Den Helder is een mooie stad. Had ik dat laatst niet ook al eens gezegd? Daar zal dan wel reden voor zijn. Je hebt er een modern station, een watertoren, een moderne kerk en een winkelstraat. Een lange winkelstraat met vele winkels, een snackbar en diverse andere etablissementen, die je via drie rotondes naar de uiteinden van de stad brengt. Je zou er een mooie VVV-folder van kunnen maken. Maar wat je vooral hebt in Den Helder, en wat op die VVV-folder waarschijnlijk zou ontbreken, zijn zeldzame vogels. De lijst van topsoorten die alleen al dit jaar de stad en haar omgeving hebben aangedaan, begint langzamerhand mythische proporties aan te nemen. Ik noem een witstaartkievit, een sperwergrasmus, grote franjepoot en steppeklapekster, en dat zijn dan nog alleen de soorten die ik er gezien heb. Ik ben dit jaar dan ook een frequente bezoeker van deze parel van het noorden. En niet alleen om er de boot naar Texel te nemen.
Vandaag kwam daar vale gierzwaluw bij. Jawel, drie dagen na mijn bonte tapuit, één dag nadat Hans me één dag voor was (zo kunnen we inmiddels vaststellen, gisteren was ik er nog lang niet van overtuigd dat hij me slechts één dag voor zou zijn), en een jaar na onze beider dubbele dip van vorig jaar is vale gierzwaluw binnen.
Op deze kille en wat grijzige novemberherfstdag had ik de keus tussen Den Helder en de noordpunt van Texel. Treinsgewijs zijn die identiek dus ik kon mijn keuze tot het laatst uitstellen, maar eerlijk gezegd zag ik de onderneming naar het uiteinde van Texel op zo’n doordeweeks tussendoortje helemaal niet zitten, dus ik hield het bij Den Helder, ook al was de vogel van Texel al wel gemeld en die van Den Helder nog niet. Toen ik door de hierboven gememoreerde winkelstraat richting uitkant van de stad liep, begon ik me wel af te vragen of ik niet een fatale vergissing had gemaakt. Maar toen ik me door een boeiend allegaartje rond een volkstuincomplex en een kerkhofje naar de Huisduinerweg had begeven, wist men mij te vertellen dat de vogel zojuist nog was gezien. Kijk, zulke berichten horen we graag. En toen ik over de Huisduinerweg richting Huisduinen kuierde, zag ik al gauw de gierzwaluw vliegen boven de bebouwing verderop. De gierzwaluw waarvan bekend is dat het een vale gierzwaluw is, een opwindende gedachte. Zelf kon ik dat eerlijk gezegd niet vaststellen, maar een gierzwaluw was het zeker. Enige tijd kon ik hem volgen tijdens zijn snelle en zwenkende tocht over de huizen en over het veld aan de andere kant van de weg, tot-ie ergens richting vuurtoren uit beeld verdween.
Een goeie start, vond ik, en uiterst bemoedigend. Ik wilde hem natuurlijk wel nog een keer, en dan wat dichterbij. Met wat geduld moest dat wel lukken, meende ik. Maar de daarop volgende anderhalf uur geen spoor meer van de vogel. Niet alleen ík kon ‘m niet vinden, geen van de diverse vogelaars die ik tegenkwam had ‘m in de tussentijd gezien, en dat waren er aardig wat. Het is zoals we vale gierzwaluwen in Nederland inmiddels kennen: af en toe geruime tijd zoek, en dan ineens duikt-ie weer op. (Misschien is dat trouwens in Zuid-Europa niet anders, alleen zijn er daar zoveel dat het niet opvalt.) Dat laatste was voor mij niet meer weggelegd: toen zat ik alweer in de trein terug naar Utrecht.
11 november 2014
zaterdag 15 november 2014
donderdag 13 november 2014
Op de elfde van de elfde bij Zoeterwoude …
Niet zonder ongeduld maar met een betrekkelijk gerust gemoed zaten
we in de trein van Utrecht naar Leiden Lammenschans. De gisteren door Adri de
Groot in het polderland bij Zoeterwoude gevonden bonte tapuit was vanmorgen
teruggevonden en bovendien was de plek nu bekend. Dat moest bijna wel goedkomen.
Na drie gemiste lifers op rij de afgelopen weken die alle drie maar één dag
hadden willen blijven, eindelijk weer eens een nieuwe soort op de lijst. En
eindelijk mijn eerste bonte tapuit. Elke soort heeft een geschiedenis, iedereen
heeft er wel een soort verhaal bij. Wat bonte tapuit betreft: dat ik ‘m tot nu
toe altijd nog had weten te missen, was al een verhaal op zich. Natuurlijk, hij
is zeldzaam zat maar vorig jaar zijn er bijvoorbeeld nog drie gezien. Alle drie
waren echter na één dag alweer vertrokken: eentje op verboden terrein in de
duinen en eentje op een onbereikbaar eiland. Voor de derde ben ik nog helemaal
naar noord Friesland gereisd. Vergeefs.
Maar deze moest lukken.
Het was de aanloop naar weer zo’n nationaal evenement
voor vogelaars dat ons in staat stelt even te ontsnappen aan de dagelijkse
sleur. Wie daartoe in de gelegenheid was, op deze doordeweekse dinsdagochtend,
kon even de beslommeringen van kantoor achter zich laten en ook zonder bonte
tapuit is dat een feest. Waarom hebben we daar eigenlijk een bonte
tapuit voor nodig?
In Leiden Lammenschans met de fiets de ommelanden in.
Zon, klein beetje wind tegen en zacht voor de tijd van het jaar. De weg wees
zich vanzelf. Zoeterwoude was gauw gevonden en van daar wisten we het wel. Bovendien
was het groepje mensen bijeen temidden van het platste polderland een niet te
missen baken en ook de berg van slootafval was al van verre zichtbaar.
Duidelijker konden we het ons niet wensen. En bij aankomst zagen we al meteen
het vogeltje opvliegen: eindelijk mijn eerste bonte tapuit.
Waren alle twitches maar zo gemakkelijk, zo recht toe
recht aan: in één keer de plek gevonden en meteen de vogel in beeld. Zo gaat
het lang niet altijd. Maar deze werkte in alle opzichten voorbeeldig mee. Hij
leek geen enkele schroom te kennen en trok zich niets aan van de tamelijk
massale, middels vervaarlijke apparatuur nadrukkelijk op hem gerichte
belangstelling. Terwijl die belangstelling er toch behoorlijk dreigend uitzag (want
kent een bonte tapuit het verschil tussen een geweerloop en een telelens?),
foerageerde de vogel onverstoorbaar op en vanuit de berg afval die al van verre
zichtbaar was geweest en geregeld liet hij zich zo adembenemend mooi zien, dat
je voor even de algehele onvolmaaktheid van het al vergat. Het was een tamelijk
rusteloos beestje maar toch gaf-ie ons telkens de gelegenheid ‘m uitvoerig en
van dichtbij te bewonderen. En hij was prachtig. Voor een gewone toeschouwer
misschien gewoon een vogeltje, maar voor een vogelaar een eerste winter
mannetje bonte tapuit: zeldzaam, pas de negentiende voor Nederland. Rossige
borst, gesleten (nou ja, zo oogde het, in werkelijkheid was het precies
omgekeerd: slijtage zou te zijner tijd glanzend zwart tevoorschijn toveren maar
nu nog) vaal zwarte keel en grauwbruine bovendelen waarin een zweem van zwart
zichtbaar was. Onmiskenbaar. Een heerlijke belevenis. Zo nutteloos, waar is dat
toch goed voor? vroegen we ons niet voor het eerst af, maar zo heerlijk. Weer
een weekje een gelukkig mens. Ja, daar is dat dus goed voor.
En dat op de elfde van de elfde.
maandag 27 oktober 2014
Den Helder heeft het
Den Helder heeft het! Na witstaartkievit, sperwergrasmus
(nou ja, objectief gezien hoort die in dit rijtje misschien niet thuis maar
voor mij was-ie fantastisch) en grote franjepoot was het nu een steppeklapekster
die ‘ons’ naar de top van Noord-Holland lokte. De vogel zat al anderhalve week
of zo bij fort Erfprins achter de zeedijk, maar het was er tot vandaag niet van
gekomen. Typisch gevalletje ‘mongolenwaaier’ dus. Vandaag was wat mij betreft de
dag. Een tamelijk rustige, hoewel aan zee nog best winderige herfstdag, met wat
wolkenvelden en wat zon maar droog en vrij zacht.
Ik hoef de eventuele lezer niet lang in spanning te
houden want eenmaal bij het fort was het meteen raak. De vogel zat afwisselend
op het hek beneden de dijk, op het gras voor ons, nog dichterbij op het hek en
in de struikjes aan de overkant van de sloot. Gemiddelde afstand gedurende het
uur dat ik me met ‘m bezighield: een meter of tien. Vol in de telescoop:
geweldig! Wat een bruut van een vogel, zo’n steppeklapekster, met zware snavel
en agressieve blik. Het merkwaardige is dat we na een vogel in 1994 achttien
jaar hebben moeten wachten op het tweede geval voor Nederland, maar dat we twee
jaar later alweer aan ons vierde, misschien zelfs vijfde geval toe zijn. Op een
onbewaakt moment heb ik me laten ontvallen dat we er in al die jaren misschien een
paar over het hoofd hebben gezien. Maar hoewel je dat natuurlijk niet helemaal
kunt uitsluiten, moet ik daar nu toch van terugkomen. Bij een beetje vogelaar moeten
als-ie zo’n vogel ziet toch wel de alarmbellen gaan rinkelen. Natuurlijk, het
blijft een klapekster, maar die beige, wat zandkleurige tint die aan ‘m kleeft,
het geringe contrast tussen boven- en onderzijde, het bescheiden oogmasker,
zowel in omvang als in contrast en voor het oog afwezig, de grote handpenvlek
en de relatief lange handpenprojectie, alles bij elkaar maakt het toch een
behoorlijk afwijkende klapekster. Steppeklapekster dus. En hoewel velen voor
mij dat al hebben vastgesteld en de vele foto’s afdoende zijn, vind ik het
prettig om het ook zelf vast te kunnen stellen.
’s Middags nog een keer langs geweest. Aanvankelijk zat
de vogel wat verder weg, maar uiteindelijk zagen we hem vlak voor ons op de
dijk foerageren, vlak langs ons heen vliegen en zelfs enige tijd aan de zeekant
van de dijk bezig. Nee, schuw was-ie niet.
Tussendoor nog een prachtige middelste jager boven het Marsdiep.
Eerst vloog-ie dichtbij langs en daarna joeg hij boven zee achter de meeuwen
aan. Een forse, donkere jager zonder warme, geelbruine tinten, met beperkt wit
op de bovenvleugels en duidelijke dubbele flash op de ondervleugels. En bij Huisduinen
tussen een paar honderd rotganzen twee witbuikrotganzen die behalve door hun
opvallend witte buiken ook opvielen door hun wat bruinig ogende bovenzijde. Twee
keer een leuke bonus dus. Mooi dagje weer.
26 oktober 2014
vrijdag 24 oktober 2014
Tel uw zegeningen
De weersvooruitzichten waren niet al te bemoedigend voor de paar dagen Westkapelle die we gepland hadden. Hoewel de windverwachtingen voor mij persoonlijk misschien nog enig perspectief boden, was het vooral de voorspelde regen die ons zorgen baarde. Dus toen we zondag rond het middaguur in het dorp arriveerden en het nog altijd droog was, meteen de deur uit gegaan. Pakken wat je pakken kunt. Zeedijk, Noordervroon, wat akkertjes buiten het dorp en de begraafplaats, een veldje vol lijsters tussen bolvormige bergjes van een of ander gewas, geen idee wat en geen idee wat het daar deed (drogen zou de komende dagen niet gaan lukken), en een smelleken die ineens vlak voorlangs achter de in paniek opgevlogen lijsters aan ging en alweer verdwenen was voordat die beseften wat er was gebeurd. Dat hadden we alvast maar binnen. Dat de zon scheen en dat het vermaarde begraafplaatsje er prachtig herfstig bijlag onder die machtige vuurtoren, dat was allemaal meegenomen. En dat ik op dat vermaarde begraafplaatsje niet verder kwam dan een boel lijsters, roodborst, winterkoning, kool- en pimpelmees, een spaarzaam zingende tjiftjaf en een zucht staartmeesjes, ach, dat mocht de pret niet drukken. Houden we nog iets te wensen over.
Iets te wensen over, dat is wat de vogelaar gaande houdt. Dat is wat de vogelaar zo’n gelukkige mensensoort maakt. ‘Wie bevredigd is, is immers verlost van verlangen, en daarmee ontdaan van passie’, schreef Hanna Bervoets laatst in de Volkskrant. Wij vogelaars, wij hebben nooit gebrek aan passie, want we hebben altijd nog iets om naar uit te kijken. Naar zo’n perfecte zeetrekdag in Westkapelle bijvoorbeeld. Zo’n dag dat de pijlstormvogels met tientallen aan je voorbij waaien en dat vaaltjes massaal tussen de golven door dwarrelen. Het is me opnieuw niet gelukt. Toen ik zondagmiddag aan zee stond was de wind weliswaar flink aangewakkerd, maar die stond toen bijna evenwijdig aan de dijk: zuid tot zuidwest en dat is niet goed, wat zeetrek betreft. Maandagochtend leek het veel beter: pal west. Nou ja, ietsje zuidwest misschien? Maar dat ligt heel gevoelig in Westkapelle, heb ik altijd begrepen: ietsje zuidwest is het net niet helemaal, noordwest moet het zijn. Een paar uur lang zat ik (in mijn eentje! Dat was al geen goed teken natuurlijk) op de trektelpost over zee te turen en ik moest genoegen nemen met één grauwe pijlstormvogel. Nou was die ene grauwe pijlstormvogel prachtig vond ik, langdurig kon ik ‘m volgen door de telescoop, terwijl-ie af en toe actief vliegend en af en toe zeilend over zee trok, af en toe opstijgend op de wind en af en toe een golfdal in duikend. Even bleef-ie dralen tussen de meeuwen die achter een heen en weer koersende vissersboor hingen, daarna vervolgde hij zijn weg naar het verre zuiden. Brother, where are you going? Kon weleens heel ver weg zijn: de grauwe pijlstormvogels die in de Nederlandse wateren opduiken, keren uiteindelijk terug naar hun geboortegronden en die liggen diep in de zuidelijke oceanen. Alleen daarom al is voor mij als landrot één grauwe pijlstormvogel eigenlijk al geweldig en met ook nog een fraaie grote jager, een kleine jager en diverse jan van genten mocht ik natuurlijk niet klagen vond ik. Tel uw zegeningen.
Pas dinsdagmiddag draaide de wind naar noordwest. Pas dinsdagmiddag brak de herfst in alle hevigheid los. Over de zeedijk worstelden we ons tegen de tot stormkracht aangewakkerde wind naar het stenen bankje dat verderop enige luwte moest brengen en we moesten echt enorm ons best doen om niet van de dijk af geblazen te worden. Vanuit de luwte van het stenen bankje keken we uit over een zee die zich door de noordwesterstorm die inmiddels langs de Nederlandse kust stond, tot een woest monster had laten verheffen. Hoge golven, diepe dalen, schuimkoppen en metershoge erupties, alles af en toe oplichtend in schaars zonlicht en af en toe onder gitzwarte buienluchten: het was spectaculair. Diverse kleine jagers woeien langs en diverse jan van genten zeilden ogenschijnlijk moeiteloos tegen de storm in alsof het niet meer dan een mild lentebriesje betrof. En al zijn die op de betere zeedagen betrekkelijk gewoon, jan van genten zijn altijd geweldig. Bij gebrek aan albatrossen belichamen zij de vrijheid en het avontuur die horen bij de wereldzeeën en hun stormen.
Die echte topdag, ja, die was natuurlijk woensdag. Ik wil mezelf maar liever niet kwellen met wat er toen allemaal langs vloog. Zelf was ik toen alweer terug in Utrecht. Die perfecte zeetrekdag in Westkapelle, die blijft iets voor later, iets om eeuwig naar uit te kijken.
21 oktober 2014

Iets te wensen over, dat is wat de vogelaar gaande houdt. Dat is wat de vogelaar zo’n gelukkige mensensoort maakt. ‘Wie bevredigd is, is immers verlost van verlangen, en daarmee ontdaan van passie’, schreef Hanna Bervoets laatst in de Volkskrant. Wij vogelaars, wij hebben nooit gebrek aan passie, want we hebben altijd nog iets om naar uit te kijken. Naar zo’n perfecte zeetrekdag in Westkapelle bijvoorbeeld. Zo’n dag dat de pijlstormvogels met tientallen aan je voorbij waaien en dat vaaltjes massaal tussen de golven door dwarrelen. Het is me opnieuw niet gelukt. Toen ik zondagmiddag aan zee stond was de wind weliswaar flink aangewakkerd, maar die stond toen bijna evenwijdig aan de dijk: zuid tot zuidwest en dat is niet goed, wat zeetrek betreft. Maandagochtend leek het veel beter: pal west. Nou ja, ietsje zuidwest misschien? Maar dat ligt heel gevoelig in Westkapelle, heb ik altijd begrepen: ietsje zuidwest is het net niet helemaal, noordwest moet het zijn. Een paar uur lang zat ik (in mijn eentje! Dat was al geen goed teken natuurlijk) op de trektelpost over zee te turen en ik moest genoegen nemen met één grauwe pijlstormvogel. Nou was die ene grauwe pijlstormvogel prachtig vond ik, langdurig kon ik ‘m volgen door de telescoop, terwijl-ie af en toe actief vliegend en af en toe zeilend over zee trok, af en toe opstijgend op de wind en af en toe een golfdal in duikend. Even bleef-ie dralen tussen de meeuwen die achter een heen en weer koersende vissersboor hingen, daarna vervolgde hij zijn weg naar het verre zuiden. Brother, where are you going? Kon weleens heel ver weg zijn: de grauwe pijlstormvogels die in de Nederlandse wateren opduiken, keren uiteindelijk terug naar hun geboortegronden en die liggen diep in de zuidelijke oceanen. Alleen daarom al is voor mij als landrot één grauwe pijlstormvogel eigenlijk al geweldig en met ook nog een fraaie grote jager, een kleine jager en diverse jan van genten mocht ik natuurlijk niet klagen vond ik. Tel uw zegeningen.
Pas dinsdagmiddag draaide de wind naar noordwest. Pas dinsdagmiddag brak de herfst in alle hevigheid los. Over de zeedijk worstelden we ons tegen de tot stormkracht aangewakkerde wind naar het stenen bankje dat verderop enige luwte moest brengen en we moesten echt enorm ons best doen om niet van de dijk af geblazen te worden. Vanuit de luwte van het stenen bankje keken we uit over een zee die zich door de noordwesterstorm die inmiddels langs de Nederlandse kust stond, tot een woest monster had laten verheffen. Hoge golven, diepe dalen, schuimkoppen en metershoge erupties, alles af en toe oplichtend in schaars zonlicht en af en toe onder gitzwarte buienluchten: het was spectaculair. Diverse kleine jagers woeien langs en diverse jan van genten zeilden ogenschijnlijk moeiteloos tegen de storm in alsof het niet meer dan een mild lentebriesje betrof. En al zijn die op de betere zeedagen betrekkelijk gewoon, jan van genten zijn altijd geweldig. Bij gebrek aan albatrossen belichamen zij de vrijheid en het avontuur die horen bij de wereldzeeën en hun stormen.
Die echte topdag, ja, die was natuurlijk woensdag. Ik wil mezelf maar liever niet kwellen met wat er toen allemaal langs vloog. Zelf was ik toen alweer terug in Utrecht. Die perfecte zeetrekdag in Westkapelle, die blijft iets voor later, iets om eeuwig naar uit te kijken.
21 oktober 2014
woensdag 15 oktober 2014
Dutchbirding vogelweekend op Texel
Toen ik op zaterdagochtend in zachte regen over het
doodstille eiland fietste, vroeg ik me af: waar moest het heen dit weekend?
Terwijl de regen soms heel stiekem aanzwol tot je merkte dat je er toch nat van werd,
kwamen leuke en spannende meldingen binnen van Terschelling, van Ameland, van
Lauwersmeer en Maasvlakte, maar op Texel bleef de radio angstvallig stil. Zaten
we op het verkeerde eiland vandaag? Zelf kwam ik ook niet veel verder dan wat watersnippen
en een paar bontjes in de Petten, goudplevieren en rosse grutto’s en één kleine
zilverreiger in de Mokbaai en een stel blauwe reigers over zee. Ach, allemaal
leuk natuurlijk, wie het kleine niet eert … maar zelfs trek van betekenis leek
er niet te zijn. Misschien wilden ze niet, met die regen. En waar al die
vogelaars waren …?
Maar toen, zo rond het middaguur, kwam de melding van de
dag binnen: daurische klauwier langs het Jan Ayeslag, helemaal terug naar het
zuiden (ik was inmiddels gevorderd tot de Slufter), en daarmee kon dan
eindelijk ook wat mij betreft het Dutchbirding vogelweekend definitief van start.
Overigens kon de klauwier nog wel even wachten, vond ik,
de vogel van Waverhoek vorig jaar oktober indachtig: eerst even de slufter in.
Dat bleek een goede keus: ongeveer halverwege vloog er ineens luid roepend een
pieper rond. Die roep, zo zuiver en zo fijn: onmiskenbaar roodkeelpieper! Die
had ik al in geen jaren gezien of gehoord. Een topsoort dus, wat mij betreft.
De vogel streek verderop neer in de vegetatie maar vloog een minuut of tien
later luid roepend weer op en vervolgde zijn weg naar het zuiden.
Na een mooie blik op onder andere kanoeten en rosse
grutto’s in de monding van de Slufter bleek daurische onder licht voorbehoud
veranderd in turkestaanse klauwier: nog wat zeldzamer en voor mij pas mijn
tweede na twaalf jaar. Tijd om me terug naar het zuiden te begeven.
Een lift van Toine Morel maakte die onderneming er een stuk aangenamer op en zo stond ik even later temidden van een man of honderd te
kijken naar deze voorlopig nog mystery-klauwier. Die liet zich van tijd tot
tijd prachtig en helemaal vrij zien, af en toe tot op amper tien meter afstand
en wat het ook was, het was sowieso mijn mooiste ‘izabelklauwier spec.’ ooit.
Maar de determinatie bleek een echte uitdaging en is vooralsnog onbeslist.
Even in het kort mijn
overwegingen, voor wat ze waard zijn:
De weliswaar wat grijze maar tintloos bleke onderzijde wees
op turkestaanse. De relatief donkere, koudbruine bovenzijde, duidelijk
contrasterend met de onderzijde, eveneens. Het opvallend donkere, zwartachtige
oogmasker was ook al des turkestaans, tenzij de vogel ouder was dan een jaar.
En waarschijnlijk was-ie dat, maar naarmate hij ouder was en het masker minder
een rol speelt, zou je bij daurische toch ook meer kleur op de onderzijde
verwachten, lijkt me, en een lichtere bovenzijde. De opvallende witte
vleugelstreep, gevormd door witte bases van de handpennen en uitlopend in witte
veerrandjes, lijkt volgens de ANWB-gids ook weer naar turkestaanse te wijzen, bij
daurische vrouw / onvolwassen staat: geen of onbeduidende handpenvlek. En ook
de donkere, naar de snavel iets bruiner wordende kruin deed meer aan turkestaanse
denken dan aan daurische. De hele vage, soms nauwelijks zichtbare lichte wenkbrauw
wees juist naar daurische: die zou bij turkestaanse veel prominenter moeten
zijn. De hele fijne schubjes langs de flanken kunnen ze allebei hebben maar
waren misschien beter voor daurische. De staart was overwegend donker met
alleen rode buitenste staartpennen, in zit niet erg opvallend maar in vlucht juist
wel: volgens afbeeldingen in de ANWB turkestaans maar de begeleidende tekst is
daar genuanceerder over. Alles optellend en aftrekkend kom ik uit op
turkestaanse klauwier, maar ik geef mijn mening graag voor een betere.
Het was hoe dan ook weer gezellig, vogelaars onder elkaar
lekker debatterend over een lastige determinatie terwijl diverse groepjes
graspiepers, vinken, spreeuwen en nog wat late boerenzwaluwen overvlogen alsof
de trek vandaag inderdaad vertraagd was na de regen van vanochtend.
En na alle hectiek bij de klauwier was het heerlijk om
aan het eind van de middag nog even helemaal in mijn eentje (waar waren al die vogelaars gebleven? Het moment om
een zeldzaamheid te ontdekken, leek me) door de duinen van de Muy te wandelen.
Melding van steppekiekendief stoorde me even niet: ik bleef lekker waar ik was.
Ik liep tot aan zee en terug en kon intussen een groepje staartmezen, een
blauwe kiekendief, een roodkeelduiker over zee en een luid roepend
overvliegende ijsgors bijschrijven. En een spannende braamsluiper. In oktober
zijn die sowieso spannend en deze had ook nog een vrij lichte, zandkleurige
bovenrug. Maar we zullen het wel nooit weten.
Na een gezellige avond en betrekkelijk korte nachtrust in
het huisje dat ik deelde met Jeroen en Alfred die vandaag waren wezen varen, stonden
we de volgende ochtend alweer vroeg buiten. Na de mooie, meest zonnige middag
gisteren nu een rustige, heldere ochtend. Geen meteorologische ongemakken dit
keer op het Dutchbirdingweekend: we konden er ook deze tweede dag voluit
tegenaan. Bij het eerste ochtendlicht stonden we aan de Oorsprongweg te kijken
naar een juveniele steppekiekendief, eerst begeleid door een sperwer en daarna
door een smelleken. Vervolgens naar de veerhaven om de mensen op te vangen die
pas vandaag op het eiland aankwamen. Met de voltallige groep ging het
vervolgens naar de plek van de klauwier. Die bleek helaas niet meer aanwezig.
Het was de enige smet op een verder volmaakte excursie. Terug aan de
Oorsprongweg genoten we uitvoerig van de fraaie juveniele steppekiek die hier
al sinds vrijdag verblijft. De overvliegende roodkeelpieper (mijn tweede dit
weekend!) was meer dan een bijvangst en voor diverse excursiedeelnemers een
lifer, en ook de langs vliegende slechtvalk mocht er best zijn. Bij het
reddingsboothuis hadden we onze eerste bladkoning van de dag, af en toe
fanatiek roepend en een paar keer leuk vrij in beeld. Vanaf de waddendijk bij
Zeeburg zagen we een mooie grote pieper beneden in het weiland en in de akkers
van Eierland vonden we in een groep rotganzen de daar gemelde zwarte rotgans,
terwijl om ons heen volop veldleeuweriken, graspiepers en kneuen plus een paar
tapuiten op de akker en liefst twee slechtvalken waarvan een ook enige tijd aan
de grond. En in de tuintjes zagen we de tweede bladkoning van de dag. Deze was
zwijgzaam, in elk geval toen wij er waren, maar liet zich af en toe erg mooi
zien, samen met een goudhaan. Het was een mooi rijtje zeldzaamheden.
Waarna we langzamerhand de terugreis aanvingen. Langs Utopia,
Wagejot en Ottersaat zakten we af naar de uitgang. Bontbekplevieren, bonte
strandlopers, een paar kluten, nog een slechtvalk (de vierde van de dag),
goudplevieren, een kanoet, watersnippen, rosse grutto’s en een kleine
zilverreiger, onder meer: zeldzaam was het allemaal niet meer maar het zijn
toch de soorten die een dagje Texel helemaal afmaken. Toen we tenslotte op de
boot stonden, kon er bijna geen vogel meer bij. We kunnen er weer een weekje
tegenaan.
Meer lezen? Waddenmarathon
dinsdag 7 oktober 2014
Witkruintapuit
Een fantastische vogel of ondanks alles een leuk beestje? Dat is de vraag die de CDNA, de Commissie Dwaalgasten Nederlandse Avifauna, mettertijd mag proberen te beantwoorden. En daarmee zal de commissie niet alleen beslissen over de status van deze vogel, maar ook over die van onze herinnering aan deze vogel. Herinneren we ons over vele jaren nog die fantastische, onvergetelijke ontmoeting met een uit de Noord Afrikaanse woestijn afgedwaalde zonderling uit een geslacht van thuisblijvers? Of herinneren we ons te zijner tijd niets meer? Want escape, afkomstig uit vogelkooi, het herinneren niet waard.
Woestijn of vogelkooi? De discussie golft weer over internet, althans, op die sites die zich bezighouden met het waarnemen van (zeldzame) vogels. Het gehavende verenkleed zou wijzen op vogelkooi, want het resultaat van veelvuldige interactie met het gaas. Maar hoe zou het verenkleed eraan toe zijn na een wekenlange dwaaltocht vanuit de Sahara naar het koude en natte Nederland? Een ander argument tegen wilde herkomst: witkruintapuit is een standvogel, niet erg genegen om zijn geboortegrond te verlaten. Aan de andere kant: er zijn enkele aanvaarde gevallen in noordwest Europa, waarvan in elk geval eentje, in oktober in Denemarken en Duitsland, keihard bewezen is aan de hand van isotopen-onderzoek. Wetenschap! Het kan dus wel. Ook de inmiddels lange verblijfsduur (vogel blijkt al minimaal sinds tweede helft september aanwezig) zou tegen wilde herkomst pleiten. Maar hé, het was toch een standvogel? Zo is bij bijna elk argument wel een tegenargument te verzinnen. Ook in omgekeerde richting trouwens.
Moeilijk vond ik de nagels: die zijn kort en zwaar gesleten en bij tenminste één teen lijkt de nagel zelfs geheel te ontbreken. Ik kan daar niet zo gemakkelijk een natuurlijke verklaring voor bedenken. Maar juist die bewezen Deens-Duitse vogel schijnt op een gegeven moment ook een nagel gemist te hebben.
Dat er enige symmetrie lijkt te zitten in de vleugelbeschadiging, zou dan weer wijzen op natuurlijke rui. Ik kan me dat in elk geval maar moeilijk voorstellen als het gevolg van botsingen met een vogelkooi. Maar ja, wat bewijst dat?
Scepsis alom, twijfelaars buitelen over gelovigen heen, maar bijna iedereen gaat. Ik ook. Uiteindelijk kun je niet thuisblijven, althans, de meesten niet. De paar hardnekkige ongelovigen zijn zwaar in de minderheid (overigens vermoedelijk minder naarmate je verder van de plaats des onheils gaat tellen). Bijna iedereen gaat. Honderden meldingen staan er al op Waarneming.nl en nog minstens zoveel mensen zijn wezen kijken die hun waarnemingen niet op Waarneming.nl invoeren. Neemt bijna iedereen toch maar het zekere voor het onzekere? Of is het gewoon een prachtige vogel en een hele leuke twitch? Wat mij betreft in elk geval ook het laatste, al zal ik enige lijsttechnische motivatie heus niet ontkennen. Ik vond het, met al die bedenkingen, in elk geval een mooi en interessant vogeltje en ik heb van ‘m genoten, in dat meest kale, groenloze en in andere tijden stille straatje in een nieuwbouwwijk in Oegstgeest, zo plotseling overspoeld door vreemd volk. Een klassieker, ongeacht de afloop.
7 oktober 2014
Woestijn of vogelkooi? De discussie golft weer over internet, althans, op die sites die zich bezighouden met het waarnemen van (zeldzame) vogels. Het gehavende verenkleed zou wijzen op vogelkooi, want het resultaat van veelvuldige interactie met het gaas. Maar hoe zou het verenkleed eraan toe zijn na een wekenlange dwaaltocht vanuit de Sahara naar het koude en natte Nederland? Een ander argument tegen wilde herkomst: witkruintapuit is een standvogel, niet erg genegen om zijn geboortegrond te verlaten. Aan de andere kant: er zijn enkele aanvaarde gevallen in noordwest Europa, waarvan in elk geval eentje, in oktober in Denemarken en Duitsland, keihard bewezen is aan de hand van isotopen-onderzoek. Wetenschap! Het kan dus wel. Ook de inmiddels lange verblijfsduur (vogel blijkt al minimaal sinds tweede helft september aanwezig) zou tegen wilde herkomst pleiten. Maar hé, het was toch een standvogel? Zo is bij bijna elk argument wel een tegenargument te verzinnen. Ook in omgekeerde richting trouwens.
Moeilijk vond ik de nagels: die zijn kort en zwaar gesleten en bij tenminste één teen lijkt de nagel zelfs geheel te ontbreken. Ik kan daar niet zo gemakkelijk een natuurlijke verklaring voor bedenken. Maar juist die bewezen Deens-Duitse vogel schijnt op een gegeven moment ook een nagel gemist te hebben.
Dat er enige symmetrie lijkt te zitten in de vleugelbeschadiging, zou dan weer wijzen op natuurlijke rui. Ik kan me dat in elk geval maar moeilijk voorstellen als het gevolg van botsingen met een vogelkooi. Maar ja, wat bewijst dat?
Scepsis alom, twijfelaars buitelen over gelovigen heen, maar bijna iedereen gaat. Ik ook. Uiteindelijk kun je niet thuisblijven, althans, de meesten niet. De paar hardnekkige ongelovigen zijn zwaar in de minderheid (overigens vermoedelijk minder naarmate je verder van de plaats des onheils gaat tellen). Bijna iedereen gaat. Honderden meldingen staan er al op Waarneming.nl en nog minstens zoveel mensen zijn wezen kijken die hun waarnemingen niet op Waarneming.nl invoeren. Neemt bijna iedereen toch maar het zekere voor het onzekere? Of is het gewoon een prachtige vogel en een hele leuke twitch? Wat mij betreft in elk geval ook het laatste, al zal ik enige lijsttechnische motivatie heus niet ontkennen. Ik vond het, met al die bedenkingen, in elk geval een mooi en interessant vogeltje en ik heb van ‘m genoten, in dat meest kale, groenloze en in andere tijden stille straatje in een nieuwbouwwijk in Oegstgeest, zo plotseling overspoeld door vreemd volk. Een klassieker, ongeacht de afloop.
7 oktober 2014
dinsdag 30 september 2014
Ode aan de beginneling
Laat ons vooral de beginneling in ere houden, de nog niet
al te ervaren vogelaar die er af en toe zo verschrikkelijk naast kan zitten
maar die ons ook af en toe, zonder dat hij daar erg in heeft, de
verrukkelijkste zeldzaamheden in de schoot kan werpen. Gisteren was het weer
zover. De vogel die ’s-avonds gemeld was als doodgewone groenpootruiter, bleek
helemaal geen groenpootruiter en nog veel minder doodgewoon. Terwijl ik onwetend
naar het voetbal op TV zat te kijken, herkenden enkele wakkere collega-admins
in het grijze steltje op de foto een grote franjepoot, zeldzame dwaalgast uit
Noord-Amerika, en dat leverde me precies de bestemming voor vandaag op, waar ik
op gehoopt had. Want na twee misgelopen lifers in ruim een week vond ik het wel
weer eens tijd voor een succesvolle twitch. Grote franjepoot was weliswaar geen
lifer maar wel mijn tweede ooit en alweer twaalf jaar na mijn eerste, de vogel
van de Scherpenissepolder in 2002. Een hernieuwde kennismaking was dus heel erg
welkom. Bovendien droeg de vogel een voor mij nieuw kleed, weliswaar zonder de
opvallende kleurpatronen van het adult zomerkleed zoals destijds, maar ook deze
was in al zijn kleurloosheid zeer herkenbaar en het aanzien meer dan waard.
Dus vanmorgen vroeg de trein naar Den Helder zuid genomen
en van daar me een weg gezocht naar de Balgzandpolder. Dat was niet moeilijk en
ook helemaal niet ver, dus om kwart over 9 stond ik met anderhalve hand vol
vogelaars naar een wat mij betreft weergaloos mooie grote franjepoot te kijken.
De vogel liep op af en toe amper tien meter afstand te foerageren voor een
kijkscherm dat de aanwezigen net voldoende zicht bood om ieder de kans te geven
‘m uitvoerig te bekijken en desgewenst te fotograferen. Het was af en toe een
beetje geven en nemen en soms wat ingewikkeld manoeuvreren om de telescoop
precies tussen een schouder en een achterhoofd door op de vogel te richten,
maar het resultaat mocht er zijn. Het was weer genieten. Ook van de aanwezige
zwarte ruiters (tientallen) en groenpootruiters (enkele). Die laatste boden
indien nodig alle gelegenheid om de verschillen met de franjepoot vast te stellen.
Met ook nog fraaie watersnippen, tientallen tureluurs, bontbekplevieren, bonte
strandlopers en een krombekstrandloper, was het hoe dan ook een plek waar het
goed toeven was.
Na de grote franjepoot stond ik voor de keus: als een
echte twitcher onmiddellijk door naar Texel om daar de mogelijke
withalsvliegenvanger te gaan opzoeken (overigens ook geen lifer, anders had ik
’t wel geweten), of mijn eigen plan trekken en een beetje in de omgeving gaan
vogelen, in de hoop er zelf nou eens een leuke soort uit te trekken. Ik koos
voor het laatste. Onder het genot van een af en toe doorbrekend zonnetje vond
ik te Mariëndal vooral volop ruiende eenden en op de laatste ondergelopen
bollenveldje vooral een dikke algenbrij waartussen wat bergeenden dreven en
waarop de kieviten foerageerden. Aan zee was het ook niet te doen vandaag wat
gezien het zwakke oostenwindje natuurlijk volgens verwachting was. In een dik
half uur kwam ik niet verder dan een boel meeuwen en een paar grote sterns.
Maar intussen wel, zowel zojuist boven de akkers als daarna boven de duinen,
een bijna permanente stroom graspiepers over me heen. Ik lette scherp op
afwijkende geluidjes maar dat leverde niet meer op dan enkele veldleeuweriken,
een oeverpieper en een groepje goudplevieren. In de duinen wat tjiffen en
enkele roodborsttapuiten en in Den Helder in een mooi oud duinpark een groep
staartmezen en tjiftjafjes. Een eigen vondst van betekenis bleef opnieuw
achterwege maar ach, ik ben niet anders gewend en de hoofdprijs van vandaag had
ik toch al binnen. Dankzij de beginneling.
28 september 2014
Abonneren op:
Posts (Atom)