Een rustige, meest droge en overwegend zonnige winterdag: hoe lang hebben we dat al niet meer meegemaakt? Vrieskoud, ijs op de sloten, wittig ijsschraapsel tegen gele rietwaaiers, dan kan het een gewone doordeweekse dinsdag zijn, dan moet ik er een paar uurtjes op uit. In de Bethunepolder, in een rijtje knotwilgen bij een boerderij langs de Bethuneweg, zat een steenuil. Toch? Of toch niet? Half verscholen op een uitstekende stomp, was dat er nou een of toch alleen maar een raar gevormd stuk hout? Ja, dat is hoe je wel vaker een steenuil ziet.
Het was soort nummer 103 dit jaar. Daarmee heb ik het totale aantal soorten geëvenaard dat ik zag in heel 1974. Ja, dat is heel lang geleden en ja, dat gebeurt ieder jaar ergens half januari. Niets nieuws onder de zon. In een maand zie ik tegenwoordig meer dan destijds in een heel jaar, de tijden zijn veranderd. Ik ben veranderd. Destijds dertien jaar oud, onwetend van wat anderen zagen, gewoon gelukkig met wat ik zag. Toppereend, nonnetje, keep, zomertaling, roerdomp, allemaal voor het eerst. (Niet allemaal in januari overigens.) Tegenwoordig ben je voortdurend op de hoogte, als je wilt, van alles wat waar dan ook in Nederland gezien wordt, en ook daarbuiten trouwens. Een zegen natuurlijk, alle leuke soorten die je daardoor kunt meepikken! Maar wat een gedoe ook. Dat je niet meer weet welke te gaan doen. Moet je nou naar die dwerggors bij Vlaardingen? Maar dan mis ik die humes bladkoning in Purmerend. Of de kleine alk in Vlissingen? Te combineren met kuifaalscholver en rosse franjepoot en met een beetje geluk ook nog grote burgemeester dus een heel aantrekkelijke optie, hoewel niet op een doordeweekse dinsdag want dat is me te duur. Dat soort expedities bewaar ik voor het weekend want dan reis ik gratis. Maar we hebben maar één weekend per week.
Soms heb ik daar gewoon effe geen zin in. Ga ik liever weer ouderwets onwetend de polder in en merk ik wel wat ik daar tegenkom. Gewoon gelukkig zijn met wat ik zie. Kolganzen, een toendrarietgans, cetti’s zanger, en dus die steenuil. Alleen dat onwetend, dat is er tegenwoordig helaas niet meer bij.
17 januari 2023
Door een wat ongelukkige samenloop van omstandigheden was er uiteindelijk slechts één auto beschikbaar, zodat we met slechts vijf in een volgeladen conserven op pad gingen. Later voegden zich nog twee personen bij ons zodat uiteindelijk zeven mensen op deze tweede zondag van het jaar namens vogelwacht Utrecht op audiëntie gingen bij de Zuidpier van IJmuiden. Het was een zeldzaam mooie winterdag, met volop zon maar wel ook met een forse zuidwestenwind zodat het betreden van de pier een hachelijke onderneming leek. Dat viel uiteindelijk nogal mee. Zonder kleerscheuren of ander ongerief bereikten we het vuurtorentje aan de punt van de pier. En hadden toen al zulke karakteristieke soorten als steenlopers, paarse strandloper en oeverpieper gezien, de heilige drie-eenheid van de Zuidpier. Over zee een paar roodkeelduikers, op het strand dichte drommen drieteenstrandlopers en in de jachthaven dodaars.
Veel pap dus, maar weinig krenten vandaag, al waren er wel een paar handenvol soorten waar je amper een week geleden nauwelijks nog naar omkeek maar die nu toch mooi stonden op de nieuwe jaarlijst. Want de jaarlijst, dat is toch waar we het allemaal om doen. Of niet soms?
Mooi waren de drieteenmeeuwen die af en toe aardig dichtbij kwamen aan de punt van de pier, want dat zijn gewoon hele mooie meeuwtjes, dat hoef ik hier niet uit te leggen. Mooi waren ook die paar alken die zich af en toe uitstekend lieten zien. Meer alken dan zeekoeten vandaag, wat niet bepaald gebruikelijk is. Mooi was ook de man zwarte zee-eend die aan het begin van de pier pal onder ons vlak langs de kade dreef. Geen topsoorten natuurlijk, maar wel soorten waarmee je op de tweede zondag van het jaar thuis kunt komen. Dat we blijkbaar de kleine alk over het hoofd hadden gezien die later gemeld werd tussen de pieren, ach … En dat we de kuifaalscholver niet konden vinden die gezien was op het forteiland, een kniesoor … Met een prettig gevoel keerden we vroeg in de middag huiswaarts.
8 januari 2023

We hadden een spetterende afsluiting van het oude jaar in gedachten: een dagje Zeeland, met onder andere grijze wouw en kleine alk in de planning. Maar het liep niet echt van een leien dakje. We kregen het niet cadeau, zeg maar. We moesten er hard voor werken en de opbrengst was niet altijd navenant. Tijdens deel 1 van onze zoektocht naar grijze wouw bij Renesse hielden we het tenminste nog droog. Wel was het al grijs en woei er een frisse wind. En wat erger was: van grijze wouw geen spoor. Zicht op een wat verschraald ogend veld met een paar wulpen en een bosrand waar een sierlijk torentje bovenuit stak, maar niets dat zich vertoonde, voldeed aan onze wensen. Kokmeeuw, blauwe kiekendief, kleine zilverreiger.
Toen we in de buitenhaven van Vlissingen op zoek waren naar kleine alk, regende het inmiddels. Dat hadden we natuurlijk zien aankomen maar mede door de harde wind voelde die regen venijniger dan we gehoopt hadden. En wat erger was: van kleine alk geen spoor. Zo dreigde deze zoektocht al even vruchteloos te worden als de vorige. Speuren over het wilde water leverde slechts een roodkeelduiker, een dodaars en een dwergmeeuw op. Totdat we op het punt stonden de telescopen weer in te klappen en onze tweede dip van de dag te incasseren: ineens zwom-ie daar. Weliswaar vrij ver aan de overkant van de haven maar ondanks de harde wind en de flinke golfslag toch af en toe aardig zichtbaar.
Toen we in Dishoek op zoek waren naar siberische braamsluiper was het inmiddels weer bijna droog. Af en toe viel er nog wat lichte miezer. Ook deze werd weer een zware bevalling en toen we na geruime tijd zoeken de vogel eindelijk een paar keer in een flits in beeld kregen, was daar voor de meeste van ons maar weinig aan te zien.
Maar goed, toch twee uit drie. En toen grijze wouw weer gezien bleek, gloorde er zelfs alsnog een honderd procent score. Dus opnieuw naar de parallelweg langs de N652 tegenover slot Moermond bij Renesse, waar we opnieuw uitkeken over het wat verschraald ogende veld met een paar wulpen en een bosrand waar een sierlijk torentje bovenuit stak. Maar hoe hard we ook zochten, ook nu geen spoor van grijze wouw. Via de Brouwersdam keerden we huiswaard. Onderweg streken we nog wat middelste zaagbekken, een paar grijze zeehonden en twee kanoeten op. Dat later bleek dat juist toen de wouw weer gezien was, namen we ter kennisgeving aan. Met twee uit drie hadden we op papier een zeer behoorlijk resultaat behaald.
30 december 2022
Ps: men had misschien, gezien mijn nieuw verworven vermogens, een paar fijne foto’s bij mijn blog verwacht maar nee, dat zat er gezien de omstandigheden niet in.
Sinds kort ben ik in het bezit van een adapter, zo’n tussenstuk om je telefoon aan te sluiten op je telescoop, zodat je heel eenvoudig met je telefoon foto’s kan maken door je telescoop. Ik hoop niet nu ook zo’n fotograferende vogelaar te worden, zo iemand die alleen maar bezig is met een plaatje maken en nauwelijks de tijd neemt om zelf te kijken. Zo iemand voor wie een vogel alleen telt als die op de foto staat, die een lijst bijhoudt van alle vogels die hij op de foto heeft, die eerst een foto maakt en dan aan anderen vraagt wat er op de foto staat. Voor je het weet wordt dit een fotoblog waarin de tekst slechts illustratie is bij de foto in plaats van omgekeerd. Dat is niet de bedoeling. Maar af en toe eens een best wel geslaagde foto ter illustratie van mijn vertelsels, in plaats van de vage plaatjes tot nu toe, dat zou natuurlijk leuk zijn. Al zullen ze nog steeds nooit het niveau halen dat je soms wel ziet op internet. Dat vergt een iets grotere investering.
Dus maar eens wat gaan proberen. Dat viel aanvankelijk nog niet mee. Het eerste wat ik ontdekte, was dat mijn wat wiebelige, sterk verouderde statief met lamme poten en instabiele kop, nu ineens heel dringend aan vervanging toe was. Alleen kijken, dat ging met wat behelpen nog wel, maar als je, nadat je de vogel mooi in beeld hebt gezet, die na het aanbrengen van de adapter ineens niet terug kunt vinden omdat de telescoop bij de minste aanraking verschuift en als het daarna soms vrijwel onmogelijk is om hem weer terug te vinden, en als het sowieso door de uitbundige trillingen alleen al bij de lichtste aanraking om de foto te maken, nauwelijks mogelijk is een enigszins scherpe foto te maken, dan gaat er iets niet helemaal goed. En dat is zonde van mijn nieuwe aanwinst. Dus bij de adapter kwam een nieuw statief, aanzienlijk duurder dan de adapter maar daar was ook zonder die adapter langzamerhand wel reden voor. En nu, met adapter en goed statief, plus al een klein beetje meer ervaring dan in het begin (zo heb ik ontdekt dat je de telscoop op ‘brilstand’ moet zetten, met de ring om het oculair omlaag gedraaid zodat de telefoon veel dichter bij de lens zit), nu lukt het ineens wel. Zie bijgaande foto’s van de koereiger die sinds een week aanwezig is op de Uithof, of zoals dat tegenwoordig heet: het Utrecht Sciencepark, bij Utrecht.
24 december 2022



Een fijne excursie met vogelwacht Utrecht naar de Oostvaardersplassen vandaag. In relatief korte tijd best veel gezien. Leuke soorten, mooie waarnemingen. Steenkoud, dat ook, waardoor al vrij vroeg de animo op was en we huiswaarts keerden, en ik ook nog op tijd thuis was voor de verboden finale die ik achteraf eerlijk gezegd niet graag had willen missen. Maar daarover elders.
Toen we op de Grote Praambult de auto uitstapten en de telescopen richtten, konden we meteen de zeearenden tellen. Eentje ver weg op een bult, eentje ver weg in een kale boom en kijk, daar kwamen er twee ver weg aanvliegen. Allemaal ver weg, maar evengoed indrukwekkend. Zeearend wordt er op afstand niet minder indrukwekkend op. Misschien wel in tegendeel. Even later zagen we er twee bij elkaar in een verre kale boom. Twee andere? Of de twee die we zojuist hadden zien vliegen? Ik houd het voor de zekerheid maar op vier stuks. Een vrouwtje blauwe kiekendief hing ook in de buurt rond. We ontdekten de ruigpootbuizerd die hier de afgelopen dagen was gesignaleerd. Geruime tijd zagen we hem bidden boven het verre veld en enige tijd nam hij plaats op een paal aldaar. Ja, het uitzicht is hier zo weids, zo ver, dat verreweg het meeste wat je ziet ver weg is. Ook de smelleken, afwisselend rustend in boom of struik of rondvliegend in wilde jachtvlucht, was vrij ver, maar desondanks erg mooi te zien. Met zijn tengere gestalte schoot hij steil omhoog en dook weer steil omlaag en enige tijd had hij het aan de stok met mevrouw kiekendief. Het was al met al best een spectaculair begin van de excursie. Veel beter kon het niet worden.
Bij de Kleine Praambult werden we vergast op een schitterende waterral, op slechts enkele meters afstand in de slootkant. Verder opnieuw enkele vrij verre zeearenden, en een vos op het ijs. Aan de andere kant van de Praamweg gingen we op zoek naar baardmannetjes. Die vonden we, maar meer dan een korte flits en het bekende getinkel kregen we niet van ze mee.
Beetje herhaling van zetten in kijkhut de Zeearend: een paar zeearenden en een paar blauwe kiekendieven. Van die laatste vloog onder andere een vrouwtje mooi dichtbij langs terwijl we ver weg ook een mannetje zagen. Je kreeg al met al het idee dat we de excursie ook met een uurtje op de Grote Praambult hadden kunnen afdoen. Al hadden we dan wel de mooie klapekster gemist in de woestenij op weg naar de hut, en de langs vliegende houtsnip.
We sloten af aan het Nijkerkernauw, waar we op zoek gingen naar de ijsduiker aldaar. Die was er niet meer. Gevlucht voor het ijs? Wel dichtbij een mooie ijsvogel, liefst twee waterrallen die zich mooi blootgaven, een vrouwtje pijlstaart op het ijs en een paar dodaarzen. En ver weg in een paar wakken enkele grote zaagbekken en wat brilduikers.
18 december 2022
Iets kleins en bruins, even zichtbaar tegen een boomstam. Ik herinner me nog de tijd dat ik daarvan zeer opgewonden raakte. Boomkruiper! Die moest ik zien. En al duurde het een half uur, ik bleef daar staan speuren tot ik hem in beeld had. Niet meer. Af en toe denk ik met een zekere weemoed terug aan die dagen dat ik nog onder de indruk kon zijn van iets zo eenvoudigs. Nu kijk ik nog even of-ie tevoorschijn komt maar fiets al gauw door. Boomkruiper, dat komt een ander keertje wel weer. Over boomkruiper maken we ons niet meer druk.
Waar we ons dezer dagen wel druk over maken, hier in Utrecht en omstreken, is bruine boszanger. Al enkele weken zit er eentje in de struiken langs een fietspad in de Gagelpolder. Wat natuurlijk betekent dat we ons daar ook niet meer al te druk om maken. Als ik weinig tijd heb en ik sta er een kwartiertje zonder het beestje te kunnen vinden, denk ik: laat maar, die komt een volgende keer wel weer. Aan de inflatie komt uiteindelijk nooit een einde.
Als ik er wat langer sta, vind ik hem altijd wel weer terug, als anderen dat niet al voor me gedaan hebben. Op een keer hoor je hem ergens roepen, een zacht maar opvallend geluidje dat je zou kunnen omschrijven als ‘tsjak’ als er niet zoveel vogels zijn die een soort van ‘tsjak’ roepen. De verschillen zijn te subtiel om in letters te kunnen vangen maar dit ‘tsjak’ klinkt toch anders dan de doorsnee ‘tsjak’-roepjes die we kennen. Bovendien zit er in de struikjes daar momenteel niets anders dat een soort van ‘tsjak’ roept. En als je dan een tijdje wacht en speurt in de richting van waar je het geluidje hoort, krijg je hem eigenlijk altijd wel op een keer te zien. Soms vluchtig achterin in de struikjes, soms schitterend helemaal vrij op slechts enkele meters in het braamstruweel. Een klein, bruin vogeltje dat uitblinkt in zijn onopvallendheid maar dat, zoals bijna altijd bij zulke vogeltjes, als je hem goed bekijkt het aanzien meer dan waard is. Dan zie je dat kenmerkend koppatroon met opvallende zwartachtige oogstreep en lichte wenkbrauwstreep. Dan zie je de vaal geelachtige pootjes en ach, dan zie je gewoon een schattig vogeltje dat druk doende is zijn kostje bij elkaar te scharrelen aan insectjes, larfjes en luizen en wat al niet dat zich ook in deze winterse tijden nog ophoudt in de dichte vegetatie daar langs het fietspad.
Behalve schattig is het vogeltje ook zeldzaam. Afkomstig van hele verre streken, diep in Siberië. In de winter hoort-ie in zuidoost Azië thuis. Allemaal heel ver hier vandaan. En al duiken er desondanks jaarlijks wel een paar in Nederland op, je staat toch te kijken als je zoiets in je eigen omgeving tegenkomt.
15 december 2022
Meer uit het Utrechtse: Slangenarend in Utrecht
De donkere dagen voor kerst, langzamerhand de laatste dagen van het jaar. Ze zijn grijs en somber, zoals natuurlijk te verwachten was, de donkere dagen … immers. Het is laat licht en het is vroeg weer donker. Weinig zon, in alle opzichten. Het licht is meestal schemerig, af en toe flakkert een zeldzame zonnestraal door het wolkendek die fletse herfstkleuren doet oplichten. Herfstkleuren die er natuurlijk allang niet meer zouden moeten zijn.
Voor een bepaald soort vogelaars is het tijd om de jaarlijst zo’n beetje te gaan afronden. Om de laatste nog opvulbare gaatjes op te vullen. Voor veel soorten is het inmiddels te laat maar we kunnen er nog net een paar binnen harken.
Tijd dus voor een dagje jaarlijsttwitchen.
Daartoe vandaag naar Schiedam. In eerste instantie vanwege witoogeend in het Beatrixpark. Eigenlijk was dat maar bijvangst, mooi meegenomen want vlakbij het station. Maar stiekem wel een soort die ik al een paar jaar niet gezien had, dus dat kwam mooi uit. Hij was gauw gevonden en zat er mooi bij. Dat was plus een, wat de jaarlijst betreft.
Maar Schiedam was vooral startpunt voor mijn expeditie kleine rietgans. Daarvoor moet je door de polders richting Schipluiden. Koud, maar weinig wind. Onderweg al wat groepjes kolganzen afgespeurd, vergeefs. Wel één toendrarietgans. Maar voor kleine rieten moet je toch voorbij Schipluiden zijn, in de Duifpolder. Het was weer even zoeken, altijd langer dan je lief is. Aanvankelijk slechts groepen grauwe ganzen met canadese ganzen, altijd rijkelijk vertegenwoordigd in deze streken. En kolganzen natuurlijk. Maar tenslotte, langs het Gaagpad, langs de N468, vond ik ze. Prachtig dicht langs het fietspad, een paar honderd bij elkaar. Plus twee voor de jaarlijst.
Ik vind het hele mooie gansjes, kleine rietgans. Tijdje naar ze staan kijken en me afgevraagd: waarom vind ik ze toch zo mooi? Wat maakt deze gansjes zo apart, zo onmiskenbaar? Die vraag is nog helemaal niet zo gemakkelijk te beantwoorden. Je vervalt al gauw in van die vage, moeilijk te kwantificeren kenmerken als compact, kort nekje en een kort, stomp snaveltje. Dat klopt allemaal wel, maar je moet ze eerst zien om het te zien. Wat in ieder geval altijd aan ze opvalt, is die fijne, grijzige tint op de rug, alsof ze met een laagje vernis bespoten zijn. De koppen zijn donker en borst en zijhals hebben bij het juiste licht een apart, beetje kaneelkleurig tintje.
Ja, je moet ze zien om het te zien, maar dan zijn ze mooi, vind ik.
Het zijn niet de zaken waar je, als je aan het eind van het jaar de balans opmaakt, het eerst aan terugdenkt, of hooguit omdat ze het kortst geleden zijn, maar toch, het waren een paar genoeglijke uurtjes in de Zuid Hollandse kou.
11 december 2022