Vakantie in Nederland: soms wordt je wat meewarig aangekeken als je vertelt van je vakantiebestemming, maar ik vind het heerlijk. Natuurlijk, Extremadura, Kaapverdië, prachtig allemaal maar heel graag ook af en toe eens Harpel of Laaghalerveen, of zoals dit jaar: Zoutkamp. Aan de basis van het Lauwersmeer. Met Jaap Deensgat op loopafstand, waddendijk op een steenworp en de Keeg binnen fietsbereik, evenals Lauwersoog en de boot naar Schier. Genoeg te doen, teveel misschien wel, voor je het weet wordt het toch nog groots en meeslepend. We hebben de grootste droogte, de hardnekkigste warmteperiode sinds mensenheugenis weer achter de rug, twee maanden nauwelijks regen en geregeld ver over de 30 graden, Nederland kreunt nog altijd onder de gevolgen ervan maar inmiddels is het weer genormaliseerd en dat zullen we de komende weken ook wel merken.
Vandaag vooral onderweg geweest. Halverwege de middag in Zoutkamp gearriveerd, en op camping ’t Ol Gat even buiten Zoutkamp aan de stationsstraat, een doodlopend straatje dat eindigt als karrespoor bij een akker met wat bos in je rug en aan de overkant van de sloot. Op de camping ons vakantiehuisje in bezit genomen, met zicht op het Hunsingokanaal dat langs de camping loopt, en op het gloednieuwe gemaaltje aan de overkant. En de eerste verkenningen uitgevoerd, door het bosje en over de voetgangersbrug over het kanaal naar Zoutkamp. Daar de eerste boodschappen gedaan en ondertussen de eerste vakantievogeltjes genoteerd: boerenzwaluw, pimpelmees, ijsvogel.
Na het eten in mijn eentje naar Jaap Deen gelopen. Is in minder dan drie kwartier wel gepiept. Eerste kennismaking, nou ja, ik kende het natuurlijk al wel maar de komende twee weken is dit als het ware mijn achtertuin en dat is toch anders. Ik pik nog net een reuzenstern mee, en de laatste casarca: voorbodes voor de komende dagen, en pik op de terugweg Harriët nog even op bij de bushalte.
17 augustus 2018
http://guuspeterse.blogspot.com/2018/10/kabbelen.html
dinsdag 2 oktober 2018
maandag 1 oktober 2018
Duracel
Vanmorgen stond ik een paar uurtjes gezellig op de trektelpost aan de Jacobssteeg, De Bilt. Het waren onderhoudende uurtjes. Want er trok wat. Eindelijk. Graspiepers, een paar groepen aalscholvers, sijzen, wat vinken, paar kepen, de eerste veldleeuweriken enzovoorts. Steeds wel iets en dat was de afgelopen weken wel anders geweest.
Onderhoudend ook vanwege smelleken die ik, helaas als enige van de aanwezigen, kort in vlucht zag, vrij ver maar toch onmiskenbaar: klein, fel valkje met relatief korte, puntige vleugels. Dook helaas te snel naar beneden. En vanwege die fraaie man beflijster, best vroeg eigenlijk, die korte tijd open en bloot in een meidoornbosje in het weiland zat en daarna alweer verdwenen was. En vanwege het fraaie groepje van drie grote zilverreigers dat vanuit oost strak naar west vloog. En ook vanwege die enige tijd aanwezige vrouw havik die kieviten en spreeuwen de stuipen op het lijf joeg. Ja, onderhoudende uurtjes.
Drie uur later stond ik in de duinen bij Egmond aan Zee aan een stille duinpoel met een paar paarden erin te kijken naar een rosse franjepoot, tollend als een dolle, alsof-ie defect was, op hol geslagen. Almaar rondjes draaiend, alsof er iets niet in orde was met zijn aandrijvingsmechanisme. Onvermoeibaar: dit komt toch wel het dichtst in de buurt van zo’n speelgoeddingetje waarmee ze altijd reclame maakten (maken?) voor een bepaald soort batterij (Duracel?). Rondom stilte. En boven me overtrekkende graspiepers, af en toe een keep, wat vinken, paar groepjes spreeuwen, terwijl een late vlinder passeerde en wat late duinroosjes bloeiden.
Een moment van perfectie. Het gaat nogal eens over de zin van ons bestaan de laatste tijd, nou ja, altijd al natuurlijk. Over de betekenis van het leven, over het goddelijke, ach, ik geloof niet zo in god maar zo’n moment als dit, dat komt er geloof ik dicht bij. Als je mij ooit nog eens vraagt, waartoe zijn wij op aarde, dan denk ik misschien wel aan enerzijds die verheven stilte hier beneden en anderzijds die dynamiek van de vogeltrek boven je hoofd, en dan die franjepoot daar voor me, als een dolle rondtollend in dat plasje.
29 september 2018
Onderhoudend ook vanwege smelleken die ik, helaas als enige van de aanwezigen, kort in vlucht zag, vrij ver maar toch onmiskenbaar: klein, fel valkje met relatief korte, puntige vleugels. Dook helaas te snel naar beneden. En vanwege die fraaie man beflijster, best vroeg eigenlijk, die korte tijd open en bloot in een meidoornbosje in het weiland zat en daarna alweer verdwenen was. En vanwege het fraaie groepje van drie grote zilverreigers dat vanuit oost strak naar west vloog. En ook vanwege die enige tijd aanwezige vrouw havik die kieviten en spreeuwen de stuipen op het lijf joeg. Ja, onderhoudende uurtjes.
Drie uur later stond ik in de duinen bij Egmond aan Zee aan een stille duinpoel met een paar paarden erin te kijken naar een rosse franjepoot, tollend als een dolle, alsof-ie defect was, op hol geslagen. Almaar rondjes draaiend, alsof er iets niet in orde was met zijn aandrijvingsmechanisme. Onvermoeibaar: dit komt toch wel het dichtst in de buurt van zo’n speelgoeddingetje waarmee ze altijd reclame maakten (maken?) voor een bepaald soort batterij (Duracel?). Rondom stilte. En boven me overtrekkende graspiepers, af en toe een keep, wat vinken, paar groepjes spreeuwen, terwijl een late vlinder passeerde en wat late duinroosjes bloeiden.
Een moment van perfectie. Het gaat nogal eens over de zin van ons bestaan de laatste tijd, nou ja, altijd al natuurlijk. Over de betekenis van het leven, over het goddelijke, ach, ik geloof niet zo in god maar zo’n moment als dit, dat komt er geloof ik dicht bij. Als je mij ooit nog eens vraagt, waartoe zijn wij op aarde, dan denk ik misschien wel aan enerzijds die verheven stilte hier beneden en anderzijds die dynamiek van de vogeltrek boven je hoofd, en dan die franjepoot daar voor me, als een dolle rondtollend in dat plasje.
29 september 2018

zondag 23 september 2018
Aan zee
Het blijft trekken: zee, herfst en westenwind. Zware buienluchten die over zee komen aanrollen en zeevogels die zich half verscholen door de golfdalen spoeden: heerlijk! Goede wind en goede zeetrek gisteren hadden ons ertoe verleid vanochtend weer eens ons geluk te beproeven. Toen we ons echter in Kijkduin bij de plaatselijke tellers voegden, bleek de wind behoorlijk getemperd. Het woei, maar niet zo hard als we gehoopt hadden. Er vlogen vogels, maar niet zoveel als we gehoopt hadden. De eerste blikken over zee leverden niet veel spannends op. Meeuwen vlogen er, en sterns, maar alles van het gangbare soort. En aalscholvers, af en toe een clubje zwarte zee-eenden en de nodige jan van genten, meest juvenielen en meest naar zuid. En hoewel die laatste natuurlijk altijd prachtig zijn, aan hun machtige vleugels glijdend boven de golven, waren de aantallen bepaald niet spectaculair. Wel sprokkelden we de nodige jagers bij elkaar, alle laag over zee naar zuid in die typische gejaagde vlucht, af en toe onderbroken door een jachtpoging richting een meeuw of stern die toevallig zijn pad kruiste. En wat voor jan van genten geldt, geldt minstens zo voor jagers: altijd prachtig, ook vogels die onlosmakelijk verbonden zijn aan de ongereptheid der wereldzeeën. Maar alweer geen spectaculaire aantallen en bovendien allemaal vrij ver of nog verder weg. We telden, naast wat in elk geval voor ons ondetermineerbaar spul, twee middelste en vier kleine jagers. Voor ons landrotten is dat natuurlijk best nog een aardige opbrengst, en we hebben er ongetwijfeld een aantal gemist.
Toen bereikte de tellers hier bericht van het zuiderhavenhoofd verderop: er was een noordse pijlstormvogel naar ons onderweg! Noordse pijlstormvogel: dat was voor ons de soort die de dag kon maken of breken. En dat betekende verhoogde concentratie, scherper blik. Keer op keer speurden we de golven af en al deden we dat natuurlijk al die tijd al, nu deden we het nog intensiever. Het was Martijn die hem uiteindelijk oppikte: een nietig, langvleugelig zwart met wit beestje dat zich half verscholen door de golfdalen spoedde. Had je ‘m eenmaal goed in de scoop, dan was-ie mooi, en heel herkenbaar. Afwisselend actief vliegend en keilend ging-ie strak naar zuid. Er werd ook nog een tweede ontdekt, wat verder weg maar toch … Twee noordse pijlstormvogels: voor ons was daarmee de ochtend welbesteed. Wat we allemaal gemist hebben, daar spreken we niet over.
Toch bleken er vandaag nog alom flinke aantallen pijlen, vaaltjes en jagers gezien te zijn. De meeste daarvan hebben wij gemist. Maar dit is dus hoe zo’n topdag aan zee er voor een onervaren landrot vaak uitziet. Een paar jagers, een paar genten, twee noordse pijlen: we konden er vrede mee hebben.
22 september 2018
Meer aan zee: Op zee
Toen bereikte de tellers hier bericht van het zuiderhavenhoofd verderop: er was een noordse pijlstormvogel naar ons onderweg! Noordse pijlstormvogel: dat was voor ons de soort die de dag kon maken of breken. En dat betekende verhoogde concentratie, scherper blik. Keer op keer speurden we de golven af en al deden we dat natuurlijk al die tijd al, nu deden we het nog intensiever. Het was Martijn die hem uiteindelijk oppikte: een nietig, langvleugelig zwart met wit beestje dat zich half verscholen door de golfdalen spoedde. Had je ‘m eenmaal goed in de scoop, dan was-ie mooi, en heel herkenbaar. Afwisselend actief vliegend en keilend ging-ie strak naar zuid. Er werd ook nog een tweede ontdekt, wat verder weg maar toch … Twee noordse pijlstormvogels: voor ons was daarmee de ochtend welbesteed. Wat we allemaal gemist hebben, daar spreken we niet over.
Toch bleken er vandaag nog alom flinke aantallen pijlen, vaaltjes en jagers gezien te zijn. De meeste daarvan hebben wij gemist. Maar dit is dus hoe zo’n topdag aan zee er voor een onervaren landrot vaak uitziet. Een paar jagers, een paar genten, twee noordse pijlen: we konden er vrede mee hebben.
22 september 2018
Meer aan zee: Op zee
maandag 3 september 2018
IJmuiden
En in de ingang van een van de bunkers in de duinen bij IJmuiden poseerde een schaars geklede jongedame met ontbloot bovenlijf, onder vuur genomen door een aantal heren met ratelende camera's. Ook dit zonder enig oordeel mijnerzijds.
Dat waren denk ik wel de belangrijkste wetenswaardigheden van mijn tochtje naar IJmuiden vandaag. Een prachtige nazomerdag met volop zon en betrekkelijk warm, en geen al te verplichtende twitch-doelen voor handen: echt zo’n dag om zelf weer eens op zoek te gaan naar een leuke verrassing. Om op het eind te moeten vaststellen dat het weer niet gelukt is. Stille duinen, een stille zee en ook meest stille lucht boven je hoofd. Nee, voor de echt fijne soorten moet er volgende keer toch maar weer getwitcht worden. Intussen was het natuurlijk toch wel erg lekker zo, en ach: een man zwarte zee-eend dichtbij over zee, een juveniele zwarte stern over zee en op het strand bontbekplevieren, een paar juveniele bonte strandlopers en van die fijne drieteenstrandlopers die er zo kort na de zomer behoorlijk verrassend uit kunnen zien. Grote sterns natuurlijk wel over zee, en in de buitenste, nieuwe duintjes twee paapjes.
Het was vandaag vooral botanisch interessant, in die paradijselijke bloemenweiden rond het Kennemermeer. Met zeeën van parnassia, met nog bloeiende moeraswespenorchissen en ook nog een paar bitterlingen, met geelhartje, stijve en rode ogentroost, watermunt, vleugeltjesbloem, noem maar op. De meeste behoorlijk zeldzaam, die vind je niet zomaar in het park. Een stukje hemel op aarde.
2 september 2018

woensdag 8 augustus 2018
Groene glazenmaker
Zoals zoveel vogelaars wil ik in de zomer nog weleens libellen kijken. Ik beschouw mezelf daarin overigens nog als een volstrekte beginneling en moet vaak genoeg passen als zich weer eens een mij onbekend type aan me voordoet. Maar de meeste soorten uit mijn eigen regio ken ik inmiddels wel. Enkele groepen zoals de juffers en de heidelibellen uitgezonderd, oeps, dan heb je eigenlijk al zoveel uitgezonderd dat je de bewering dat je de meeste soorten uit je eigen regio inmiddels wel kent, nauwelijks nog staande kan houden. Nou ja. Het aardige is nu, dat we vlak bij mij inde buurt een goed libellenplekje hebben waar onder andere de groene glazenmaker voorkomt. Althans, in de juiste tijd van het jaar, en dat is nu. En groene glazenmaker is in principe zeldzaam in Nederland, dus dat is een leuke om naar op zoek te gaan. Vandaag was ik weer op het bewuste plekje, een mooi stukje krabbenscheer in een sloot tussen wat flarden rietland en elzenbroekbosjes in. Prachtig plekje, de zon kan er zinderen tussen de bosranden zoals-ie dat intussen al wekenlang doet, en zeer geschikt voor libellen in het algemeen en voor groene glazenmaker in het bijzonder. Ik heb daar overigens vaker gestaan zonder groene glazenmaker dan met, ook in de goede tijd van het jaar, maar vandaag was het met. Een fraaie groene libel verbleef diep in de krabbenscheer en kwam af en toe uit de krabbenscheer omhoog en liet zich dan enige tijd prachtig vrij zien. Kat in het bakkie, zou je zeggen maar nee, zo eenvoudig heeft de schepper het ons niet gemaakt. Je hebt bijvoorbeeld ook nog de blauwe glazenmaker en nou kun je natuurlijk denken: simpel, de blauwe glazenmaker is blauw en de groene groen, je geeft ze toch niet zonder reden die naam? Maar nee, opnieuw: zo eenvoudig heeft de schepper het ons niet gemaakt. Sommige blauwe glazenmakers zijn groener dan de meeste groene, en sommige groene glazenmakers zijn blauwer dan de meeste blauwe. Kwestie van man of vrouw en jong of oud. Deze was dus knalgroen, afgezien van een rijk patroon van bruine markeringen, met name op het achterlijf. Je kon hem dus evengoed bruine glazenmaker noemen maar dat is weer een andere. Die is overigens echt wel bruin, altijd. Dat deze de meeste tijd diep in de krabbenscheer zat, hielp wel: dat is typisch het biotoop van de groene glazenmaker. Vrouwtje legt daarin haar eitjes, waarbij je het beestje vaak niet eens kunt zien maar wel met haar vleugels hoort schuren tegen de stugge, scherpe bladeren. Die vrouwtjes kunnen er daardoor op een gegeven moment enorm afgeragd uitzien maar goed, dan heeft ze haar werk al gedaan. De vraag is of het feit dat ze zich in de krabbenscheer ophield, afdoende bewijs is voor een waterdichte determinatie. Bij vogels vind ik dat altijd een wat wankele basis maar ze was daar duidelijk op de bekende wijze bezig met eitjes leggen en dat doet een blauwe natuurlijk niet in de krabbenscheer. We kunnen er dus wel veilig vanuit gaan dat het inderdaad de groene was en ik vond haar er ook daarnaast helemaal als een groene glazenmaker uitzien. Maar waarom dan precies, de soms knalgroene vrouwtjes blauwe glazenmaker indachtig? Ik vind dat lastig uit teleggen en daarmee is dat toch weer een wat wankele basis voor een zekere determinatie. Ja, ik beschouw mezelf hierin nog als een volstrekte beginneling. Gelukkig was er iemand bij die geen beginneling was, dat scheelt.
6 augustus 2018
6 augustus 2018
vrijdag 20 juli 2018
Sporenkievit in de Kop van Noord-Holland
Het is niet de eerste voor Nederland, alleen: alle vorige gevallen zijn één voor één afgeserveerd als van dubieuze herkomst. Dus ik had niet de neiging om voor sporenkievit meteen alles in de steek te laten. Deze schijnt echter onberispelijk: ongeringd, redelijk gaaf verenkleed en ook meest redelijk schuw en alert, dus waarom niet de eerste aanvaarde voor Nederland? We hebben hier wel gekkere dingen gehad de laatste jaren. Afrikaanse woestijngrasmus bijvoorbeeld: werd niet geacht West-Europa te kunnen bereiken maar is toch aanvaard. Het is sowieso een mooie vogel natuurlijk, deze sporenkievit. Dus je kunt dan toch maar beter gaan. Daarom om vijf uur ’s-middags afgesproken met Janneke en Jeroen.
Half zeven daar, had ik in gedachten en dat zou een veilige marge geven, leek me, maar we liepen onderweg enige vertraging op. Eerst Janneke die toen we op punt van vertrek stonden nog even terug naar haar kantoor moest voor een snoertje voor haar telefoon. Daarna belandden we een paar keer in een stukje file, eerst even voorbij Amsterdam, daarna bij Hoorn en daarna nog een keer. Erg lange files waren het niet, en dat was maar goed ook. Ze hadden maar ietsje langer hoeven duren of ze waren ons fataal geweest. Nu was zelfs Jannekes telefoonsnoertje niet meer dan een onbeduidende voetnoot: we kwamen aan, men wees ons de vogel, ik zette de telescoop op en keek: sporenkievit in de pocket. Prachtig in beeld. Ik liet Jeroen even kijken (kwam uit werk en had geen telescoop mee) en ik liet Janneke even kijken (idem). Janneke probeerde nog even met de telefoon door de telescoop een foto te maken maar kreeg alsmaar de vogel niet in beeld. Wat bleek: die zat er niet meer. Was op een onbewaakt ogenblik zomaar verdwenen. En liet zich de anderhalf uur daarop ook niet meer zien. Twee vogelaars die net na ons arriveerden, waren de sjaak.
We hebben enorm geluk gehad, zeiden we tegen elkaar. Al kon ik niet nalaten tegen te werpen dat het eigenlijk andersom was: wat zouden we enorm pech hebben gehad als we vijf minuten later waren aangekomen. Want dit gaat wel ergens over: indien aanvaard de eerste sporenkievit voor Nederland. Maar dat is nog lang niet vanzelfsprekend. Dat alle eerdere gevallen zijn afgedaan als escape, ook als de vogel er naar verluidt piekfijn uitzag, daar moet een reden voor zijn. ‘Exemplaren van de wilde populatie worden hier niet als dwaalgast verwacht’, lees ik bij een waarneming bij Hilversum in 1997. Waarom zou dat bij deze niet opgaan? Aan de andere kant lees ik in de ANWB-gids: dwaalgast in West-Europa. En in Lars Jonsson: trekt in noorden van verspreidingsgebied weg in augustus-september en keert eind maart-april terug. Als iets trekt, kan het ook de verkeerde kant op trekken, dus waarom niet? Je kunt je dan weer wel afvragen of, als deze inderdaad wordt aanvaard, sommige van de oudere gevallen niet heroverwogen moeten worden. Zodat dit wellicht toch niet de eerste aanvaarde sporenkievit voor Nederland zal zijn.
Zonnetje achter, typisch stukje ondergelopen bollenveld voor ons, met ondiep water, slikjes en vooraan een half begroeid stuk. Tientallen kemphanen, een krombekstrandloper, drie nabije temmincks strandlopers en een juveniele zwartkopmeeuw. Onder meer. Het was nog prettig toeven daar, ook zonder sporenkievit. Al was dat natuurlijk vooral omdat we die al hadden.
19 juli 2018
Half zeven daar, had ik in gedachten en dat zou een veilige marge geven, leek me, maar we liepen onderweg enige vertraging op. Eerst Janneke die toen we op punt van vertrek stonden nog even terug naar haar kantoor moest voor een snoertje voor haar telefoon. Daarna belandden we een paar keer in een stukje file, eerst even voorbij Amsterdam, daarna bij Hoorn en daarna nog een keer. Erg lange files waren het niet, en dat was maar goed ook. Ze hadden maar ietsje langer hoeven duren of ze waren ons fataal geweest. Nu was zelfs Jannekes telefoonsnoertje niet meer dan een onbeduidende voetnoot: we kwamen aan, men wees ons de vogel, ik zette de telescoop op en keek: sporenkievit in de pocket. Prachtig in beeld. Ik liet Jeroen even kijken (kwam uit werk en had geen telescoop mee) en ik liet Janneke even kijken (idem). Janneke probeerde nog even met de telefoon door de telescoop een foto te maken maar kreeg alsmaar de vogel niet in beeld. Wat bleek: die zat er niet meer. Was op een onbewaakt ogenblik zomaar verdwenen. En liet zich de anderhalf uur daarop ook niet meer zien. Twee vogelaars die net na ons arriveerden, waren de sjaak.
We hebben enorm geluk gehad, zeiden we tegen elkaar. Al kon ik niet nalaten tegen te werpen dat het eigenlijk andersom was: wat zouden we enorm pech hebben gehad als we vijf minuten later waren aangekomen. Want dit gaat wel ergens over: indien aanvaard de eerste sporenkievit voor Nederland. Maar dat is nog lang niet vanzelfsprekend. Dat alle eerdere gevallen zijn afgedaan als escape, ook als de vogel er naar verluidt piekfijn uitzag, daar moet een reden voor zijn. ‘Exemplaren van de wilde populatie worden hier niet als dwaalgast verwacht’, lees ik bij een waarneming bij Hilversum in 1997. Waarom zou dat bij deze niet opgaan? Aan de andere kant lees ik in de ANWB-gids: dwaalgast in West-Europa. En in Lars Jonsson: trekt in noorden van verspreidingsgebied weg in augustus-september en keert eind maart-april terug. Als iets trekt, kan het ook de verkeerde kant op trekken, dus waarom niet? Je kunt je dan weer wel afvragen of, als deze inderdaad wordt aanvaard, sommige van de oudere gevallen niet heroverwogen moeten worden. Zodat dit wellicht toch niet de eerste aanvaarde sporenkievit voor Nederland zal zijn.
Zonnetje achter, typisch stukje ondergelopen bollenveld voor ons, met ondiep water, slikjes en vooraan een half begroeid stuk. Tientallen kemphanen, een krombekstrandloper, drie nabije temmincks strandlopers en een juveniele zwartkopmeeuw. Onder meer. Het was nog prettig toeven daar, ook zonder sporenkievit. Al was dat natuurlijk vooral omdat we die al hadden.
19 juli 2018
maandag 9 juli 2018
Arendbuizerd
Waarom wordt er toch zo weinig getwitcht in Nederland? Nederlanders besteden gemiddeld (veel) minder dan twee-en-een-half uur per week aan twitchen. Dat is een slechte zaak. Want twitchen kweekt doorzettingsvermogen en geduld, twitchen leert je om te gaan met tegenslag, het brengt je relativeringsvermogen bij en het stimuleert je fantasie tijdens de vele uren wachten. Allemaal zaken waar je een beter mens van wordt. Dus om het gemiddelde enigszins op te krikken, vandaag maar eens naar het oosten des lands om daar een arendbuizerd te gaan opzoeken.
En het was er weer allemaal. Doorzettingsvermogen, om die ‘ontzettende ploetertocht’ (aldus Bart van Hoogstraten) helemaal van Utrecht naar oost van Netterden te volbrengen. Geduld. Ik hoefde dit keer dan wel niet lang te wachten voor ik hem in beeld had want bij aankomst konden ze hem me meteen al aanwijzen, maar de hele middag zat-ie in Duitsland terwijl we hem natuurlijk in Nederland willen, voor de Nederlandse lijst (nou ja, daar staat-ie natuurlijk al lang op, Maasvlakte immers, paar jaar terug, het gaat slechts om de Nederlandse jaarlijst dus waar hebben we het over? Trouwens, waar hebben we het überhaupt over?). Relativeringsvermogen: zie hiervoor. Omgaan met tegenslag want nee, naar Nederland kwam-ie vanmiddag niet. En waarom zou-ie ook, met al die doodse, kaalgeschoren velden hier waar zich amper een torenvalk waagde terwijl daar, aan de andere kant van de grens, een weelde van kleinschalig, verwilderd grasland met wat bosjes en volop paaltjes om op te rusten, wat hij dan ook naar hartenlust deed. Het was dus weer eens wachten, zoals zo vaak, volop de tijd dus om de fantasie de vrije loop te laten. Waarover ik fantaseerde, daar zal ik u maar niet mee vermoeien.
Intussen, het speelde zich dan wel allemaal in Duitsland af (maar wat zou dat?) maar toch liet de vogel zich af en toe nog best aardig zien. Ondanks de afstand en de luchttrillingen goed herkenbaar aan de forse gestalte, de opvallend witachtige kop en borst en de rossig bruine buik. Paar keer stukje zien vliegen en daarbij vielen onder andere de lichte staart en de opvallende witte plekken op bovenvleugel op. Allemaal best aardige kenmerken voor arendbuizerd die gezamenlijk maken dat gewone buizerd best lastig te verdedigen is. Een arendbuizerd dus op mijn Duitse lijst, en op die lijst was-ie wel nieuw.
8 juli 2018
En het was er weer allemaal. Doorzettingsvermogen, om die ‘ontzettende ploetertocht’ (aldus Bart van Hoogstraten) helemaal van Utrecht naar oost van Netterden te volbrengen. Geduld. Ik hoefde dit keer dan wel niet lang te wachten voor ik hem in beeld had want bij aankomst konden ze hem me meteen al aanwijzen, maar de hele middag zat-ie in Duitsland terwijl we hem natuurlijk in Nederland willen, voor de Nederlandse lijst (nou ja, daar staat-ie natuurlijk al lang op, Maasvlakte immers, paar jaar terug, het gaat slechts om de Nederlandse jaarlijst dus waar hebben we het over? Trouwens, waar hebben we het überhaupt over?). Relativeringsvermogen: zie hiervoor. Omgaan met tegenslag want nee, naar Nederland kwam-ie vanmiddag niet. En waarom zou-ie ook, met al die doodse, kaalgeschoren velden hier waar zich amper een torenvalk waagde terwijl daar, aan de andere kant van de grens, een weelde van kleinschalig, verwilderd grasland met wat bosjes en volop paaltjes om op te rusten, wat hij dan ook naar hartenlust deed. Het was dus weer eens wachten, zoals zo vaak, volop de tijd dus om de fantasie de vrije loop te laten. Waarover ik fantaseerde, daar zal ik u maar niet mee vermoeien.
Intussen, het speelde zich dan wel allemaal in Duitsland af (maar wat zou dat?) maar toch liet de vogel zich af en toe nog best aardig zien. Ondanks de afstand en de luchttrillingen goed herkenbaar aan de forse gestalte, de opvallend witachtige kop en borst en de rossig bruine buik. Paar keer stukje zien vliegen en daarbij vielen onder andere de lichte staart en de opvallende witte plekken op bovenvleugel op. Allemaal best aardige kenmerken voor arendbuizerd die gezamenlijk maken dat gewone buizerd best lastig te verdedigen is. Een arendbuizerd dus op mijn Duitse lijst, en op die lijst was-ie wel nieuw.
8 juli 2018
Abonneren op:
Posts (Atom)








