Heerlijk dagje Zuid Beveland gedaan. Wat zon, weinig wind en ook vandaag weer extreem zacht. Zorgen daarover maar thuis gelaten en de trein genomen naar Goes. Vandaar met de fiets naar Wilhelminadorp en naar de Oosterscheldekust, vanwege witkopgors aldaar. Ik had geen haast onderweg en stopte onder andere voor middelste zaagbekken, dodaarzen en groenpootruiter in het Goese meer en voor een mooie groep toendrarietganzen in de akkers voorbij Wilhelminadorp. Dat leek me nog bijna te gaan opbreken want toen ik op de aangegeven plek aankwam, was de vogel zojuist weggevlogen. En toen-ie even later verderop langs de dijk was teruggevonden zag ik, toen ik mijn fiets had opgepakt, nog net dat groepje graspiepers over de akker vliegen waar de gors tussen zou zitten. Zelf kon ik dat niet meer vaststellen. Dit begon warempel op twee weken terug in Limburg te lijken. Toen kwam uiteindelijk alles goed maar daar moest ik toen wel zowat tot zonsondergang op wachten en ik had erg gehoopt dat het vandaag ietsje vlotter zou verlopen. Speuren over de akkers leverde niets op, leek ook behoorlijk kansloos maar toen werd de vogel alweer teruggevonden, bij het stukje kwelder waar ze de afgelopen dagen steeds was teruggevonden, en daar konden we haar met zijn allen langdurig en uitvoerig van zeer nabij bekijken. Eerst op het hek, daarna in de ruigte vlak daarachter. Prachtig. Dit was natuurlijk precies waarvoor ik de reis naar Goes had ondernomen, waarom ik twee weken na mijn eerste alweer mijn tweede witkopgors was gaan twitchen. Destijds had ik de vogel na een dag zwoegen uiteindelijk een paar tellen redelijk in beeld gekregen. Dat leidde toen tot een explosie van enthousiasme maar achteraf had ik hem natuurlijk best nog wat langer willen bekijken. Bovendien was dat een mannetje en is dit een vrouwtje, en al ziet zo’n mannetje er wat spectaculairder uit, zo’n vrouw is eigenlijk leerzamer en uit determinatieoogpunt interessanter. En helemaal als je haar kunt vergelijken met het verdachte tweede beest toen in Limburg. In het veld hadden we daar geen geel aan kunnen ontdekken, maar goede foto’s hadden toch onmiskenbaar wat geeltinten onthuld aan de randen van de tertials en de handpennen. Determinatie als zuivere witkopgors was daarmee van de baan en zelfs gewoon maar een bleke geelgorsvrouw was nu niet meer uitgesloten. Deze had echt geen spatje geel. Zeer goede foto’s hadden dat al laten zien en vanaf amper tien meter afstand was dat ook in het veld wel vast te stellen. Wat me daarnaast opviel aan de vogel waren de vrij prominente warme, rossig-bruine tinten op borst, flanken en stuit. Al kan ik me voorstellen dat een vrouwtje geelgors die ook wel zou hebben wanneer de gele kleur zou ontbreken, zodat uiteindelijk toch het ontbreken van geel het belangrijkste kenmerk blijft. Daarmee moeten we het dan maar doen.
Zeker een uur aan de vogel besteed. Die was dat meer dan waard. Intussen wierp ik af en toe ook een blik op het droogvallende slik achter het kweldertje. Daar foerageerden onder andere meer dan honderd bonte strandlopers en zilverplevieren. Niet zeldzaam, maar wel leuk. Ook wulpen daar, en tureluurs, een paar rotganzen en een paar kanoeten. Bijzaken, maar wat zou het leven zijn zonder bijzaken?
Ik had daarna nog tijd genoeg voor een verdere verkenning van deze uithoek van Nederland. Langs de Oosterschelde gefietst en zowel buiten- als binnendijks gekeken. Dat leverde geregeld kleine zilverreigers op. Niet alleen zijn die als engeltjes zo mooi, maar ik vind het ook altijd weer boeiend om te constateren dat die langs de Zeeuwse wateren net zo gewoon zijn als bij ons in de polder de grote zilverreigers, waarvan ik er hier vanmiddag niet een vinden kon. Vanwaar toch die omkering? Leuk was ook de groep van zeker veertig zwarte ruiters in een kreek midden in een woestijnachtige akker. Verderop stond ik tegenover Kattendijke, weer zo’n verrukkelijk Zeeuws dorpje met lief kerktorentje dat fier boven de huizen uit stak. En voorbij Kattendijke een grote groep rotganzen waartussen ik, hoera, na ijverig speuren mijn eigen zwarte rotgans ontdekte. Eindigen we op het marktplein van het oude Goes, waar het kerstmarkt was, met onder andere op een podium een zwoele salsazangeres die dan wel niet helemaal paste bij de kerstsfeer op het plein maar juist prima thuis was in de bijna lenteachtige zachtheid waarin dit evenement plaatsvond en waarin de vele kerstmanachtige types eigenlijk veel meer uit de toon vielen. Ja, men had hier de tijdgeest goed opgepikt.
20 december 2015
maandag 21 december 2015
zondag 13 december 2015
Kleine rietganzen
Mijn jaarlijkse zoektocht naar kleine rietganzen bracht me om te beginnen in de Duifpolder bij Schipluiden, waar ik na iets langer zoeken dan ik verwacht had uiteindelijk een mooie, vrij nabije groep vond van een stuk of 80 stuks. De zon scheen nog en ze zaten er mooi bij in het uitgestrekte polderland van Midden Delfland. Ik weet niet goed waarom maar ik hou altijd wel van kleine rietganzen. Die stompe kopjes, die aparte kleurstelling met enerzijds een soort blauwgrijze nevel die aan hun ruggen plakt en anderzijds een soort beige-achtige bruin op hun borst, op een of andere manier oogt dat karakteristiek. Hier trouwens ook een mooie juveniele slechtvalk en iets verderop twee kleine zilverreigers, ter afwisseling van de ook hier in de polder inmiddels tamelijk talrijke grote zilverreigers.
Daarna, toen het dus geen zoektocht naar kleine rietganzen meer mocht heten, bracht die me onder andere aan de noordkant van de Vlietlanden, waar ik in de vele jaren dat ik af en toe in deze buurt kom, nog vrijwel nooit eerder geweest was. Zicht over dezelfde wateren en dezelfde winterse rietlanden, maar vanaf de andere kant. En in een mooi, authentiek stukje Maassluis, met grachtje, oude huisjes en doorkijkje naar de oude kerk die in zo’n dorp altijd nog machtiger en indrukwekkender oogt dan in de grote stad. Via De Lier belandde ik tenslotte in ’t Woudt!
’t Woudt: historische grond! Hoe lang is het wel niet geleden dat ik daar voor het laatst was? Ook tientallen jaren later is het nog een mooie plek, een eilandje van landelijkheid in de omringende kassen-industrie. Een mooi, oeroud kerkje, wat klassiek geboomte eromheen en een paar oude boerderijtjes ernaast, meer is het niet, ‘t Woudt, voor meer is waarschijnlijk ook geen plaats in de overvolle randstad, maar het is wel een plek die in mijn geheugen gegrift staat. Onder andere vanwege de steenuil die ik er destijds altijd zag. Dat waren mijn eerste ooit. Vandaag de dag uiteraard geen spoor meer daarvan. De zilverreigers kwamen, de steenuilen gingen.
Terug in Delft nog meer historische grond. Het Westplantsoen onder andere, en het Wilhelminapark. De binnenplaats van het Stanislascollege (het hek was open), mijn oude middelbare school, en vlak daarnaast de Gabriëlschool, mijn oude lagere school. Zelfs weer door de smalle paadjes daarachter gelopen, de poortjes noemden we die, tussen de tuintjes achter de huizen aan de Jacob Gilleshof. Alsof ik mijn eigen voetstappen van honderd jaar geleden volgde. Diezelfde stenen waarop ik destijds … De klimrekken, destijds markeringspunten in dit doolhof, waren weg. Een raket, een halve maan en een klassieke boogconstructie, op enkele open plekken achter de huizen: verdwenen. Ergens de afgelopen jaren moet er een generatie zijn geweest van schoolkinderen die op een dag geschokt constateerden: de klimrekken zijn weg!
Daarna nog echte historische grond betreden toen ik door de oude binnenstad croste. En niet voor het eerst bedacht ik: wat is die toch eigenlijk mooi! Ik kan al die toeristen die hiervoor uit verre landen komen, geen ongelijk geven.
12 december 2015
Daarna, toen het dus geen zoektocht naar kleine rietganzen meer mocht heten, bracht die me onder andere aan de noordkant van de Vlietlanden, waar ik in de vele jaren dat ik af en toe in deze buurt kom, nog vrijwel nooit eerder geweest was. Zicht over dezelfde wateren en dezelfde winterse rietlanden, maar vanaf de andere kant. En in een mooi, authentiek stukje Maassluis, met grachtje, oude huisjes en doorkijkje naar de oude kerk die in zo’n dorp altijd nog machtiger en indrukwekkender oogt dan in de grote stad. Via De Lier belandde ik tenslotte in ’t Woudt!
’t Woudt: historische grond! Hoe lang is het wel niet geleden dat ik daar voor het laatst was? Ook tientallen jaren later is het nog een mooie plek, een eilandje van landelijkheid in de omringende kassen-industrie. Een mooi, oeroud kerkje, wat klassiek geboomte eromheen en een paar oude boerderijtjes ernaast, meer is het niet, ‘t Woudt, voor meer is waarschijnlijk ook geen plaats in de overvolle randstad, maar het is wel een plek die in mijn geheugen gegrift staat. Onder andere vanwege de steenuil die ik er destijds altijd zag. Dat waren mijn eerste ooit. Vandaag de dag uiteraard geen spoor meer daarvan. De zilverreigers kwamen, de steenuilen gingen.
Terug in Delft nog meer historische grond. Het Westplantsoen onder andere, en het Wilhelminapark. De binnenplaats van het Stanislascollege (het hek was open), mijn oude middelbare school, en vlak daarnaast de Gabriëlschool, mijn oude lagere school. Zelfs weer door de smalle paadjes daarachter gelopen, de poortjes noemden we die, tussen de tuintjes achter de huizen aan de Jacob Gilleshof. Alsof ik mijn eigen voetstappen van honderd jaar geleden volgde. Diezelfde stenen waarop ik destijds … De klimrekken, destijds markeringspunten in dit doolhof, waren weg. Een raket, een halve maan en een klassieke boogconstructie, op enkele open plekken achter de huizen: verdwenen. Ergens de afgelopen jaren moet er een generatie zijn geweest van schoolkinderen die op een dag geschokt constateerden: de klimrekken zijn weg!
Daarna nog echte historische grond betreden toen ik door de oude binnenstad croste. En niet voor het eerst bedacht ik: wat is die toch eigenlijk mooi! Ik kan al die toeristen die hiervoor uit verre landen komen, geen ongelijk geven.
12 december 2015
donderdag 3 december 2015
410: Witkopgors
Als je de keus hebt tussen naar kantoor gaan en eerlijk gezegd toch stiekem hopen dat ze ‘m niet vinden, en naar Limburg gaan en hopen dat we hem wel vinden, dan wordt die keus als het ware vanzelf gemaakt. Dan kun je eerst nog wel denken: nu effe niet, maar daarna realiseer je je dat vandaag wel de beste gelegenheid is en dat de volgende gelegenheid pas zondag is, als het waarschijnlijk stormt en regent. En het was wel een nieuwe soort natuurlijk, en elke volgende dag zou de kans dat de vogel gevlogen was hoe dan ook, al was het maar een heel klein beetje, groter zijn. Dus trok ik er maar weer op uit, met de trein naar Horst-Sevenum en met het vouwfietsje naar Lottum, en stond om half 12 op de Laag Veldweg tussen Broekhuizen en Lottum met velen te wachten tot er een witkopgors zou verschijnen. Het voelde een beetje als een ongewis avontuur, temeer omdat de vogel de hele ochtend nog niet was gezien.
Geelgorzen, graspiepers, paar veldleeuweriken over en een grote zilverreiger. Vooralsnog geen witkopgors. Maar net toen ik even iets verderop een kijkje ging nemen, werd er geroepen en gewezen. Ik holde terug en zag ‘m nog net wegvliegen, zei men. Zelf kon ik dat niet vaststellen. Nee, daar heb je niks aan. Een kwartier later een herhaling van zetten: opnieuw kon ik de vogel niet vinden voor-ie wegvloog en of de vogel die ik zag vliegen nou de goede was, daarover verschilden de meningen. Zelf kon ik er opnieuw niets over zeggen.
Twee keer op een haar na gemist en daarna lang wachten. Uren van wachten. Er tekende zich weer een memorabele twitch af, van een heel ander soort dan die grasmus op Terschelling twee weken geleden, maar memorabel. Sijsjes, een ijsvogel, grote zilverreiger. Het was stil geworden. Slechts sporadisch vertoonde zich een geelgors en dat was geen goed teken vonden we. Het duurde tot diep in de middag voordat er weer iets gebeurde: gefluit en gezwaai van de overkant van het veld achter ons en onmiddellijk veerde de groep op. Velen holden direct dwars door het weiland; ik meende me netjes te moeten gedragen en holde naar mijn vouwfiets, honderd meter verderop, stond te hannesen met het slot en fietste tenslotte zo hard als ik kon over een half verhard weggetje en daarna dwars over het grasveld naar de inmiddels in euforie ontstoken menigte. Met lede ogen sloeg ik het enthousiasme om me heen gade. Mijn goede gedrag was me fataal geworden: vogel was net weggevlogen.
Nou is fataal natuurlijk een wat grotesk begrip in het licht van het huidige tijdsgewricht en alle gewichtige zaken die daarmee gepaard gaan, maar zelfs als we deze formulering door de vingers zien, werd het me uiteindelijk niet fataal. Sterker nog: het bleek een zegen! Want was ik op tijd geweest, dan was ik daarna waarschijnlijk vertrokken en had ik dat onvergetelijke laatste half uurtje voor zonsondergang gemist, toen ook de laatste stuntelaars net voor het vallen van de avond op het nippertje de vogel nog konden intikken.
Nadat een zoektocht in de richting die de vogel gevlogen was, niets had opgeleverd en de ‘oude-plektheorie’ slechts stilte bracht en een groep overvliegende rietganzen, kwam ons het gerucht ter ore dat op de plek waar de vogel zojuist gezien was, een mooi stukje met hagen en wat rommelig struikgewas, het ene na het andere groepje geelgorzen binnenviel, zo te zien om daar te gaan slapen. Daar aangekomen had ik al het bleke gorsje in beeld dat al enkele weken de gemoederen bezighoudt. Een vrouwtje geelgors maar zo op het oog geheel zonder geeltinten. Zag er heel goed uit voor vrouwtje witkopgors, vonden we, al zullen goede foto’s misschien anders uitwijzen. En toen werd er opnieuw geroepen en gewezen: man witkopgors was gearriveerd! Opnieuw was het razend lastig om uit de vele aanwijzingen over boompjes en struikjes het juiste boompje of struikje te filteren, en ook nu bleef de vogel maar zelden lang zitten en vloog van struikje naar struikje. Maar ineens zag ik daar dat bleke gorsje zitten, met opvallende koptekening en zonder spoortje geel. Een fractie van een seconde, toen viel het kwartje en met een schok realiseerde ik me dat ik naar de witkopgors stond te kijken. Een prachtige en onberispelijke man witkopgors! Een lifer! Ik kon er zelfs nog even de scoop op richten! En toen uiteindelijk toch nog echt alle aanwezigen de vogel gezien hadden, brak het feest los, hier op dit knusse veldje tussen de braamstruiken waar na een overwegend grijze dag inmiddels de late avondzon was doorgebroken en de avondschemer langzaam zijn intrede deed. In het donker terugfietsen naar Horst was daarna een feest. Het was weer een memorabele twitch geweest.
2 december 2015
Meer: Roodkeelnachtegaal
Geelgorzen, graspiepers, paar veldleeuweriken over en een grote zilverreiger. Vooralsnog geen witkopgors. Maar net toen ik even iets verderop een kijkje ging nemen, werd er geroepen en gewezen. Ik holde terug en zag ‘m nog net wegvliegen, zei men. Zelf kon ik dat niet vaststellen. Nee, daar heb je niks aan. Een kwartier later een herhaling van zetten: opnieuw kon ik de vogel niet vinden voor-ie wegvloog en of de vogel die ik zag vliegen nou de goede was, daarover verschilden de meningen. Zelf kon ik er opnieuw niets over zeggen.
Twee keer op een haar na gemist en daarna lang wachten. Uren van wachten. Er tekende zich weer een memorabele twitch af, van een heel ander soort dan die grasmus op Terschelling twee weken geleden, maar memorabel. Sijsjes, een ijsvogel, grote zilverreiger. Het was stil geworden. Slechts sporadisch vertoonde zich een geelgors en dat was geen goed teken vonden we. Het duurde tot diep in de middag voordat er weer iets gebeurde: gefluit en gezwaai van de overkant van het veld achter ons en onmiddellijk veerde de groep op. Velen holden direct dwars door het weiland; ik meende me netjes te moeten gedragen en holde naar mijn vouwfiets, honderd meter verderop, stond te hannesen met het slot en fietste tenslotte zo hard als ik kon over een half verhard weggetje en daarna dwars over het grasveld naar de inmiddels in euforie ontstoken menigte. Met lede ogen sloeg ik het enthousiasme om me heen gade. Mijn goede gedrag was me fataal geworden: vogel was net weggevlogen.
Nou is fataal natuurlijk een wat grotesk begrip in het licht van het huidige tijdsgewricht en alle gewichtige zaken die daarmee gepaard gaan, maar zelfs als we deze formulering door de vingers zien, werd het me uiteindelijk niet fataal. Sterker nog: het bleek een zegen! Want was ik op tijd geweest, dan was ik daarna waarschijnlijk vertrokken en had ik dat onvergetelijke laatste half uurtje voor zonsondergang gemist, toen ook de laatste stuntelaars net voor het vallen van de avond op het nippertje de vogel nog konden intikken.
Nadat een zoektocht in de richting die de vogel gevlogen was, niets had opgeleverd en de ‘oude-plektheorie’ slechts stilte bracht en een groep overvliegende rietganzen, kwam ons het gerucht ter ore dat op de plek waar de vogel zojuist gezien was, een mooi stukje met hagen en wat rommelig struikgewas, het ene na het andere groepje geelgorzen binnenviel, zo te zien om daar te gaan slapen. Daar aangekomen had ik al het bleke gorsje in beeld dat al enkele weken de gemoederen bezighoudt. Een vrouwtje geelgors maar zo op het oog geheel zonder geeltinten. Zag er heel goed uit voor vrouwtje witkopgors, vonden we, al zullen goede foto’s misschien anders uitwijzen. En toen werd er opnieuw geroepen en gewezen: man witkopgors was gearriveerd! Opnieuw was het razend lastig om uit de vele aanwijzingen over boompjes en struikjes het juiste boompje of struikje te filteren, en ook nu bleef de vogel maar zelden lang zitten en vloog van struikje naar struikje. Maar ineens zag ik daar dat bleke gorsje zitten, met opvallende koptekening en zonder spoortje geel. Een fractie van een seconde, toen viel het kwartje en met een schok realiseerde ik me dat ik naar de witkopgors stond te kijken. Een prachtige en onberispelijke man witkopgors! Een lifer! Ik kon er zelfs nog even de scoop op richten! En toen uiteindelijk toch nog echt alle aanwezigen de vogel gezien hadden, brak het feest los, hier op dit knusse veldje tussen de braamstruiken waar na een overwegend grijze dag inmiddels de late avondzon was doorgebroken en de avondschemer langzaam zijn intrede deed. In het donker terugfietsen naar Horst was daarna een feest. Het was weer een memorabele twitch geweest.
2 december 2015
Meer: Roodkeelnachtegaal
dinsdag 24 november 2015
Bosvilla te koop
Ik mag graag af en toe stad en land afreizen op zoek naar een of andere zeldzame vogel. En eerlijk gezegd is dat nog een fors understatement. Maar begin en einde van alles is wat mij betreft toch, gewoon de deur uitstappen, gewoon naar buiten gaan, op bezoek in je eigen achtertuin als het ware en je laten verrassen. Zonder enige verwachting vooraf, afwachten wat je overkomt. Eigenlijk is dat het mooiste. Jammer is alleen dat je dan maar zo zelden een zeldzame vogel ziet. In elk geval in mijn achtertuin.
Dat is wat ik gisteren deed: effe tussen de buien door de Gagelpolder in gefietst en het wandelrondje gedaan langs het oude broekbos, langs de stille wateren tussen het krioelend kreupelhout. Wat flarden riet, en zwermen sijsjes, honderden sijsjes. En even verderop weer winterse stilte. Het is een gebiedje dat ik inmiddels ken als mijn broekzak maar dat me juist daarom zo dierbaar is. Op weg naar huis nat geregend maar tussendoor wel maar liefst roerdomp, twee vuurgoudhaantjes, vrouw blauwe kiekendief en smelleken. Nee, je hoeft er niet altijd ver voor te reizen.
Omdat het gisterochtend stevig regende, was de zaterdagse trektelling uitgesteld tot vanmorgen. Het was de laatste telling van het seizoen en die wilde ik eigenlijk niet missen. Trektellen is ook zoiets: gewoon ergens gaan staan op een plek die inmiddels aanvoelt als je huiskamer, compleet met driezitsbank in ons geval, en afwachten wat er komen gaat. Onvoorspelbaar, afgezien van de vaste ijsvogel die zich altijd wel een keertje laat zien gedurende de twee-en-een-half uur die op het programma staat. Maar verder is het elke keer anders. Vandaag behoorlijk wat ganzen, een appelvink, twee grote gele kwikstaarten, een baltsende havik en daarnaast nog aardig wat trekkende kramsvogels, koperwieken en houtduiven, onder meer. Nog behoorlijk druk, voor zo diep in november.
Om daarna ook van mijn zondagmiddag nog wat moois te maken, de trein naar Zutphen genomen en daar de achterlanden in gefietst. Eerst voor toch maar weer een heuse twitch: waterspreeuw bij een stuw in de Berkel. Die gedroeg zich voorbeeldig want was bij aankomst meteen aanwezig, afwisselend in de stuw en foeragerend rond de dammetjes in de beek. Meestal dichtbij en soms zeer dichtbij: zo wil je ze altijd wel. Mijn laatste waterspreeuw was alweer meer dan vier jaar geleden dus het was een hele fijne.
Na de waterspreeuw weer terug naar het begin: lekker een middagje rondgefietst en stukjes gewandeld in de Achterhoekse achterlanden van Zutphen. Zonder verwachtingen: afwachten wat me zou overkomen. Velden en bossen. Bosranden, boomlanen, boomgroepjes midden in het veld, alles getooid in dat inmiddels wat versleten maar nog steeds mooie herfstkleed. Ruimte om je heen. Ook letterlijk: weinig mensen, weinig auto’s behalve als ik per ongeluk verzeild raakte langs de N346 naar Lochem, en meestal ook de bossen op enige afstand. Hoewel ik ook van bos hou, vind ik ze vooral fijn om van op afstand naar te kijken. Zeker op dit soort herfstige dagen.
In tegenstelling tot gisteren dus nu ergens waar ik het nog niet kende. Ook leuk. En dan zie je weer de eigenaardigheden die je in je eigen omgeving inmiddels over het hoofd ziet omdat je er zo aan gewend bent. Zo zag ik in de bosrand een bord staan: ‘te koop: bosvilla’, met op de achtergrond een vervallen boerenschuur. Weet niet of het zo bedoeld was, maar ik zag er de humor wel van in.
22 november 2015
Dat is wat ik gisteren deed: effe tussen de buien door de Gagelpolder in gefietst en het wandelrondje gedaan langs het oude broekbos, langs de stille wateren tussen het krioelend kreupelhout. Wat flarden riet, en zwermen sijsjes, honderden sijsjes. En even verderop weer winterse stilte. Het is een gebiedje dat ik inmiddels ken als mijn broekzak maar dat me juist daarom zo dierbaar is. Op weg naar huis nat geregend maar tussendoor wel maar liefst roerdomp, twee vuurgoudhaantjes, vrouw blauwe kiekendief en smelleken. Nee, je hoeft er niet altijd ver voor te reizen.
Omdat het gisterochtend stevig regende, was de zaterdagse trektelling uitgesteld tot vanmorgen. Het was de laatste telling van het seizoen en die wilde ik eigenlijk niet missen. Trektellen is ook zoiets: gewoon ergens gaan staan op een plek die inmiddels aanvoelt als je huiskamer, compleet met driezitsbank in ons geval, en afwachten wat er komen gaat. Onvoorspelbaar, afgezien van de vaste ijsvogel die zich altijd wel een keertje laat zien gedurende de twee-en-een-half uur die op het programma staat. Maar verder is het elke keer anders. Vandaag behoorlijk wat ganzen, een appelvink, twee grote gele kwikstaarten, een baltsende havik en daarnaast nog aardig wat trekkende kramsvogels, koperwieken en houtduiven, onder meer. Nog behoorlijk druk, voor zo diep in november.
Om daarna ook van mijn zondagmiddag nog wat moois te maken, de trein naar Zutphen genomen en daar de achterlanden in gefietst. Eerst voor toch maar weer een heuse twitch: waterspreeuw bij een stuw in de Berkel. Die gedroeg zich voorbeeldig want was bij aankomst meteen aanwezig, afwisselend in de stuw en foeragerend rond de dammetjes in de beek. Meestal dichtbij en soms zeer dichtbij: zo wil je ze altijd wel. Mijn laatste waterspreeuw was alweer meer dan vier jaar geleden dus het was een hele fijne.
Na de waterspreeuw weer terug naar het begin: lekker een middagje rondgefietst en stukjes gewandeld in de Achterhoekse achterlanden van Zutphen. Zonder verwachtingen: afwachten wat me zou overkomen. Velden en bossen. Bosranden, boomlanen, boomgroepjes midden in het veld, alles getooid in dat inmiddels wat versleten maar nog steeds mooie herfstkleed. Ruimte om je heen. Ook letterlijk: weinig mensen, weinig auto’s behalve als ik per ongeluk verzeild raakte langs de N346 naar Lochem, en meestal ook de bossen op enige afstand. Hoewel ik ook van bos hou, vind ik ze vooral fijn om van op afstand naar te kijken. Zeker op dit soort herfstige dagen.
In tegenstelling tot gisteren dus nu ergens waar ik het nog niet kende. Ook leuk. En dan zie je weer de eigenaardigheden die je in je eigen omgeving inmiddels over het hoofd ziet omdat je er zo aan gewend bent. Zo zag ik in de bosrand een bord staan: ‘te koop: bosvilla’, met op de achtergrond een vervallen boerenschuur. Weet niet of het zo bedoeld was, maar ik zag er de humor wel van in.
22 november 2015
zondag 15 november 2015
409: Legendevorming
Het was geen dag om te genieten, dat gevoel had je bijna de hele tijd. Parijs immers, gisteren … Misschien hadden we beter thuis kunnen blijven maar ja, vogel zat er nou eenmaal, woestijngrasmus maar liefst, zou mijn eerste lifer sinds een half jaar zijn dus thuisblijven was geen optie en trouwens, de afspraak was al gemaakt voordat duidelijk werd wat zich in Parijs allemaal had afgespeeld. Waar ik trouwens door thuis te blijven toch niets aan kon veranderen. Dat is natuurlijk de dooddoener van het jaar maar toch zat ik om half 9 met velen op de snelboot naar Terschelling, in het volle besef van hoe onbelangrijk deze gebeurtenis is in het licht van de wereldgeschiedenis en het algeheel menselijk lijden. Daarvan ben ik me overigens meestal toch al wel bewust. Zij het niet altijd op het moment zelf dat ik naar, bijvoorbeeld, een woestijngrasmus sta te kijken. Dan kan ik juist die wereldgeschiedenis en dat algeheel menselijk lijden zo volkomen onbelangrijk vinden.
Vooraf moet even iets worden gezegd over woestijngrasmus, voor een eventuele lezer die nog niet helemaal op de hoogte is.
Vroeger hadden we gewoon de woestijngrasmus. Nou ja, gewoon, bij ons superzeldzaam met twee gevallen in Nederland, een in 1988 en een in 1994. Een aantal jaren geleden werd deze gesplitst in de afrikaanse woestijngrasmus en zijn Aziatische neef, die gewoon woestijngrasmus mocht blijven heten. De laatste is een erkende lange-afstandstrekker die als dwaalgast heel af en toe in noordwest Europa opduikt. Beide Nederlandse gevallen betroffen deze Aziatische soort. De afrikaanse woestijngrasmus werd geacht een standvogel te zijn die heel zijn leven nauwelijks zijn broedgebied verlaat en toen juist deze soort een jaar geleden opdook bij Alphen aan den Rijn, leidde dat onder vogelaars niet alleen tot grote opschudding en dolle vreugde, maar ook tot discussies over herkomst van de vogel. Want dit was precies de verkeerde soort: een afrikaanse woestijngrasmus in Nederland, dat kon helemaal niet. Uiteindelijk concludeerde de CDNA dat het blijkbaar wel kon want hij zat er en er waren geen aanwijzingen voor herkomst uit gevangenschap.
En nu is daar ineens, op Terschelling, de goede soort woestijngrasmus opgedoken, voor het eerst sinds 1994 en dus voor zeer velen een nieuwe soort. En bovendien de kans om binnen een jaar beide soorten woestijngrasmus te zien te krijgen. Die verleiding kon ik in elk geval niet weerstaan.
Nog voor we de boot opgingen werd de vogel terug gemeld, wat leidde tot algehele opluchting. Maar ongeveer toen de boot aanmeerde in West, kwam de melding: vogel al een uur uit beeld. Wat leidde tot algehele onrust. Ter plaatse inderdaad volop zoekende mensen maar vooralsnog geen woestijngrasmus. Een vaag gerucht bracht ons samen rond een verlept plantenperkje voor de deur van het havenkantoor. Het vermoeden dat de vogel zich in dat perkje moest bevinden, werd voorlopig door de vogel niet bevestigd. Zowat honderd man rond een armzalige plantenbak van tien bij tien meter zonder een spoor van woestijngrasmus: dit was legendevorming van het formaat van een melkpak! Dit zouden we ons nog lang heugen.
Maar toen werden we uit ons lijden verlost: woestijngrasmus was weer in beeld, in een vlak ernaast gelegen, kaal geschoren rozenperkje. Wat volgde was een van de meest memorabele twitches die ik ooit heb meegemaakt. Om te beginnen haastte de voltallige meute zich naar het belendende perceel en al gauw kreeg vrijwel iedereen de vogel heel bevredigend in beeld. Heerlijk! Vogel was binnen, iedereen blij. Aanvankelijk hielden we allemaal netjes afstand maar al gauw bleek dat de vogel zelf zich niet aan onze gedragscode wenste te houden: hij vloog recht naar ons toe, dook zowat bij iemand tussen de voeten en ging foerageren tussen de lage rozenstruikjes pal naast ons. En daar ging hij het volgende uur mee door en van afstand was nu voorgoed geen sprake meer, want hij trok zich bij zijn werk helemaal niets aan van de meute die zich langs het perkje had opgesteld. Met als gevolg dat-ie af en toe op amper een meter afstand opdook, dat-ie bij iemand door de benen vloog (‘panna!’), dat-ie af en toe op amper een decimeter afstand van een cameralens kwam en dat de grootste lenzen noodgedwongen de meeste afstand namen omdat de vogel van zo dichtbij niet scherp in beeld te krijgen was. De vele waanzinnige close-ups en de foto’s waarin de vogel omringd is door vogelaars, die tot zoveel opschudding leidden op de diverse internetfora, waren dus niet het gevolg van vogelaars die te dicht bij de vogel kwamen, maar van een vogel die (te?) dichtbij de vogelaars kwam. Ik heb weleens vaker zeldzaamheden van dichtbij meegemaakt, ik herinner me de bairds strandloper op het strand van Meijendel een paar jaar terug, maar deze sloeg echt alles. Een keer kroop-ie letterlijk onder iemand langs, af en toe wrong-ie zich tussen de toeschouwers door en zelfs vleide hij zich op een gegeven moment tegen een warme hand aan alsof hij daarvan geen enkel gevaar te duchten had. Dat had-ie trouwens ook niet.
En intussen liet-ie zich aan iedereen fantastisch zien en konden we uitvoerig de relevante kenmerken vaststellen. Voor wie zich nog de vogel van Alphen aan den Rijn herinnert (en wie herinnert zich die niet?) waren de verschillen weliswaar subtiel maar overtuigend. De bovendelen waren niet warm geelbruin zoals destijds maar kouder grijsbruin, de middelste staartveren hadden een donker centrum, de tertials hadden donkere schachtstrepen en ook de handpennen waren donker. Het zal voor de CDNA vermoedelijk wel voldoende zijn voor aanvaarding als derde woestijngrasmus voor Nederland. En de eerste voor vele van de aanwezigen.
14 november 2015
Meer: Witkopgors
Vooraf moet even iets worden gezegd over woestijngrasmus, voor een eventuele lezer die nog niet helemaal op de hoogte is.
Vroeger hadden we gewoon de woestijngrasmus. Nou ja, gewoon, bij ons superzeldzaam met twee gevallen in Nederland, een in 1988 en een in 1994. Een aantal jaren geleden werd deze gesplitst in de afrikaanse woestijngrasmus en zijn Aziatische neef, die gewoon woestijngrasmus mocht blijven heten. De laatste is een erkende lange-afstandstrekker die als dwaalgast heel af en toe in noordwest Europa opduikt. Beide Nederlandse gevallen betroffen deze Aziatische soort. De afrikaanse woestijngrasmus werd geacht een standvogel te zijn die heel zijn leven nauwelijks zijn broedgebied verlaat en toen juist deze soort een jaar geleden opdook bij Alphen aan den Rijn, leidde dat onder vogelaars niet alleen tot grote opschudding en dolle vreugde, maar ook tot discussies over herkomst van de vogel. Want dit was precies de verkeerde soort: een afrikaanse woestijngrasmus in Nederland, dat kon helemaal niet. Uiteindelijk concludeerde de CDNA dat het blijkbaar wel kon want hij zat er en er waren geen aanwijzingen voor herkomst uit gevangenschap.
En nu is daar ineens, op Terschelling, de goede soort woestijngrasmus opgedoken, voor het eerst sinds 1994 en dus voor zeer velen een nieuwe soort. En bovendien de kans om binnen een jaar beide soorten woestijngrasmus te zien te krijgen. Die verleiding kon ik in elk geval niet weerstaan.
Nog voor we de boot opgingen werd de vogel terug gemeld, wat leidde tot algehele opluchting. Maar ongeveer toen de boot aanmeerde in West, kwam de melding: vogel al een uur uit beeld. Wat leidde tot algehele onrust. Ter plaatse inderdaad volop zoekende mensen maar vooralsnog geen woestijngrasmus. Een vaag gerucht bracht ons samen rond een verlept plantenperkje voor de deur van het havenkantoor. Het vermoeden dat de vogel zich in dat perkje moest bevinden, werd voorlopig door de vogel niet bevestigd. Zowat honderd man rond een armzalige plantenbak van tien bij tien meter zonder een spoor van woestijngrasmus: dit was legendevorming van het formaat van een melkpak! Dit zouden we ons nog lang heugen.
Maar toen werden we uit ons lijden verlost: woestijngrasmus was weer in beeld, in een vlak ernaast gelegen, kaal geschoren rozenperkje. Wat volgde was een van de meest memorabele twitches die ik ooit heb meegemaakt. Om te beginnen haastte de voltallige meute zich naar het belendende perceel en al gauw kreeg vrijwel iedereen de vogel heel bevredigend in beeld. Heerlijk! Vogel was binnen, iedereen blij. Aanvankelijk hielden we allemaal netjes afstand maar al gauw bleek dat de vogel zelf zich niet aan onze gedragscode wenste te houden: hij vloog recht naar ons toe, dook zowat bij iemand tussen de voeten en ging foerageren tussen de lage rozenstruikjes pal naast ons. En daar ging hij het volgende uur mee door en van afstand was nu voorgoed geen sprake meer, want hij trok zich bij zijn werk helemaal niets aan van de meute die zich langs het perkje had opgesteld. Met als gevolg dat-ie af en toe op amper een meter afstand opdook, dat-ie bij iemand door de benen vloog (‘panna!’), dat-ie af en toe op amper een decimeter afstand van een cameralens kwam en dat de grootste lenzen noodgedwongen de meeste afstand namen omdat de vogel van zo dichtbij niet scherp in beeld te krijgen was. De vele waanzinnige close-ups en de foto’s waarin de vogel omringd is door vogelaars, die tot zoveel opschudding leidden op de diverse internetfora, waren dus niet het gevolg van vogelaars die te dicht bij de vogel kwamen, maar van een vogel die (te?) dichtbij de vogelaars kwam. Ik heb weleens vaker zeldzaamheden van dichtbij meegemaakt, ik herinner me de bairds strandloper op het strand van Meijendel een paar jaar terug, maar deze sloeg echt alles. Een keer kroop-ie letterlijk onder iemand langs, af en toe wrong-ie zich tussen de toeschouwers door en zelfs vleide hij zich op een gegeven moment tegen een warme hand aan alsof hij daarvan geen enkel gevaar te duchten had. Dat had-ie trouwens ook niet.
En intussen liet-ie zich aan iedereen fantastisch zien en konden we uitvoerig de relevante kenmerken vaststellen. Voor wie zich nog de vogel van Alphen aan den Rijn herinnert (en wie herinnert zich die niet?) waren de verschillen weliswaar subtiel maar overtuigend. De bovendelen waren niet warm geelbruin zoals destijds maar kouder grijsbruin, de middelste staartveren hadden een donker centrum, de tertials hadden donkere schachtstrepen en ook de handpennen waren donker. Het zal voor de CDNA vermoedelijk wel voldoende zijn voor aanvaarding als derde woestijngrasmus voor Nederland. En de eerste voor vele van de aanwezigen.
14 november 2015
Meer: Witkopgors
woensdag 11 november 2015
Ondertussen in Limburg
Terwijl een beetje vogelaar vandaag natuurlijk in IJmuiden was, waar de hele dag een fraaie vale gierzwaluw rondvloog, of in Stavoren waar al een week een bruine boszanger zit, of anders wel in Kamperland waar zich sinds een paar dagen een dwerggors ophoudt, waren we met vogelwacht Utrecht in Zuid-Limburg. Omdat het daar zo mooi is. En des te mooier misschien nog wel, omdat het er herfst was, met alle kleurenpracht van dien. Net als overal in Nederland natuurlijk, net als ieder jaar om deze tijd, maar toch gewoon mooi.
We begonnen in de akkerlanden tussen Puth en Doenrade, waar op verschillende percelen het oude gewas nog op het veld staat. Speciaal voor de korenwolf, de met uitsterven bedreigde Limburgse hamster die zich thuis voelt tussen de vermolmde restanten van zomerse boerenglorie. Maar het zijn niet alleen de korenwolven die daarvan profiteren, maar meer nog de muizen die daar ongezien met tallozen rond wroeten tussen de half vergane overblijfselen. Al is profiteren in geval van die muizen wellicht niet zo’n gelukkige term. Het zijn vooral de buizerden die profiteren, en de torenvalken, die ene blauwe kiekendief en ook een prachtige velduil, die ijverig bezig waren om van die vermoedelijke overvloed aan muizen het hunne te nemen. Uiteindelijk waren het natuurlijk wij vogelaars die profiteerden. Vooral die velduil was geweldig; af en toe keek je hem diep in zijn gele ogen.
Ook allerlei zaad etende vogels profiteerden van de overvloed aan plantenresten op het veld. Veldleeuweriken, graspiepers, enkele riet- of geelgorzen maar vooral natuurlijk de grauwe gorzen. Want dit is al enkele jaren de enige plek in Nederland waar grauwe gorzen in enig aantal overwinteren, en die was dan ook de doelsoort van vanochtend. We moesten even zoeken maar tenslotte vonden we ze. Eerst een groepje in vlucht boven het koren dat daarna onzichtbaar in de vegetatie verdween. Maar daarna eentje die geruime tijd betrekkelijk vrij zichtbaar in een pol zat te snoepen van de gerstzaadjes. Door de telescoop levensgroot in beeld: dan wordt zelfs zo’n in beginsel toch tamelijk saaie grauwe gors een plaatje.
Tweede bestemming van de dag was de ENCI-groeve, in de Pietersberg vlak boven Maastricht. Inmiddels was het zo zonnig en zacht dat we zonder jas vanaf de parkeerplaats naar boven klommen, naar het vernieuwde uitzichtpunt op de rand van de groeve, waar we elkaar verdrongen achter de kijkgaten in de houten schutting die daar was aangebracht. Vroeger, ja vroeger, toen keek je nog gewoon met zijn allen over het prikkeldraad heen. Niet meer. Neemt niet weg dat we na enig zoeken de oehoe vonden, zo dichtbij als ik ‘m daar nooit eerder zag. Het was bijna Winterswijkiaans! Af en toe hief hij zijn kop en keken we ook deze uil diep in de in dit geval oranje ogen.
Tenslotte liepen we vanuit even voorbij Vijlen door het veld naar de Vijlenerbossen waar we een wandeling maakten langs en een stukje door het bos. Het was inmiddels stil in het bos en de enige spechten die we hoorden waren doorsnee grote bonte, en de enige boomkruipers waren gewone. Maar het was er zo mooi, zo heerlijk rustig het landschap om je heen, zo onverstoorbaar herfstig als het golfde beneden je, een heerlijke nadronk na een succesvolle dag.
8 november 2015
Meer Zuid Limburg: Pietersberg
We begonnen in de akkerlanden tussen Puth en Doenrade, waar op verschillende percelen het oude gewas nog op het veld staat. Speciaal voor de korenwolf, de met uitsterven bedreigde Limburgse hamster die zich thuis voelt tussen de vermolmde restanten van zomerse boerenglorie. Maar het zijn niet alleen de korenwolven die daarvan profiteren, maar meer nog de muizen die daar ongezien met tallozen rond wroeten tussen de half vergane overblijfselen. Al is profiteren in geval van die muizen wellicht niet zo’n gelukkige term. Het zijn vooral de buizerden die profiteren, en de torenvalken, die ene blauwe kiekendief en ook een prachtige velduil, die ijverig bezig waren om van die vermoedelijke overvloed aan muizen het hunne te nemen. Uiteindelijk waren het natuurlijk wij vogelaars die profiteerden. Vooral die velduil was geweldig; af en toe keek je hem diep in zijn gele ogen.
Ook allerlei zaad etende vogels profiteerden van de overvloed aan plantenresten op het veld. Veldleeuweriken, graspiepers, enkele riet- of geelgorzen maar vooral natuurlijk de grauwe gorzen. Want dit is al enkele jaren de enige plek in Nederland waar grauwe gorzen in enig aantal overwinteren, en die was dan ook de doelsoort van vanochtend. We moesten even zoeken maar tenslotte vonden we ze. Eerst een groepje in vlucht boven het koren dat daarna onzichtbaar in de vegetatie verdween. Maar daarna eentje die geruime tijd betrekkelijk vrij zichtbaar in een pol zat te snoepen van de gerstzaadjes. Door de telescoop levensgroot in beeld: dan wordt zelfs zo’n in beginsel toch tamelijk saaie grauwe gors een plaatje.
Tweede bestemming van de dag was de ENCI-groeve, in de Pietersberg vlak boven Maastricht. Inmiddels was het zo zonnig en zacht dat we zonder jas vanaf de parkeerplaats naar boven klommen, naar het vernieuwde uitzichtpunt op de rand van de groeve, waar we elkaar verdrongen achter de kijkgaten in de houten schutting die daar was aangebracht. Vroeger, ja vroeger, toen keek je nog gewoon met zijn allen over het prikkeldraad heen. Niet meer. Neemt niet weg dat we na enig zoeken de oehoe vonden, zo dichtbij als ik ‘m daar nooit eerder zag. Het was bijna Winterswijkiaans! Af en toe hief hij zijn kop en keken we ook deze uil diep in de in dit geval oranje ogen.
Tenslotte liepen we vanuit even voorbij Vijlen door het veld naar de Vijlenerbossen waar we een wandeling maakten langs en een stukje door het bos. Het was inmiddels stil in het bos en de enige spechten die we hoorden waren doorsnee grote bonte, en de enige boomkruipers waren gewone. Maar het was er zo mooi, zo heerlijk rustig het landschap om je heen, zo onverstoorbaar herfstig als het golfde beneden je, een heerlijke nadronk na een succesvolle dag.
8 november 2015
Meer Zuid Limburg: Pietersberg
dinsdag 3 november 2015
Mongolentwitch
Weer eens een klassieke twitch geprobeerd: mongoolse pieper in de Crezéepolder bij Ridderkerk. De dag tevoren gemeld als grote pieper maar ’s avonds ontmaskerd als de achtste (of negende of tiende) mongoolse pieper voor Nederland. Nogal een stukkie zeldzamer dan grote pieper dus, en zo bewees het internet weer eens zijn waarde. De volgende ochtend togen tientallen vogelaars naar deze uithoek van het land om een voor vele nieuwe soort te gaan scoren. Voor mij zou het overigens mijn tweede zijn, na de vogel van Woerden acht jaar geleden.
Met trein en vouwfiets was deze prima te doen, al dreigden onderweg eerst mist en daarna het vertrek van de vogel roet in het eten te gooien. Van mist bleek ter plaatse echter geen sprake en ik was nog maar net, na een korte aarzeling (plan B lag al klaar), in Zwijndrecht toch maar uit de trein gestapt toen de vogel alweer was teruggevonden. Met een gerust hart begon ik aan het fietstochtje naar de Crezéepolder.
Een verkeerde afslag leidde er toe dat ik aanvankelijk vanaf de dijk moest toekijken hoe beneden aan de overkant van de sloot een linie vogelaars omzichtig over het ruige grasland bewoog. Enkele keren zag ik de vogel opvliegen en even verderop weer verdwijnen: een forse, vrij donker ogende pieper in zware golvende vlucht. Nee, geen gras- of waterpieper leek me, maar grote was op basis hiervan natuurlijk niet uit te sluiten. Toen beneden een langdurige status quo leek aangebroken van vogelaars die probeerden een mongoolse pieper te vinden in een halfopen ruigtevegetatie en een mongoolse pieper die weigerde zich bloot te geven, heb ik me bij de vogelaars beneden gevoegd om actief aan die status quo deel te nemen. Die duurde echter nog geruime tijd voort; mijn bijdrage bracht daar geen verandering in. Uiteindelijk werd de vogel pas weer teruggevonden toen we ons heel voorzichtig in het terreintje waagden en hij van vlak voor ons opvloog. In golvende vlucht vloog hij dicht langs ons heen naar het hoge gras achter ons. Roepend! en dat was belangrijk want: mongoolse pieper! Die klinkt echt een beetje anders dan grote.
Intussen konden we van voren af aan beginnen, wat leidde tot een inmiddels bekend tafereel: een schare vogelaars die zich voorzichtig door het grasland bewoog en de vogel die uiteindelijk opvloog en verderop weer in het gras verdween. Nee, fraai was het misschien niet. Ter verdediging kunnen we aanwenden dat we echt ons uiterste best deden om opstoten te vermijden, om hem in beeld te krijgen voordat-ie er weer vandoor ging. Maar in het hoge gras was dat streven tamelijk kansloos. Dat lukte pas toen de pieper neerstreek aan de rand van hetzelfde stukje halfopen ruigte waar-ie eerder al gezeten had. Enkele tellen lang was-ie hier schitterend vrij zichtbaar, één moment zelfs vol in de telescoop, voor-ie naar achteren bewoog en weer in de vegetatie verdween. Nu hield iedereen afstand, in de hoop af en toe een glimp van hem op te vangen. Dat zal de meeste aanwezigen gelukt zijn, want af en toe was hij voor een stukje vrij zichtbaar, een kop, een snavel, een rug, en heel soms verenigden die stukjes zich tot een complete mongoolse pieper en klonk ons gekreun van genot en het klikken van tientallen camera’s.
Na afloop was het nog vroeg genoeg voor een stukje van plan B: met de trein naar Dordrecht Stadspolders, met de vouwfiets naar de Kop van ’t Land, overvaren en nog een paar uurtjes vogelen rond polder Hardenhoek. Het werd een schitterende, bijna lenteachtige middag met veel zon en zingende cetti’s zangers. Van die laatste ook eentje aardig gezien. En tussen de vele eenden op het water werd me ook nog de amerikaanse wintertaling aangewezen die hier al een tijdje aanwezig is. Nou is een wintertaling al een heel aardig eendje en als-ie dan ook nog een staand wit streepje heeft in plaats van een liggend, is het helemaal feest. Verder waren de wateren boordevol wintertalingen, smienten, pijlstaarten, bergeenden, wilde eenden, krak- en slobeenden, grauwe en brandganzen, kieviten, groepjes goudplevieren en een paar kleine zwanen en grote zilverreigers. En toen daaronder een massale en luidruchtige paniek uitbrak, was het feest compleet: zeearend was gearriveerd en vloog met bedaarde vleugelslag tussen de opgewonden vogelscharen door. Dat maakte deze dag helemaal af.
1 november 2015
Met trein en vouwfiets was deze prima te doen, al dreigden onderweg eerst mist en daarna het vertrek van de vogel roet in het eten te gooien. Van mist bleek ter plaatse echter geen sprake en ik was nog maar net, na een korte aarzeling (plan B lag al klaar), in Zwijndrecht toch maar uit de trein gestapt toen de vogel alweer was teruggevonden. Met een gerust hart begon ik aan het fietstochtje naar de Crezéepolder.
Een verkeerde afslag leidde er toe dat ik aanvankelijk vanaf de dijk moest toekijken hoe beneden aan de overkant van de sloot een linie vogelaars omzichtig over het ruige grasland bewoog. Enkele keren zag ik de vogel opvliegen en even verderop weer verdwijnen: een forse, vrij donker ogende pieper in zware golvende vlucht. Nee, geen gras- of waterpieper leek me, maar grote was op basis hiervan natuurlijk niet uit te sluiten. Toen beneden een langdurige status quo leek aangebroken van vogelaars die probeerden een mongoolse pieper te vinden in een halfopen ruigtevegetatie en een mongoolse pieper die weigerde zich bloot te geven, heb ik me bij de vogelaars beneden gevoegd om actief aan die status quo deel te nemen. Die duurde echter nog geruime tijd voort; mijn bijdrage bracht daar geen verandering in. Uiteindelijk werd de vogel pas weer teruggevonden toen we ons heel voorzichtig in het terreintje waagden en hij van vlak voor ons opvloog. In golvende vlucht vloog hij dicht langs ons heen naar het hoge gras achter ons. Roepend! en dat was belangrijk want: mongoolse pieper! Die klinkt echt een beetje anders dan grote.
Intussen konden we van voren af aan beginnen, wat leidde tot een inmiddels bekend tafereel: een schare vogelaars die zich voorzichtig door het grasland bewoog en de vogel die uiteindelijk opvloog en verderop weer in het gras verdween. Nee, fraai was het misschien niet. Ter verdediging kunnen we aanwenden dat we echt ons uiterste best deden om opstoten te vermijden, om hem in beeld te krijgen voordat-ie er weer vandoor ging. Maar in het hoge gras was dat streven tamelijk kansloos. Dat lukte pas toen de pieper neerstreek aan de rand van hetzelfde stukje halfopen ruigte waar-ie eerder al gezeten had. Enkele tellen lang was-ie hier schitterend vrij zichtbaar, één moment zelfs vol in de telescoop, voor-ie naar achteren bewoog en weer in de vegetatie verdween. Nu hield iedereen afstand, in de hoop af en toe een glimp van hem op te vangen. Dat zal de meeste aanwezigen gelukt zijn, want af en toe was hij voor een stukje vrij zichtbaar, een kop, een snavel, een rug, en heel soms verenigden die stukjes zich tot een complete mongoolse pieper en klonk ons gekreun van genot en het klikken van tientallen camera’s.
Na afloop was het nog vroeg genoeg voor een stukje van plan B: met de trein naar Dordrecht Stadspolders, met de vouwfiets naar de Kop van ’t Land, overvaren en nog een paar uurtjes vogelen rond polder Hardenhoek. Het werd een schitterende, bijna lenteachtige middag met veel zon en zingende cetti’s zangers. Van die laatste ook eentje aardig gezien. En tussen de vele eenden op het water werd me ook nog de amerikaanse wintertaling aangewezen die hier al een tijdje aanwezig is. Nou is een wintertaling al een heel aardig eendje en als-ie dan ook nog een staand wit streepje heeft in plaats van een liggend, is het helemaal feest. Verder waren de wateren boordevol wintertalingen, smienten, pijlstaarten, bergeenden, wilde eenden, krak- en slobeenden, grauwe en brandganzen, kieviten, groepjes goudplevieren en een paar kleine zwanen en grote zilverreigers. En toen daaronder een massale en luidruchtige paniek uitbrak, was het feest compleet: zeearend was gearriveerd en vloog met bedaarde vleugelslag tussen de opgewonden vogelscharen door. Dat maakte deze dag helemaal af.
1 november 2015
Abonneren op:
Posts (Atom)
