Je hebt werkpaarden en je hebt luxepaarden, ook onder vogelaars. Vandaag was ik een werkpaard. Misschien ben ik altijd wel een werkpaard, altijd zwoegend op het vouwfietsje. Misschien moet ik het anders formuleren: je hebt werkdagen en je hebt luxe dagen. Vandaag was een werkdag. Vanaf het moment dat we station Schiedam Nieuwland achter ons lieten en als tegen een muur tegen de stormwind aan botsten, tot het moment vele uren later dat we na een omweg via Delft en fietspaden die vastliepen in nieuwbouwwijken en bedrijventerreinen eindelijk de plek bij de Ackerdijkse plassen vonden om daar te vernemen dat de hop daar al uren niet gezien was, was het zwoegen en werken en verspillen van uren die zoveel nuttiger en aangenamer besteed hadden kunnen worden. Hoofddoel vandaag was gelukkig niet de hop maar de oosterse tortel die zich al geruime tijd ophoudt in een nieuwbouwwijk in Vlaardingen. Zowat twee weken lang had ik ‘m links laten liggen maar vandaag moest het er maar eens van komen. Dus met de trein naar Schiedam Nieuwland en met de fiets naar de betreffende wijk in Vlaardingen, om daar vervolgens vele uren door te brengen op een parkeerplaatsje, in winderige straatjes en in zeiknatte plantsoenen, speurend in achtertuintjes en in bosjes in groenstroken. De wind loeide door de steegjes en af en toe woeien felle buien omlaag. Wachten, wachten, wachten. En zo deden wij wat ons dezer dagen was opgedragen: doorgaan met ons leven. Niet ons angstig terugtrekken in ons holletje maar gewoon de dingen doen die we altijd doen. Al zijn dat in ons geval geen dingen waar enige moslimextremist aanstoot aan zal nemen, geen dingen die enige heldhaft vereisen.
Ik vreesde alweer de dip van dit nog jonge jaar en de hop had ik eigenlijk al helemaal opgegeven toen halverwege de middag terug bij de slaapboom eindelijk beet: oosterse tortel enige tijd fraai in beeld. Mijn tweede pas en de vierde voor Nederland, dus alle moeite wel waard. Bovendien een vogel die de gemoederen ook bezighoud omdat het niet, zoals de voorgaande drie gevallen in Nederland, een duidelijke ‘meena’ is, de ondersoort die het dichtstbij voorkomt en het vaakst naar West-Europa afdwaalt. De drie voorgaande gevallen waren met zekerheid meena, maar van deze is de ondersoort niet zo eenvoudig vast te stellen. Hij heeft intermediaire kenmerken en lijkt dan ook van een intermediaire populatie afkomstig.
Na de tortel meenden we nog net de tijd te hebben voor de hop bij Ackerdijk, maar toen we daar na verre omzwervingen in het laatste middaglicht arriveerden, was die dus klaarblijkelijk al geruime tijd op stok. Na een half uurtje vergeefs speuren hielden we het verder voor gezien, fietsten terug naar Delft en namen in Delft Zuid de trein naar huis.
10 januari 2015
zondag 11 januari 2015
maandag 5 januari 2015
Vogelen in Noord-Holland
Het is hartje winter, dus het is nog donker als ik op de fiets de stad doorkruis op weg naar de verzamelplaats voor de traditionele nieuwjaarsexcursie van Vogelwacht Utrecht. De lucht is helder en de sterren blinken: dat belooft wat. Helder tussen de talloze sterren staat Jupiter; door de verrekijker zijn enkele van zijn maantjes goed zichtbaar.
Het blijft geruime tijd misschien wel de leukste waarneming van de dag. Want in IJmuiden, sinds jaren de hoofdbestemming van de traditionele nieuwjaarsexcursie van Vogelwacht Utrecht, in IJmuiden komt het zaakje maar moeizaam op gang. Natuurlijk, de gebruikelijke nieuwe jaarsoorten druppelen heus wel binnen, dat kan niet anders op 4 januari: dodaars, oeverpieper, zwarte zee-eend, steenlopers. Roodkeelduiker vliegt dichtbij langs. Maar meer dan doorsnee is het allemaal niet. Een rode vlag, een hermetisch gesloten hek: het lijkt erop dat een alternatieve bestemming dringend gewenst is.
Als net op dat moment een fourwheeldrive komt aangereden en de chauffeur het hek voor ons open maakt, opent dat wel de toegang tot de pier, maar dat leidt nog niet tot echt goeie soorten. Paarse strandlopers, een laag langs jakkerende slechtvalk, vier eiders over zee en opnieuw een roodkeelduiker: het blijft allemaal tamelijk doorsnee. Ik klaag daarover overigens niet: af en toe moet een mens nou eenmaal met wat minder genoegen nemen en de kunst is dan, ervan te blijven genieten. En dat lukt me prima. Paarse strandlopers blijven hele leuke vogeltjes en oeverpiepers bijvoorbeeld zie je eigenlijk nooit als je niet naar zee gaat. En anders zijn er de golven die op de pier afrollen, over elkaar heen buitelen, op het basalt slaan en af en toe nog verrassend hoog opspatten zodat we nog moeten oppassen om niet een nat pak op te lopen.
Maar de betere soorten moeten we vandaag dus elders halen.
In de middag maken we daarom een toertochtje door Noord-Holland. Om te beginnen naar Schardam, aan het IJsselmeer, waar een sneeuwgans voor ons klaar zit. Hij ziet er aardig uit hoor, en is inmiddels bewezen ongeringd en aangezien sneeuwgans geen CDNA-beoordeelsoort is, hebben we niet te maken met het oordeel van hogere instanties: we mogen hem tellen. Maar een smaakje zit er natuurlijk wel aan zo’n vogel en dat wordt nog versterkt door de drie kleine canadese ganzen die zich in zijn nabijheid bevinden en waarvan wel zeker dat zij of hun (voor)ouders hier niet op eigen kracht terecht zijn gekomen. Het is dan ook moeilijk te geloven dat dit beest echt afkomstig is van de andere kant van de oceaan, waar de soort in principe thuis is. Dat geldt overigens voor elke sneeuwgans in Nederland: beter dan dit krijg je ze niet. Wat dat betreft zijn de smienten, de brilduikers, de brandganzen en die ene waterpieper eigenlijk leuker: veel alledaagser maar van onbesproken herkomst.
Ons volgende doel is een gebiedje met de welluidende naam ‘Poppendammerweeren’, in de roemruchte Volgermeerpolder, waarschijnlijk de duurste polder in Nederland. Ons Griftpark is er niets bij maar dat is dan ook geen polder. Voedselproductie wordt aan deze voormalige vuilstort niet meer toevertrouwd, ondanks de jarenlange grote schoonmaak: het is Nieuwe Natuur geworden. We bevinden ons midden in Waterland, dus we zien plassen, sloten, ijle rietwaaiers en velden, en daarachter aan alle kanten horizon waar in het zuiden de bebouwing van Amsterdam oprijst.
In de Poppendammerweeren bevinden zich al wekenlang twee grote piepers, lang niet alledaags en al helemaal niet in januari. En na de wat karige ochtend aan zee verloopt de middag op rolletjes: het duurde niet eens lang voordat we een van de vogels luid roepend op en over ons heen zagen vliegen. Daarmee was de determinatie rond want dat geluid is tamelijk onmiskenbaar: een hard en scherp, bijna musachtig getsjilp. Voor landing zagen we hem ook nog even vleugeltrappelend stil hangen in de lucht, iets dat we vooral kennen van torenvalk maar dat ook kenmerkend is voor grote pieper. Eén van de vogels zagen we daarna ook nog herhaaldelijk zijn koppie boven het gras uitsteken: missie grote pieper volbracht.
Als bonus kregen we ook nog velduil. Er waren ons drie à vier vogels aangekondigd, geregeld jagend boven de ruige akker verderop. Wij kwamen niet verder dan één maar die zat er wel mooi bij, in het zonnetje bovenop een kluit aarde. Kop draaiend en af en toe die gele ogen op ons gericht: mooi! Die gele ogen, die doen ‘t ‘m. Of ze nou van een sperweruil zijn of van een dwerguil, van een afrikaanse woestijngrasmus of zoals in dit geval van een velduil, op een of andere manier zijn gele ogen altijd speciaal. Het zal zijn omdat wij zelf nooit gele ogen hebben. (Als we ze wel hebben wordt dat trouwens bepaald niet gezien als schoonheidsideaal.)
Tenslotte hadden we nog een laatste bestemming in gedachten: twee roodhalsganzen bij Muiden. Aangekomen op de Zuidpolderweg wel mooie groepen brandganzen en minimaal acht grote zilverreigers, maar bijna twintig paar speurende ogen konden er geen roodhalsganzen tussen ontdekken. Aangezien de dagen kort zijn en de zon al aardig richting horizon zakte, was enige haast geboden. Verderop vonden we de Noordpolderweg, een smal landweggetje waar je met de auto diep de berm in moet duiken om tegenliggers te laten passeren. Dit weggetje bood zicht op een nieuw stuk polder, op nieuwe brandganzen en op twee roodhalsganzen. Prachtige gansjes, prachtig dichtbij in de groep: daar namen we graag nog even de tijd voor. Terwijl op de achtergrond de contouren van het Muiderslot fraai afstaken tegen de heldere avondlucht. Het was een beeld waar je veel moois over kunt zeggen en het was in elk geval een waardige afsluiting van weer een succesvolle excursie met Vogelwacht Utrecht.
4 januari 2015
Het blijft geruime tijd misschien wel de leukste waarneming van de dag. Want in IJmuiden, sinds jaren de hoofdbestemming van de traditionele nieuwjaarsexcursie van Vogelwacht Utrecht, in IJmuiden komt het zaakje maar moeizaam op gang. Natuurlijk, de gebruikelijke nieuwe jaarsoorten druppelen heus wel binnen, dat kan niet anders op 4 januari: dodaars, oeverpieper, zwarte zee-eend, steenlopers. Roodkeelduiker vliegt dichtbij langs. Maar meer dan doorsnee is het allemaal niet. Een rode vlag, een hermetisch gesloten hek: het lijkt erop dat een alternatieve bestemming dringend gewenst is.
Als net op dat moment een fourwheeldrive komt aangereden en de chauffeur het hek voor ons open maakt, opent dat wel de toegang tot de pier, maar dat leidt nog niet tot echt goeie soorten. Paarse strandlopers, een laag langs jakkerende slechtvalk, vier eiders over zee en opnieuw een roodkeelduiker: het blijft allemaal tamelijk doorsnee. Ik klaag daarover overigens niet: af en toe moet een mens nou eenmaal met wat minder genoegen nemen en de kunst is dan, ervan te blijven genieten. En dat lukt me prima. Paarse strandlopers blijven hele leuke vogeltjes en oeverpiepers bijvoorbeeld zie je eigenlijk nooit als je niet naar zee gaat. En anders zijn er de golven die op de pier afrollen, over elkaar heen buitelen, op het basalt slaan en af en toe nog verrassend hoog opspatten zodat we nog moeten oppassen om niet een nat pak op te lopen.
Maar de betere soorten moeten we vandaag dus elders halen.
In de middag maken we daarom een toertochtje door Noord-Holland. Om te beginnen naar Schardam, aan het IJsselmeer, waar een sneeuwgans voor ons klaar zit. Hij ziet er aardig uit hoor, en is inmiddels bewezen ongeringd en aangezien sneeuwgans geen CDNA-beoordeelsoort is, hebben we niet te maken met het oordeel van hogere instanties: we mogen hem tellen. Maar een smaakje zit er natuurlijk wel aan zo’n vogel en dat wordt nog versterkt door de drie kleine canadese ganzen die zich in zijn nabijheid bevinden en waarvan wel zeker dat zij of hun (voor)ouders hier niet op eigen kracht terecht zijn gekomen. Het is dan ook moeilijk te geloven dat dit beest echt afkomstig is van de andere kant van de oceaan, waar de soort in principe thuis is. Dat geldt overigens voor elke sneeuwgans in Nederland: beter dan dit krijg je ze niet. Wat dat betreft zijn de smienten, de brilduikers, de brandganzen en die ene waterpieper eigenlijk leuker: veel alledaagser maar van onbesproken herkomst.
Ons volgende doel is een gebiedje met de welluidende naam ‘Poppendammerweeren’, in de roemruchte Volgermeerpolder, waarschijnlijk de duurste polder in Nederland. Ons Griftpark is er niets bij maar dat is dan ook geen polder. Voedselproductie wordt aan deze voormalige vuilstort niet meer toevertrouwd, ondanks de jarenlange grote schoonmaak: het is Nieuwe Natuur geworden. We bevinden ons midden in Waterland, dus we zien plassen, sloten, ijle rietwaaiers en velden, en daarachter aan alle kanten horizon waar in het zuiden de bebouwing van Amsterdam oprijst.
In de Poppendammerweeren bevinden zich al wekenlang twee grote piepers, lang niet alledaags en al helemaal niet in januari. En na de wat karige ochtend aan zee verloopt de middag op rolletjes: het duurde niet eens lang voordat we een van de vogels luid roepend op en over ons heen zagen vliegen. Daarmee was de determinatie rond want dat geluid is tamelijk onmiskenbaar: een hard en scherp, bijna musachtig getsjilp. Voor landing zagen we hem ook nog even vleugeltrappelend stil hangen in de lucht, iets dat we vooral kennen van torenvalk maar dat ook kenmerkend is voor grote pieper. Eén van de vogels zagen we daarna ook nog herhaaldelijk zijn koppie boven het gras uitsteken: missie grote pieper volbracht.
Als bonus kregen we ook nog velduil. Er waren ons drie à vier vogels aangekondigd, geregeld jagend boven de ruige akker verderop. Wij kwamen niet verder dan één maar die zat er wel mooi bij, in het zonnetje bovenop een kluit aarde. Kop draaiend en af en toe die gele ogen op ons gericht: mooi! Die gele ogen, die doen ‘t ‘m. Of ze nou van een sperweruil zijn of van een dwerguil, van een afrikaanse woestijngrasmus of zoals in dit geval van een velduil, op een of andere manier zijn gele ogen altijd speciaal. Het zal zijn omdat wij zelf nooit gele ogen hebben. (Als we ze wel hebben wordt dat trouwens bepaald niet gezien als schoonheidsideaal.)
Tenslotte hadden we nog een laatste bestemming in gedachten: twee roodhalsganzen bij Muiden. Aangekomen op de Zuidpolderweg wel mooie groepen brandganzen en minimaal acht grote zilverreigers, maar bijna twintig paar speurende ogen konden er geen roodhalsganzen tussen ontdekken. Aangezien de dagen kort zijn en de zon al aardig richting horizon zakte, was enige haast geboden. Verderop vonden we de Noordpolderweg, een smal landweggetje waar je met de auto diep de berm in moet duiken om tegenliggers te laten passeren. Dit weggetje bood zicht op een nieuw stuk polder, op nieuwe brandganzen en op twee roodhalsganzen. Prachtige gansjes, prachtig dichtbij in de groep: daar namen we graag nog even de tijd voor. Terwijl op de achtergrond de contouren van het Muiderslot fraai afstaken tegen de heldere avondlucht. Het was een beeld waar je veel moois over kunt zeggen en het was in elk geval een waardige afsluiting van weer een succesvolle excursie met Vogelwacht Utrecht.
4 januari 2015
maandag 29 december 2014
2014
‘Het jaar van de angst’, zo benoemde Vrij Nederland het afgelopen jaar. Ergens anders las ik het jaar van de vijand. Het was het jaar van cryptische lettercombinaties: IS, MH17. Jaar van ellende en van rampspoed. Maar voor vogelaars was het ook het jaar van de bruine klauwier, van roodborstlijster en van afrikaanse woestijngrasmus.
Wij zijn eigenlijk maar een vreemd soort mensen. Nou ja, laat ik voor mezelf spreken: ik in elk geval. Economische crisis noch politieke malaise deren ons. De wereld kan in brand staan of de samenleving in scherven uiteenvallen, zolang wij mooie vogels zien, zijn we gelukkig. Niet ons inkomen of de omvang van onze bankrekening noch de grootte van onze auto zijn bepalend voor onze eigenwaarde, maar de soorten op onze lijst, de vogels die we zien. Wij meten ons succes niet in geld, niet in carrièreontwikkeling, maar in waarnemingen. In herinneringen. Wij verzamelen herinneringen, geweldige herinneringen, en die maken ons rijk. Of we daarin erg anders zijn dan andere mensen, valt trouwens te betwijfelen. We verzamelen allemaal ons leven lang onze herinneringen. Aan het eind verliezen we ze weer en zo eindigen we allemaal zoals we begonnen zijn: arm.
2014 ligt alweer zowat achter ons: tijd voor de traditionele terugblik. Wat zijn zoal de bijzondere herinneringen die het afgelopen jaar heeft nagelaten?
Een van de meest typerende momenten van 2014 is wat mij betreft die zaterdag in januari dat ik bij Lettele naar een schitterende dwerguil stond te loeren die me vanuit hoog in de boom zat aan te kijken zoals alleen een uil je kan zitten aankijken en je het gevoel kan geven dat jij het niet bent die hem betrapt, maar hij die jou betrapt terwijl precies op dat moment een berichtje: bruine klauwier bij Netterden. Nieuwe soort voor Nederland! Eerst nog een moment van vertwijfeling: het was een beetje teveel op dat moment. Maar de volgende dag stond ik bij Netterden naar een bruine klauwier te kijken: nieuwe soort voor Nederland.
Ook sterk was die dag in april: ik had zojuist staan genieten van een prachtige witstaartkievit in Den Helder, toen er een roodborstlijster gemeld werd in de buurt van Castricum. Ook al nieuw voor Nederland. Dus geen Texel voor mij die dag maar met spoed naar het station, de trein naar Castricum genomen en enkele uren later nam ik deel aan een uiteindelijk succesvolle zoektocht naar deze amerikaanse dwaalgast.
Ik wil maar zeggen: de zeldzaamheden buitelden zowat over elkaar heen dit jaar. Het was al niet mis de afgelopen jaren maar dit jaar sloeg alles, wat mij betreft. We zijn inmiddels met zo veel, er is zoveel kennis en ervaring in het veld, zoveel top-apparatuur ook, dat er zowat elke dag wel wat ontdekt wordt. Mijn herinneringen aan 2014 worden dan ook voor een belangrijk deel gevormd door zeldzaamheden die door anderen gevonden zijn. Als die anderen er toch niet geweest waren ... Mijn eigen vondsten vielen daarbij ook dit jaar weer in het niet. Een eigen vondst is natuurlijk altijd het leukst, maar wat ik zelf op al mijn dwaaltochten tegenkom is meestal nogal doorsnee en ontstijgt zelden de middelmaat. Natuurlijk kan ik nog altijd volop genieten van een vuurgoudhaam in de wijk of een mooi bloedrode goudvink in het Gagelbos. Maar als je achteraf terugdenkt aan het voorbije jaar, zijn het niet de dingen die je elk jaar wel meemaakt, soms bijna elke maand, die je te binnen schieten. Dan denk je aan die paar éénmalige gebeurtenissen, die monumenten die voor eeuwig in je geheugen gegrift staan. Natuurlijk had ik ook wel mijn zeldzame vondsten dit jaar. Een bladkoning in De Leijen. Een duinpieper overvliegend op Ameland. En liefst twee keer een roodkeelpieper op Texel. (Ik was overigens bepaald niet de enige die een roodkeelpieper vond dat weekend op Texel en die tweede was een gelijktijdige vondst van diverse vogelaars die in koor uitriepen: ‘ROODKEELPIEPER’). Maar de echte klappers, die werden zoals altijd gevonden door anderen.
Als ik terugkijk op dit jaar, en dan met name op de vogels van dit jaar (ja, heus, er was meer om op terug te kijken maar dat hou ik lekker voor me), dan denk ik toch vooral aan bijvoorbeeld die heerlijke massatwitch in een weiland bij Alphen a/d Rijn afgelopen november, waar zich een afrikaanse woestijngrasmus bevond: uiterst zeldzame dwaalgast uit noord Afrika of toch een ontsnappeling uit een vogelkooi? en afhankelijk van het antwoord op die vraag al dan niet de soort van het jaar. Of enkele weken daarvoor die geweldige bonte tapuit bij Zoeterwoude, waarvan herkomst door niemand wordt betwijfeld. Of die blonde tapuit op Erika bij Westkapelle in mei. Die grote franjepoot bij Den Helder. Die oosterse vorkstaartplevier op Tholen. Die ortolaan dit voorjaar bij mij vlak achter. En ik vergeet er zeker nog een paar. Al die verrukkelijke zeldzaamheden, die zijn het toch die me te binnen schieten als alle zwaarmoedigheid van het afgelopen jaar me weer even teveel is.
29 december 2014
Wij zijn eigenlijk maar een vreemd soort mensen. Nou ja, laat ik voor mezelf spreken: ik in elk geval. Economische crisis noch politieke malaise deren ons. De wereld kan in brand staan of de samenleving in scherven uiteenvallen, zolang wij mooie vogels zien, zijn we gelukkig. Niet ons inkomen of de omvang van onze bankrekening noch de grootte van onze auto zijn bepalend voor onze eigenwaarde, maar de soorten op onze lijst, de vogels die we zien. Wij meten ons succes niet in geld, niet in carrièreontwikkeling, maar in waarnemingen. In herinneringen. Wij verzamelen herinneringen, geweldige herinneringen, en die maken ons rijk. Of we daarin erg anders zijn dan andere mensen, valt trouwens te betwijfelen. We verzamelen allemaal ons leven lang onze herinneringen. Aan het eind verliezen we ze weer en zo eindigen we allemaal zoals we begonnen zijn: arm.
2014 ligt alweer zowat achter ons: tijd voor de traditionele terugblik. Wat zijn zoal de bijzondere herinneringen die het afgelopen jaar heeft nagelaten?
Een van de meest typerende momenten van 2014 is wat mij betreft die zaterdag in januari dat ik bij Lettele naar een schitterende dwerguil stond te loeren die me vanuit hoog in de boom zat aan te kijken zoals alleen een uil je kan zitten aankijken en je het gevoel kan geven dat jij het niet bent die hem betrapt, maar hij die jou betrapt terwijl precies op dat moment een berichtje: bruine klauwier bij Netterden. Nieuwe soort voor Nederland! Eerst nog een moment van vertwijfeling: het was een beetje teveel op dat moment. Maar de volgende dag stond ik bij Netterden naar een bruine klauwier te kijken: nieuwe soort voor Nederland.
Ook sterk was die dag in april: ik had zojuist staan genieten van een prachtige witstaartkievit in Den Helder, toen er een roodborstlijster gemeld werd in de buurt van Castricum. Ook al nieuw voor Nederland. Dus geen Texel voor mij die dag maar met spoed naar het station, de trein naar Castricum genomen en enkele uren later nam ik deel aan een uiteindelijk succesvolle zoektocht naar deze amerikaanse dwaalgast.
Ik wil maar zeggen: de zeldzaamheden buitelden zowat over elkaar heen dit jaar. Het was al niet mis de afgelopen jaren maar dit jaar sloeg alles, wat mij betreft. We zijn inmiddels met zo veel, er is zoveel kennis en ervaring in het veld, zoveel top-apparatuur ook, dat er zowat elke dag wel wat ontdekt wordt. Mijn herinneringen aan 2014 worden dan ook voor een belangrijk deel gevormd door zeldzaamheden die door anderen gevonden zijn. Als die anderen er toch niet geweest waren ... Mijn eigen vondsten vielen daarbij ook dit jaar weer in het niet. Een eigen vondst is natuurlijk altijd het leukst, maar wat ik zelf op al mijn dwaaltochten tegenkom is meestal nogal doorsnee en ontstijgt zelden de middelmaat. Natuurlijk kan ik nog altijd volop genieten van een vuurgoudhaam in de wijk of een mooi bloedrode goudvink in het Gagelbos. Maar als je achteraf terugdenkt aan het voorbije jaar, zijn het niet de dingen die je elk jaar wel meemaakt, soms bijna elke maand, die je te binnen schieten. Dan denk je aan die paar éénmalige gebeurtenissen, die monumenten die voor eeuwig in je geheugen gegrift staan. Natuurlijk had ik ook wel mijn zeldzame vondsten dit jaar. Een bladkoning in De Leijen. Een duinpieper overvliegend op Ameland. En liefst twee keer een roodkeelpieper op Texel. (Ik was overigens bepaald niet de enige die een roodkeelpieper vond dat weekend op Texel en die tweede was een gelijktijdige vondst van diverse vogelaars die in koor uitriepen: ‘ROODKEELPIEPER’). Maar de echte klappers, die werden zoals altijd gevonden door anderen.
Als ik terugkijk op dit jaar, en dan met name op de vogels van dit jaar (ja, heus, er was meer om op terug te kijken maar dat hou ik lekker voor me), dan denk ik toch vooral aan bijvoorbeeld die heerlijke massatwitch in een weiland bij Alphen a/d Rijn afgelopen november, waar zich een afrikaanse woestijngrasmus bevond: uiterst zeldzame dwaalgast uit noord Afrika of toch een ontsnappeling uit een vogelkooi? en afhankelijk van het antwoord op die vraag al dan niet de soort van het jaar. Of enkele weken daarvoor die geweldige bonte tapuit bij Zoeterwoude, waarvan herkomst door niemand wordt betwijfeld. Of die blonde tapuit op Erika bij Westkapelle in mei. Die grote franjepoot bij Den Helder. Die oosterse vorkstaartplevier op Tholen. Die ortolaan dit voorjaar bij mij vlak achter. En ik vergeet er zeker nog een paar. Al die verrukkelijke zeldzaamheden, die zijn het toch die me te binnen schieten als alle zwaarmoedigheid van het afgelopen jaar me weer even teveel is.
29 december 2014
donderdag 18 december 2014
Roerdomp
Al enkele jaren verschijnt er iedere winter een roerdomp
in het plasje langs het fietspad om het centrale weiland in de Gagelpolder.
Soms kun je hem zien sluipen door het riet aan de overkant van het pad, soms
zie je hem roerloos langs de rietrand staan, maar meestal zie je hem niet. Of
dat is omdat-ie zich schuilhoudt in het riet, of omdat-ie elders verblijft, is meestal
onbekend. Ik heb ‘m wel eens kort gezien en daarna geheel zien verdwijnen in
het riet achter hem, volkomen opgaand in de geelbruine wereld om hem heen. En
ik heb wel eens meegemaakt dat-ie met heel veel moeite net zichtbaar was tussen
het riet. Dat je minuten lang naar de goede plek staat te kijken en niets ziet,
tot je ineens ontdekt dat een bepaalde onregelmatigheid in het riet toch
zijn kop is, of een stukje van zijn
borst. Dus dat je hem af en toe mist omdat-ie zich schuilhoudt, is wel zeker.
Maar als-ie zich soms enkele weken niet vertoont (ik kom er meestal meerdere
keren per week langs), vermoed ik dat-ie zich elders ophoudt. Net als de
plaatselijke zilverreigers, die ook weleens dagen achtereen in hetzelfde plasje
of in hetzelfde stukje weiland kunnen zitten en dan ineens weer ergens anders
opduiken. De roerdomp heb ik ook weleens vanaf een wandelpad verderop in het
gebied zien opvliegen.
Vanaf ergens in oktober begin ik op mijn ommetjes de
bewuste rietrand af te speuren. Dit jaar duurde het tot eind november voor ik
hem weer zag. Dat is elk jaar weer een beetje spannend want elk jaar is het de
vraag of-ie ook dit jaar weer opduikt. Soms heb ik het idee dat hij vooral op
mooie zonnige ochtenden tevoorschijn komt. Dat hij zich dan lekker koestert in
de lage zonnestralen die van achter de eventuele toeschouwer op de bewuste rietrand
schijnen. Het is een aardige gedachte maar of het echt zo is, weet ik niet. Ik
herinner me wel speciaal zulke zonnige ochtenden dat ik ‘m zag, maar ik zag ‘m ook
wel op grijze en miezerige dagen en ik heb geen idee hoe die zich tot elkaar
verhouden. Je zou er een statistische analyse op moeten loslaten maar daartoe
ontbreken me de gegevens. Hoe dan ook, vanmorgen was het buitengewoon grijs en
miezerig en juist vanmorgen zat-ie er weer. Niet bepaald een bevestiging van
mijn idee dus.
Het is opmerkelijk hoe de vogel ondanks zijn vermaarde
schutkleuren soms opvalt in die rietrand. Als je oog valt op een markante
geelbruine plek die enigszins afsteekt tussen het geelbruine riet, richt dan
even de verrekijker. Meestal is-ie het niet. Maar vanmorgen was-ie het wel. Een
erg prettige manier om de dag te beginnen.
18 december 2014
woensdag 3 december 2014
Puth
Op station Utrecht stond de ICT naar Bazel al klaar. Een verleidelijke gedachte kwam in me op, natuurlijk kwam die in me op, maar ik liet ‘m gaan, de ICT naar Bazel, hij vertrok zonder mij. Het werd vandaag gewoon Sittard, en de herfstige glooiingen van noordelijk Zuid Limburg. Ook leuk.
Waterkoud was het, en de hele dag nevelig en grijs. Geen spatje zon. Een tamelijk sombere dag dus, een goede voedingsbodem voor een flinke winterdepressie, zou je zeggen, voor wie daar gevoelig voor is. Maar mooi!! Die verstilde schoonheid, die vervaagde werkelijkheid, die gesleten kleuren, als een landschapsschildering die al te lang in de berging heeft gelegen en nodig toe is aan een opknapbeurt maar laten ze er asjeblieft vanaf blijven want zo is-ie op zijn mooist. Dat je ergens langs de bosrand staat, aan de rand van het veld, en dat er niks gebeurt, woordeloos genot, het is al door zovelen in welsprekende bewoordingen beschreven, wat kan ik daar nog aan toevoegen? Het perfecte medicijn tegen een winterdepressie, voor wie daar last van heeft. Ik niet. Daarvoor is de herfst veel te mooi. Net als de winter trouwens. Vandaag bevonden we ons op het scharnierpunt tussen beide: de bomen waren al volop kaal en de velden naakt onder die al bijna winterse kou. Maar tegelijk hing er nog dat weliswaar verschoten maar toch herkenbare herfstkleed aan de bosranden die roodbruin en vaalgeel verzonken in de glooiingen van de eerste uitlopers van Limburgs heuvelland.
Akkers en velden rond Puth en Doenrade waren de bestemming van vandaag. Verrassend mooie stukjes gevonden daar, die in niets onderdeden voor de mooiste stukjes mergelland in de veel bekendere regio rond Valkenburg en Gulpen. Maar wel veel stiller. Ook hier die bijna intieme laagtes waar de bosranden bijna over je heen buitelen. De door uitbundig hellingbos overspoelde heuvels. De oeroude, met klimop behangen boomstammen. De wilde hagen die door het veld kruipen. Er waren ook mooie stukken braakliggend land en akkers met de plantenresten er nog op. Ideaal voor overwinterende vogels. En die zaten er dan ook. Vinken, groenlingen, ringmussen, rietgorzen, een kneu en tientallen geelgorzen, onder meer. En twee fraaie vrouwtjes blauwe kiekendief. Veldleeuweriken ook, en verrassend veel grote zilverreigers in de verwilderde akkers. Doelsoort was vandaag de grauwe gors. Die was nog knap lastig. Weliswaar zag ik er al in het begin twee in een kale boom, forse, tamelijk lompe vogels zonder kenmerken van betekenis, maar die waren al gauw vertrokken en de verdere dag heb ik ze niet meer teruggezien.
Terug in Utrecht stond de ICT naar Amsterdam al klaar. Uit Bazel, veronderstel ik.
30 november 2014
Meer Zuid Limburg: Ondertussen in Limburg
Waterkoud was het, en de hele dag nevelig en grijs. Geen spatje zon. Een tamelijk sombere dag dus, een goede voedingsbodem voor een flinke winterdepressie, zou je zeggen, voor wie daar gevoelig voor is. Maar mooi!! Die verstilde schoonheid, die vervaagde werkelijkheid, die gesleten kleuren, als een landschapsschildering die al te lang in de berging heeft gelegen en nodig toe is aan een opknapbeurt maar laten ze er asjeblieft vanaf blijven want zo is-ie op zijn mooist. Dat je ergens langs de bosrand staat, aan de rand van het veld, en dat er niks gebeurt, woordeloos genot, het is al door zovelen in welsprekende bewoordingen beschreven, wat kan ik daar nog aan toevoegen? Het perfecte medicijn tegen een winterdepressie, voor wie daar last van heeft. Ik niet. Daarvoor is de herfst veel te mooi. Net als de winter trouwens. Vandaag bevonden we ons op het scharnierpunt tussen beide: de bomen waren al volop kaal en de velden naakt onder die al bijna winterse kou. Maar tegelijk hing er nog dat weliswaar verschoten maar toch herkenbare herfstkleed aan de bosranden die roodbruin en vaalgeel verzonken in de glooiingen van de eerste uitlopers van Limburgs heuvelland.
Akkers en velden rond Puth en Doenrade waren de bestemming van vandaag. Verrassend mooie stukjes gevonden daar, die in niets onderdeden voor de mooiste stukjes mergelland in de veel bekendere regio rond Valkenburg en Gulpen. Maar wel veel stiller. Ook hier die bijna intieme laagtes waar de bosranden bijna over je heen buitelen. De door uitbundig hellingbos overspoelde heuvels. De oeroude, met klimop behangen boomstammen. De wilde hagen die door het veld kruipen. Er waren ook mooie stukken braakliggend land en akkers met de plantenresten er nog op. Ideaal voor overwinterende vogels. En die zaten er dan ook. Vinken, groenlingen, ringmussen, rietgorzen, een kneu en tientallen geelgorzen, onder meer. En twee fraaie vrouwtjes blauwe kiekendief. Veldleeuweriken ook, en verrassend veel grote zilverreigers in de verwilderde akkers. Doelsoort was vandaag de grauwe gors. Die was nog knap lastig. Weliswaar zag ik er al in het begin twee in een kale boom, forse, tamelijk lompe vogels zonder kenmerken van betekenis, maar die waren al gauw vertrokken en de verdere dag heb ik ze niet meer teruggezien.
Terug in Utrecht stond de ICT naar Amsterdam al klaar. Uit Bazel, veronderstel ik.
30 november 2014
Meer Zuid Limburg: Ondertussen in Limburg
donderdag 27 november 2014
406: Afrikaanse woestijngrasmus
Toen gistermiddag bekend werd dat er vorige week enkele dagen een afrikaanse woestijngrasmus verblijf had gehouden op een geheime plek nabij Alphen a/d Rijn, was op internet de beer los. Verontwaardiging om het stilhouden van deze soort en begrip voor de goede bedoelingen van de geheimhouders vochten om voorrang. Vooral de mededeling dat de vogel sinds bijna een week niet meer was gezien en dus waarschijnlijk vertrokken was, deed bij velen pijn. Want afrikaanse woestijngrasmus is een nieuwe soort voor Nederland, een standvogel uit Noord Afrika die slechts heel zelden de Middellandse zee oversteekt en nog nooit zo ver noordelijk was vastgesteld. Dat dat mogelijk ook implicaties heeft voor zijn status als al dan niet wilde vogel, werd door de meesten aanvankelijk nog even door de vingers gezien. Voor velen was het een droomsoort en een heus drama om die op deze manier mis te lopen.
Dus toen vanochtend tegen veler verwachting in de vogel werd teruggevonden, was de beer opnieuw los. Dit keer niet alleen op internet, maar vooral ook in het veld. De taferelen die volgden waren voorspelbaar maar ook af en toe hilarisch. Massa’s verlieten huis en haard, kantoor en werkplaats en een lange stoet van vogelaars, telescopen over de schouder (wie niet goed keek kon zomaar denken dat het jagers waren met hun geweer over de schouder), schuifelde en glibberde voetje voor voetje door de vette klei van Hollands Groene Hart, langs gemaaide maïsvelden en gebaggerde sloten en over gammele bruggetjes en losse planken, en verzamelde zich op een plek midden in de polder waar het vogeltje zich blijkbaar ophield. Tegenwoordig, en eigenlijk al vele jaren, kun je dergelijke taferelen van tevoren uittekenen: de rijen geparkeerde auto’s, de haastige vogelaars met gespannen koppen, de rijen telescopen en de high fives en gebalde vuisten (of de vertwijfelde gezichtsuitdrukkingen, de sombere grimassen). Alleen de enscenering is telkens anders. Dit keer midden in oer-Hollands polderland, wel de laatste plek waar je een dergelijke zeldzaamheid zou verwachten, omringd door de platheid waaraan ons land zijn internationale naam en faam te danken heeft.
Oh, en ik doe daar zelf van harte aan mee hoor, aan die taferelen, ik lach er niemand zo hard om uit als mezelf. Bovendien, natuurlijk zijn we gek, natuurlijk verspillen we tijd en energie aan iets volmaakt nutteloos’, iets waar negen van de tien landgenoten niets van begrijpen, maar het is wel een belevenis, ik kan dat iedereen aanraden, baggeren door de klei op zoek naar een vogeltje nauwelijks groter dan een speldeknop.
Soms verlopen zulke twitches soepel en vlekkeloos en is de vogel zo gevonden. Dit keer ging het anders. Althans, voor mij en voor de mensen die ongeveer gelijk met mij arriveerden. Mensen die ons tegemoet kwamen, spraken ons bemoedigend toe: hij zat er nog, hij liet zich prachtig zien, kwam goed. Maar toen ik me bij de groep vogelaars voegde die midden in het weiland bij elkaar stonden te kijken naar een hekje op een bruggetje met een karig bosje brandnetels erachter, was de vogel net even uit beeld. Men wist zeker dat-ie rondhing in de schaarse begroeiing achter het hekje, maar toen hij zich na zowat een half uur nog steeds niet had laten zien, ging er toch maar iemand dichterbij een kijkje nemen. Hij loerde over het hekje, liep om het hekje heen en haalde nog even zijn been door het karige bosje brandnetels, maar niets. Geen spoor van de vogel
Tsja, daar staan we dan. Vind ‘m dan maar eens terug. Akkers in overvloed om ons heen, kale maïsakkers met stoppels en plantenresten zo ver het oog reikte, doorkruist door kilometers verwilderde slootkant en tot in de verte bruggetjes met hekjes en karige bosjes brandnetels. Beest was ons ontsnapt en kon wel overal zitten. De een keek hier, de ander daar en ik had al het gevoel van de dip van het jaar, wat zeg ik, de dip van de eeuw en toen …
Ik had er al niet meer op gerekend maar tot opluchting van velen werd afrikaanse woestijngrasmus anderhalve brug verderop teruggevonden. Zodat we toch weer met zijn allen een feestje konden bouwen. Want oei, wat was-ie mooi! Zo dichtbij als sommige anderen ‘m gezien hadden, getuige de magistrale foto’s die van ‘m verschenen zijn, zo dichtbij kreeg ik ‘m niet te zien maar af en toe liet de vogel zich open en bloot zien en vol in de telescoop was dat ruim voldoende voor een geestverruimende ervaring. Die kleur! Iets tussen bruin en geel in, van een zonnigheid waarvoor de zon helemaal niet hoefde te schijnen vandaag. Hij scharrelde door de begroeiing, verdween soms geruime tijd uit beeld maar was steeds daarna weer helemaal vrij zichtbaar. Heerlijk!
En zo is toch weer alles goed gekomen.
26 november 2014
Meer: Medemblik
Dus toen vanochtend tegen veler verwachting in de vogel werd teruggevonden, was de beer opnieuw los. Dit keer niet alleen op internet, maar vooral ook in het veld. De taferelen die volgden waren voorspelbaar maar ook af en toe hilarisch. Massa’s verlieten huis en haard, kantoor en werkplaats en een lange stoet van vogelaars, telescopen over de schouder (wie niet goed keek kon zomaar denken dat het jagers waren met hun geweer over de schouder), schuifelde en glibberde voetje voor voetje door de vette klei van Hollands Groene Hart, langs gemaaide maïsvelden en gebaggerde sloten en over gammele bruggetjes en losse planken, en verzamelde zich op een plek midden in de polder waar het vogeltje zich blijkbaar ophield. Tegenwoordig, en eigenlijk al vele jaren, kun je dergelijke taferelen van tevoren uittekenen: de rijen geparkeerde auto’s, de haastige vogelaars met gespannen koppen, de rijen telescopen en de high fives en gebalde vuisten (of de vertwijfelde gezichtsuitdrukkingen, de sombere grimassen). Alleen de enscenering is telkens anders. Dit keer midden in oer-Hollands polderland, wel de laatste plek waar je een dergelijke zeldzaamheid zou verwachten, omringd door de platheid waaraan ons land zijn internationale naam en faam te danken heeft.
Oh, en ik doe daar zelf van harte aan mee hoor, aan die taferelen, ik lach er niemand zo hard om uit als mezelf. Bovendien, natuurlijk zijn we gek, natuurlijk verspillen we tijd en energie aan iets volmaakt nutteloos’, iets waar negen van de tien landgenoten niets van begrijpen, maar het is wel een belevenis, ik kan dat iedereen aanraden, baggeren door de klei op zoek naar een vogeltje nauwelijks groter dan een speldeknop.
Soms verlopen zulke twitches soepel en vlekkeloos en is de vogel zo gevonden. Dit keer ging het anders. Althans, voor mij en voor de mensen die ongeveer gelijk met mij arriveerden. Mensen die ons tegemoet kwamen, spraken ons bemoedigend toe: hij zat er nog, hij liet zich prachtig zien, kwam goed. Maar toen ik me bij de groep vogelaars voegde die midden in het weiland bij elkaar stonden te kijken naar een hekje op een bruggetje met een karig bosje brandnetels erachter, was de vogel net even uit beeld. Men wist zeker dat-ie rondhing in de schaarse begroeiing achter het hekje, maar toen hij zich na zowat een half uur nog steeds niet had laten zien, ging er toch maar iemand dichterbij een kijkje nemen. Hij loerde over het hekje, liep om het hekje heen en haalde nog even zijn been door het karige bosje brandnetels, maar niets. Geen spoor van de vogel
Tsja, daar staan we dan. Vind ‘m dan maar eens terug. Akkers in overvloed om ons heen, kale maïsakkers met stoppels en plantenresten zo ver het oog reikte, doorkruist door kilometers verwilderde slootkant en tot in de verte bruggetjes met hekjes en karige bosjes brandnetels. Beest was ons ontsnapt en kon wel overal zitten. De een keek hier, de ander daar en ik had al het gevoel van de dip van het jaar, wat zeg ik, de dip van de eeuw en toen …
Ik had er al niet meer op gerekend maar tot opluchting van velen werd afrikaanse woestijngrasmus anderhalve brug verderop teruggevonden. Zodat we toch weer met zijn allen een feestje konden bouwen. Want oei, wat was-ie mooi! Zo dichtbij als sommige anderen ‘m gezien hadden, getuige de magistrale foto’s die van ‘m verschenen zijn, zo dichtbij kreeg ik ‘m niet te zien maar af en toe liet de vogel zich open en bloot zien en vol in de telescoop was dat ruim voldoende voor een geestverruimende ervaring. Die kleur! Iets tussen bruin en geel in, van een zonnigheid waarvoor de zon helemaal niet hoefde te schijnen vandaag. Hij scharrelde door de begroeiing, verdween soms geruime tijd uit beeld maar was steeds daarna weer helemaal vrij zichtbaar. Heerlijk!
En zo is toch weer alles goed gekomen.
26 november 2014
Meer: Medemblik
dinsdag 25 november 2014
Toch getwitcht
In één week bonte tapuit, vale gierzwaluw en
arendbuizerd: de twitcher in mij is aardig aan zijn trekken gekomen de
afgelopen tijd. Dan kan er een moment komen dat je denkt: Nu Even Niet! Ik doe
voor één keertje niet mee, trek me niets aan van
turkestaanse klauwieren, kleine toppers of ringsnaveleenden en ga lekker iets anders doen. (Makkelijk praten
natuurlijk: geen van drie nieuw. Als er bijvoorbeeld ergens een, ik noem maar
wat, afrikaanse woestijngrasmus had gezeten, had ik natuurlijk wel anders gepiept.) Vandaag met Harriët een heerlijk dagje herfst
gedaan, met bos en hei en veld en ven, alles in de daartoe geëigende
herfstsfeer. Nou ja, niets nieuws onder de zon natuurlijk, het is ieder jaar
min of meer hetzelfde liedje. Maar toch, ieder jaar minstens één keer
verplichte kost, wat mij betreft.
Allereerst naar het Leersumse veld, met zijn ongerepte
heidevelden, zijn stille vennen en zijn beboste kavels, alles gedrenkt in de
laatste kleuren die de herfst nog voor ons in petto had. Niet veel vogels, op
een van de vennen één dodaars, maar dat deed er niet toe.
En omdat we tijd over hadden, daarna de bus naar nog een
stukje verder genomen, naar Elst om precies te zijn, om daar de fraaie,
glooiende hooglanden van de Plantage Willem III te bezoeken. Nee, hoog is het
er natuurlijk lang niet, dat weet ik ook wel, maar je kijkt er toch een klein
beetje neer op het Rijndal en af en toe wekt die schijnbare ongereptheid van
geaccidenteerd open land met stille bosranden en wat verspreide bosjes en kale
boompjes toch die indruk. En ook al is ook die ongereptheid maar schijn en
vooral het resultaat van mijn eigen fantasie (er is hier flink gekapt om mijn
fantasie zover te krijgen, boomstronken steken als grafstenen uit de grond),
het is er niet minder mooi om. En het leverde me toch maar mijn eerste
klapekster op sinds anderhalf jaar: wel geen bonte tapuit, vale gierzwaluw of
arendbuizerd, maar wel mijn soort van deze week. Dus toch nog getwitcht.
23 november 2014
Abonneren op:
Posts (Atom)