Vroeger, in de dagen dat-ie nog niet eens als aparte soort werd beschouwd, was de taigarietgans een vrij algemene wintergast in Nederland. ‘In zachte winters verblijven bij ons 1.500 tot 2.000 exemplaren’, zo staat te lezen in SOVONs Atlas van de Nederlandse Vogels uit 1987, ‘maar in strenge winters of bij koud weer ten noorden of ten oosten van ons land, kan dit aantal oplopen tot 18.000’. Lang geleden. Waarschijnlijk werden die aantallen al tijdens het uitkomen van de atlas bij lange na niet meer gehaald en tegenwoordig zien we zelfs in strenge winters nog slechts een minieme fractie van de aantallen van weleer. Daar hebben we overigens flink aan moeten wennen. Het kostte even voor iedereen doorhad hoe zeldzaam ze zijn geworden want nog jarenlang zijn er door sommige vogelaars ouderwetse aantallen taiga’s gemeld terwijl anderen ze al nauwelijks meer konden vinden. Tegenwoordig zijn we het allemaal weer met elkaar eens. Als er ergens, meestal in de omgeving van Vught, Noord Brabant, een groep van een stuk of tien of meer taiga’s opduikt, worden die door velen getwitcht. Ook door mij, zij het niet ieder jaar. Maar het was voor mij alweer een paar jaar geleden dus heb ik me vandaag maar weer eens in het Brabantse land gewaagd. Ik ben daar trouwens de laatste tijd kind aan huis: Lieshout, Vinkel, Biesbosch, allemaal de laatste twee maanden.
Al vanuit de trein bleek dat er nog flink wat sneeuw lag in Brabant. Een prettige bijkomstigheid. Daarbij was het met name in de ochtend nog bitterkoud. Ik veroorloofde me een kort voorafje in de Vughtse heide, overigens vooral naaldbos rondom een open veld waar je misschien met een vergrootglas nog wel wat hei tussen het pijpenstrootje zou kunnen vinden (oké, ik overdrijf vermoedelijk, zo goed heb ik niet gezocht), maar met enkele percelen oud loofhout ertussen die blijkbaar voldoende zijn om een paar middelste bonte spechten te huisvesten. Vanochtend daarvan echter geen spoor. Wel van matkop overigens, een Brabantse specialiteit: glanskop, bij ons tegenwoordig veel gewoner, komt er vrijwel niet voor. Verder lag de Vughtse heide er zilverglinsterend in het lage winterzonnetje prachtig bij.
Maar goed, het was dus om rietganzen te doen. Na een kleine omzwerving vond ik de plek, aan de rand van Helvoirt, waar een aantal mannen met telescoop de akker in stond te turen. De rietganzen zaten daar met een dikke duizend open en bloot op het land. Dat waren echter, op een paar kolganzen na, allemaal toendra’s. De taiga’s zaten er ook, wist men mij te vertellen, verscholen in het riet schuin achter de toendra’s. Daar waren inderdaad af en toe wat lijven te zien. En soms, als ze zich hoog oprichtten, zag je daar tussen het riet ineens de karakteristieke lange nekken en lange, platte snavels van taigarietganzen. Snavels in de meeste gevallen grotendeels oranje gekleurd. Maar niet allemaal en dat illustreert wel een beetje de determinatieproblematiek die hier aan de orde is. Bijna alle kenmerken die taiga- en toendrarietgans van elkaar onderscheiden, zijn variabel, zijn een kwestie van een beetje meer zus en een beetje meer zo en de echte kenners zeggen altijd dat je ze alleen in groepsverband veilig kunt determineren. Akkoord, hier hadden we een groepje en in dit groepje zag je toch wel overwegend de langere en niet al te donkere nekken en de langere platte snavels die je graag wilt zien, de meeste snavels overwegend oranje bovendien, en we konden ze goed vergelijken met de toendrarietganzen die met een dikke duizend open en bloot op het land voor ze zaten. Taiga’s dus, mogen we veilig aannemen.
Een paar kilometer verderop zag ik, temidden van nog eens een dikke duizend toendrarietganzen, ook nog een kleine rietgans. Die is weer subtiel anders. Roze poten en roze op de snavel, hoewel dat lang niet altijd zo gemakkelijk te zien is als het klinkt, een kort nekje en een kort snaveltje en een grijze zweem op de rug. Ik was overigens naar deze plek gelokt vanwege de melding van een roodhalsgans. Die zat een heel stuk verder weg in het weiland, soms half of meer verscholen tussen de (ook daar) rietganzen, maar kwam soms even helemaal vrij en knalde er dan in het lage zonnetje toch mooi uit.
Tenslotte bracht Ruud van Dongen, vermaard kenner van de vogels van Brabant en Limburg, me naar een mooi oud stuk eikenbos achter Udenhout, waar diverse paartjes middelste bonte specht zouden huizen. Het was effe zoeken in het betrekkelijk stille, stijf bevroren en woest besneeuwde bos maar uiteindelijk hoorden we er eentje roepen waarna we zelfs twee fraaie mannen vonden. Ruud vertelde over de meer dan honderd paartjes, minimaal, die in de provincie verblijven, heel gewoon dus maar voor mij als Utrechter is mibo nog steeds een prachtsoort.
22 januari 2017
maandag 23 januari 2017
maandag 16 januari 2017
Saaie bruine vogels
Als je maar ziet hoe zo’n vogel anders is dan degene die we hier meestal hebben, wordt zo’n beest alleen daarom al mooi. Nou is dat bij zo’n burgemeester niet zo moeilijk: die is sowieso mooi (maar ja, waarom dan eigenlijk, als het niet is omdat-ie zo anders is?) en valt wel op tussen zijn kameraden op het strand. Lastiger was het bij de mongoolse pieper die ik vandaag ging opzoeken in de Noordwaard in de Brabantse Biesbosch. Het vinden van de vogel, dat was het punt niet. Genoeg vogelaars die hem al voor me gevonden hadden, foeragerend in de berm langs het weggetje. Tot op een meter of twintig afstand konden we hem naderen, dichtbij genoeg, zou je denken, om te kunnen vaststellen hoe deze anders is dan een doorsnee pieper in Nederland. Maar dat is bij deze eerlijk gezegd een stuk lastiger dan bij die meeuw van gisteren. Als je niet heel goed kijkt, blijft het een doorsnee saai bruin vogeltje. Je hebt kennis nodig, om het te zien. Je moet in detail weten hoe de doorsnee piepers in Nederland er uitzien, en zelfs hoe een veel minder doorsnee pieper er precies uitziet, om te kunnen zien waarom dit er geen was. Hoe meer je weet, hoe meer je ziet. Zo is het natuurlijk met alles. Maar dan nog. Dat het geen graspieper was, geen boompieper en ook geen water- of oeverpieper, dat was met de benodigde kennis van zaken duidelijk genoeg. Maar waarom was het geen grote pieper? Overigens ook knap zeldzaam in januari natuurlijk. Zo goed als we hem ook te zien kregen, af en toe met goed licht fraai in de telescoop, ik blijf het verschil lastig vinden. Natuurlijk, oogt wat ieler, beknopter, minder kop en staart zeg maar, en ook wat minder uitgesproken getekend dan gemiddelde grote, maar of dat die uitsluit? Gelukkig riep ie op het eind nog een paar keer. Daar kon ik verder mee: het is niet dat ik aan de determinatie twijfelde, ik zou niet durven, vogelaars veel deskundiger dan ik hebben die al vastgesteld, maar ik wil altijd graag zelf vaststellen waarom het nou net die zeldzame soort is waar ik naar sta te kijken en niet zijn minder zeldzame neefje. En dat roepje, dat deed het ‘m. Dat maakte het wat mij betreft helemaal af.
15 januari 2017

maandag 9 januari 2017
Op excursie met vogelwacht Utrecht
Het is inmiddels een traditie van alweer heel veel jaren: op de eerste (of wanneer die, zoals dit jaar, op 1 januari valt op de tweede) zondag van het jaar gaat vogelwacht afdeling Utrecht op excursie naar de Zuidpier van IJmuiden. Eén keer, een aantal jaren geleden, hebben we daarvan afgeweken en gingen we in januari naar de Delta, maar hoewel de Delta natuurlijk een fantastische bestemming is, beviel ons dat op een of andere manier toch niet helemaal. De Delta, dat is voor februari en sindsdien doen we weer elk jaar begin januari IJmuiden aan, met in de middag een al even traditionele toegift van wat zich daartoe maar aandient.
Het was nog wel even spannend dit keer. Kou, ijzel en gladheid gisteren en vanmorgen ineens plaatselijk mist: ons tochtje hing aan en zijden draadje. Maar feitelijk waren de vooruitzichten gunstig: rustig en zacht winterweer zonder gladheid, zonder mist, zonder al te veel wind en zonder neerslag en met een beetje geluk met af en toe een snippertje zon.
De Zuidpier van IJmuiden, dat is een soort wormvormig aanhangsel aan ons land. Nergens in Nederland ben je zo ver uit de kust als hier, althans met vaste grond onder de voeten. Met zijn betonnen versterking tegen de eeuwig geselende golfslag is het in Nederland de uitgelezen plek voor vogels van rotskusten en open zee. Oeverpiepers, steenlopers, paarse strandlopers (nou ja, een enkeling slechts vandaag), drieteenmeeuwen, roodkeelduikers en zelfs een paar jan van genten, ze waren allemaal weer van de partij. En zo vroeg in het jaar waren het natuurlijk ook allemaal nieuwe jaarsoorten. Elk jaar begint alles opnieuw en voelt elke soort alsof je ‘m nog nooit gezien hebt. En los daarvan zijn het natuurlijk gewoon hele fijne soorten. Die prachtige adulte drieteenmeeuwtjes boven zee of die majestueuze jan van genten: veel mooier heb je ze in onze streken niet, wat zeevogels betreft. We hadden ook nog, onder meer, enkele grote zee-eenden meevliegend in treintjes van zwartjes (eentje was bijzonder fraai, meevliegend in een groepje dat dicht langs de pier koerste), een ijseend en een zeekoet op zee, een dwergmeeuwtje, ook al zo’n heerlijk gevalletje, foeragerend boven zee en op het strand naast duizenden meeuwen onder andere een rosse grutto en een bonte strandloper. De soort van de ochtend was echter de juveniele kleine burgemeester die verblijf hield langs de pier. Keer op keer zagen we die vlak langs ons heen vliegen, naar de punt van de pier en weer terug, en in het begin, toen de pier nog meest verlaten was, hadden we hem ook nog korte tijd aan de grond. Kleine burgemeester: dat is betrekkelijk zeldzaam (hoewel niet meer zoals pakweg tien jaar geleden) en bovenal (ook al) een erg fraaie meeuw.
Voor het middagprogramma waren enkele goeie soorten voorhanden. Daartoe gingen we richting Noordwijk. Allereerst naar een onooglijk, braakliggend stukje Niemandsland aan de Achterweg waar al weken lang twee dwerggorzen overwinteren. Ik was er vorige maand nog heen geweest, maar: ‘elk jaar begint alles opnieuw en voelt elke soort alsof je ‘m nog nooit gezien hebt’, dus het mislopen van deze soort zou moeilijk te verkroppen zijn. Bij aankomst zagen we al enkele vogelaars aandachtig staan kijken naar wat struikjes helemaal achterin het terrein. Dat zag er goed uit maar bij nader inzien bleken ze vooral te staan kijken naar enkele heggenmussen. Daarvan hingen er diverse rond maar de gorsjes waren net even uit beeld. Het was dus weer even zoeken geblazen. De tijd verstreek en de groep vogelaars groeide aanzienlijk aan maar uiteindelijk werd dwerggors teruggevonden. Aanvankelijk diep verscholen in het braamstruweel maar korte tijd later liet er een zich mooi en betrekkelijk open en bloot zien, eerst boven in het braamstruweel en daarna even verderop in een betrekkelijk kaal boompje. Leuk was dat-ie ook af en toe fanatiek aan het roepen was. Geen gemakkelijk geluid dus dat kun je niet vaak genoeg te horen krijgen.
Laatste doelsoort van de excursie was de humes bladkoning die alweer enkele weken verblijft langs de Troelstralaan in Noordwijkerhout. Die was vrijwel meteen in beeld. Zo mag het ook wel eens een keertje. Het was een druk beestje, maar af en toe liet hij zich erg fraai en van dichtbij zien, zodat de belangrijkste verschillen met ‘onze’ (Bloeyendael) bladkoning goed waren vast te stellen: valer van kleur, minder contrastrijk en nauwelijks zichtbare tweede vleugelstreep. Eén keer riep-ie, om het af te maken.
Na de excursie zijn we nog met één auto op zoek geweest naar een grote burgemeester die gemeld was op het strand bij Noordwijk. Die konden we tussen de vele honderden meeuwen aldaar niet vinden, maar wel een andere burgemeester die na een korte periode van verwarring (vogel oogde best fors, de snavel aan de zware kant) werd gedetermineerd als (toch) een kleine burgemeester. Onze tweede vandaag. De waarnemer van de grote burgemeester bezwoer me dat hij echt een grote gezien had, die echter maar kort ter plaatse was geweest, zodat wij deze kleine mogen beschouwen als ‘onze’ eigen ontdekking. Een eer die in de eerste plaats Martijn toekomt.
Hier ook nog een fantastische kokmeeuw, een kokmeeuw als een duivels engeltje: spierwit, niet alleen waar-ie spierwit hoort te zijn maar ook waar-ie grijs hoort te zijn, maar inktzwart waar-ie zwart hoort te zijn. Een interessante afwijking. Misschien wel de vogel van de dag.
8 januari 2017
Het was nog wel even spannend dit keer. Kou, ijzel en gladheid gisteren en vanmorgen ineens plaatselijk mist: ons tochtje hing aan en zijden draadje. Maar feitelijk waren de vooruitzichten gunstig: rustig en zacht winterweer zonder gladheid, zonder mist, zonder al te veel wind en zonder neerslag en met een beetje geluk met af en toe een snippertje zon.
De Zuidpier van IJmuiden, dat is een soort wormvormig aanhangsel aan ons land. Nergens in Nederland ben je zo ver uit de kust als hier, althans met vaste grond onder de voeten. Met zijn betonnen versterking tegen de eeuwig geselende golfslag is het in Nederland de uitgelezen plek voor vogels van rotskusten en open zee. Oeverpiepers, steenlopers, paarse strandlopers (nou ja, een enkeling slechts vandaag), drieteenmeeuwen, roodkeelduikers en zelfs een paar jan van genten, ze waren allemaal weer van de partij. En zo vroeg in het jaar waren het natuurlijk ook allemaal nieuwe jaarsoorten. Elk jaar begint alles opnieuw en voelt elke soort alsof je ‘m nog nooit gezien hebt. En los daarvan zijn het natuurlijk gewoon hele fijne soorten. Die prachtige adulte drieteenmeeuwtjes boven zee of die majestueuze jan van genten: veel mooier heb je ze in onze streken niet, wat zeevogels betreft. We hadden ook nog, onder meer, enkele grote zee-eenden meevliegend in treintjes van zwartjes (eentje was bijzonder fraai, meevliegend in een groepje dat dicht langs de pier koerste), een ijseend en een zeekoet op zee, een dwergmeeuwtje, ook al zo’n heerlijk gevalletje, foeragerend boven zee en op het strand naast duizenden meeuwen onder andere een rosse grutto en een bonte strandloper. De soort van de ochtend was echter de juveniele kleine burgemeester die verblijf hield langs de pier. Keer op keer zagen we die vlak langs ons heen vliegen, naar de punt van de pier en weer terug, en in het begin, toen de pier nog meest verlaten was, hadden we hem ook nog korte tijd aan de grond. Kleine burgemeester: dat is betrekkelijk zeldzaam (hoewel niet meer zoals pakweg tien jaar geleden) en bovenal (ook al) een erg fraaie meeuw.
Voor het middagprogramma waren enkele goeie soorten voorhanden. Daartoe gingen we richting Noordwijk. Allereerst naar een onooglijk, braakliggend stukje Niemandsland aan de Achterweg waar al weken lang twee dwerggorzen overwinteren. Ik was er vorige maand nog heen geweest, maar: ‘elk jaar begint alles opnieuw en voelt elke soort alsof je ‘m nog nooit gezien hebt’, dus het mislopen van deze soort zou moeilijk te verkroppen zijn. Bij aankomst zagen we al enkele vogelaars aandachtig staan kijken naar wat struikjes helemaal achterin het terrein. Dat zag er goed uit maar bij nader inzien bleken ze vooral te staan kijken naar enkele heggenmussen. Daarvan hingen er diverse rond maar de gorsjes waren net even uit beeld. Het was dus weer even zoeken geblazen. De tijd verstreek en de groep vogelaars groeide aanzienlijk aan maar uiteindelijk werd dwerggors teruggevonden. Aanvankelijk diep verscholen in het braamstruweel maar korte tijd later liet er een zich mooi en betrekkelijk open en bloot zien, eerst boven in het braamstruweel en daarna even verderop in een betrekkelijk kaal boompje. Leuk was dat-ie ook af en toe fanatiek aan het roepen was. Geen gemakkelijk geluid dus dat kun je niet vaak genoeg te horen krijgen.
Laatste doelsoort van de excursie was de humes bladkoning die alweer enkele weken verblijft langs de Troelstralaan in Noordwijkerhout. Die was vrijwel meteen in beeld. Zo mag het ook wel eens een keertje. Het was een druk beestje, maar af en toe liet hij zich erg fraai en van dichtbij zien, zodat de belangrijkste verschillen met ‘onze’ (Bloeyendael) bladkoning goed waren vast te stellen: valer van kleur, minder contrastrijk en nauwelijks zichtbare tweede vleugelstreep. Eén keer riep-ie, om het af te maken.
Na de excursie zijn we nog met één auto op zoek geweest naar een grote burgemeester die gemeld was op het strand bij Noordwijk. Die konden we tussen de vele honderden meeuwen aldaar niet vinden, maar wel een andere burgemeester die na een korte periode van verwarring (vogel oogde best fors, de snavel aan de zware kant) werd gedetermineerd als (toch) een kleine burgemeester. Onze tweede vandaag. De waarnemer van de grote burgemeester bezwoer me dat hij echt een grote gezien had, die echter maar kort ter plaatse was geweest, zodat wij deze kleine mogen beschouwen als ‘onze’ eigen ontdekking. Een eer die in de eerste plaats Martijn toekomt.
Hier ook nog een fantastische kokmeeuw, een kokmeeuw als een duivels engeltje: spierwit, niet alleen waar-ie spierwit hoort te zijn maar ook waar-ie grijs hoort te zijn, maar inktzwart waar-ie zwart hoort te zijn. Een interessante afwijking. Misschien wel de vogel van de dag.
8 januari 2017
dinsdag 27 december 2016
Afsluiting
Het jaar leek een beetje als een nachtkaars uit te gaan. Met een paar dips was ineens de vaart eruit. Maar gelukkig op het eind toch nog een geslaagde twitch: witkopgors te Loodmansduinen op Texel. Vorige week nog misgelopen bij Lieshout, Noord-Brabant, maar nu dus wel. We hebben nog een week te gaan dus het is wellicht wat voorbarig, maar het zou een mooie afsluiting zijn van 2016.
Het ging overigens, zoals wel vaker, niet van een leien dakje, nee, het kostte weer eens uren zoeken. Het woei hard, misschien dat-ie zich daarom zo spaarzaam liet zien. Maar geelgorzen zaten wel geregeld open en bloot in de struikjes langs het akkertje aan de rand van de camping, dus waarom witkopgors niet? Ik was al anderhalf uur aan het zoeken toen ik eindelijk een korte glimp van de vogel opving. Te kort, te vluchtig, te slecht in beeld ook al zag ik voldoende van de koptekening voor een zekere determinatie. Ik was nog niet klaar hier.
Wat koperwieken, veel groenlingen en vinken, verderop flinke groepen holenduiven, geelgorzen natuurlijk en toen, we waren alweer anderhalf uur verder en we waren inmiddels met diverse vogelaars aan het zoeken, toen kwam-ie ineens aanvliegen en ging in een nabij struikje zitten. Hij verdween weliswaar al gauw naar het binnenste maar daar was-ie toch nog redelijk vrij zichtbaar en vijftig keer vergroot zag-ie er geweldig uit! We keken hem op de rug maar als-ie even de kop draaide, was prachtig het markante koppatroon zichtbaar, met de witte wang en de witte kruinstreep afgezet tegen warm kastanjebruine kleuren. En toen-ie ging verzitten en kop en borst naar ons toe richtte, toen waren we volmaakt gelukkig.
En daarmee beschouwen we, onder enig voorbehoud, het ongekend goede 2016 voor afgesloten. Ongekend goed, ja. De grotemensenwereld mag zich dan ook afgelopen jaar weer van zijn lelijkste kant hebben laten zien, voor mij als vogelaar was 2016 onvergetelijk. Ja, ik heb ook soorten gemist dit jaar, en niet de minste (alpenheggenmus, steppekievit, bergheggenmus, bruine lijster), maar elke keer kon ik dat met een brede glimlach ondergaan want wat ik allemaal wel gezien heb dit jaar, dat was formidabel. Successen en missers wisselen elkaar ieder jaar af, zo is het altijd en zo was het ook dit jaar, maar dit jaar was de lijst successen vele malen langer dan de bepaald imposante lijst met missers. Dertien lifers! en voor het eerst 300+ soorten in Nederland: ze maakten voor mij dit jaar, in weerwil van alle ellende in de wereld, Trump, de wereldwijde populistische revolte, Aleppo, nog meer bloedige aanslagen en al die overleden popiconen (maar zo is er elk jaar wel wat), tot een subliem jaar.
Dertien lifers. Een opsomming is saai maar kan niet achterwege blijven. Roodkeelnachtegaal, heilige graal voor vogelend Nederland, wekenlang in Noord-Hollandse burgermanswijk. Amerikaanse tafeleend, door sommigen afgedaan als nep maar wel de eerste voor Nederland, in een door populieren omzoomd winters kanaal in de Groninger ommelanden. Forsters stern, balkankwikstaart en grote kanoet op Texel in die magische voorjaarsweken toen ik in vijf weken zeven lifers scoorde. Met daarnaast westelijke baardgrasmus op het terrein van de Wageninger landbouwuniversiteit, flarden van zang van zwartkoprietzanger in de Ooyse graaf, steltstrandloper in noord Limburg en rode rotslijster op een akker in de Achterhoek. In de nazomer en herfst nog zwartkopgors langs de Noord bij Ridderkerk, marmereend bij een Brabants ven en in één weekend provençaalse grasmus en kroonboszanger, en we hebben alle dertien goed. Het kon niet op. En allemaal hebben ze hun eigen verhaal. Sommige heb ik schitterend van dichtbij gezien, andere waren iets minder gewillig. Sommige waren een makkie en meteen in beeld, andere gaven zich pas na lang wachten of na lang zoeken bloot. Sommige na een waar avontuur, sommige zelfs pas in de tweede poging.
En dan waren er nog al die andere, geen lifers maar toch memorabel. Omdat het mijn tweede ooit was, voor het eerst sinds jaren (blauwstaart op Texel) of eindelijk de superwaarneming die ik de vorige keer was misgelopen (rosse waaierstaart op de Maasvlakte). Omdat het na vele jaren eindelijk mijn derde ooit was (bonapartes strandloper Dannemeer), omdat het mijn beste ooit was (kleine topper Den Oever), omdat ik ze na jaren eindelijk weer eens prachtig te zien kreeg (bruine boszanger Kijkduin, dwerggors Noordwijk) of omdat het los van enige statistiek gewoon geweldige waarnemingen waren (vale gieren in de Alblasserwaard, roodpootvalken in de Amsterdamse waterleidingduinen). Of omdat het een unieke lokale gebeurtenis was: de kwartelkoningen van de Wetering, Leidsche Rijn, die ik zelfs te zien kreeg! Dat was me nooit eerder gelukt.
Natuurlijk moet ik ook de recordaantallen bladkoningen noemen, waaronder enkele van mijn mooiste ooit, enkele zelf ontdekt gevallen in de Utrechtse regio, een zingende vogel op Texel en een overwinterende vogel in Utrecht. Met als bonus een fraaie humes op Brabants vakantieparkje. En dan laat ik nog zoveel (bijna) onvermeld. Diverse ijsduikers (meer dan ooit). Twee kleine geelpootruiters. Taigaboomkruiper in Castricum. Draaihals bij Weesp. Grote grijze snip in (ook al) de Alblasserwaard. Bijeneters in noord Limburg. Witwang- en witvleugelsterns in het Groningse Dannemeer. Ralreiger in de Flevo. Griel in een weiland in Gelderland, duinpieper bij Ridderkerk, woestijntapuit en hop op Texel, weer eens fraaie pestvogels (in IJmuiden), kleine burgemeester in een Amsterdamse gracht, waterspreeuw bij Zutphen en in Zuid-Limburg mijn mooiste grauwe gorzen ooit in elk geval in Nederland. En ook nog een leuke vlindertwitch dit jaar: in Meijendel fraaie keizersmantels.
Vogels, vogels en nog eens vogels dus. Een kritische lezer zal wellicht opmerken dat dit een erg twitch-getint overzicht is geworden. Dat kan ook bijna niet anders: voor de meeste vogelaars geldt nou eenmaal dat verreweg de leukste soorten die ze zien, getwitcht zijn. Natuurlijk ontdek je ze liever zelf. Natuurlijk worden we liever verrast. Maar helaas komen de meeste van ons op die manier niet veel verder dan de dagelijkse standaard-soorten. Het zeldzaamste dat ik dit jaar zelf gevonden heb waren die blako's, zeker, ook leuk maar dit jaar geen prestatie van betekenis. En soms wil je ook eens iets anders. En intussen laten we ons ook tijdens het twitchen natuurlijk graag verrassen. Het een sluit het ander niet uit. Hoe dan ook brachten ze me op de mooiste plekjes van Nederland, al die getwitchte soorten. Het Zuid-Limburgse heuvelland, het coulisselandschap van Twente en van de Achterhoek, de Brabantse bossen en velden, de Hollandse duinen, de veenweiden en laagveenmoerassen in het westen en de hoogvenen in het oosten van het land. Of in de mooiste stadjes: Schiedam, Zutphen, Hoogwoud. Heerlijk was het ook om zomaar een lang weekend in het vroege voorjaar op Schiermonnikoog te verblijven. Om in de zomervakantie twee weken op een camping midden in Drenthe door te brengen en het Drentsche land in al haar facetten te ondergaan. En om in het hart van de herfst een volle week op Texel te verblijven en daar de herfst mee te maken, met al haar vogels, sommige zeldzaam, sommige overvloedig aanwezig. Vogels dus, toch weer vogels: het waren er Te Veel Om Op Te Noemen dit jaar!
24 december 2016
Het ging overigens, zoals wel vaker, niet van een leien dakje, nee, het kostte weer eens uren zoeken. Het woei hard, misschien dat-ie zich daarom zo spaarzaam liet zien. Maar geelgorzen zaten wel geregeld open en bloot in de struikjes langs het akkertje aan de rand van de camping, dus waarom witkopgors niet? Ik was al anderhalf uur aan het zoeken toen ik eindelijk een korte glimp van de vogel opving. Te kort, te vluchtig, te slecht in beeld ook al zag ik voldoende van de koptekening voor een zekere determinatie. Ik was nog niet klaar hier.
Wat koperwieken, veel groenlingen en vinken, verderop flinke groepen holenduiven, geelgorzen natuurlijk en toen, we waren alweer anderhalf uur verder en we waren inmiddels met diverse vogelaars aan het zoeken, toen kwam-ie ineens aanvliegen en ging in een nabij struikje zitten. Hij verdween weliswaar al gauw naar het binnenste maar daar was-ie toch nog redelijk vrij zichtbaar en vijftig keer vergroot zag-ie er geweldig uit! We keken hem op de rug maar als-ie even de kop draaide, was prachtig het markante koppatroon zichtbaar, met de witte wang en de witte kruinstreep afgezet tegen warm kastanjebruine kleuren. En toen-ie ging verzitten en kop en borst naar ons toe richtte, toen waren we volmaakt gelukkig.
En daarmee beschouwen we, onder enig voorbehoud, het ongekend goede 2016 voor afgesloten. Ongekend goed, ja. De grotemensenwereld mag zich dan ook afgelopen jaar weer van zijn lelijkste kant hebben laten zien, voor mij als vogelaar was 2016 onvergetelijk. Ja, ik heb ook soorten gemist dit jaar, en niet de minste (alpenheggenmus, steppekievit, bergheggenmus, bruine lijster), maar elke keer kon ik dat met een brede glimlach ondergaan want wat ik allemaal wel gezien heb dit jaar, dat was formidabel. Successen en missers wisselen elkaar ieder jaar af, zo is het altijd en zo was het ook dit jaar, maar dit jaar was de lijst successen vele malen langer dan de bepaald imposante lijst met missers. Dertien lifers! en voor het eerst 300+ soorten in Nederland: ze maakten voor mij dit jaar, in weerwil van alle ellende in de wereld, Trump, de wereldwijde populistische revolte, Aleppo, nog meer bloedige aanslagen en al die overleden popiconen (maar zo is er elk jaar wel wat), tot een subliem jaar.
Dertien lifers. Een opsomming is saai maar kan niet achterwege blijven. Roodkeelnachtegaal, heilige graal voor vogelend Nederland, wekenlang in Noord-Hollandse burgermanswijk. Amerikaanse tafeleend, door sommigen afgedaan als nep maar wel de eerste voor Nederland, in een door populieren omzoomd winters kanaal in de Groninger ommelanden. Forsters stern, balkankwikstaart en grote kanoet op Texel in die magische voorjaarsweken toen ik in vijf weken zeven lifers scoorde. Met daarnaast westelijke baardgrasmus op het terrein van de Wageninger landbouwuniversiteit, flarden van zang van zwartkoprietzanger in de Ooyse graaf, steltstrandloper in noord Limburg en rode rotslijster op een akker in de Achterhoek. In de nazomer en herfst nog zwartkopgors langs de Noord bij Ridderkerk, marmereend bij een Brabants ven en in één weekend provençaalse grasmus en kroonboszanger, en we hebben alle dertien goed. Het kon niet op. En allemaal hebben ze hun eigen verhaal. Sommige heb ik schitterend van dichtbij gezien, andere waren iets minder gewillig. Sommige waren een makkie en meteen in beeld, andere gaven zich pas na lang wachten of na lang zoeken bloot. Sommige na een waar avontuur, sommige zelfs pas in de tweede poging.
En dan waren er nog al die andere, geen lifers maar toch memorabel. Omdat het mijn tweede ooit was, voor het eerst sinds jaren (blauwstaart op Texel) of eindelijk de superwaarneming die ik de vorige keer was misgelopen (rosse waaierstaart op de Maasvlakte). Omdat het na vele jaren eindelijk mijn derde ooit was (bonapartes strandloper Dannemeer), omdat het mijn beste ooit was (kleine topper Den Oever), omdat ik ze na jaren eindelijk weer eens prachtig te zien kreeg (bruine boszanger Kijkduin, dwerggors Noordwijk) of omdat het los van enige statistiek gewoon geweldige waarnemingen waren (vale gieren in de Alblasserwaard, roodpootvalken in de Amsterdamse waterleidingduinen). Of omdat het een unieke lokale gebeurtenis was: de kwartelkoningen van de Wetering, Leidsche Rijn, die ik zelfs te zien kreeg! Dat was me nooit eerder gelukt.
Natuurlijk moet ik ook de recordaantallen bladkoningen noemen, waaronder enkele van mijn mooiste ooit, enkele zelf ontdekt gevallen in de Utrechtse regio, een zingende vogel op Texel en een overwinterende vogel in Utrecht. Met als bonus een fraaie humes op Brabants vakantieparkje. En dan laat ik nog zoveel (bijna) onvermeld. Diverse ijsduikers (meer dan ooit). Twee kleine geelpootruiters. Taigaboomkruiper in Castricum. Draaihals bij Weesp. Grote grijze snip in (ook al) de Alblasserwaard. Bijeneters in noord Limburg. Witwang- en witvleugelsterns in het Groningse Dannemeer. Ralreiger in de Flevo. Griel in een weiland in Gelderland, duinpieper bij Ridderkerk, woestijntapuit en hop op Texel, weer eens fraaie pestvogels (in IJmuiden), kleine burgemeester in een Amsterdamse gracht, waterspreeuw bij Zutphen en in Zuid-Limburg mijn mooiste grauwe gorzen ooit in elk geval in Nederland. En ook nog een leuke vlindertwitch dit jaar: in Meijendel fraaie keizersmantels.
Vogels, vogels en nog eens vogels dus. Een kritische lezer zal wellicht opmerken dat dit een erg twitch-getint overzicht is geworden. Dat kan ook bijna niet anders: voor de meeste vogelaars geldt nou eenmaal dat verreweg de leukste soorten die ze zien, getwitcht zijn. Natuurlijk ontdek je ze liever zelf. Natuurlijk worden we liever verrast. Maar helaas komen de meeste van ons op die manier niet veel verder dan de dagelijkse standaard-soorten. Het zeldzaamste dat ik dit jaar zelf gevonden heb waren die blako's, zeker, ook leuk maar dit jaar geen prestatie van betekenis. En soms wil je ook eens iets anders. En intussen laten we ons ook tijdens het twitchen natuurlijk graag verrassen. Het een sluit het ander niet uit. Hoe dan ook brachten ze me op de mooiste plekjes van Nederland, al die getwitchte soorten. Het Zuid-Limburgse heuvelland, het coulisselandschap van Twente en van de Achterhoek, de Brabantse bossen en velden, de Hollandse duinen, de veenweiden en laagveenmoerassen in het westen en de hoogvenen in het oosten van het land. Of in de mooiste stadjes: Schiedam, Zutphen, Hoogwoud. Heerlijk was het ook om zomaar een lang weekend in het vroege voorjaar op Schiermonnikoog te verblijven. Om in de zomervakantie twee weken op een camping midden in Drenthe door te brengen en het Drentsche land in al haar facetten te ondergaan. En om in het hart van de herfst een volle week op Texel te verblijven en daar de herfst mee te maken, met al haar vogels, sommige zeldzaam, sommige overvloedig aanwezig. Vogels dus, toch weer vogels: het waren er Te Veel Om Op Te Noemen dit jaar!
24 december 2016
woensdag 21 december 2016
Buizerd
De winter, tot nu toe nogal scheutig met zijn gaven deze winter, had afgelopen nacht toch even uitgepakt: het was feest vanmorgen. Een dun laagje rijp kleefde aan ieder takje en aan ieder sprietje en had de Gagelpolder geschilderd tot een sprookjeslandschap dat van een beetje kleur werd voorzien door een roodborstje hier en een koolmees elders tussen al die witte twijgjes. In een fotoboek of op een schilderij noemen we dat kitsch en halen er de neus voor op, maar in de koude werkelijkheid buiten … prachtig. Een grote zilverreiger was nog witter dan de omringende wereld. In een bosje een winterse rietgors en in het veld honderden kolganzen. Ze vlogen af en aan, luidruchtig als kolganzen zijn, gedreven door een onrust die ze zelf vermoedelijk ook niet begrepen.
In een boom verderop een brede gestalte. Ik zag wit aan de borst: dat ging waarschijnlijk een buizerd worden, schatte ik. De verrekijker maakte er inderdaad een buizerd van. Wat het natuurlijk altijd al was geweest, bedacht ik, het is niet dat het pas een buizerd werd op het moment dat ik dat vaststelde. (Of wel? Oceanen van gedachten, van filosofische hoogstandjes, van wetenschappelijke exercities laat ik even voor wat ze zijn.) En het zou ook altijd een buizerd blijven. Nou ja, niet altijd natuurlijk. Er komt een moment dat die buizerd ophoudt een buizerd te zijn. Eerst wordt-ie een dode buizerd, dan is het nog een buizerd, maar daarna zijn er nog slechts de resten van een buizerd en kun je die nog wel buizerd noemen? En tenslotte zelfs dat niet meer.
Dat geldt allemaal uiteraard niet alleen voor die buizerd.
In een boom verderop een brede gestalte. Ik zag wit aan de borst: dat ging waarschijnlijk een buizerd worden, schatte ik. De verrekijker maakte er inderdaad een buizerd van. Wat het natuurlijk altijd al was geweest, bedacht ik, het is niet dat het pas een buizerd werd op het moment dat ik dat vaststelde. (Of wel? Oceanen van gedachten, van filosofische hoogstandjes, van wetenschappelijke exercities laat ik even voor wat ze zijn.) En het zou ook altijd een buizerd blijven. Nou ja, niet altijd natuurlijk. Er komt een moment dat die buizerd ophoudt een buizerd te zijn. Eerst wordt-ie een dode buizerd, dan is het nog een buizerd, maar daarna zijn er nog slechts de resten van een buizerd en kun je die nog wel buizerd noemen? En tenslotte zelfs dat niet meer.
Dat geldt allemaal uiteraard niet alleen voor die buizerd.
zondag 11 december 2016
Achterweg
Het was weer zo’n gebeurtenis die je op een of andere manier gaat bijblijven, die een herinnering gaat achterlaten. Waarom? Niet om het weer. Dat was grauw, grijs, mistig, miezerig en kil. Een normaal mens zou er depressief van worden. Om de plek dan? Dat stukje niemandsland waar je struikelt over de woekerende braamstrengen, dat van niemand is of van iemand die allang vergeten is dat-ie het had? Iets van vroeger, iets dat ooit geweest is maar waarvan nog slechts een ongeordende verzameling braamstruwelen, stekelig struikgewas, een paar coniferen en een paar kale boompjes resten. Plus een vervallen schuurtje, een verwilderd akkertje en wat weggegooid tuinmeubilair. Een half tuinbankje lag in het gras, een paar van die oude witte tuinstoelen lagen diep in het braamstruweel. Die liggen daar langer dan de bramen er staan; die zijn daar later massaal overheen gegroeid. Ultieme lelijkheid: wat heeft een mens daar te zoeken? Waarom op zo’n sombere dag die reis ondernomen, met trein en vouwfiets van Utrecht helemaal naar die sombere plek aan de Achterweg bij Noordwijk?
Dat ging ‘m natuurlijk weer om een vogel. Wat anders? Of twee vogels, om precies te zijn, al was ik met een van beide ook best tevreden geweest. Om twee dwerggorzen, schattige maar tamelijk zeldzame beestjes die al enkele weken op deze tot voor kort vergeten maar de laatste tijd opmerkelijk druk bezochte plek verblijf houden. In de ultieme grijsheid van deze dag was ik op zoek naar iets dat in deze context bijna onbestaanbaar is: naar kleur, naar de warm oranje-bruine wangetjes van dwerggors.
Aanvankelijk geen spoor van beide. Het zag er al naar uit dat ik op deze grauwe, grijze, mistige, miezerige en kille middag genoegen moest nemen met deze ongeordende verzameling braamstruwelen, stekelig struikgewas, een paar coniferen en een paar kale boompjes en ik had me daar al bijna mee verzoend toen, na anderhalf uur zoeken, ineens twee vogeltjes roepend van pal voor mijn voeten opvlogen naar het braamstruweel naast het vervallen schuurtje. En daar kreeg ik, diep in het struikgewas maar op slechts enkele meters afstand, enkele keren vrijwel geheel vrij zicht op de warm oranje-bruine wangetjes van dwerggors. Twee dwerggorzen, scharrelend tussen de twijgjes en de blaadjes en schuilend voor de inmiddels neer zeikende motregen. Ik heb nog een tijdje afgewacht of ze in een van de kale boompjes wilden gaan poseren, zoals ze de afgelopen weken voor diverse fotografen hadden gedaan, maar dat zat er met dit weer niet meer in. Dus maar weer terug naar Leiden gefietst.
10 december 2016
Dat ging ‘m natuurlijk weer om een vogel. Wat anders? Of twee vogels, om precies te zijn, al was ik met een van beide ook best tevreden geweest. Om twee dwerggorzen, schattige maar tamelijk zeldzame beestjes die al enkele weken op deze tot voor kort vergeten maar de laatste tijd opmerkelijk druk bezochte plek verblijf houden. In de ultieme grijsheid van deze dag was ik op zoek naar iets dat in deze context bijna onbestaanbaar is: naar kleur, naar de warm oranje-bruine wangetjes van dwerggors.
Aanvankelijk geen spoor van beide. Het zag er al naar uit dat ik op deze grauwe, grijze, mistige, miezerige en kille middag genoegen moest nemen met deze ongeordende verzameling braamstruwelen, stekelig struikgewas, een paar coniferen en een paar kale boompjes en ik had me daar al bijna mee verzoend toen, na anderhalf uur zoeken, ineens twee vogeltjes roepend van pal voor mijn voeten opvlogen naar het braamstruweel naast het vervallen schuurtje. En daar kreeg ik, diep in het struikgewas maar op slechts enkele meters afstand, enkele keren vrijwel geheel vrij zicht op de warm oranje-bruine wangetjes van dwerggors. Twee dwerggorzen, scharrelend tussen de twijgjes en de blaadjes en schuilend voor de inmiddels neer zeikende motregen. Ik heb nog een tijdje afgewacht of ze in een van de kale boompjes wilden gaan poseren, zoals ze de afgelopen weken voor diverse fotografen hadden gedaan, maar dat zat er met dit weer niet meer in. Dus maar weer terug naar Leiden gefietst.
10 december 2016
zondag 4 december 2016
300
Ik ben ervoor naar de Tichelgaten van Windesheim geweest, stille wateren met eenden en meerkoeten omgeven door wat karige bossigheid, in een context van herfst en motregen en af en toe zelfs echte regen. (Woorden zijn zo ontoereikend, in elk geval de mijne, maar ik kan u verzekeren, het was er mooi. En wat meer is: het heeft een herinnering nagelaten.) Maar geen witoogeend. Dus een week later stond ik tussen de pakhuizen en kantoorgebouwen in Schiedam aan een oude kade met zicht op nog meer oude kades en pakhuizen, en kraaninstallaties en schepen tot in de verte en na enig zoeken op een mooie witoogeend tussen de tafeleenden. Op een mistige middag ben ik ervoor naar Zutphen geweest, heb daar rondgefietst door ternauwernood zichtbare bossen en velden van de Achterhoek tussen Warnsveld en Vorden en heb een uur doorgebracht bij een waterspreeuw bij een stuw in de Berkel. Op een zonovergoten ochtend ben ik naar het Limburgse heuvelland rond Sittard geweest waar de laatste restjes herfst prachtig kleurden in de glooiingen terwijl ik stond te kijken naar een stuk of tien grauwe gorzen. En aan een oud grachtje omgeven door grootstedelijke nieuwbouw in Amsterdam stond ik te zoeken naar een kleine burgemeester. Alles voor de 300!
Allemaal geen straf natuurlijk.
En tenslotte vandaag naar een winters, verlaten vakantieparkje in de buurt van Rosmalen geweest. Een mooie, heldere late herfst- of vroege winterdag. Wat laatste, verdorde restjes kleur aan de bosranden maakten het nog een beetje herfst, de meest al kale bomen en het helderkoude weer juist meer winter. Hoofddoel was vandaag de humes bladkoning die al enkele dagen verblijft in vakantiepark Vinkeloord bij Vinkel, waar nog een enkele bladblazer blies maar de meeste vakantiehuisjes donker en gesloten achter hun coniferenhagen lagen. Dit moest mijn 300e soort van dit jaar worden, maar aanvankelijk zag het daar nog niet naar uit. Zoekende mensen maar geen spoor van de vogel en niemand die hem al gezien had en wist waar te zoeken. Zag er vrij kansloos uit maar soms vallen die dingen bij nader inzien wel mee: na een half uurtje zoeken was ikzelf de gelukkige die hem terugvond, roepend vanuit een hoge, zeer dichte conifeer. Hij liet zich niet zien en tegen de tijd dat andere vogelaars waren gearriveerd, deed-ie er weer het zwijgen toe. Maar na een tijdje begon-ie weer te roepen en nu kregen we hem wel te zien, hoog boven ons, af en toe vrij tussen wat kale takken en op zeker moment nog net herkenbaar.
Later en wat verderop kregen we hem veel beter te zien. Geruime tijd foerageerde hij aan beide zeiden langs de centrale hoofdweg door het park, af en toe fanatiek roepend, geregeld goed zichtbaar en even zelfs op slechts enkele meters afstand in het lage, kale kreupelhout langs het weggetje. 300 dus. Ik beloof het er verder niet meer over te zullen hebben, daarvoor is het natuurlijk veel te onbelangrijk.
Hier ook nog onder andere een mooie boomklever op een metalen hekwerk, niet zeldzaam natuurlijk maar wel het aanzien en dus het noemen waard. Waarna, om het af te maken, nog een fijn stukje gefietst door het Brabantse land. Langs velden en halfkale akkers, boomlanen, bosranden, ach, het idee dat je die woorden al zo vaak gebezigd hebt maar mooi was het (idem), en lekker bijtijds terug in Rosmalen. Een zeer geslaagde twitch, zo heb ik ze graag.
3 december 2016
Allemaal geen straf natuurlijk.
En tenslotte vandaag naar een winters, verlaten vakantieparkje in de buurt van Rosmalen geweest. Een mooie, heldere late herfst- of vroege winterdag. Wat laatste, verdorde restjes kleur aan de bosranden maakten het nog een beetje herfst, de meest al kale bomen en het helderkoude weer juist meer winter. Hoofddoel was vandaag de humes bladkoning die al enkele dagen verblijft in vakantiepark Vinkeloord bij Vinkel, waar nog een enkele bladblazer blies maar de meeste vakantiehuisjes donker en gesloten achter hun coniferenhagen lagen. Dit moest mijn 300e soort van dit jaar worden, maar aanvankelijk zag het daar nog niet naar uit. Zoekende mensen maar geen spoor van de vogel en niemand die hem al gezien had en wist waar te zoeken. Zag er vrij kansloos uit maar soms vallen die dingen bij nader inzien wel mee: na een half uurtje zoeken was ikzelf de gelukkige die hem terugvond, roepend vanuit een hoge, zeer dichte conifeer. Hij liet zich niet zien en tegen de tijd dat andere vogelaars waren gearriveerd, deed-ie er weer het zwijgen toe. Maar na een tijdje begon-ie weer te roepen en nu kregen we hem wel te zien, hoog boven ons, af en toe vrij tussen wat kale takken en op zeker moment nog net herkenbaar.
Later en wat verderop kregen we hem veel beter te zien. Geruime tijd foerageerde hij aan beide zeiden langs de centrale hoofdweg door het park, af en toe fanatiek roepend, geregeld goed zichtbaar en even zelfs op slechts enkele meters afstand in het lage, kale kreupelhout langs het weggetje. 300 dus. Ik beloof het er verder niet meer over te zullen hebben, daarvoor is het natuurlijk veel te onbelangrijk.
Hier ook nog onder andere een mooie boomklever op een metalen hekwerk, niet zeldzaam natuurlijk maar wel het aanzien en dus het noemen waard. Waarna, om het af te maken, nog een fijn stukje gefietst door het Brabantse land. Langs velden en halfkale akkers, boomlanen, bosranden, ach, het idee dat je die woorden al zo vaak gebezigd hebt maar mooi was het (idem), en lekker bijtijds terug in Rosmalen. Een zeer geslaagde twitch, zo heb ik ze graag.
3 december 2016
Abonneren op:
Posts (Atom)







