zaterdag 18 februari 2017

Totaal onbelangrijk

Twee weken lang was-ie onbelangrijk. Ach, zo’n eend … Dan besluit je hem toch maar eens op te gaan zoeken, en dan is-ie ineens enorm belangrijk geworden. Want ja, dan wil je hem hebben ook. Je wilt niet voor niks de trein naar Voorhout genomen hebben, niet voor niks die luttele kilometers gefietst hebben naar de Leeweg, halverwege Noordwijk. Dus ruim een uur staan uitkijken over kale akkers en een brede sloot met smienten, krakeenden ook, en holenduiven op het land, een grote zilverreiger en zingende veldleeuwerik. Dat laatste moet met lichte opwinding gelezen worden want zingende veldleeuwerik! Amper februari en het wordt alweer lente. Maar geen siberische taling, zeldzame dwaalgast uit het verre noordoosten. Of ontsnapte kooivogel natuurlijk, voorlopig houd ik het nog op een ontsnapte kooivogel.
Effe naar Noordwijk, naar de Coepelduynen aldaar, voor een taigaboomkruiper. Ook al uit het noordoosten, maar veel minder ver en dus veel minder zeldzaam. Mooi stukje binnenduinland, zingende boomleeuweriken en uiteindelijk fraai de taigaboomkruiper gezien, foeragerend langs boomstammen. Zeer wit van onderen, een giga wenkbrauwstreep en de juiste vorm van het trapje. Ook roepje gehoord. Nou is het met dat roepje lastig gewone boomkruiper helemaal uit te sluiten. Wit van onderen en wenkbrauwstreep sluiten die ook nooit helemaal uit en het trapjeskenmerk is in levende lijve moeilijk met zekerheid vast te stellen. Gelukkig liep er ook een fotograaf rond en die had mooie foto’s gemaakt: trapjeskenmerk onmiskenbaar. Dus inderdaad taigaboomkruiper.
Terug naar de plek van de taling: situatie ongewijzigd. Nog steeds spiedende vogelaars. Nog steeds smienten en krakeenden en holenduiven maar nog steeds geen sibtaling. Nog een dik uur aan besteed maar het mocht niet zijn vandaag. Althans, niet wat betreft siberische taling. Terug naar Voorhout maar weer.
Nou ja, eenmaal thuis is het toch weer gewoon maar een eend. Waarschijnlijk een ontsnapte kooivogel. Totaal onbelangrijk.

18 februari 2017


Meer dips: https://guuspeterse.blogspot.com/2017/04/de-zwakste-schakel.html

dinsdag 14 februari 2017

Weekend

Het was me weer het weekend! Dat begon al vrijdag. Ja, voor mij begint het weekend op vrijdag, min of meer mijn vaste dag voor effe heen en weer, tussen de huishoudelijke verplichtingen door. Vroeger heette dat pappadag, inmiddels zijn de dochters daar al vele jaren te oud voor. Dat betekent des te meer ruimte voor effe heen en weer. Dit keer verleidde de melding van enkele europese kanaries in Rhenen me tot effe heen en weer naar dit oude stadje aan de Nederrijn. Het was overigens mijn tweede poging, wat betreft eurokanaries: twee weken terug stond ik twee uur vergeefs te wachten / liep ik twee uur vergeefs te zoeken in een buitenwijk van Ede, enkele kilometers verderop. Deze plek was veel mooier: wat oude, half ommuurde tuinrestanten in de schaduw van de overigens stevig ingepakte Cuneratoren en aan de rand van de uiterwaarden langs de rivier. Er was een bultig grasveldje, enkele statige lindebomen en een ruig veldje met bossen uitgebloeide bijvoet. En daar vond ik bijna meteen de kanaries. Later zaten ze ook af en toe in de bomen en brachten daar zelfs aarzelend hun rinkelende gezang ten gehore. Het was een bijna intiem moment, ik en die kanaries omgeven door dat oeroude stukje Europa, omgeven ook door mensen, weliswaar onzichtbaar want het oogde verlaten op deze plek als een decor van de middeleeuwen, maar er woonden in dat decor ook echte mensen, mensen die hier hun thuis hadden, hoe onvoorstelbaar dat ook leek.

De zaterdag werd gekleurd door sneeuw, en door een prachtige groep pestvogels in De Bilt. Zo’n groep die, voor zover ze niet in de omringende kale bomen zaten toe te kijken tot enkele al te opdringerige vogelaars en/of fotografen (daar wil ik vanaf zijn) weer gepaste afstand hadden genomen, scharrelden in het struikgewas en bungelden aan de twijgen en intussen vlijtig bezig waren de vruchten te plukken van dat struikgewas. Ik besteedde er een uurtje aan en dat dat was een bijzonder aangenaam uurtje, kan ik u verzekeren.

En vandaag waren we op excursie met vogelwacht Utrecht. Een bitterkoude winterdag. Het had volop gesneeuwd afgelopen nacht. Dat betekende een sprookjesachtige, witte wereld om ons heen, maar ook af en toe acrobatische toeren, zowel op de fiets op weg naar de verzamelplaats als in de auto op smalle, besneeuwde weggetjes in de polders rond Strijen, met kuilen en gaten en steile oevers die voerden naar koude sloten. Om ons heen nog een ongerept wit winterlandschap waarin overigens slechts spaarzaam wat groepjes ganzen en zeker niet de dwerggansjes waar we naar op zoek waren. Maar wel een smelleken, eerst fraai op de besneeuwde akker en daarna voor ons langs over het land vliegend om te eindigen op een slootkant aan de andere kant van de weg. En die smelleken maakte met name één van de excursanten bijzonder gelukkig. Tenslotte vonden we ook de dwergganzen, op de plek waar ze zich blijkbaar al dagen lang ophouden, maar die zaten er niet erg appetijtelijk bij. Ver weg, matig licht, ternauwernood herkenbaar, nee, het hoogtepunt van de dag zouden ze niet worden.
Ik was, na mijn succesvolle ondernemingen op vrijdag en zaterdag, bereid vandaag genoegen te nemen met één goede soort, het was de vraag of de dwergganzen daartoe al mochten dienen, en verder lekker te gaan genieten van soorten die hier wat gebruikelijker zijn maar die we in onze eigen regio met een lantaarntje moeten zoeken. En dan meestal nog niet vinden kunnen. Het is een wat moeizame indeling. Behoorde de smelleken tot die laatste categorie? Of was dat toch al die ene goede soort waar ik naar op zoek was? En die zwarte zeekoet? Na enig zoeken hadden we die al vrij gauw gevonden langs de Brouwersdam, en natuurlijk: een hele goede soort. Maar toch ook een soort die hier wel gebruikelijk is de laatste jaren: het is alweer het vierde opeenvolgende jaar dat we die hier aantreffen. Het mocht de pret niet drukken: het blijft een hele goede soort. Tot de tweede categorie behoren in ieder geval de middelste zaagbekken. Maar die zijn natuurlijk wel zo fraai dat iedere miza, zoals ingewijden hem noemen, enige momenten van toewijding waard is. En er zaten er heel wat langs de dam, zodat het onvermijdelijk was dat vele daarvan niet de toewijding kregen die ze verdienden.
Het was ouderwets koud op de Brouwersdam, en de zee oogde op het eerste gezicht ouderwets leeg. Het tweede gezicht is hier altijd beter: na de zeekoet vonden we ook al gauw de eerste roodkeelduiker, de eerste zwarte zee-eend, de eerste kuifduiker, de tweede roodkeelduiker, de derde roodkeelduiker enzovoorts. We ontdekten ook een parelduiker. Dat wil zeggen: af en toe zag iemand even een duiker boven water waarvan hij of zij dacht dat het ‘m was maar die steeds weer onder water verdwenen was voordat iemand het kon bevestigen. Ik zeg dat overigens zonder enige scepsis want zelf zag ik hem twee keer net zo kort maar, vooral de tweede keer, duidelijk genoeg: contrastrijke kop met donkere kopkap en ogen die niet vrij in het wit lagen maar schuil gingen in de donkere kap; snavel recht tot iets naar beneden neigend en opvallende witte dijvlek.
Verder langs de dam volop van die soorten die hier weliswaar gebruikelijk zijn maar die we in onze eigen regio met een lantaarntje moeten zoeken. IJseenden, dit jaar talrijker dan ooit langs de dam. Zilverplevieren, rotganzen, eiders, paarse strandlopers, genoeg te genieten.
Aan de overkant, op Schouwen Duiveland, oogde het inmiddels een stuk minder wit, een stuk minder winters. Je voelde het er niet aan af maar blijkbaar was er toch enige dooi gaande. Een zoektocht rond de Stolpweg leverde geen resultaat op waarna we, na een bezoekje aan de Heerekeet, de Oude Prunje en omstreken aan een onderzoek onderwierpen. Dat leverde weer nieuwe prettige soorten op als kluut, zwarte ruiter, kleine zilverreiger en lepelaar, plus grote aantallen rotganzen, wulpen en zilverplevieren. Onder meer; altijd onder meer. Waarna we, terug op Goeree, afsloten aan het Volkerak, waar we tussen de kuif- en tafeleenden diverse toppers vonden.
Waarna we in kleine kring nog even doorgingen met zomaar een rondje oostelijk Overflakkee, waarbij we onder andere het schone Ooltgensplaat bezochten, blauwe kiekendief, sperwer en kramsvogel aan de daglijst konden toevoegen en tenslotte nog een blik wierpen over de voormalige slikken van de Hellegatsplaten. Het zijn zulke laatste momenten van een rijk gevulde dag, als het late middaglicht langzaamaan begint plaats te maken voor beginnende avondschemer en als niets meer hoeft omdat je al zoveel gezien hebt, die soms nog de meest hardnekkige herinneringen nalaten.

12 februari 2017







vrijdag 3 februari 2017

Burgemeesters

Vroeger, ja, vroeger stapte je voor één burgemeester al in de trein naar Scheveningen. Maar de inflatie heeft de afgelopen jaren stevig toegeslagen en tegenwoordig zijn er daar tien voor nodig. Ik had ze natuurlijk ook al dit jaar. Een prachtige grote burry tot op amper tien meter afstand op het strand van Katwijk aan Zee, en een fraaie kleine heen en weer vliegend langs de IJmuider zuidpier. Ook nog eentje trouwens diezelfde dag op het strand bij Noordwijk. Ik hoefde dus niet zo nodig voor een paar burgemeesters naar Scheveningen. Maar nu er al enkele weken tot wel acht grote en ook nog een paar kleine worden gemeld op het noorderstrand van Scheveningen, kon ik uiteindelijk niet thuis blijven. Burgemeesters zijn al geruime tijd relatief talrijk langs de Nederlandse kust, sinds een hevige winterstorm begin dit jaar ongekende aantallen naar West-Europa heeft gedreven en bovendien de stranden heeft geplaveid met schelpen en zeesterren die enorme aantallen meeuwen aantrokken. En nu lijkt het erop dat zowat al die burgemeesters zich verzameld hebben op dat ene stukje strand even ten noorden van Scheveningen. En terwijl de grote aantallen meeuwen alweer zijn verdwenen, zijn juist de burgemeesters nog blijven hangen. Voor ons betekent dat feest. Want hoewel veel vogelaars een beetje hun neus ophalen voor al die jonge meeuwen die in variatie nauwelijks onderdoen voor soepganzen en stadsduiven en die nemen we immers ook niet serieus, vinden we allemaal de burgemeesters, ook de onvolwassen beesten, hele fijne vogels. Afkomstig uit het hoge noorden zijn ze in de meeste winters slechts in zeer kleine aantallen in Nederland aanwezig. De meeste blijven ver ten noorden van ons overwinteren. Dat op zich maakt ze natuurlijk al aantrekkelijk. Voeg daarbij hun opvallende verenkleed, sterk afwijkend van onze eigen jonge meeuwen, en je ziet dagelijks mannen (meest mannen) gewapend met telescopen en telelenzen op het strand. Zeker als de burgemeesters daar met zovele zijn.
Ik had de vogels tot nu toe nog laten lopen. Had andere soorten, ringsnavelmeeuw en taigarietgans nog even voorrang gegeven, maar vandaag vond ik het de hoogste tijd om de heren met een bezoek te vereren. (Ja, om een of andere reden vind ik vooral de grote burgemeesters altijd heren, hoewel eerder nog roverhoofdmannen, met hun stoere koppen en zware snavel; kleine ogen veel liever, veel zachtaardiger met ronde kopjes en veel bescheidener snavels.) Dus de trein naar Den Haag genomen, de tram naar het Zwarte Pad en van daar het strand op, waar ik verderop de mannen al zag staan achter hun telescopen en telelenzen. De groep meeuwen waar ze naar stonden te kijken zag er van afstand maar bescheiden uit, nog een stuk bescheidener dan ik me had voorgesteld. Maar toen ik wat dichterbij kwam zag ik al gauw twee grote en bijna witte beesten ertussen: dat moesten haast wel twee grote burgemeesters zijn, nam ik aan. En eenmaal ter plaatse bleken dat lang niet de enige te zijn. Burgemeesters waren hier bijna in de meerderheid. Ik telde minimaal zeven grote en drie kleine. Anderen kwamen in hun tellingen zelfs nog ietsje hoger uit. Dat is voor de statistici. Ik was met mijn aantallen meer dan tevreden. Temeer omdat de vogels tot op amper tien meter van ons kwamen en zich geweldig lieten bekijken. Dat leverde een uiterst prettig en onvergetelijk uurtje op. Opvallend was de enorme variatie, met name onder de grote burgemeesters. Enkele waren er bijna wit, met slechts spaarzame fijne tekening op hun lichtbeige grondkleur. Andere waren juist behoorlijk donker voor een burgemeester, met grauwe grijsbruine buiken en veel prominentere donkere tekening op hun verenkleed. Maar allemaal hadden ze lichte, beige tot bijna witte en vrijwel ongetekende handpennen. En dat is wat we willen zien. Dat is wat een burgemeester tot een burgemeester maakt.

3 februari 2017





zaterdag 28 januari 2017

Loonse Waard 28 januari 2017

Het was een verschil van dag en nacht. Bijna was het zo’n dag geworden dat je denkt: het hoort erbij af en toe, dat weet je, maar leuk is anders. Maar uiteindelijk fietste ik met veel genoegen van de Loonse Waard bij Wijchen terug naar Nijmegen. Langs bos en veld en golfbaan en stijf bevroren waterpartij, forse zwerm kramsvogels alsof het niks is, alsof ik niet tot nog maar twee dagen terug wekenlang gezocht had naar mijn eerste dit jaar, laag namiddagzonnetje erop: wat een heerlijke dag was het. Natuurlijk: uren verkloot, zinloos doorgebracht aan een half bevroren waterplas in de uiterwaarden langs de Maas, maar wat zou dat? Had ik iets beters te doen dan?
Het verschil was natuurlijk ringsnavelmeeuw, na uren zoeken en wachten, koude wind in de rug, nonnetjes, man grote zaagbek, mooie pontische meeuw, mooie geelpootmeeuw, leuk maar daar was het natuurlijk niet om te doen vandaag, eindelijk (zelf!) teruggevonden. Achteraan in de groep meeuwen op het ijs. En ik moet zeggen, veel meer dan vanaf de foto’s had ik in real life het gevoel dat ik echt naar iets anders stond te kijken en niet naar een wat afwijkende variatie op het thema stormmeeuw. Om te beginnen natuurlijk de snavelband: breed, ook op de bovensnavel, strak, scherp begrensd, heel anders dan bij welke stormmeeuw dan ook die we de voorafgaande uren zo uitvoerig bestudeerd hadden. Vleugels en bovendelen aan de lichtgrijze kant voor stormmeeuw, tertialboog aan de smalle en weinig contrastrijke kant, snavel aan de zware kant, kop die toch wat stoerder oogt, bij goed licht zelfs iets van een lichte iris zichtbaar: kan allemaal misschien nog net voor stormmeeuw maar niet allemaal samen. Daarbij een hint van iets roodachtigs rond het oog en de determinatie is wel rond: mijn eerste ringsnavelmeeuw sinds elf jaar. Het was weer gezellig, in Gelderland aan de Maas.

28 januari 2017




 






maandag 23 januari 2017

Rietganzen

Vroeger, in de dagen dat-ie nog niet eens als aparte soort werd beschouwd, was de taigarietgans een vrij algemene wintergast in Nederland. ‘In zachte winters verblijven bij ons 1.500 tot 2.000 exemplaren’, zo staat te lezen in SOVONs Atlas van de Nederlandse Vogels uit 1987, ‘maar in strenge winters of bij koud weer ten noorden of ten oosten van ons land, kan dit aantal oplopen tot 18.000’. Lang geleden. Waarschijnlijk werden die aantallen al tijdens het uitkomen van de atlas bij lange na niet meer gehaald en tegenwoordig zien we zelfs in strenge winters nog slechts een minieme fractie van de aantallen van weleer. Daar hebben we overigens flink aan moeten wennen. Het kostte even voor iedereen doorhad hoe zeldzaam ze zijn geworden want nog jarenlang zijn er door sommige vogelaars ouderwetse aantallen taiga’s gemeld terwijl anderen ze al nauwelijks meer konden vinden. Tegenwoordig zijn we het allemaal weer met elkaar eens. Als er ergens, meestal in de omgeving van Vught, Noord Brabant, een groep van een stuk of tien of meer taiga’s opduikt, worden die door velen getwitcht. Ook door mij, zij het niet ieder jaar. Maar het was voor mij alweer een paar jaar geleden dus heb ik me vandaag maar weer eens in het Brabantse land gewaagd. Ik ben daar trouwens de laatste tijd kind aan huis: Lieshout, Vinkel, Biesbosch, allemaal de laatste twee maanden.
Al vanuit de trein bleek dat er nog flink wat sneeuw lag in Brabant. Een prettige bijkomstigheid. Daarbij was het met name in de ochtend nog bitterkoud. Ik veroorloofde me een kort voorafje in de Vughtse heide, overigens vooral naaldbos rondom een open veld waar je misschien met een vergrootglas nog wel wat hei tussen het pijpenstrootje zou kunnen vinden (oké, ik overdrijf vermoedelijk, zo goed heb ik niet gezocht), maar met enkele percelen oud loofhout ertussen die blijkbaar voldoende zijn om een paar middelste bonte spechten te huisvesten. Vanochtend daarvan echter geen spoor. Wel van matkop overigens, een Brabantse specialiteit: glanskop, bij ons tegenwoordig veel gewoner, komt er vrijwel niet voor. Verder lag de Vughtse heide er zilverglinsterend in het lage winterzonnetje prachtig bij.

Maar goed, het was dus om rietganzen te doen. Na een kleine omzwerving vond ik de plek, aan de rand van Helvoirt, waar een aantal mannen met telescoop de akker in stond te turen. De rietganzen zaten daar met een dikke duizend open en bloot op het land. Dat waren echter, op een paar kolganzen na, allemaal toendra’s. De taiga’s zaten er ook, wist men mij te vertellen, verscholen in het riet schuin achter de toendra’s. Daar waren inderdaad af en toe wat lijven te zien. En soms, als ze zich hoog oprichtten, zag je daar tussen het riet ineens de karakteristieke lange nekken en lange, platte snavels van taigarietganzen. Snavels in de meeste gevallen grotendeels oranje gekleurd. Maar niet allemaal en dat illustreert wel een beetje de determinatieproblematiek die hier aan de orde is. Bijna alle kenmerken die taiga- en toendrarietgans van elkaar onderscheiden, zijn variabel, zijn een kwestie van een beetje meer zus en een beetje meer zo en de echte kenners zeggen altijd dat je ze alleen in groepsverband veilig kunt determineren. Akkoord, hier hadden we een groepje en in dit groepje zag je toch wel overwegend de langere en niet al te donkere nekken en de langere platte snavels die je graag wilt zien, de meeste snavels overwegend oranje bovendien, en we konden ze goed vergelijken met de toendrarietganzen die met een dikke duizend open en bloot op het land voor ze zaten. Taiga’s dus, mogen we veilig aannemen.
Een paar kilometer verderop zag ik, temidden van nog eens een dikke duizend toendrarietganzen, ook nog een kleine rietgans. Die is weer subtiel anders. Roze poten en roze op de snavel, hoewel dat lang niet altijd zo gemakkelijk te zien is als het klinkt, een kort nekje en een kort snaveltje en een grijze zweem op de rug. Ik was overigens naar deze plek gelokt vanwege de melding van een roodhalsgans. Die zat een heel stuk verder weg in het weiland, soms half of meer verscholen tussen de (ook daar) rietganzen, maar kwam soms even helemaal vrij en knalde er dan in het lage zonnetje toch mooi uit.
Tenslotte bracht Ruud van Dongen, vermaard kenner van de vogels van Brabant en Limburg, me naar een mooi oud stuk eikenbos achter Udenhout, waar diverse paartjes middelste bonte specht zouden huizen. Het was effe zoeken in het betrekkelijk stille, stijf bevroren en woest besneeuwde bos maar uiteindelijk hoorden we er eentje roepen waarna we zelfs twee fraaie mannen vonden. Ruud vertelde over de meer dan honderd paartjes, minimaal, die in de provincie verblijven, heel gewoon dus maar voor mij als Utrechter is mibo nog steeds een prachtsoort.

22 januari 2017




maandag 16 januari 2017

Saaie bruine vogels

Wie wel eens een natuurdocumentaire kijkt, ik doe dat overigens maar zelden, raakt onveranderlijk in vervoering van de kleurenrijkdom en de vormenrijkdom van de natuur om ons heen. Meestal die in verre landen. Wij, wij moeten nogal eens met heel wat minder genoegen nemen. In Nederland hebben we bijvoorbeeld vooral veel saaie bruine vogels. Zelfs als we eens iets uit verre landen op bezoek krijgen, is dat vaak een saaie bruine vogel. Gisteren bijvoorbeeld, op het strand van Katwijk aan Zee. Honderden jonge meeuwen daar op het strand, voor de meeste mensen zo´n beetje het toppunt van saaie bruine vogels. En tussen die jonge meeuwen eentje die net even anders was. Dat is natuurlijk de clou. Je kunt wel laatdunkend doen over al die saaie bruine vogels van ons, mussen, leeuweriken, piepers, jonge meeuwen, noem maar op, maar het gaat er natuurlijk om, te zien op welke manier ze, in al hun saaiheid, toch anders zijn dan andere saaie bruine vogels. Deze, op het strand van Katwijk aan Zee, had bijvoorbeeld een lichte beige-bruine kleur, een hele fijne tekening en vleugelpunten die bijna wit waren. En daar bovenop een stoere zeeroverhoofdmannenkop met een zware snavel. Dat heet grote burgemeester en is afkomstig uit polaire streken. Daarvan zijn er overigens heel wat momenteel langs de Nederlandse Noordzeekust.
Als je maar ziet hoe zo’n vogel anders is dan degene die we hier meestal hebben, wordt zo’n beest alleen daarom al mooi. Nou is dat bij zo’n burgemeester niet zo moeilijk: die is sowieso mooi (maar ja, waarom dan eigenlijk, als het niet is omdat-ie zo anders is?) en valt wel op tussen zijn kameraden op het strand. Lastiger was het bij de mongoolse pieper die ik vandaag ging opzoeken in de Noordwaard in de Brabantse Biesbosch. Het vinden van de vogel, dat was het punt niet. Genoeg vogelaars die hem al voor me gevonden hadden, foeragerend in de berm langs het weggetje. Tot op een meter of twintig afstand konden we hem naderen, dichtbij genoeg, zou je denken, om te kunnen vaststellen hoe deze anders is dan een doorsnee pieper in Nederland. Maar dat is bij deze eerlijk gezegd een stuk lastiger dan bij die meeuw van gisteren. Als je niet heel goed kijkt, blijft het een doorsnee saai bruin vogeltje. Je hebt kennis nodig, om het te zien. Je moet in detail weten hoe de doorsnee piepers in Nederland er uitzien, en zelfs hoe een veel minder doorsnee pieper er precies uitziet, om te kunnen zien waarom dit er geen was. Hoe meer je weet, hoe meer je ziet. Zo is het natuurlijk met alles. Maar dan nog. Dat het geen graspieper was, geen boompieper en ook geen water- of oeverpieper, dat was met de benodigde kennis van zaken duidelijk genoeg. Maar waarom was het geen grote pieper? Overigens ook knap zeldzaam in januari natuurlijk. Zo goed als we hem ook te zien kregen, af en toe met goed licht fraai in de telescoop, ik blijf het verschil lastig vinden. Natuurlijk, oogt wat ieler, beknopter, minder kop en staart zeg maar, en ook wat minder uitgesproken getekend dan gemiddelde grote, maar of dat die uitsluit? Gelukkig riep ie op het eind nog een paar keer. Daar kon ik verder mee: het is niet dat ik aan de determinatie twijfelde, ik zou niet durven, vogelaars veel deskundiger dan ik hebben die al vastgesteld, maar ik wil altijd graag zelf vaststellen waarom het nou net die zeldzame soort is waar ik naar sta te kijken en niet zijn minder zeldzame neefje. En dat roepje, dat deed het ‘m. Dat maakte het wat mij betreft helemaal af.

15 januari 2017






maandag 9 januari 2017

Op excursie met vogelwacht Utrecht

Het is inmiddels een traditie van alweer heel veel jaren: op de eerste (of wanneer die, zoals dit jaar, op 1 januari valt op de tweede) zondag van het jaar gaat vogelwacht afdeling Utrecht op excursie naar de Zuidpier van IJmuiden. Eén keer, een aantal jaren geleden, hebben we daarvan afgeweken en gingen we in januari naar de Delta, maar hoewel de Delta natuurlijk een fantastische bestemming is, beviel ons dat op een of andere manier toch niet helemaal. De Delta, dat is voor februari en sindsdien doen we weer elk jaar begin januari IJmuiden aan, met in de middag een al even traditionele toegift van wat zich daartoe maar aandient.
Het was nog wel even spannend dit keer. Kou, ijzel en gladheid gisteren en vanmorgen ineens plaatselijk mist: ons tochtje hing aan en zijden draadje. Maar feitelijk waren de vooruitzichten gunstig: rustig en zacht winterweer zonder gladheid, zonder mist, zonder al te veel wind en zonder neerslag en met een beetje geluk met af en toe een snippertje zon.

De Zuidpier van IJmuiden, dat is een soort wormvormig aanhangsel aan ons land. Nergens in Nederland ben je zo ver uit de kust als hier, althans met vaste grond onder de voeten. Met zijn betonnen versterking tegen de eeuwig geselende golfslag is het in Nederland de uitgelezen plek voor vogels van rotskusten en open zee. Oeverpiepers, steenlopers, paarse strandlopers (nou ja, een enkeling slechts vandaag), drieteenmeeuwen, roodkeelduikers en zelfs een paar jan van genten, ze waren allemaal weer van de partij. En zo vroeg in het jaar waren het natuurlijk ook allemaal nieuwe jaarsoorten. Elk jaar begint alles opnieuw en voelt elke soort alsof je ‘m nog nooit gezien hebt. En los daarvan zijn het natuurlijk gewoon hele fijne soorten. Die prachtige adulte drieteenmeeuwtjes boven zee of die majestueuze jan van genten: veel mooier heb je ze in onze streken niet, wat zeevogels betreft. We hadden ook nog, onder meer, enkele grote zee-eenden meevliegend in treintjes van zwartjes (eentje was bijzonder fraai, meevliegend in een groepje dat dicht langs de pier koerste), een ijseend en een zeekoet op zee, een dwergmeeuwtje, ook al zo’n heerlijk gevalletje, foeragerend boven zee en op het strand naast duizenden meeuwen onder andere een rosse grutto en een bonte strandloper. De soort van de ochtend was echter de juveniele kleine burgemeester die verblijf hield langs de pier. Keer op keer zagen we die vlak langs ons heen vliegen, naar de punt van de pier en weer terug, en in het begin, toen de pier nog meest verlaten was, hadden we hem ook nog korte tijd aan de grond. Kleine burgemeester: dat is betrekkelijk zeldzaam (hoewel niet meer zoals pakweg tien jaar geleden) en bovenal (ook al) een erg fraaie meeuw.

Voor het middagprogramma waren enkele goeie soorten voorhanden. Daartoe gingen we richting Noordwijk. Allereerst naar een onooglijk, braakliggend stukje Niemandsland aan de Achterweg waar al weken lang twee dwerggorzen overwinteren. Ik was er vorige maand nog heen geweest, maar: ‘elk jaar begint alles opnieuw en voelt elke soort alsof je ‘m nog nooit gezien hebt’, dus het mislopen van deze soort zou moeilijk te verkroppen zijn. Bij aankomst zagen we al enkele vogelaars aandachtig staan kijken naar wat struikjes helemaal achterin het terrein. Dat zag er goed uit maar bij nader inzien bleken ze vooral te staan kijken naar enkele heggenmussen. Daarvan hingen er diverse rond maar de gorsjes waren net even uit beeld. Het was dus weer even zoeken geblazen. De tijd verstreek en de groep vogelaars groeide aanzienlijk aan maar uiteindelijk werd dwerggors teruggevonden. Aanvankelijk diep verscholen in het braamstruweel maar korte tijd later liet er een zich mooi en betrekkelijk open en bloot zien, eerst boven in het braamstruweel en daarna even verderop in een betrekkelijk kaal boompje. Leuk was dat-ie ook af en toe fanatiek aan het roepen was. Geen gemakkelijk geluid dus dat kun je niet vaak genoeg te horen krijgen.
Laatste doelsoort van de excursie was de humes bladkoning die alweer enkele weken verblijft langs de Troelstralaan in Noordwijkerhout. Die was vrijwel meteen in beeld. Zo mag het ook wel eens een keertje. Het was een druk beestje, maar af en toe liet hij zich erg fraai en van dichtbij zien, zodat de belangrijkste verschillen met ‘onze’ (Bloeyendael) bladkoning goed waren vast te stellen: valer van kleur, minder contrastrijk en nauwelijks zichtbare tweede vleugelstreep. Eén keer riep-ie, om het af te maken.

Na de excursie zijn we nog met één auto op zoek geweest naar een grote burgemeester die gemeld was op het strand bij Noordwijk. Die konden we tussen de vele honderden meeuwen aldaar niet vinden, maar wel een andere burgemeester die na een korte periode van verwarring (vogel oogde best fors, de snavel aan de zware kant) werd gedetermineerd als (toch) een kleine burgemeester. Onze tweede vandaag. De waarnemer van de grote burgemeester bezwoer me dat hij echt een grote gezien had, die echter maar kort ter plaatse was geweest, zodat wij deze kleine mogen beschouwen als ‘onze’ eigen ontdekking. Een eer die in de eerste plaats Martijn toekomt.
Hier ook nog een fantastische kokmeeuw, een kokmeeuw als een duivels engeltje: spierwit, niet alleen waar-ie spierwit hoort te zijn maar ook waar-ie grijs hoort te zijn, maar inktzwart waar-ie zwart hoort te zijn. Een interessante afwijking. Misschien wel de vogel van de dag.

8 januari 2017