Als je op amper 6 kilometer van het museum en het kampterrein bivakkeert (Westerbork zelf was nog 8 kilometer verder, het herinneringscentrum ligt dichterbij Hooghalen dan bij Westerbork), dan is een bezoek haast wel verplicht. Een krachtiger herinnering aan de gruwelen waar de mensheid toe in staat is, is in Nederland vermoedelijk niet te vinden. Dus op een mooie, zonnige zaterdag gezellig die kant uit gefietst.
Het is lastig om iets fatsoenlijks te schrijven over Westerbork, iets dat beklijft, iets dat niet al duizend keer gezegd en geschreven is, iets dat echt is en verder gaat dan obligate clichés. Misschien moest ik dat ook maar niet proberen. Natuurlijk, indrukwekkend is het. De foto’s, de verhalen, en vooral de werkelijkheid van toen waar ze naar verwijzen, ze laten niemand onaangeroerd. Mij trof vooral de massaliteit, die aantallen: twee keer per week een trein vol met rond de duizend mensen, allemaal naar Auschwitz of een van de andere vernietigingskampen. Er loopt een weg van het museum naar het kampterrein waarlangs om de pakweg 100 meter een paal staat met datum en aantal van die dag. Enkele kilometers lang, pakweg 10.000 mensen per kilometer, allemaal afgevoerd, als afval. Schokkend: die structurele aanpak, de structurele onmenselijkheid. Dat men destijds een bepaalde groep mensen niet wilde zien als mensen: wat moet je daarvan denken, anders dan wat (vrijwel?) iedereen daar al van denkt? Toch goed dat het er is, dit museum, en dat we er waren.
Vooral het kampterrein was natuurlijk indrukwekkend. Omdat het, nou ja, wat ervan herbouwd is want het oorspronkelijke kamp is afgebroken en wat rest is een grotendeels lege vlakte waar van wat er ooit gestaan heeft meest slechts de contouren zijn aangebracht maar wat herbouwd is, is levensecht en met enig inlevingsvermogen kun je je voorstellen dat het daar allemaal echt gebeurd is, met echte mensen. Vervreemdend zijn de radiotelescopen die op de achtergrond prijken, midden op het oorspronkelijke kampterrein. Van veel later datum, uit een tijd dat men blijkbaar nog niet toe was aan herinneren.
Alles in een context van omringende natuur. Het is verleidelijk om te schrijven over de bomen die alles hebben gezien, die alles hebben meegemaakt, maar die natuur is ook al de natuur van toen niet meer. De bomen van nu hebben dit alles niet meegemaakt want die waren er toen niet. Toen waren er uitgestrekte heidevelden rond het kamp. Moet mooi geweest zijn.
23 juli 2016
zondag 14 augustus 2016
donderdag 11 augustus 2016
Sterrenregen
Dat was me het nachtje wel! Diep in de nacht twee keer pakweg een kwartiertje naar de hemel staan staren, en twee keer een vallende ster gezien! Die heb je dan toch maar mooi meegepakt, kun je dan denken. Maar ik sta natuurlijk niet iedere nacht twee keer een kwartier naar de hemel te staren en de vraag is, hoeveel ik er in een andere heldere nacht gezien zou hebben, eentje waarvoor geen 45 meteorieten per uur worden voorspeld. Geen idee. De voorspelde 45 per uur heb ik vannacht in elk geval niet kunnen vinden, en zelfs bij de ook genoemde 30 kwam ik niet in de buurt. Ik zal er een paar gemist hebben. Dan is dat wellicht de charme van zo'n nacht: dat je veel meer vallende sterren mist dan in een gemiddelde nacht.
11 augustus 2016
maandag 8 augustus 2016
Dubbeltwitch
Na twee dagen van betrekkelijke passiviteit, nou ja, wat vogels kijken betreft, verder was ik bepaald niet passief geweest maar ik had wel de ene leuke waarnemingen na de andere langs zien komen en ik had ze allemaal aan me voorbij moeten laten gaan dus voor vandaag had ik een kleine inhaalmanoeuvre bedacht. Een dubbeltwitch, hoopte ik. Omdat er over de griel in het gebied ongeveer tussen Renkum en Elst vooralsnog geen nieuws was, eerst maar naar Groesbeek gegaan voor de graszanger in de Bruuk. Kon ik op de terugweg hopelijk alsnog die griel meepikken.
Dat was natuurlijk louter theorie. Wat dat in de praktijk waard zou zijn, moest nog maar blijken. Hoe dan ook was de Bruuk een goede dagopening want alleen al de moeite waard omdat het een voor mij nieuw en erg mooi natuurgebiedje is met, omkaderd door wat smalle bosstroken, prachtige natte riet- en biezenvelden en hoogveenvegetaties met onder andere blauwe knoop en ratelaar. Ik stond nog op de graszanger te wachten toen de griel al bleek teruggevonden. Toch eerst even hier de zaken afgerond. Graszanger liet even op zich wachten maar deed na wat zacht en vaag gepruttel één mooie en vrij uitvoerige zangvlucht, om vervolgens vrij ver in het veld weer neer te strijken. Daarna eerst nog even elders in het gebied een kijkje genomen. Ik werd daarvoor ruimharig beloond met mijn eerste zilveren manen ooit, een zeldzame vlindersoort en een mooie bovendien. Hopelijk zou ik er niet straks zwaar voor gestraft worden.
Daarna terug naar de fiets, terug naar Mook Molenhoek, met de trein naar Elst en met de fiets richting Valburg en van daar naar de plek van de griel. Landschappelijk was het hier een stuk minder boeiend (en dat is zacht uitgedrukt), maar een griel maakt veel goed. Bij aankomst was de vogel, na anderhalf uur onzichtbaarheid, net weer mooi in beeld. Soms kun je het treffen.
Wat een bijzondere en aparte vogel is dat toch. Dat bruin dat je saai zou kunnen noemen als je niet goed kijkt, maar het niet is. Verder alles net een beetje uit verhouding; het is gewoon een raar beest. En daarop dan die grote gele ogen geplakt. Af en toe richtte hij zich even op en stapte een stukje tussen de omringende kieviten door, waarbij zijn eigenaardigheid volledig tot zijn recht kwam. Waarna hij weer in het gras ging liggen en slechts ternauwernood (of zelfs dat niet) zichtbaar was.
Hier ook nog een late gierzwaluw over.
7 augustus 2016
Dat was natuurlijk louter theorie. Wat dat in de praktijk waard zou zijn, moest nog maar blijken. Hoe dan ook was de Bruuk een goede dagopening want alleen al de moeite waard omdat het een voor mij nieuw en erg mooi natuurgebiedje is met, omkaderd door wat smalle bosstroken, prachtige natte riet- en biezenvelden en hoogveenvegetaties met onder andere blauwe knoop en ratelaar. Ik stond nog op de graszanger te wachten toen de griel al bleek teruggevonden. Toch eerst even hier de zaken afgerond. Graszanger liet even op zich wachten maar deed na wat zacht en vaag gepruttel één mooie en vrij uitvoerige zangvlucht, om vervolgens vrij ver in het veld weer neer te strijken. Daarna eerst nog even elders in het gebied een kijkje genomen. Ik werd daarvoor ruimharig beloond met mijn eerste zilveren manen ooit, een zeldzame vlindersoort en een mooie bovendien. Hopelijk zou ik er niet straks zwaar voor gestraft worden.
Daarna terug naar de fiets, terug naar Mook Molenhoek, met de trein naar Elst en met de fiets richting Valburg en van daar naar de plek van de griel. Landschappelijk was het hier een stuk minder boeiend (en dat is zacht uitgedrukt), maar een griel maakt veel goed. Bij aankomst was de vogel, na anderhalf uur onzichtbaarheid, net weer mooi in beeld. Soms kun je het treffen.
Wat een bijzondere en aparte vogel is dat toch. Dat bruin dat je saai zou kunnen noemen als je niet goed kijkt, maar het niet is. Verder alles net een beetje uit verhouding; het is gewoon een raar beest. En daarop dan die grote gele ogen geplakt. Af en toe richtte hij zich even op en stapte een stukje tussen de omringende kieviten door, waarbij zijn eigenaardigheid volledig tot zijn recht kwam. Waarna hij weer in het gras ging liggen en slechts ternauwernood (of zelfs dat niet) zichtbaar was.
Hier ook nog een late gierzwaluw over.
7 augustus 2016
dinsdag 2 augustus 2016
Verlangen naar slangenarend
Ah, Koos van Zomeren. Die schreef laatst weer zoiets moois. ‘Zoals een hond in beweging komt voor een haas, zo komt ons brein in beweging zodra het een raadsel ontwaart. En zoals je een hond, omdat hij nu eenmaal in hazen is geïnteresseerd, ook achter een stok of een tennisbal kunt laten aanrennen, zo kan dat brein van ons, omdat het nu eenmaal zo werkt, zich verliezen in kwesties zonder nut. Het bestaan van God. De tijd vóór de oerknal. De herkomst van orchideeën die onder het raam van je werkkamer zijn komen staan.’ (Koos van Zomeren, Alles is begonnen.)
Wat betreft de lijst van kwesties zonder nut waar een mens zich mee kan bezighouden, die kan natuurlijk oneindig worden uitgebreid. Bijvoorbeeld het zoeken naar een slangenarend op het Fochteloërveen, tot vier keer toe, terwijl je de vogel van het Dwingelderveld al hebt gezien. Hoewel dat misschien eerder te vergelijken is met de hond die achter een stok of een tennisbal aanrent, dan met de mens die zich verliest in het bestaan van God of de tijd vóór de oerknal.
Ik had overigens niks te klagen hoor. Was niet naar Thyencamp gekomen om zeldzame vogels te scoren en had intussen toch maar mooi een subadulte man grauwe kiekendief ontdekt boven het nabije Hijkerveld. Er waren in elk geval geen meldingen op Waarneming vóór ik ‘m daar tegen het lijf liep. Bos en hei, stukjes hoogveen met stille vennetjes en grafheuvels en daarop aansluitend Diependal, met zijn uitkijkhut midden tussen de plassen en de rietvelden met zicht op lepelaars en zilverreigers, roodhalsfuut en af en toe fraai visarend. Verder nog grauwe klauwieren, geoorde futen, roerdomp, zingende wielewalen en kraanvogels natuurlijk, prachtige kraanvogels. En zoals gezegd de slangenarend van het Dwingelderveld, machtig jagend boven de hei. Maar die van het Fochteloërveen: twee slangenarenden in één vakantie, in Nederland, dat zou wat zijn toch? En maar twaalf kilometer fietsen van onze blokhut: eigenlijk was dát onze slangenarend, niet die van het Dwingelderveld.
De eerste keer dat je ‘m niet vinden kunt, denk je nog: pech gehad, volgende keer beter. Na drie vergeefse bezoeken denk je: zit-ie er eigenlijk nog wel? Waarnemingen waren schaars de voorbij week, en nauwelijks afdoende gedocumenteerd. Maar je hebt het nog niet gedacht of er verschijnt op Waarneming een puntgave foto: hij zit er nog! Zo’n eenvoudige vogel is dan een rode lap geworden, en als ware ik een stier: nog één keer naar het Veen. Vergeefs, opnieuw. Vogel liet zich aan mij simpelweg niet zien. Ook niet op dagen dat-ie er wel door anderen was waargenomen. Ik sprak een keer iemand die me vertelde dat hij de vogel kort daarvoor vanuit de uitkijktoren over het grote veen had zien vliegen. Als ik de tijden een beetje reconstrueer, moet die bijna over me heen gevlogen zijn. Stond toen zeker de oranje zandoogjes te bestuderen die met tientallen door de vegetatie fladderden. Of een venglazenmaker, meende ik, die patrouilleerde boven een vennetje. Allemaal beneden! Naar boven moest ik kijken. Dat heb ik ook wel gedaan hoor, volop. Wespendief, boomvalk, bruine kiekendief, af en toe een buizerd natuurlijk, maar geen slangenarend. Niet toen ik omhoog keek. Een raadsel is het eigenlijk ook wel.
Ach, het is slechts een kleine smet.
29 juli 2016
Wat betreft de lijst van kwesties zonder nut waar een mens zich mee kan bezighouden, die kan natuurlijk oneindig worden uitgebreid. Bijvoorbeeld het zoeken naar een slangenarend op het Fochteloërveen, tot vier keer toe, terwijl je de vogel van het Dwingelderveld al hebt gezien. Hoewel dat misschien eerder te vergelijken is met de hond die achter een stok of een tennisbal aanrent, dan met de mens die zich verliest in het bestaan van God of de tijd vóór de oerknal.
Ik had overigens niks te klagen hoor. Was niet naar Thyencamp gekomen om zeldzame vogels te scoren en had intussen toch maar mooi een subadulte man grauwe kiekendief ontdekt boven het nabije Hijkerveld. Er waren in elk geval geen meldingen op Waarneming vóór ik ‘m daar tegen het lijf liep. Bos en hei, stukjes hoogveen met stille vennetjes en grafheuvels en daarop aansluitend Diependal, met zijn uitkijkhut midden tussen de plassen en de rietvelden met zicht op lepelaars en zilverreigers, roodhalsfuut en af en toe fraai visarend. Verder nog grauwe klauwieren, geoorde futen, roerdomp, zingende wielewalen en kraanvogels natuurlijk, prachtige kraanvogels. En zoals gezegd de slangenarend van het Dwingelderveld, machtig jagend boven de hei. Maar die van het Fochteloërveen: twee slangenarenden in één vakantie, in Nederland, dat zou wat zijn toch? En maar twaalf kilometer fietsen van onze blokhut: eigenlijk was dát onze slangenarend, niet die van het Dwingelderveld.
De eerste keer dat je ‘m niet vinden kunt, denk je nog: pech gehad, volgende keer beter. Na drie vergeefse bezoeken denk je: zit-ie er eigenlijk nog wel? Waarnemingen waren schaars de voorbij week, en nauwelijks afdoende gedocumenteerd. Maar je hebt het nog niet gedacht of er verschijnt op Waarneming een puntgave foto: hij zit er nog! Zo’n eenvoudige vogel is dan een rode lap geworden, en als ware ik een stier: nog één keer naar het Veen. Vergeefs, opnieuw. Vogel liet zich aan mij simpelweg niet zien. Ook niet op dagen dat-ie er wel door anderen was waargenomen. Ik sprak een keer iemand die me vertelde dat hij de vogel kort daarvoor vanuit de uitkijktoren over het grote veen had zien vliegen. Als ik de tijden een beetje reconstrueer, moet die bijna over me heen gevlogen zijn. Stond toen zeker de oranje zandoogjes te bestuderen die met tientallen door de vegetatie fladderden. Of een venglazenmaker, meende ik, die patrouilleerde boven een vennetje. Allemaal beneden! Naar boven moest ik kijken. Dat heb ik ook wel gedaan hoor, volop. Wespendief, boomvalk, bruine kiekendief, af en toe een buizerd natuurlijk, maar geen slangenarend. Niet toen ik omhoog keek. Een raadsel is het eigenlijk ook wel.
Ach, het is slechts een kleine smet.
29 juli 2016
maandag 1 augustus 2016
Avondrood
Ik ben natuurlijk in de eerste plaats vogelaar en dat zal wel altijd zo blijven. Ben niet zo van het veranderlijke soort. Daarnaast ben ik vanouds een beetje van de plantjes. Heb daarin tijdens mijn studie een gedegen opleiding gehad, al is veel kennis in de loop der jaren weggelekt. De laatste paar jaar ben ik me ook wat meer gaan verdiepen in vlinders en libellen, iets wat je ‘s zomers bij meer vogelaars ziet. Dat dat zou zijn om de zomerse leegte op vogelgebied op te vullen, is als argument al lang bij het oud vuil gezet, ik hoef maar de reeks aan leuke soorten (vogels) van de afgelopen weken in herinnering te brengen. (Ik zal dat niet doen.) Maar het verschijnsel doet zich desondanks voor.
Als vlinderaar en ‘libelleraar’ (hoe noem je zo iemand?) ben ik overigens nog maar een beginner. Afgelopen nacht op natuurcamping Thyencamp te Laaghalerveen, Drenthe, heb ik me gestort op een groep waarin ik nog niet eens een beginner ben: de nachtvlinders. Daar weet ik nog helemaal niets vanaf. Ik was getuige van een nachtvlinder-event, met wit laken en felle lampen temidden van het omringende duister. Na een felle hoosbui aan het begin van de avond die de halve camping onder water had gezet, bleef het de hele nacht droog en zwoel, wat ideaal bleek voor het aantrekken van een enorme variatie aan (onder andere) nachtvlinders. En ik moet zeggen: er gaat een wereld voor je open! Een wereld waarvan je voorheen alleen af en toe het hinderlijke gefladder van onzichtbare wezens rond je hoofd had meegekregen, of de aanwezigheid van een vies, duister beest dat in het donker per ongeluk in een hoek van de slaapkamer verzeild is geraakt. En het moet gezegd: het is een fascinerende wereld. Meer dan tweeduizend soorten waarvan je niet eens wist dat ze bestonden.
En wat een verrassende rijkdom aan kleuren en patronen. Het prachtige geel van gele eenstaart en van geelschouderspanner, het subtiele rood van kleine beer of de geraffineerde zwartwit-tekening van peper-en-zoutvlinder. Verrassend, want wat heb je daaraan in een wereld waarin je niets ziet? Wat zie je dan van die kleuren en die patronen? En als je ze niet ziet, hoe hebben die kleuren dan kunnen evolueren? Welk voordeel brachten ze? Of zien zij iets in het donker wat wij niet zien?
Vragen, vooralsnog onbeantwoord.
Fascinerend zijn soms ook de namen die we deze geheimzinnige wezens hebben gegeven. Smalvleugeldwergspanner, berkenbrandvlerkvlinder, open-breedbandhuismoeder, witstipgrasuil, liesgrassnuitmot, schildstipspanner en puta-uil: voor minder dan vier lettergrepen doen we het niet, afgezien van die laatste dan. De fantasie die hier aan het werk is geweest, was onuitputtelijk. Maar ja, je moet wat, als je meer dan tweeduizend soorten te gaan hebt.
Hoogtepunt van de avond was het groot avondrood: een forse nachtvlinder van roze en olijfgroen die diep in de nacht de arena betrad en aller bewondering opeiste. Wat een beest, en wat een kleuren! Dat ik al die jaren niet eens van zijn bestaan wist! Het was de 35e lifer van de avond. Kom daar bij de vogels nog maar eens om.
22 juli 2016
Als vlinderaar en ‘libelleraar’ (hoe noem je zo iemand?) ben ik overigens nog maar een beginner. Afgelopen nacht op natuurcamping Thyencamp te Laaghalerveen, Drenthe, heb ik me gestort op een groep waarin ik nog niet eens een beginner ben: de nachtvlinders. Daar weet ik nog helemaal niets vanaf. Ik was getuige van een nachtvlinder-event, met wit laken en felle lampen temidden van het omringende duister. Na een felle hoosbui aan het begin van de avond die de halve camping onder water had gezet, bleef het de hele nacht droog en zwoel, wat ideaal bleek voor het aantrekken van een enorme variatie aan (onder andere) nachtvlinders. En ik moet zeggen: er gaat een wereld voor je open! Een wereld waarvan je voorheen alleen af en toe het hinderlijke gefladder van onzichtbare wezens rond je hoofd had meegekregen, of de aanwezigheid van een vies, duister beest dat in het donker per ongeluk in een hoek van de slaapkamer verzeild is geraakt. En het moet gezegd: het is een fascinerende wereld. Meer dan tweeduizend soorten waarvan je niet eens wist dat ze bestonden.
En wat een verrassende rijkdom aan kleuren en patronen. Het prachtige geel van gele eenstaart en van geelschouderspanner, het subtiele rood van kleine beer of de geraffineerde zwartwit-tekening van peper-en-zoutvlinder. Verrassend, want wat heb je daaraan in een wereld waarin je niets ziet? Wat zie je dan van die kleuren en die patronen? En als je ze niet ziet, hoe hebben die kleuren dan kunnen evolueren? Welk voordeel brachten ze? Of zien zij iets in het donker wat wij niet zien?
Vragen, vooralsnog onbeantwoord.
Fascinerend zijn soms ook de namen die we deze geheimzinnige wezens hebben gegeven. Smalvleugeldwergspanner, berkenbrandvlerkvlinder, open-breedbandhuismoeder, witstipgrasuil, liesgrassnuitmot, schildstipspanner en puta-uil: voor minder dan vier lettergrepen doen we het niet, afgezien van die laatste dan. De fantasie die hier aan het werk is geweest, was onuitputtelijk. Maar ja, je moet wat, als je meer dan tweeduizend soorten te gaan hebt.
Hoogtepunt van de avond was het groot avondrood: een forse nachtvlinder van roze en olijfgroen die diep in de nacht de arena betrad en aller bewondering opeiste. Wat een beest, en wat een kleuren! Dat ik al die jaren niet eens van zijn bestaan wist! Het was de 35e lifer van de avond. Kom daar bij de vogels nog maar eens om.
22 juli 2016
donderdag 23 juni 2016
De bank van Kees
Al een maand lang geen lifer: ik begin ontwenningsverschijnselen te vertonen. Het zweet breekt me uit, koorts zet me in lichterlaaie, dorst, honger, ik dacht al, hoe komt dat toch? Maar al een maand lang geen lifer, dus. Hoe heb ik ze door kunnen komen, al die weken zonder? Nou ja, door eropuit te gaan natuurlijk. Niet voor weer een lifer, dat zal er wel even niet inzitten, maar wel om (afgezien van wat verdere ommetjes waar ik de eventuele lezer in dit kader niet mee zal vermoeien) ook de eigen omgeving weer eens in ogenschouw te nemen. Af en toe moet men terug naar het gewone, naar de basis, terug naar waar het allemaal begonnen is, en telkens weer begint. Ik heb dat altijd gedaan, en zal het altijd blijven doen. Terug naar de eigen regio, naar de bossen en de heidevelden, de veenweiden en veenmoerassen, de rivieren met hun uiterwaarden, naar de jungle van Utrecht, die lappendeken met voor elk wat wils. Om daar weer de anekdotes in het landschap te ontdekken, de eigenaardigheden die hun eigen verhaaltjes vertellen en die je anders al te gemakkelijk over het hoofd zou zien. Zo staat er langs de weg van Utrecht naar Westbroek, uit de tijd dat daar nog voetbalvelden waren, een voetbalkantine die steeds verder ontkleed raakt en nog slechts een naakt en tochtig omhulsel is van niets meer. Ook ken ik een schuurtje dat in een proces van jarenlang verval uiteindelijk geëindigd is als een berg puin waarin alleen een schoorsteen nog recht overeind staat. Van die dingen. En als je enige moeite doet, geeft die jungle van Utrecht nog best aardige verrassingen prijs.
Zo waren we op een herfstige lentedag waarop we vooral angstvallig de buienluchten in de gaten hielden in Waverhoek, toen ineens een zwarte wouw opdook, hoog in een boomtop ging zitten en zich uiteindelijk ook nog mooi liet zien toen-ie steeds hoger cirkelend naar noordoost verdween. En zo hoorde ik op een ochtend in de Gagelpolder ineens een grote karekiet die zich daar een dag lang ophield. Zeldzaam tegenwoordig, niet alleen in de provincie. Een steenuil in diepe avondschemer op een boerderij bij Westbroek, kwartels roepend in nachtelijke polder langs de Korssesteeg: ook kleine anekdotes, eigenaardigheden die hun kleine verhaaltjes vertellen. En toen op een ochtend, gewoon overdag, langs de Kooidijk mijn aandacht werd getrokken door bedelgeroep van (twee, dacht ik) juveniele ransuilen, niet heel gebruikelijk op dat tijdstip, stond ik ineens naar een prachtige adulte ransuil te kijken, vrij zichtbaar midden in een forse struik.
Allemaal niet zeldzaam, maar toch erg leuk en je kunt het allemaal tegenkomen, in het Utrechtse. Wat je tot voor kort ook kon tegenkomen als je in de jungle van Utrecht op zoek ging naar verrassingen, was Kees Rozier. Kees was zo’n vogelaar met wie je met gemak en veel genoegen een uur of meer kon doorbrengen in het veld, kijkend naar en pratend over vogels. Maar met wie je nooit over jezelf of over elkaar sprak. Zoals dat voor zoveel van mijn vogelvrienden geldt. Mensen, dat is nou eenmaal zeg maar niet des vogelaars ding. Daarin staan vogelaars trouwens niet alleen, denk ik. Het schijnt meer iets van mannen te zijn: mannen in de kroeg pratend over vrouwen, mannen pratend over voetbal, mannen pratend over vogels, dieper gaan onze vriendschappen niet en daar zijn we doorgaans wel tevreden mee. Zo kon het gebeuren dat Kees mij nooit verteld had over zijn ziekte. Nou ja, toen ik hem nog tegenkwam was-ie waarschijnlijk zo ziek nog niet, en toen-ie wel zo ziek was, kwam je hem niet meer tegen. Toen moest je hem opzoeken om hem nog eens tegen te komen. Iets wat hij eigenlijk niet erg op prijs stelde, begreep ik van iemand die dat toch had gedaan. In die toestand wilde hij niet gezien worden. Zo kwam het dat de meesten van ons alleen van anderen hoorden over Kees’ ziekte.
Inmiddels is Kees wel zeldzaam. Zeldzamer dan een rode rotslijster, zeldzamer dan een steltstrandloper, zelfs zeldzamer dan een grote kanoet. Gelukkig heeft Kees nu zijn bank. In een boekje waarin vlak voor het einde zijn gedachten staan opgetekend, zegt hij het zelf: zolang ze nog aan je denken, leef je nog voort. Als niemand meer aan je denkt, dan ben je echt dood. Met zijn eigen bank zal Kees nog wel een tijdje voortleven. Dat heeft-ie dus goed voor elkaar.
Vanavond werd de bank van Kees onthuld, aan de Hoogekampse plas, ten oosten van Utrecht. Ook een kleine anekdote, een klein detail dat een klein verhaaltje vertelt.
Zo waren we op een herfstige lentedag waarop we vooral angstvallig de buienluchten in de gaten hielden in Waverhoek, toen ineens een zwarte wouw opdook, hoog in een boomtop ging zitten en zich uiteindelijk ook nog mooi liet zien toen-ie steeds hoger cirkelend naar noordoost verdween. En zo hoorde ik op een ochtend in de Gagelpolder ineens een grote karekiet die zich daar een dag lang ophield. Zeldzaam tegenwoordig, niet alleen in de provincie. Een steenuil in diepe avondschemer op een boerderij bij Westbroek, kwartels roepend in nachtelijke polder langs de Korssesteeg: ook kleine anekdotes, eigenaardigheden die hun kleine verhaaltjes vertellen. En toen op een ochtend, gewoon overdag, langs de Kooidijk mijn aandacht werd getrokken door bedelgeroep van (twee, dacht ik) juveniele ransuilen, niet heel gebruikelijk op dat tijdstip, stond ik ineens naar een prachtige adulte ransuil te kijken, vrij zichtbaar midden in een forse struik.
Allemaal niet zeldzaam, maar toch erg leuk en je kunt het allemaal tegenkomen, in het Utrechtse. Wat je tot voor kort ook kon tegenkomen als je in de jungle van Utrecht op zoek ging naar verrassingen, was Kees Rozier. Kees was zo’n vogelaar met wie je met gemak en veel genoegen een uur of meer kon doorbrengen in het veld, kijkend naar en pratend over vogels. Maar met wie je nooit over jezelf of over elkaar sprak. Zoals dat voor zoveel van mijn vogelvrienden geldt. Mensen, dat is nou eenmaal zeg maar niet des vogelaars ding. Daarin staan vogelaars trouwens niet alleen, denk ik. Het schijnt meer iets van mannen te zijn: mannen in de kroeg pratend over vrouwen, mannen pratend over voetbal, mannen pratend over vogels, dieper gaan onze vriendschappen niet en daar zijn we doorgaans wel tevreden mee. Zo kon het gebeuren dat Kees mij nooit verteld had over zijn ziekte. Nou ja, toen ik hem nog tegenkwam was-ie waarschijnlijk zo ziek nog niet, en toen-ie wel zo ziek was, kwam je hem niet meer tegen. Toen moest je hem opzoeken om hem nog eens tegen te komen. Iets wat hij eigenlijk niet erg op prijs stelde, begreep ik van iemand die dat toch had gedaan. In die toestand wilde hij niet gezien worden. Zo kwam het dat de meesten van ons alleen van anderen hoorden over Kees’ ziekte.
Inmiddels is Kees wel zeldzaam. Zeldzamer dan een rode rotslijster, zeldzamer dan een steltstrandloper, zelfs zeldzamer dan een grote kanoet. Gelukkig heeft Kees nu zijn bank. In een boekje waarin vlak voor het einde zijn gedachten staan opgetekend, zegt hij het zelf: zolang ze nog aan je denken, leef je nog voort. Als niemand meer aan je denkt, dan ben je echt dood. Met zijn eigen bank zal Kees nog wel een tijdje voortleven. Dat heeft-ie dus goed voor elkaar.
Vanavond werd de bank van Kees onthuld, aan de Hoogekampse plas, ten oosten van Utrecht. Ook een kleine anekdote, een klein detail dat een klein verhaaltje vertelt.
maandag 20 juni 2016
Er gaat niets boven …
Het was weer een model-excursie: met vogelwacht Utrecht naar Groningen. Met een voorafje in Overijssel: in de Weerribben nabij het illustere Muggenbeet. Mooi stukje laagveenmoeras met enerzijds de klassieke combinatie van broekbossen, petgaten en rietoevers, en anderzijds hedendaagse onder water gezette graslanden met plassen en slikken, rietlanden en drassige vegetatie, en volop geoorde futen, als knuffeltjes zo lief. Tot vlakbij zaten ze, moeders met kind op hun rug, prachtig. En klein waterhoen. Al toen we kwamen aanlopen hoorde ik hem roepen. Later hoorden we hem allemaal, mooi luid en dichtbij. Daar liet hij het bij, te zien kregen we hem niet, maar we waren tevreden want zo vaak krijg je niet de kans het kwaken van klein waterhoen te beluisteren, want zeldzaam, en in principe natuurlijk meer een nachtelijke vogel. Vooraf was ik dan ook niet helemaal overtuigd van het succes van de onderneming, al wordt deze ook geregeld overdag gehoord.
In Groningen een nieuwe plasdrassituatie bezocht: het Dannemeer, ‘onder de rook’ van Slochteren. Het is inmiddels een bekend concept: men zet, eventueel na wat graafwerkzaamheden, een stuk land onder water en na verloop van tijd heb je slikjes, drassige vegetatie, rietvelden en ondiepe wateren waar het barst van de vogels. In Groningen hebben ze er een handje van maar ook elders in het land wordt deze combinatie van natuur en waterbouw toegepast. Grootste gemene deler van deze ‘nieuwe natuur’ zijn de geoorde futen. Overal waar aan natte natuur gesleuteld wordt, duiken die op en ook hier in het Dannemeer waren ze weer met tientallen van de partij.Het Dannemeer neemt een beetje de honneurs waar voor het blijkbaar alweer wat verouderde Zuidlaardermeergebied, waar de afgelopen jaren met tientallen witwang- en witvleugelsterns broedden, vogels die voorheen slechts zeer schaarse doortrekkers waren in Nederland. Dit jaar schijnen deze sierlijke moerassterntjes daar echter verdwenen te zijn. Heeft het gebied zijn pioniersjaren alweer achter zich en zijn jeugdige charme verloren? vraag je je af. Maar waar moet het heen, als al die paradijselijke plasdrasjes na enkele jaren alweer verouderd zijn en niet meer voldoen aan de wensen van de soorten die aanvankelijk die charme bepaalden? We kunnen natuurlijk niet eeuwig doorgaan met nieuwe aanleggen.Maar nu dus hier in het Dannemeer de witwangsterns, naar verluidt met meer dan tien nesten, waarvan we er zelf een stuk of zes telden. Prachtige sterntjes zijn dat en als die zich ook zo fraai laten zien als ze vandaag deden, is dat een feestelijke gebeurtenis. Nog feestelijker werd het toen ook nog twee witvleugelsterntjes ten tonele verschenen, misschien nog wel mooier dan de witwangen, bonter gekleurd en minstens zo sierlijk. Zwarte sterns waren er ook, ook heel fraai maar veel minder exclusief. En minimaal vijf steltkluten, ook al zo’n karakteristieke soort voor dit soort nieuwe natuur, waarmee het bepaald niet slecht gaat in Nederland. Met lang niet alles gaat het goed in de natuur, met de vogels in Nederland, maar met sommige dingen wel. Een zwarte ibis: in Nederland al lang niet meer zo zeldzaam als pakweg tien jaar geleden en het wachten is op het eerste broedgeval. Al een paar jaar trouwens. Een speelde er verstoppertje achter de pitruspollen maar liet zich uiteindelijk toch mooi aan ons zien. Tientallen kluten, heel wat kemphanen waaronder fraai uitgedoste mannen die deden vermoeden dat er hier wellicht ook gebroed wordt, een grote groep lepelaars, over paradijs gesproken.
We sloten af met het Fochteloërveen, alvast een stukje op weg naar huis. In de randzone vonden we eerst, achter het bezoekerscentrum, een mooie man grauwe klauwier, die zich overigens maar lastig en vrij sporadisch liet zien. En daarna kraanvogels, ook al zo’n icoon van de nieuwe natuur in Nederland. Sinds alweer meer dan tien jaar hier een nieuwe broedvogel en hij heeft het in die jaren uitstekend gedaan. We zagen er eerst twee in vlucht, weliswaar vrij ver maar toch mooi want indrukwekkend. Daarna zagen we er twee in een akker (idem). En tenslotte zagen we er vanaf de uitkijktoren een midden in het veen, niet veel dichterbij dan de andere maar de ambiance van dat verlaten oerlandschap beneden (in tegenstelling tot hierboven waar de torenkamer deze mooie zomermiddag zwaar overbevolkt was), toonbeeld van oude natuur in Nederland, die gaf deze toch enige meerwaarde.
19 juni 2016
In Groningen een nieuwe plasdrassituatie bezocht: het Dannemeer, ‘onder de rook’ van Slochteren. Het is inmiddels een bekend concept: men zet, eventueel na wat graafwerkzaamheden, een stuk land onder water en na verloop van tijd heb je slikjes, drassige vegetatie, rietvelden en ondiepe wateren waar het barst van de vogels. In Groningen hebben ze er een handje van maar ook elders in het land wordt deze combinatie van natuur en waterbouw toegepast. Grootste gemene deler van deze ‘nieuwe natuur’ zijn de geoorde futen. Overal waar aan natte natuur gesleuteld wordt, duiken die op en ook hier in het Dannemeer waren ze weer met tientallen van de partij.Het Dannemeer neemt een beetje de honneurs waar voor het blijkbaar alweer wat verouderde Zuidlaardermeergebied, waar de afgelopen jaren met tientallen witwang- en witvleugelsterns broedden, vogels die voorheen slechts zeer schaarse doortrekkers waren in Nederland. Dit jaar schijnen deze sierlijke moerassterntjes daar echter verdwenen te zijn. Heeft het gebied zijn pioniersjaren alweer achter zich en zijn jeugdige charme verloren? vraag je je af. Maar waar moet het heen, als al die paradijselijke plasdrasjes na enkele jaren alweer verouderd zijn en niet meer voldoen aan de wensen van de soorten die aanvankelijk die charme bepaalden? We kunnen natuurlijk niet eeuwig doorgaan met nieuwe aanleggen.Maar nu dus hier in het Dannemeer de witwangsterns, naar verluidt met meer dan tien nesten, waarvan we er zelf een stuk of zes telden. Prachtige sterntjes zijn dat en als die zich ook zo fraai laten zien als ze vandaag deden, is dat een feestelijke gebeurtenis. Nog feestelijker werd het toen ook nog twee witvleugelsterntjes ten tonele verschenen, misschien nog wel mooier dan de witwangen, bonter gekleurd en minstens zo sierlijk. Zwarte sterns waren er ook, ook heel fraai maar veel minder exclusief. En minimaal vijf steltkluten, ook al zo’n karakteristieke soort voor dit soort nieuwe natuur, waarmee het bepaald niet slecht gaat in Nederland. Met lang niet alles gaat het goed in de natuur, met de vogels in Nederland, maar met sommige dingen wel. Een zwarte ibis: in Nederland al lang niet meer zo zeldzaam als pakweg tien jaar geleden en het wachten is op het eerste broedgeval. Al een paar jaar trouwens. Een speelde er verstoppertje achter de pitruspollen maar liet zich uiteindelijk toch mooi aan ons zien. Tientallen kluten, heel wat kemphanen waaronder fraai uitgedoste mannen die deden vermoeden dat er hier wellicht ook gebroed wordt, een grote groep lepelaars, over paradijs gesproken.
We sloten af met het Fochteloërveen, alvast een stukje op weg naar huis. In de randzone vonden we eerst, achter het bezoekerscentrum, een mooie man grauwe klauwier, die zich overigens maar lastig en vrij sporadisch liet zien. En daarna kraanvogels, ook al zo’n icoon van de nieuwe natuur in Nederland. Sinds alweer meer dan tien jaar hier een nieuwe broedvogel en hij heeft het in die jaren uitstekend gedaan. We zagen er eerst twee in vlucht, weliswaar vrij ver maar toch mooi want indrukwekkend. Daarna zagen we er twee in een akker (idem). En tenslotte zagen we er vanaf de uitkijktoren een midden in het veen, niet veel dichterbij dan de andere maar de ambiance van dat verlaten oerlandschap beneden (in tegenstelling tot hierboven waar de torenkamer deze mooie zomermiddag zwaar overbevolkt was), toonbeeld van oude natuur in Nederland, die gaf deze toch enige meerwaarde.
19 juni 2016
Abonneren op:
Posts (Atom)






