Bittere kou, een ijzige oostenwind, stevige sneeuwval de afgelopen nacht, dreigende sneeuwval vanuit het zuidwesten de komende middag of (cruciaal natuurlijk) avond en hoe dan ook waarschuwingen voor gladheid tot in de middag. Het was me het dagje wel dat we hadden uitgekozen voor de jaarlijkse excursie met vogelwacht Utrecht naar de Zeeuwse Delta. Angstvallig keken we onderweg naar het cijfertje op het dashboard dat de buitentemperatuur aangaf: - 2 graden Celsius. En dat straks op de dijk bij Battenoord, vol in de oostenwind …
Dus daar stonden we, een besneeuwd eiland achter ons en het uitgestrekte Grevelingenmeer voor ons. En inderdaad, zoals we al gevreesd hadden, vol in de vrieswind. Maar met een hartverwarmend uitzicht: een stuk of 25 flamingo’s, tropische verschijningen in winters Nederland, stond met de poten in het koude Grevelingenwater. Of ze het koud hadden konden we ze niet vragen, maar in hun herkomstgebieden zouden ze het nooit zo koud gehad hebben. Waren ze maar nooit hierheen gekomen.
Nou hebben in elk geval de meesten van het stel dat ongetwijfeld ook niet zelf en uit vrije wil gedaan. Van die ene zuurstokroze caribische flamingo en de stuk of vijftien chileense flamingo’s bestaat over de herkomst geen twijfel: die zijn echt niet zelfstandig van het Zuid-Amerikaanse continent hierheen komen vliegen maar afkomstig van achter slot en grendel of anders wel geboren en getogen in de West-Europese klei, voortgekomen uit (voor)ouders afkomstig van achter slot en grendel. Van de tien of elf europese flamingo’s is dat in mijn ogen minder zeker: best mogelijk dat een deel, of een deel van hun (voor)ouders, daadwerkelijk vanuit Zuid-Europa hierheen is afgedwaald. Er komen immers wel meer mediterrane soorten af en toe deze kant op dus waarom niet een flamingo.
Hoe dan ook: de aanblik leed niet onder dit soort bedenkingen. Hun roze misstond niet in dit ijzige decor. Of juist wel maar dan des te beter.
Na een bezoekje aan Stellendam (mooie groep kluten onder meer, en op het Zuiderdiep tussen de vele honderden kuif- en tafeleenden enkele toppers) werd gekozen voor een wandeling door de Kwade Hoek. Een prachtige wandeling, door besneeuwde duinen en door een woest en onherbergzaam besneeuwd kwelderlandschap. Jagende blauwe kiekendief, prachtige ijsgorzen die meest verscholen zaten maar af en toe tevoorschijn kwamen en even vrij zichtbaar waren in de sneeuwduintjes, en ineens een groepje pimpelmezen verdwaald geraakt in dit barre landschap. Maar al met al wel een behoorlijk tijdrovende onderneming. De dag was alweer een heel eind op streek toen we terug waren bij de auto’s en aangezien de brilzee-eend voor de kop van Goeree, vooraf een van de doelsoorten van de dag, nog niet gemeld was en dus, veronderstelden we, vandaag onvindbaar, die maar overgeslagen en meteen de Brouwersdam opgereden.
Op de dam was het koud, zoals altijd, hoewel de wind uit het oosten woei en enigszins getemperd werd door het dijklichaam achter ons. Op zee mooie ijseendjes, drie man en twee vrouw, en mooie kuifduikers. Brilduikers en middelste zaagbekken en honderden zwarte zee-eenden. Het gebruikelijke volk dus. Hard zoeken tussen de zee-eenden leverde helaas geen afwijkende typjes op. Een mooie rosse grutto dichtbij aan de voet van de dam en een stuk of zestig roodkeelduikers op zee vanaf de spuisluizen, en door naar de binnenkant van de dam. Daar was het nog veel kouder want woei de wind met volle kracht over de uitgestrekte wateren van het Grevelingenmeer, en was van het spektakel dat hier gisteren nog aanwezig was, niets meer terug te vinden. Even een dipje, maar toen de melding: brilzee-eend was teruggevonden.
Korte tijd later stonden we vanaf een plateautje boven het strand te turen naar een mooie groep zee-eenden op zee. Grote zee-eenden vooral, en vrijwel uitsluitend vrouwtjes en jonge vogels. Even had ik er een hard hoofd in maar toen vonden we haar toch: vrouwtje brilzee-eend. Niet zo spectaculair als die clownskop van Texel, maar determinatietechnisch natuurlijk veel interessanter. Diverse keren had ik haar in beeld en al dook ze meestal snel weer onder en moest je dan telkens opnieuw beginnen zoeken, enkele keren zag ik haar goed genoeg voor alle details: een wat klein ogend eendje met duidelijke witte vlek aan de snavelbasis, zichtbaar wat lichtere wang en achterhals, relatief zware snavel en recht, driehoekig kopprofiel, en zonder witte streep op het lichaam. Een keer zag ik haar vliegen: geen wit op de vleugels.
Een waardig hoogtepunt van de dag, maar de tijd begon wel te dringen inmiddels. Meer dan één bestemming op Schouwen zat er niet meer in. We moesten kiezen, en kozen fout. Terwijl, zo bleek achteraf, langs de Delingsdijk vanmiddag weer witbuikrot- en roodhalsgans waren gezien, gingen wij richting Stompetoren en Burghsluis. En troffen daar slechts enkele schamele groepjes rot- en brandganzen. Wel op een akker ten westen van Burghsluis een mooie slechtvalk die nog veel mooier was toen hij fanatiek ging rondvliegen en onder andere een buizerd, veel forser dan hij zelf, achternazat. Het was, zoals men dan zegt, een waardig besluit.
10 februari 2013
maandag 11 februari 2013
zaterdag 9 februari 2013
Landen
Dat
beeld van zo’n specht die komt aangevlogen en pats, daar zit-ie tegen een boom
geplakt. Ongelooflijk dat-ie zich niet tegen die boom te pletter vliegt, denk
je. Terwijl je aandacht verderop alweer wordt opgeëist door een haas die over
het veld holt. Ja, er is heel wat te beleven in de levende natuur.
Soms
zie je ook bijvoorbeeld een koolmeesje aan komen vliegen dat ineens als het
ware uit de lucht wordt geplukt door een takje. Wat het ene moment nog een
vliegende mees was, is het volgende ineens een zittende mees, gevangen in een
struikje. En dat is echt iets heel anders.
Dat
vogels kunnen vliegen is natuurlijk knap, maar nog veel knapper is misschien,
hoe ze kunnen landen. Hoe ze mikken, hoe ze navigeren, hoe ze met hoge snelheid
toch op de millimeter nauwkeurig het juiste plekje weten uit te kiezen. En hoe
ze zich in één keer vastgrijpen, zich achteloos van hun snelheid ontdoen, met
die dunne pootjes van ze. De enorme klap die ze daarmee opvangen, het is
eigenlijk niet te geloven.
Of
een vlucht ganzen die zich moeiteloos en zonder moderne navigatiemiddelen tussen
duizenden soortgenoten voegen, die in die krioelende menigte ganzen allemaal
een plekje weten te vinden. Je ziet ze met grote vaart aan komen zeilen, de
vleugels uitslaan, afremmen en daar zitten ze. Geen ongelukken, geen botsingen.
Trouwens ook niet als de hele groep massaal op de vleugels gaat: kom daar maar
eens om bij onze door de modernste technologieën ondersteunde
vliegtuigindustrie. Opvliegen, ook al zo knap.
dinsdag 29 januari 2013
Zilverreigers
Ook deze winter overwinteren er weer drie vaste grote zilverreigers in de Gagelpolder en de Ruigenhoekse polder. Ieder in hun eigen, min of meer vaste deel van het gebied. Eentje houdt zich zo’n beetje in het noordelijke deel van de Gagelpolder op, afwisselend aan beide zeiden van het fietspad dat tussen de weilanden door van het westelijke naar het oostelijke deel doorsteekt. Eentje houdt zich meestal op in het oude moerasbos aan de oostkant van de Gagelpolder maar maakt geregeld een uitstapje naar het weiland in het centrum van de polder waar vogel één zich vaak ophoudt. En de derde hangt rond in de oostelijk daarvan gelegen Ruigenhoekse polder. Bijna altijd zie ik wel een van de drie vogels, soms twee van de drie en geregeld ook alle drie. En daarnaast af en toe een zwerver of een vogel die wat is afgedwaald van verderop, want verderop overwinteren er natuurlijk nog wel een paar.
Vooral vogel één en vogel twee kunnen dicht bij elkaar in de buurt komen. Toch blijven ze herkenbaar aan hun standplaats en hun verplaatsingen. In het begin is dat nog een indruk, maar gaandeweg leer je die vogels kennen. Gisterochtend zag ik vogel twee aan de oostkant van het centrale weiland. Toen hij opvloog (want ze vliegen bijna altijd op, meestal al van grote afstand, hoe voorzichtig je er ook langs fietst), vloog hij over de bosrand heen en verdween in het oude moerasbos aan de oostkant, waar hij thuis is. Vanochtend zag ik amper honderd meter noordoostelijker vogel twee. Mocht ik twijfelen: ook deze vloog op, hij zat vlak langs het fietspad, en hij verdween over het fietspad heen richting de maisakker ten noorden ervan. Geregeld zie ik beide samen in het zelfde weiland, maar altijd zit de een dan aan de oostkant en de ander meer centraal in het noorden. Ze lijken allebei hun eigen afgebakende stukje van de polder te bewonen. Natuurlijk kun je dat beschouwen als onbewezen veronderstellingen, maar ik heb ze inmiddels vaak genoeg samen in het weiland zien zitten en altijd verdween dan de een uiteindelijk over de bosrand heen het oude moerasbos in, en de ander over het fietspad heen richting de maïsakker.
Vaak heb ik me afgevraagd waar ze slapen. Ergens in hun eigen hoekje? Of gaan ze elke avond naar een gezamenlijke slaapplaats in de buurt en keren ze iedere ochtend weer terug? En in dat geval, is het dan steeds dezelfde vogel die op dezelfde plek terugkeert? Inmiddels ben ik in elk geval van het laatste overtuigd.
In de vorstperiode waren ze vaak zoek, zowel afgelopen weken als in november. Omdat hun favoriete plekje dichtgevroren was, veronderstel ik. Maar ook omdat je ze in het besneeuwde land zo gemakkelijk over het hoofd ziet, als je niet goed oplet. Onder normale omstandigheden vallen ze al van verre op, als witte speldenknopjes in het groene weiland. Fijner, spitser dan het logge wit van de knobbelzwanen. Maar de afgelopen weken viel hun wit volkomen weg tegen de witte sneeuw en konden ze gemakkelijk onopgemerkt blijven, ook al stonden ze fier midden in het land.
Maar inmiddels heb ik ze alle drie alweer gezien. Trouwe metgezellen in de winter.
29 januari 2013
Vooral vogel één en vogel twee kunnen dicht bij elkaar in de buurt komen. Toch blijven ze herkenbaar aan hun standplaats en hun verplaatsingen. In het begin is dat nog een indruk, maar gaandeweg leer je die vogels kennen. Gisterochtend zag ik vogel twee aan de oostkant van het centrale weiland. Toen hij opvloog (want ze vliegen bijna altijd op, meestal al van grote afstand, hoe voorzichtig je er ook langs fietst), vloog hij over de bosrand heen en verdween in het oude moerasbos aan de oostkant, waar hij thuis is. Vanochtend zag ik amper honderd meter noordoostelijker vogel twee. Mocht ik twijfelen: ook deze vloog op, hij zat vlak langs het fietspad, en hij verdween over het fietspad heen richting de maisakker ten noorden ervan. Geregeld zie ik beide samen in het zelfde weiland, maar altijd zit de een dan aan de oostkant en de ander meer centraal in het noorden. Ze lijken allebei hun eigen afgebakende stukje van de polder te bewonen. Natuurlijk kun je dat beschouwen als onbewezen veronderstellingen, maar ik heb ze inmiddels vaak genoeg samen in het weiland zien zitten en altijd verdween dan de een uiteindelijk over de bosrand heen het oude moerasbos in, en de ander over het fietspad heen richting de maïsakker.
Vaak heb ik me afgevraagd waar ze slapen. Ergens in hun eigen hoekje? Of gaan ze elke avond naar een gezamenlijke slaapplaats in de buurt en keren ze iedere ochtend weer terug? En in dat geval, is het dan steeds dezelfde vogel die op dezelfde plek terugkeert? Inmiddels ben ik in elk geval van het laatste overtuigd.
In de vorstperiode waren ze vaak zoek, zowel afgelopen weken als in november. Omdat hun favoriete plekje dichtgevroren was, veronderstel ik. Maar ook omdat je ze in het besneeuwde land zo gemakkelijk over het hoofd ziet, als je niet goed oplet. Onder normale omstandigheden vallen ze al van verre op, als witte speldenknopjes in het groene weiland. Fijner, spitser dan het logge wit van de knobbelzwanen. Maar de afgelopen weken viel hun wit volkomen weg tegen de witte sneeuw en konden ze gemakkelijk onopgemerkt blijven, ook al stonden ze fier midden in het land.
Maar inmiddels heb ik ze alle drie alweer gezien. Trouwe metgezellen in de winter.
29 januari 2013
zondag 27 januari 2013
Mook-Molenhoek
Levensgeluk wordt niet uitsluitend gemeten in aantal vogelsoorten, al zal ik niet ontkennen dat het wel helpt. Daarom, en omdat ik weer eens optimaal wilde profiteren van mijn nieuwe treinabonnement, en ook omdat het nooit te laat is, noch ooit te vroeg, om voor het eerst van je leven de Mookerhei te bezoeken, daarom dus vandaag de trein genomen naar Mook-Molenhoek, daar de trein uit gestapt en begonnen met wandelen. Toen het zachte ruisen van de wind in de bomen het rumoer van de autoweg en het bedrijventerrein beneden, en af en toe het rinkelen van de spoorwegovergang begon te overstemmen, bevond ik me midden in het winterlandschap van bos- en heidereservaat Mookerhei. Een behoorlijk overweldigend landschap, bijna on-Nederlands, ware het niet dat er misschien net wat teveel plekken in ons land naar die kwalificatie dingen. Maar de hoge glooiingen, de diepe dalen, de steile hellingen en de verre uitzichten over het achterliggende laagland waar het hedendaagse Nederland zich roerde, die gaven je wel zo’n prettig gevoel van even helemaal weg te zijn. Hier boven iets dat verdacht veel weg had van ongerepte natuur. En dat mag dan vermoedelijk een illusie zijn, ook hier heeft het landschap zich vermoedelijk te houden aan de beheersplannen die de beherende instanties voorschrijven, op zo’n winterdag zie ik dat graag door de vingers. Woeste heidevelden, wilde bossen en stilte, en daaroverheen een deken van overvloedige sneeuw die elk landschap iets ongerepts geeft en die alle vormen en vooral de meest grillige accentueerde. Je kon je gemakkelijk in een oudhollands tafereel wanen. Behalve op de momenten dat enkele mountainbikers langs me heen de paden af crosten, wat juist een zeer eigentijds verschijnsel is. Zo beleeft iedereen dit landschap op zijn eigen wijze.
Heden en verleden verenigd. Ik vond een enorme autoband rond twee boompjes: die kon daar nooit recent omheen zijn geslingerd dus die lag daar ongetwijfeld al vanaf dat de boompjes zijn aangeplant, tientallen jaren geleden. En ik stond op de Heumerschans, met verre zichten naar alle kanten, op de oude bossen en heidevelden op het plateau en op het hedendaagse laagland aan de andere kant. Weinig vogels, maar dat had ik al zien aankomen. Toch nog één nieuwe jaarsoort: groene specht in vlucht over de hei.
Vanaf de hei daalde ik af naar het Maasdal, met zijn bevroren plassen en besneeuwde velden. Plasmolen en Middelaar, en daarna de uitgestrekte uiterwaarden van de Maas. Een grenzeloze witte wereld. En hier wel vogels. Duizenden kolganzen en nabij een groepje van een stuk of twintig rietganzen. Het was hier lang zo stil niet als zojuist op de hei. Uiteindelijk belandde ik aan de Maas waar het veerpontje me naar de overkant bracht. Naar Cuijk, waar de trein wachtte. Of eigenlijk, preciezer, waar ik wachtte, op de trein.
26 januari 2013
Niet bij vogels alleen: Halli galli
Heden en verleden verenigd. Ik vond een enorme autoband rond twee boompjes: die kon daar nooit recent omheen zijn geslingerd dus die lag daar ongetwijfeld al vanaf dat de boompjes zijn aangeplant, tientallen jaren geleden. En ik stond op de Heumerschans, met verre zichten naar alle kanten, op de oude bossen en heidevelden op het plateau en op het hedendaagse laagland aan de andere kant. Weinig vogels, maar dat had ik al zien aankomen. Toch nog één nieuwe jaarsoort: groene specht in vlucht over de hei.
Vanaf de hei daalde ik af naar het Maasdal, met zijn bevroren plassen en besneeuwde velden. Plasmolen en Middelaar, en daarna de uitgestrekte uiterwaarden van de Maas. Een grenzeloze witte wereld. En hier wel vogels. Duizenden kolganzen en nabij een groepje van een stuk of twintig rietganzen. Het was hier lang zo stil niet als zojuist op de hei. Uiteindelijk belandde ik aan de Maas waar het veerpontje me naar de overkant bracht. Naar Cuijk, waar de trein wachtte. Of eigenlijk, preciezer, waar ik wachtte, op de trein.
26 januari 2013
Niet bij vogels alleen: Halli galli
zaterdag 12 januari 2013
Toplocatie
Interessant dagje vandaag. Koud, winters, wat
zon. Naar Nieuwegein (Galecop), maar weer eens op zoek naar pestvogels. Dat was
nog een hele klus. Aanvankelijk geen spoor. De ruime omgeving van het inmiddels
bekende parkje afgezocht, roepje matkop gehoord, slapende ransuilen gevonden
(ook heel leuk natuurlijk) maar pas na zowat anderhalf uur zag ik ze aan komen
vliegen. Eindelijk. Ze gingen hoog in een boom zitten maar vlogen alweer door
voor ik ter plaatse was. Nou ja, ik was bereid er genoegen mee te nemen, vorige
maand immers al diverse mooie pestvogels gezien, al was dat dan vorig jaar. Maar
even later dan toch nog enige tijd de pestvogels mooi van dichtbij kunnen
bekijken. Ze lummelden wat en snoepten wat van de besjes. Zwijgzaam. Toen
ineens begonnen ze te rinkelen, als een wekkertje, of als een mobiele telefoon
die afging (lijkt me een hele leuke als ringtone), en alsof ze door iemand
gesommeerd werden, of alsof ze schrokken van hun eigen gerinkel, gingen ze er als
hazen vandoor. Nogal ongedurig dus, vanochtend.
Op de terugweg fietste ik via Kanaaleiland,
langs het Amsterdam-Rijnkanaal. Meeuwen afspeuren. Nou ben ik daar geen held in
maar ik kwam Herman Bouman tegen, meeuwenkenner, en dat hielp. Eerst wees-ie me
een tweede kalenderjaar pontische meeuw aan, op het kanaal. Daarna vertelde hij
me van de vermoedelijke baltische mantelmeeuw die hij hier een paar dagen terug
ontdekt had en die er nog steeds zat, verderop langs het kanaal. Hij legde me
uit hoe ik die kon herkennen en warempel, ongeveer op de plek die hij me had
aangeduid, vond ik inderdaad de vogel: een opvallende tweede kalenderjaar
kleine mantelmeeuw. Kleine mantelmeeuw vanwege de algehele chocoladebruine
kleur en bij opvliegen de donkere, bijna zwartbruine arm- en handpennen zonder ‘licht
venster op de binnenhand’ zoals de meeuwologen dat noemen: de lichte veren op
de grens van hand- en armpennen die bijvoorbeeld zilvermeeuw zo duidelijk heeft.
En opvallend vanwege zijn fraaie verenkleed van uitsluitend chocoladebruine
veren met strakke witte randjes. Strak in het pak, kun je zeggen: hij is nog volledig
ongeruid, een juveniel in feite nog. Waar doorsnee-mantelmeeuwen inmiddels al
flink wat afwijkende, ‘tweede generatie’-veren hebben die een veel rommeliger
beeld teweegbrengen. Ook oogden de vleugels vrij lang, al had ik geen
doorsnee-kleine mantelmeeuw bij de hand om mee te vergelijken. Een zekere balt wordt
dit overigens nooit want baltische mantelmeeuw, een zeldzame gast uit het
noorden, is in het algemeen alleen zeker als-ie de juiste ring draagt. Geen
ring betekent geen zekerheid, zo ingewikkeld is de determinatieproblematiek in het
kleine mantelmeeuwencomplex, waar veel overlap is en ruiscores een belangrijke
rol spelen. In oktober zou deze vogel misschien niemand zijn opgevallen.
Zeker de vogel van Herman was het overigens wel,
zoals ik thuis aan de hand van foto’s nog ten overvloede heb kunnen
vaststellen. Hoe dan ook, boeiende materie, zo dicht bij huis.
En ineens is Utrecht, in ruime zin, een
toplocatie voor vogels kijken in Nederland!
11 januari 2013
maandag 7 januari 2013
Huiskraaien onder vuur
Vandaag maar weer eens naar Hoek van Holland geweest, op zoek naar de huiskraaien aldaar. Vlak buiten het station vond ik er een stuk of zeven. Enkele zaten er pal voor mijn neus op een bankje. Wat een leuke beesten zijn het toch!
Wie ze nog wil zien moet er snel bijzijn, naar verluidt: een maand geleden werd zelfs gesuggereerd dat ze misschien 2013 niet eens zouden halen. De overheid heeft besloten dat ze verwijderd moeten worden. Want: invasieve exoten!
Waarop een uitvoerige discussie is losgebarsten. Een van de vragen die in die discussie telkens terugkomen: is de huiskraai een exoot? Ja, immers naar alle waarschijnlijkheid met behulp van de mens, want per boot, in Nederland terechtgekomen. Of nee, want niet bewust door de mens hierheen gebracht maar gewoon door toeval hier terechtgekomen.
Zoveel zielen, zoveel meningen, hoewel er natuurlijk uiteindelijk maar twee alternatieven zijn: hij mag blijven, of hij moet weg.
Ook ik heb een mening. Mocht men geïnteresseerd zijn: hij mag blijven, wat mij betreft. De vraag of we hem als exoot moeten beschouwen of niet, voor beleidsmakers wellicht van belang en voor de toekomst van de kraai daarom wel degelijk relevant, doet voor mij persoonlijk niet ter zake. Uiteindelijk is één vaststelling voor mij voldoende om mijn mening op te baseren: wat een leuke beesten zijn het toch!
Maar omdat één zo’n persoonlijke observatie wat mager is om een hele mening op te baseren, nog een kleine aanvulling.
Ik vind huiskraai heel erg natuur. Ik vind ‘m een stralend voorbeeld van wat natuur vermag. Eén van de dingen die ik zo fascinerend vind aan natuur, is hoe die haar eigen weg gaat, gebruik maakt van alle mogelijkheden die haar geboden worden. Je hoeft maar ergens een weiland af te graven en er verschijnen orchideeën en kleine plevieren. Laat een terrein braak liggen en ga na pakweg een jaar eens kijken wat er gebeurd is. Natuur vult elke ruimte op. Laat boten over de zeven zeeën varen en er varen vogels mee. Wat dat betreft zijn voor mij deze huiskraaien niet anders dan de gierzwaluwen die aan onze gebouwen broeden, de koolmezen in onze nestkastjes en de kleine plevieren en de orchideeën in onze natuurontwikkelingsgebieden. Spontaan, dat is natuur, dat is natuur zoals die bedoeld is (nou ja, niet letterlijk natuurlijk). Opportunistisch, zoals die huiskraaien. Dat op zich maakt die kraaien de moeite waard, vind ik, nog los van dat het leuke beesten zijn, los van de vraag of het exoten zijn of niet.
Oh ja, er is natuurlijk ook nog het veronderstelde invasieve karakter, om het verwijderen van de huiskraai uit Nederland te rechtvaardigen: hij zou als vreemdeling concurreren met inheemse vogels als bijvoorbeeld de kauw. Waarvan ik er vandaag nog vele honderden zag in Hoek van Holland. Massaal bevolkten ze de grasweiden en de bomen langs de Emmaboulevard, vele vele malen meer dan er daar huiskraaien zijn. En ze zouden eieren en jonge vogels roven, die nog niet eens dertig huiskraaien in Hoek van Holland. De honderden kauwen daar (en de duizenden elders) en de gaaien en de eksters nemen we dat veel minder kwalijk. En natuurlijk: ze zouden zich in de toekomst exponentieel kunnen gaan uitbreiden en dan zal het probleem onbeheersbaar zijn. Kijk naar die vele, vele honderden kauwen. Maar die zijn natuurlijkinheems.
Tsja, het zou kunnen natuurlijk. Maar voorlopig is de populatie al jaren stabiel en is er van enige groei, laat staan exponentiële, geen sprake.
Overigens heeft inmiddels de rechter gesproken: huiskraai is door de overheid zelf formeel als inheems bestempeld en zolang dat het geval is, geldt die als beschermd en mag dus niet zomaar verwijderd worden. Voeg daarbij de ervaringen elders in de wereld die laten zien dat het nog helemaal niet zo eenvoudig is om dertig huiskraaien te verwijderen, en we kunnen gerust zijn. De huiskraai zal heus ook 2014 nog wel halen.
5 januari 2013
Wie ze nog wil zien moet er snel bijzijn, naar verluidt: een maand geleden werd zelfs gesuggereerd dat ze misschien 2013 niet eens zouden halen. De overheid heeft besloten dat ze verwijderd moeten worden. Want: invasieve exoten!
Waarop een uitvoerige discussie is losgebarsten. Een van de vragen die in die discussie telkens terugkomen: is de huiskraai een exoot? Ja, immers naar alle waarschijnlijkheid met behulp van de mens, want per boot, in Nederland terechtgekomen. Of nee, want niet bewust door de mens hierheen gebracht maar gewoon door toeval hier terechtgekomen.
Zoveel zielen, zoveel meningen, hoewel er natuurlijk uiteindelijk maar twee alternatieven zijn: hij mag blijven, of hij moet weg.
Ook ik heb een mening. Mocht men geïnteresseerd zijn: hij mag blijven, wat mij betreft. De vraag of we hem als exoot moeten beschouwen of niet, voor beleidsmakers wellicht van belang en voor de toekomst van de kraai daarom wel degelijk relevant, doet voor mij persoonlijk niet ter zake. Uiteindelijk is één vaststelling voor mij voldoende om mijn mening op te baseren: wat een leuke beesten zijn het toch!
Maar omdat één zo’n persoonlijke observatie wat mager is om een hele mening op te baseren, nog een kleine aanvulling.
Ik vind huiskraai heel erg natuur. Ik vind ‘m een stralend voorbeeld van wat natuur vermag. Eén van de dingen die ik zo fascinerend vind aan natuur, is hoe die haar eigen weg gaat, gebruik maakt van alle mogelijkheden die haar geboden worden. Je hoeft maar ergens een weiland af te graven en er verschijnen orchideeën en kleine plevieren. Laat een terrein braak liggen en ga na pakweg een jaar eens kijken wat er gebeurd is. Natuur vult elke ruimte op. Laat boten over de zeven zeeën varen en er varen vogels mee. Wat dat betreft zijn voor mij deze huiskraaien niet anders dan de gierzwaluwen die aan onze gebouwen broeden, de koolmezen in onze nestkastjes en de kleine plevieren en de orchideeën in onze natuurontwikkelingsgebieden. Spontaan, dat is natuur, dat is natuur zoals die bedoeld is (nou ja, niet letterlijk natuurlijk). Opportunistisch, zoals die huiskraaien. Dat op zich maakt die kraaien de moeite waard, vind ik, nog los van dat het leuke beesten zijn, los van de vraag of het exoten zijn of niet.
Oh ja, er is natuurlijk ook nog het veronderstelde invasieve karakter, om het verwijderen van de huiskraai uit Nederland te rechtvaardigen: hij zou als vreemdeling concurreren met inheemse vogels als bijvoorbeeld de kauw. Waarvan ik er vandaag nog vele honderden zag in Hoek van Holland. Massaal bevolkten ze de grasweiden en de bomen langs de Emmaboulevard, vele vele malen meer dan er daar huiskraaien zijn. En ze zouden eieren en jonge vogels roven, die nog niet eens dertig huiskraaien in Hoek van Holland. De honderden kauwen daar (en de duizenden elders) en de gaaien en de eksters nemen we dat veel minder kwalijk. En natuurlijk: ze zouden zich in de toekomst exponentieel kunnen gaan uitbreiden en dan zal het probleem onbeheersbaar zijn. Kijk naar die vele, vele honderden kauwen. Maar die zijn natuurlijkinheems.
Tsja, het zou kunnen natuurlijk. Maar voorlopig is de populatie al jaren stabiel en is er van enige groei, laat staan exponentiële, geen sprake.
Overigens heeft inmiddels de rechter gesproken: huiskraai is door de overheid zelf formeel als inheems bestempeld en zolang dat het geval is, geldt die als beschermd en mag dus niet zomaar verwijderd worden. Voeg daarbij de ervaringen elders in de wereld die laten zien dat het nog helemaal niet zo eenvoudig is om dertig huiskraaien te verwijderen, en we kunnen gerust zijn. De huiskraai zal heus ook 2014 nog wel halen.
5 januari 2013
zaterdag 5 januari 2013
Nieuw jaar
Ziezo, het nieuwe jaar is weer begonnen. Wat
vorige week nog stoffig oud nieuws was, is deze week weer stralend nieuw en
kakelvers. Want ook vogelaars denken in jaren. Er gaapt een diepe kloof tussen
31 december en 1 januari. Op 31 december ben je nog één met het voorbije jaar,
met alles wat je daarin hebt meegemaakt. Op 1 januari bevind je je in een nog
leeg nieuw jaar waarin alles nog moet gebeuren. Een leeg boek vol met onbeschreven
bladzijden. Een nieuw jaar, en alles begint als het ware van voren af aan. En
dus beginnen we allemaal opnieuw te tellen. Nou ja, degenen die tellen dan. En
moet alles opnieuw gezien worden.
Vandaag het jaar min of meer geopend met een
tochtje naar de ruigpootbuizerd bij Kockengen. Vorige week heb ik die nog maar
even laten zitten. Want vorige week, dat was vorig jaar en toen was die oud
nieuws. Want ook in februari zat de vogel er toen al, enkele kilometers
verderop bij Gerverscop, en ben ik er al heen geweest. Maar nu, begin januari, amper
een week later, is het ineens alweer vorig jaar dat ik die ruigpootbuizerd nog
gezien heb. Dus vandaag richting Kockengen gefietst. Grijs, zacht en droog.
Langs de Haarrijnse plas, met onder andere twee mooie mannen brilduiker, ook
alweer nieuw dit jaar. Langs het kasteelbos en het kasteel van Haarzuilens. En
zo naar de betreffende polder bij Kockengen. Daar was de ruigpootbuizerd gauw
gevonden, af en toe vrij zichtbaar op verschillende hekjes en ook even in vlucht.
Mooi. En daarmee is de eerste goeie soort van het jaar alweer binnen. Het
eerste blad beschreven. Beschreven met, ook nog, een mooie groep zwanen langs
de Hollandse kade, waartussen ik 28 kleine telde. Ook nog nieuw voor 2013.
4 januari 2013
Abonneren op:
Posts (Atom)