op, dat verlies is natuurlijk dramatisch. Veel van die stuwmeren zijn uitgestrekt en diep en bevatten weinig leven. Al zagen we boven het Embalse de Alange wel fraai lachsterns (en op de rotswand erboven zwarte tapuiten, en bergfluiter, grijze gors, blauwe rotslijster, uitvoerige zingende theklaleeuwerik, in de lucht onder andere een havikarend en aan de stuwdam tientallen broedende alpengierzwaluwen die pal voor ons hoog boven de diepte rondvlogen. Need I say more?). Het interessantst waren de stuwmeren als ze ondiep waren, stuwmeren in het wat vlakkere heuvelland, met oevervegetaties en drassige graslanden. Zo zagen we op het fraaie Embalse de Alcollarin een mooie verzameling typisch Hollandse eenden en meeuwen met onder meer pijlstaart, zomertaling en slobeend. Koereigers, roodkopklauwier, kuifleeuweriken, een stel groenpootruiters, geoorde futen, steltkluten, maar het mooist hier waren drie vorkstaartplevieren. Ach jongens, die had ik al meer dan dertig jaar niet gezien! Prachtig waren ze toen ze langs de oever foerageerden, en zeker zo mooi toen ze zaten te rusten op een nabij eilandje.

De rivieren leiden vanzelf naar de bergen, die vooral de steile, rotsige wanden zijn van de kloven die door de rivieren gedurende honderdduizenden jaren zijn uitgesleten. Woonplaats van gieren en arenden, van zwarte ooievaars, van grijze gors en blauwe rotslijster, rotszwaluwen en van zwarte roodstaart natuurlijk. Dé plek voor dit landschapstype in Extremadura is Monfragüe, het vermaarde nationaal park in het noorden van de deelstaat. Steile rotsen, diepe kloven, verre zichten, je hebt het er allemaal, in alle soorten en maten. Breed en machtig slingert zich daar de Taag rond steile hellingen en grillige, loodrechte wanden. We stonden er tegenover de Salto del Gitano, het beroemdste uitkijkpunt van Monfragüe waar aan de overkant van de rivier met tientallen de vale gieren op de rotsen zitten. En het was er zoals we inmiddels wel verwachten konden: dat je nauwelijks weet waar te kijken. Want niet alleen vale gieren, ook af en toe een monniksgier, ook een zwarte ooievaar die af en toe laag over de Taag vloog en fraai weerspiegeld werd in het roerloze water. Zwarte ooievaar vonden we ook rustend op het reusachtige klif tegenover en zelfs een op het nest op een richel in een diepe spleet in de rotsen. Rotszwaluwen, zwarte wouwen, dichterbij op een rots een prachtig zingende blauwe rotslijster, en geen otters nu om de aandacht af te leiden. Cirlgors, grijze gors, europese kanarie, slechtvalk, roodstuitzwaluw, dwergarend, teveel om op te noemen.
Verderop hadden we lunchpauze bij net zo’n steile rotswand langs de rivier. Aasgieren hier, een monniksgier laag over, volop zwarte wouwen, we stonden het allemaal ademloos aan te kijken toen ineens een schreeuw van Godfried. ‘Havikarend!’ Maar voor ik hem in beeld had was-ie alweer verdwenen. Dat was wel even zuur want deze wilde ik zo graag. Want nooit eerder overtuigend gezien. Gelukkig kwam-ie even later weer tevoorschijn en toen liet-ie zich geruime tijd schitterend zien. Dat aparte vliegbeeld, beetje wespendief, beetje havik, lange kop, lange staart. Dat opvallende patroon op de onderzijde: witte buik, grotendeels donkere ondervleugels. En als-ie voldoende kantelde ook luid en duidelijk de lichte plek op de rug. Onmiskenbaar dus.
We zagen in Monfragüe ook nog een adulte spaanse keizerarend, rustend hoog in een boom hoog op de helling. We zagen blonde tapuit, een mooie groep bijeneters, slangenarend, roodkopklauwier en kleine bonte specht. We eindigden hoog op het Castillo de Monfragüe, oude burchtruïne vanwaar je neerkijkt op de hoogste top van de Salto del Gitano en waar in de diepte de Taag zich slingert door het bergland. Gieren vlogen af en aan en ineens was daar die gele flits: wielewaal, wie weet op weg naar de Hollandse polderpopulieren in het verre noorden. Al zou je hem dat willen ontraden.




Er waren ook nog bossen. De dehesa’s, de kurkeiken en steeneiken die in eindeloze natuurlijke plantages sommige dalen vullen en helling na helling overspoelen. Nee, dit reisverslag is natuurlijk nog lang niet compleet. Ik heb het nog nauwelijks gehad over de wouwen, de tientallen zwarte wouwen vrijwel iedere dag. De eerste paar, die waren nog heel wat maar daarna kijk je er niet meer naar om. Boven de steppe, boven de rotsen, boven de rivier, overal zwarte wouwen en af en toe een rode wouw ertussen. Ik heb het nog nauwelijks gehad over de vele blauwe eksters her en der. De eerste, bij Madrigalejo, geregeld heen en weer vliegend over een moerassig gebiedje met cetti’s zangers en koereigers en meer en ook af en toe vrij zichtbaar boven in een struik of boompje, die waren ook al zo onvergetelijk want nooit eerder fatsoenlijk gezien. Niet over die kuifkoekoek onderweg op de eerste dag. We waren nog maar nauwelijks begonnen en daar zat-ie al, in wat struikjes naast een parkeerplaats langs de snelweg. Godfried zei nog, kijk maar goed, misschien wordt dit de enige van de reis want zo gemakkelijk is-ie niet. En inderdaad, de verdere week niet meer gezien. Nauwelijks heb ik het gehad over de ooievaars die vrijwel overal alom tegenwoordig zijn, over de bijeneters die af en toe in groepjes over ons heen vlogen en zich een enkele keer lekker dichtbij vertoonden. Nauwelijks over de cetti's zangers, de graszangers, de roodkopklauwieren en de klapeksters die hier trouwens iberische zijn en wat donkerder dan de onze. De westelijke orpheusgrasmus die we hoorden zingen in Monfragüe, de fraaie kortteenleeuwerikjes langs de kant van de weg, de rotsmussen langs een akker op de terugweg, de spaanse mussen op allerlei locaties, de rode patrijzen, de hoppen natuurlijk enzovoorts enzovoorts enzovoorts. Ik heb het nog niet half zoveel als ik wel zou willen, gehad over de kleine torenvalken, over de dwergarenden en de slangenarenden. En de planten, die heb ik nog helemaal niet genoemd. De wolzweverorchis bij de Embalse de Arrocampo Almaraz (waar we ook zo mooi woudaapjes zagen), de prachtige italiaanse orchissen in menige wegberm, de hoge kalkweiden met diverse zeldzame orchideeënsoorten, de spaanse irissen die zich in de middag openen en dan zeeën van blauw vormen. Allemaal hebben ze hier lang niet de aandacht gehad die ze verdienen en die ze ter plekke gelukkig wel hebben gehad. Nee, dit verslag is lang niet volledig. Dat kan ook niet, we hebben gewoonweg teveel gezien. Als het volledig was, zou het er alleen maar saai van zijn, veel saaier nog dan het nu misschien al is. Dus laat ik het hier maar bij laten.
Meer buitenlandse zaken: Met Birding Breaks naar Estland
Het was onze laatste ochtend in Extremadura en die was wel enigszins exemplarisch voor deze vogelreis. We waren een week op stap met BirdingBreaks en deze week lukte vrijwel alles. Ik heb er de papieren nog even op nageslagen die we voorafgaand aan de reis toegestuurd hadden gekregen. Daarin ook een dagprogramma met de soorten die we mochten verwachten. Wat we daarvan gemist hebben? IJsvogel. Nou ja, ijsvogel … Overwinterende alpenheggenmus maar dat was een foutje want het is natuurlijk allang geen winter meer. De enige relevante soort die we niet hebben kunnen vinden was steenarend. Daar kunnen we mee leven want daartegenover stonden bijvoorbeeld wel vier spaanse keizerarenden, endemisch op het Iberisch schiereiland. Vier spaanse keizerarenden en ik weet echt niet welke daarvan de meeste indruk maakte. De eerste, een juveniele vogel onderweg vanuit de auto, omdat het de eerste was? De tweede, een adulte vogel ver weg in vlucht toen ik met Peter naar kleine torenvalken stond te kijken bij de stierenarena in Trujillo, omdat het de zelf ontdekte was? De derde omdat die er zo indrukwekkend bij zat, hoog in een boom in Monfragüe? Of toch de vierde, omdat het misschien wel de mooiste was: een adulte vogel die heel rustig dichtbij langs vloog?
Het was de perfecte reis, dat kan niet vaak genoeg gezegd worden. Perfect gezelschap, perfecte begeleiding (Godfried wist alles, zag alles en kende alles), perfect weer (de week voor onze aankomst had het nog volop geregend en de zaterdag na ons vertrek werden weer buien verwacht. Wij hadden welgeteld één dag met wat lichte regen) en perfecte vogels. Het was een vogelreis, daarover geen twijfel, dus vogels waren de hoofdzaak. Over vogels gaat het hier in de eerste plaats en wie dat saai vindt kan beter vertrekken. Maar ook de oude stad van Trujillo die hoog boven de vlakte verrees, kreeg onze aandacht, met smalle straatjes die vanaf fraaie pleinen omhoog voeren tussen oeroude, uit grove steen gemetselde muren en bogen en torens en oude kerken naar het oude kasteel op de top van de heuvel, dat uitziet over de wijde omgeving. En ook het oude Romeinse aquaduct van Merida kreeg onze aandacht. En niet alleen omdat daar ooievaars op broedden. Niet alleen vanwege de fantastische kleine torenvalkjes die rondvlogen boven het oude Trujillo. Niet alleen vanwege de zwarte spreeuwen die ik zag vanuit het raam van mijn luxe tweepersoons hotelkamer voor mij alleen, zwarte spreeuwen zingend met wapperende vleugels op de antennes op de daken aan de overkant van het smalle straatje. Niet alleen daarom, al wil ik het wel even gezegd hebben.







Het was overigens lang niet de laatste keer deze week dat een dergelijk gevoel van overweldiging me overkwam.
Een paar honderd meter verderop vonden we wel vijftien grote trappen in het veld. Diverse mannen stonden zich daar enorm uit te sloven voor de ogenschijnlijk tamelijk ongeïnteresseerde vrouwtjes, en zoals die mannen zich daarbij soms schijnbaar binnenstebuiten keren, dat tart iedere verbeelding. Terwijl intussen rondom de kalanderleeuweriken zongen.
De steppen van de Extremadura zijn voor een vogelaar de hemel op aarde. Het overkwam ons hier dat we stopten voor een slangenarend op een elektriciteitsmast (ja, half natuurlijk hè, de mens is ook hier nooit ver weg), vervolgens op de draden twee scharrelaars zagen, een man grauwe kiekendief zagen jagen boven het veld en aan de andere kant een kleine trap ontdekten, meest half verscholen in de vegetatie maar soms aardig en grotendeels vrij zichtbaar. Intussen vlogen er een paar grote trappen over, zongen ook hier de kalanderleeuweriken, was er een kleine torenvalk in de buurt en werden ook nog eens beneden ons twee fraaie grielen ontdekt. Ik bedoel maar, niet weten waar te kijken was nog nooit zo reëel. In de verte riepen hop en steenuil




Zelfs voor Godfried was dit uniek. Keer op keer verzekerde hij ons dat hij in geen tien jaar zo mooi otters had gezien. Ze zwommen langs de kant naar de brug toe, spelend, duikend, vissend en soms golvend als dolfijnen, en zwommen uiteindelijk vrijwel recht onder ons. Een moment om nooit te vergeten. Waarna een groep van zeker dertig vale gieren onze aandacht vroeg, met ertussen één monniksgier. Het was pas onze tweede dag dus we waren daarvan nog behoorlijk onder de indruk. Twee hoog naar noord trekkende grauwe kiekendieven, twee slangenarenden ter plaatse, het kon weer eens niet op.
Een heel andere rivier was de Guadiana, die we ontmoetten bij Merida, hoofdstad van Extremadura. Deze was breed en schreed traag door het omringende land. Vlakbij de oever is een vogeleilandje waar met tientallen de koereigers broeden en diverse kwakken en lepelaars en waar af en toe tientallen zwarte ibissen tegelijk over de rivier kwamen aanvliegen. Zwarte ibissen waren ook geregeld fraai zichtbaar langs de rietrand of op een struikje. Het zijn wondere wezens. Het predicaat zwart is erg onverdiend want in het zonlicht zijn ze allesbehalve zwart. Subtiele tinten paars en donkergroen glimmen je tegemoet.
Verderop was alweer een oude Romeinse brug. Massaal vlogen daar de gierzwaluwen rond. Alpengierzwaluwen waren erbij en die zijn zeer indrukwekkend. Groot, het lijken wel valken, met opvallende witte buiken. Ook vlogen er wat vale gierzwaluwen tussen, meer als gewone gierzwaluwen maar bruiner van kleur. Als je ze goed in beeld had, viel ook de wat lichtere kop op waar een donker oogmaskertje in afstak. Beide, zowel alpen- als vale gierzwaluw, in Nederland slechts zeer zeldzame dwaalgasten. Wij hebben alleen de gewone, die hier trouwens ook het talrijkst is. In de rietrand beneden zagen we prachtig buidelmees, woudaapje en cetti’s zanger, maar vooral: purperkoet. Ook al zo’n iconische soort, ook al voor mij een grote wenssoort, een reusachtig waterhoen maar dan knalblauw met rode poten en rode snavel en voorhoofd. Heel subtiel. Eerder in de week waren we die nog misgelopen dus ik was erg blij. Hij kwam geregeld het riet uit om aan de rand van de rietkraag merg te verzamelen om aan zijn jongen te voeren, en was dan prachtig zichtbaar.



De rivieren leiden vanzelf naar de bergen, die vooral de steile, rotsige wanden zijn van de kloven die door de rivieren gedurende honderdduizenden jaren zijn uitgesleten. Woonplaats van gieren en arenden, van zwarte ooievaars, van grijze gors en blauwe rotslijster, rotszwaluwen en van zwarte roodstaart natuurlijk. Dé plek voor dit landschapstype in Extremadura is Monfragüe, het vermaarde nationaal park in het noorden van de deelstaat. Steile rotsen, diepe kloven, verre zichten, je hebt het er allemaal, in alle soorten en maten. Breed en machtig slingert zich daar de Taag rond steile hellingen en grillige, loodrechte wanden. We stonden er tegenover de Salto del Gitano, het beroemdste uitkijkpunt van Monfragüe waar aan de overkant van de rivier met tientallen de vale gieren op de rotsen zitten. En het was er zoals we inmiddels wel verwachten konden: dat je nauwelijks weet waar te kijken. Want niet alleen vale gieren, ook af en toe een monniksgier, ook een zwarte ooievaar die af en toe laag over de Taag vloog en fraai weerspiegeld werd in het roerloze water. Zwarte ooievaar vonden we ook rustend op het reusachtige klif tegenover en zelfs een op het nest op een richel in een diepe spleet in de rotsen. Rotszwaluwen, zwarte wouwen, dichterbij op een rots een prachtig zingende blauwe rotslijster, en geen otters nu om de aandacht af te leiden. Cirlgors, grijze gors, europese kanarie, slechtvalk, roodstuitzwaluw, dwergarend, teveel om op te noemen.
Verderop hadden we lunchpauze bij net zo’n steile rotswand langs de rivier. Aasgieren hier, een monniksgier laag over, volop zwarte wouwen, we stonden het allemaal ademloos aan te kijken toen ineens een schreeuw van Godfried. ‘Havikarend!’ Maar voor ik hem in beeld had was-ie alweer verdwenen. Dat was wel even zuur want deze wilde ik zo graag. Want nooit eerder overtuigend gezien. Gelukkig kwam-ie even later weer tevoorschijn en toen liet-ie zich geruime tijd schitterend zien. Dat aparte vliegbeeld, beetje wespendief, beetje havik, lange kop, lange staart. Dat opvallende patroon op de onderzijde: witte buik, grotendeels donkere ondervleugels. En als-ie voldoende kantelde ook luid en duidelijk de lichte plek op de rug. Onmiskenbaar dus.
We zagen in Monfragüe ook nog een adulte spaanse keizerarend, rustend hoog in een boom hoog op de helling. We zagen blonde tapuit, een mooie groep bijeneters, slangenarend, roodkopklauwier en kleine bonte specht. We eindigden hoog op het Castillo de Monfragüe, oude burchtruïne vanwaar je neerkijkt op de hoogste top van de Salto del Gitano en waar in de diepte de Taag zich slingert door het bergland. Gieren vlogen af en aan en ineens was daar die gele flits: wielewaal, wie weet op weg naar de Hollandse polderpopulieren in het verre noorden. Al zou je hem dat willen ontraden.




Er waren ook nog bossen. De dehesa’s, de kurkeiken en steeneiken die in eindeloze natuurlijke plantages sommige dalen vullen en helling na helling overspoelen. Nee, dit reisverslag is natuurlijk nog lang niet compleet. Ik heb het nog nauwelijks gehad over de wouwen, de tientallen zwarte wouwen vrijwel iedere dag. De eerste paar, die waren nog heel wat maar daarna kijk je er niet meer naar om. Boven de steppe, boven de rotsen, boven de rivier, overal zwarte wouwen en af en toe een rode wouw ertussen. Ik heb het nog nauwelijks gehad over de vele blauwe eksters her en der. De eerste, bij Madrigalejo, geregeld heen en weer vliegend over een moerassig gebiedje met cetti’s zangers en koereigers en meer en ook af en toe vrij zichtbaar boven in een struik of boompje, die waren ook al zo onvergetelijk want nooit eerder fatsoenlijk gezien. Niet over die kuifkoekoek onderweg op de eerste dag. We waren nog maar nauwelijks begonnen en daar zat-ie al, in wat struikjes naast een parkeerplaats langs de snelweg. Godfried zei nog, kijk maar goed, misschien wordt dit de enige van de reis want zo gemakkelijk is-ie niet. En inderdaad, de verdere week niet meer gezien. Nauwelijks heb ik het gehad over de ooievaars die vrijwel overal alom tegenwoordig zijn, over de bijeneters die af en toe in groepjes over ons heen vlogen en zich een enkele keer lekker dichtbij vertoonden. Nauwelijks over de cetti's zangers, de graszangers, de roodkopklauwieren en de klapeksters die hier trouwens iberische zijn en wat donkerder dan de onze. De westelijke orpheusgrasmus die we hoorden zingen in Monfragüe, de fraaie kortteenleeuwerikjes langs de kant van de weg, de rotsmussen langs een akker op de terugweg, de spaanse mussen op allerlei locaties, de rode patrijzen, de hoppen natuurlijk enzovoorts enzovoorts enzovoorts. Ik heb het nog niet half zoveel als ik wel zou willen, gehad over de kleine torenvalken, over de dwergarenden en de slangenarenden. En de planten, die heb ik nog helemaal niet genoemd. De wolzweverorchis bij de Embalse de Arrocampo Almaraz (waar we ook zo mooi woudaapjes zagen), de prachtige italiaanse orchissen in menige wegberm, de hoge kalkweiden met diverse zeldzame orchideeënsoorten, de spaanse irissen die zich in de middag openen en dan zeeën van blauw vormen. Allemaal hebben ze hier lang niet de aandacht gehad die ze verdienen en die ze ter plekke gelukkig wel hebben gehad. Nee, dit verslag is lang niet volledig. Dat kan ook niet, we hebben gewoonweg teveel gezien. Als het volledig was, zou het er alleen maar saai van zijn, veel saaier nog dan het nu misschien al is. Dus laat ik het hier maar bij laten.
Meer buitenlandse zaken: Met Birding Breaks naar Estland
Abonneren op:
Posts (Atom)


