dinsdag 1 maart 2016

412: Amerikaanse tafeleend

Dik twee uur in de trein, een half uur lopen in een sneeuwstorm, een kwartiertje kijken en weer naar huis, weer een half uur lopen, inmiddels in de regen, en weer dik twee uur in de trein: ja, we hebben een leuke hobby. Maar Zuidhorn met smaakt toch beter dan Zuidhorn zonder. Nu kan ik mijn licht ironische Ik laten spreken, niet wars van een flinke dosis zelfspot, maar ook mijn romantischer inborst die spreekt van schoonheid en van stemmige grijstinten waar een ander slechts regen ziet. Of allebei natuurlijk. Hoe dan ook schuilt er schoonheid in zo’n Gronings kanaal dat strak getrokken tussen hoge populieren kaarsrecht door het grijze Groninger land gaat, zuchtend onder de sneeuwval en de bittere zuidenwind. Anderhalve week geleden stond ik hier ook. Toen vormde zich als vanzelf een licht melancholische vertelling van vergeefsheid en de zinloosheid der dingen. Het is er niet van gekomen. Hoeft niet meer. Hoewel die zinloosheid natuurlijk nog fier overeind staat. Maar dat is alleen achteraf. Op het moment zelf dat ik eindelijk naar die amerikaanse tafeleend sta te kijken die me al weken ‘in de nek hijgt’ (dank, Janneke!), voelt er niks zinloos. Al weken lang achtervolgt me die vraag: wild of niet wild? Of, met andere woorden: te gaan of niet te gaan? Aanvankelijk behoorde ik tot de ongelovigen, ik zal het niet ontkennen: natuurlijk komt dat beest ergens uit een kooitje. Maar uiteindelijk trad ik toe tot de agnosten, een groepering waarbij ik me meestal goed thuis voel. Toen ik tenslotte maar besloot te gaan, bleek de vogel echter onvindbaar. En vervolgens liet hij anderhalve week niet van zich horen. Ik had ‘m dan ook al uit mijn hoofd gezet toen-ie vanmorgen toch weer boven water bleek. Decisiontime: moest ik gaan of moest ik niet gaan? Een betere kans dan nadat de vogel gemeld is, krijg je natuurlijk niet, dus ik ging. Onderweg geen enkel bericht, wat me niet optimistisch stemde, maar eenmaal in het laatste treintje naar Zuidhorn de klassieke piep-in-de-rug en zo stond ik uiteindelijk in de sneeuwval en de bittere zuidenwind te turen naar een tafeleend met de kop in de veren aan de overkant van het kanaal. De vraag of dat nou wel alles waard was, werd beantwoord op het moment dat hij even zijn kop oprichtte en zijn snavel toonde, die op een of andere manier zo anders aan zijn kop geplakt zit dan bij onze eigen tafeleend: ja, dit was toch weer alles waard!

1 maart 2016


Meer: Steltstrandloper

maandag 15 februari 2016

In de regen

Het zou ook af en toe droog zijn, aldus de geruststellende weersvoorspellingen voor vandaag. We hebben er weinig van gemerkt. Heel af en toe misschien bijna. Maar het grootste deel, zo niet de hele dag, druilde er een miezerig druilregentje op ons (nou ja, eerlijk gezegd meestal op onze auto's) neer. Waterkoud, had men ons ook toegezegd, en dat klopte dan weer wel. En met die regen en die kou was elk beetje wind eigenlijk al teveel. En Zeeland, zeedijken, Brouwersdam, dan weet je het wel. Nee, aan het weer viel vandaag weinig lol te beleven. Dan moesten de vogels daar maar voor zorgen.
Om te beginnen daartoe naar Strijen getogen, waar we temidden van duizenden brandganzen een fraai groepje dwergganzen vonden. Die waren maar vast binnen. Ook een zilverreiger, een grote hier nog. Weinig opmerkelijk natuurlijk want waar niet tegenwoordig? Maar verderop in Zeeland zagen we alleen nog maar kleine.

Na een flinke omweg vanwege verkeerde afslag bereikten we Goeree Overflakkee, waar we om te beginnen een tijdje stilstonden in druilerig polderland nabij Nieuwe Tonge, om Erik zijn eerste rode wouw te gunnen. Wat gelukkig mislukte: sommige tradities moet je in ere houden, en zo houdt hij tot het einde der tijden iets om naar uit te kijken. En dat willen we hem natuurlijk niet afnemen. Toen we even later bij Battenoord arriveerden, hadden de andere excursiedeelnemers de europese kanaries die daar al de hele winter verblijven, al mooi in beeld gehad. Wij hoorden ze alleen nog maar zingen (! Waarom zingen die beesten met dit weer?) en zagen ze nog net wegvliegen. We besteedden er verder niet al te veel tijd aan want aan de andere kant van Battenoords eigen zeedijk wachtte ons dé attractie van Battenoord (al verschillen daarover de meningen): de groep van zowat vijftig flamingo’s die daar al jaren overwintert. Aanvankelijk telden we er niet meer dan een kleine twintig. Pas later ontdekten we ver weg de rest van de groep. De meeste van de vogels zijn chileense flamingo’s. Dat zijn zonder discussie exoten en die tellen we niet. Een klein deel van de groep bestaat uit europese flamingo’s en in theorie zouden die (deels) uit Zuid-Europa afkomstig kunnen zijn. Dat zien we immers ook, en steeds meer, bij allerlei andere mediterrane typjes zoals koereigers, zwarte ibissen en ralreigers. In werkelijkheid komen ze natuurlijk uit het Zwillbrockervenn, vlak over de grens met Duitsland, waar ze al vele jaren ‘in het wild’ broeden. Of de europese flamingo’s daar deels een wilde, Zuid-Europese oorsprong hebben, is onbekend. Ondanks die bedenkingen bieden ze natuurlijk een op zijn minst opmerkelijke aanblik, dat schreeuwende roze in het kille en grauwe Zeeuwse land (nee, inderdaad, nog geen Zeeland hier maar wel zo Zeeuws als Zeeland maar zijn kan), vandaag nog meer dan anders. Het zonnetje in huis, zeg maar.
In de nog immer neer druilende druilregen liepen we over een verwilderd dammetje min of meer het Grevelingenmeer op. Op het water de eerste middelste zaagbekken van de dag, een van de vaste gasten op winterse excursies in de Delta en elk jaar weer prachtige vogels. Op een slikje onder andere een paar rotganzen, drie bonte strandlopers en een bontbekplevier. Een ijsvogeltje vloog dichtbij langs: bijna net zo ongepast in deze ambiance als de flamingo's. En in de bosjes aan het eind van de dam vonden we de drie fraters die hier (ook al) al de hele winter verblijven. In al hun oppervlakkige saaiheid (bruin gestreepte niemendalletjes) zijn dat toch heerlijke vogeltjes (met subtiele geelbruine en kaneeltinten en een fijn geel snaveltje). Sommige van de excursiegangers kregen ook nog kortstondig de dwerggors te zien die hier (ook al) … maar de meeste aanwezigen, waaronder helaas ondergetekende, waren minder gelukkig.
Al met al liep het als een trein vandaag en werd aan de opdracht (‘Dan moesten de vogels daar maar voor zorgen’) ruimschoots voldaan. Langs de Brouwersdam werden vlotjes zwarte zeekoet en ijseend opgerold, beide op heel schappelijke afstand, de ijseend nog wel hinderlijk veel duikend maar de zeekoet zelfs dat niet. We ‘ontdekten’ achter het Haventje Noord zelfs een ijsduiker, waarvan ik al een aantal dagen geen meldingen meer had gezien. En verder waren er natuurlijk weer de mooiste middelste zaagbekken, kuifduikers, een geoorde fuut, roodkeelduikers en nog veel meer.
Op Schouwen Duiveland deden we een rondje Prunje e.o: kleine zilverreigers, kluten, lepelaars, een paar zwarte ruiters en meer. Altijd meer. Tussen de duizenden brand- en rotganzen konden we dit keer niets afwijkends vinden maar dat kwam een andere keer dan wel weer.
Bij het schor van Wilhelminadorp kwam er een kleine kink in de kabel: de hier (ook al) overwinterende witkopgors was al anderhalf uur zoek en werd ook gedurende het half uurtje dat wij eraan besteedden niet teruggevonden. Voor de meeste aanwezigen niet zo’n drama omdat ze natuurlijk allang geweest waren, en voor de paar mensen die nog steeds niet waren langs geweest, zal het wel niet zo enorm belangrijk zijn. We sloten de dag positief af met een roodhalsgans die we met grote moeite ontfutselden aan een groep van een dikke duizend rotganzen, en met een verre blik op de ruigpootbuizerd van Ouwerkerk. Een fraaie juveniele slechtvalk aldaar was tenslotte nog verantwoordelijk voor een minder voorspelbaar element.
Op de terugweg hield het op met regenen. En begon het te sneeuwen.

14 februari 2016

vrijdag 5 februari 2016

Urban birding

De stad is de nieuwe wildernis. Nou ja, nieuw, zo nieuw zijn de meeste steden niet, maar wel zwaar onderschat, qua wildernis. Niet dat ik niet kan genieten van uitgestrekte heidevelden of ongerepte kwelders, maar die vergeten hoekjes in de stad die jarenlang over het hoofd zijn gezien door de stedelijke plantsoenendienst en waar het onkruid welig tiert, die lust ik ook wel.
Ingeklemd tussen de doorgaande autowegen van Leidsche Rijn, op velden waar vermoedelijk nog nooit een grasmaaier is waargenomen, huizen de laatste patrijzen van Utrecht. Noem dat maar geen wildernis. Patrijs wordt elk jaar zeldzamer in Nederland maar hier, midden in de verstedelijking van Utrecht, heb je ze nog. En ze gedragen zich er niet anders dan op stoere akkers in Drenthe. Vanmorgen, tijdens een rondje urban birding, na enig zoeken twee vogels gevonden en toen ik te dichtbij kwam, drukten ze zich plat tegen de grond aan zodat alleen hun ruggen nog zichtbaar waren. Die had je nooit gevonden als je niet geweten had dat ze er zaten. Toen ik me even afwendde en een omtrekkende beweging maakte, richtten ze zich weer op zodat ze even prachtig te zien waren. Maar al gauw gingen ze er in grote haast vandoor, mij enigszins schuldig achterlatend. Vooral toen ze niet al te hoog de weg over vlogen dacht ik: dat had ik misschien toch anders moeten aanpakken. Zo wendbaar zijn patrijzen niet als ze vliegen en er had maar net op het verkeerde moment een tientonner langs hoeven komen, en ik had twee dode patrijzen op mijn geweten gehad. Sowieso wonderlijk dat dat niet af en toe gebeurt. Of misschien gebeurt het wel af en toe. Benieuwd hoe lang ze het hier nog uithouden. Aanvoer van buiten zal er niet zijn dus ze zullen het helemaal zelf moeten bolwerken. En volgens de gangbare biologische theorieën kan dat met deze populatieomvang (meer dan de twee die ik gezien heb, maar ook weer niet zo heel veel meer) nooit eindeloos goed gaan.
Langs vele ongerepte velden en karige bosjes die nog gespaard zijn gebleven voor de vlijtige verstedelijking van Leidsche Rijn, bereik je de oevers van het Amsterdam-Rijnkanaal. En als je in Utrecht aan urban birding doet, kun je moeilijk om het Amsterdam-Rijnkanaal heen. Het is onze eigen meeuwenboulevard. Zomer en winter hangen er tientallen meeuwen rond en vaak zitten daar interessante exemplaren tussen. Vandaag kwam ik niet verder dan een eerste winter geelpootmeeuw. Er zat vast meer spannends tussen de zilvers en de kleine mantelmeeuwen, maar ik kon ze niet vinden. Ben ook geen held wat moeilijke meeuwen betreft. Wel vond ik langs de Leidsche kade, al bijna in de binnenstad, de fraaie adulte pontische meeuw die daar al enige tijd verblijft. Pontische meeuw is nauw verwant aan geelpootmeeuw die overigens nauw verwant is aan zilvermeeuw. Beide zijn als soort nog piepjong en werden tot eind vorige eeuw beschouwd als ondersoort van de zilvermeeuw. Inmiddels weten we beter. Hoewel je nooit weet of we er over dertig jaar niet weer heel anders over denken.

5 februari 2016


Meer Urban Birding: Beijum

zondag 24 januari 2016

Hoogwoud revisited

Twaalf tellen, misschien vijftien, daar wil ik vanaf zijn, maar langer dan dat heb ik vorige week de roodkeelnachtegaal van Hoogwoud niet in beeld gehad. Nou moest ik ook denken aan die vale pijl die afgelopen herfst langs de boot was gevlogen. Dat had ook nauwelijks meer dan vijftien tellen geduurd en toch was ik daar toen volmaakt gelukkig mee. Dus ook met vijftien tellen roodkeelnachtegaal kon ik prima leven. Maar toen afgelopen week bleek dat de vogel zich inmiddels ook buiten de tuin liet zien en de potentiële kijktijd aanzienlijk was verruimd, wilde ik toch nog een keertje terug om de tijdsduur dat ik een roodkeelnachtegaal in beeld heb gehad, wat op te krikken.
Dus terug naar Hoogwoud, om me opnieuw in de gekte te storten die dit in andere tijden zo onbeduidende Noord-Hollandse dorpje bevangen heeft. Een bijna lenteachtige ochtend, helder en zonnig. In het betreffende wijkje stuitte ik al meteen op de menigte die met telescoop of telelens voor het steegje zat, in afwachting van het bevrijdende moment, iedere keer weer, dat de vogel zich zou laten zien. Collectieve gekte, het zij zo, ik doe daar graag af en toe aan mee.
Aanvankelijk liet de vogel zich niet zien, spanning als vanouds, dat ik ‘m vorige week al had gezien deed niet ter zake: dezelfde schok toen-ie daar ineens zat, op de stenen vlak langs de heg. Parel, pronkjuweel, fantastische vogel die al zo veel heeft losgemaakt aan emoties, aan vreugde en blijdschap maar ook aan scepsis en misnoegen want wie gaat nou uren in de rij staan voor zoiets terwijl er zo veel belangrijker zaken …
Vogel ook die al zoveel discussie heeft losgemaakt. Wild of niet? That’s the question. Het is bijna Shakespeariaans. Voorlopig krijgt-ie van mij het voordeel van de twijfel: schuw en waakzaam, onberispelijk verenkleed, ook op snavel en poten valt niets aan te merken, en het is een tweede kalenderjaarvogel: afgelopen zomer uit het ei gekropen. Zoals verreweg de meeste dwaalgasten: jonge vogels die de weg nog niet zo goed weten. Bij kooivogels zal die verhouding waarschijnlijk anders liggen. Kortom: vooralsnog wijst niets op herkomst uit vogelkooi. Toegegeven: locatie hadden we liever anders gezien. Ook ik had aanvankelijk moeite met het opduiken van deze droomsoort in een tuintje midden in de Noord-Hollandse binnenlanden maar zowel in zijn broedgebied als in zijn overwinteringsgebied schijnt de soort regelmatig in tuinen te verblijven. Het moment waarop hij hier opdook lijkt ook niet zo’n sterk punt: je zou zo’n soort eerder in de herfst verwachten. Maar het is best aannemelijk dat-ie al sinds de herfst in Noordwest-Europa rondhangt. En dat-ie hier probeert te overwinteren is met zo’n zachte winter als we tot nu toe hebben, niet zo heel vreemd. En ook niet nieuw: we hebben de laatste jaren al diverse overwinteraars gehad uit die regio die vroeger alleen maar als zeldzame herfstgasten bekend stonden. Blauwstaarten, bruine boszangers. Iets met klimaat misschien?

Hoe dan ook, los van deze en andere discussies is en blijft het een fantastische vogel. Het is simpelweg een benevelende ervaring om in dat doorsnee burgermanswijkje aan zo’n op het eerste gezicht doorsneevogeltje ineens die azuurrode keel te zien, ingeklemd tussen die markante koptekening van wenkbrauw en mondstreep. Een combinatie die bij veel vogelaars het effect heeft als van een rode lap bij veel stieren. Hij liet zich geregeld mooi zien, in het steegje achter de tuintjes, op het blok hout dat, met meelwormen (! ook een discussie), speciaal voor hem was neergelegd, en boven me in een boompje: onveranderlijk weergaloos.

Na afloop nog een klein ommetje gefietst. Doe ik altijd graag bij zo’n twitch: effe zien waar ik eigenlijk ben en wat er nog meer te beleven is. Erg veel was dat niet: meest lege velden en enkele boerderijen met meest lege, kale fruitbomen. Ik vond nog wel een mooi stukje rietland rond een breder stukje water. Geen vogel te bekennen. Toch winter.

23 januari 2016



zondag 17 januari 2016

411: Roodkeelnachtegaal

Bij menig vogelaar sloeg-ie in als een fragmentatiebom: de melding op vrijdag van een roodkeelnachtegaal! Nota bene roodkeelnachtegaal: lang verwachte en door velen vurig gewenste nieuwe soort voor Nederland. Klein smetje: niet in oktober in een ongerept duinpannetje op Texel of op Vlieland of zo, maar in januari in een tuintje in een voortreffelijk wijkje in Hoogwoud, Noord-Holland. Ik zal het niet ontkennen: ook ik had mijn bedenkingen. Ook ik had me de eerste roodkeelnachtegaal van Nederland anders voorgesteld. Twijfels dus. Roodkeelnachtegaal, waarvoor we iedere herfst het knoestig kreupelhout in de luwte van de zeereep binnenstebuiten keren, in een ordentelijk achtertuintje in Hoogwoud, Noord-Holland? Het moest niet gekker worden. Geruchten over een mogelijk ringetje op de wat vage eerste foto’s van de vogel, deden het vertrouwen in dit geval ook geen goed. En de geruchten over een tweede vogel, iets met blauw, waarmee de nachtegaal samen zou optrekken, al helemaal niet. Voeg daarbij het gegeven dat de vogel zich vooral zou begeven in tuintjes achter hoge schuttingen en vrijwel alleen te zien zou zijn vanuit de huiskamer van de bewoners, en de twijfels dreigden om te slaan in weerzin. Weliswaar had de DBA een voortreffelijke bezoekersregeling georganiseerd (tegen betaling van vijf euro mochten we omstebeurt naar binnen), maar ik zag ons al de halve dag in de rij staan, in een op gewone dagen waarschijnlijk doodstille buitenwijk van Hoogwoud, wachtend op onze beurt om een korte blik te mogen werpen op een roodkeelnachtegaal die waarschijnlijk toch uit een kooitje komt.
Maar ja, roodkeelnachtegaal: heilige graal voor vogelminnend Nederland. Mocht-ie toch echt zijn, en kun je dat uitsluiten? dan wil je hem natuurlijk niet gemist hebben. Dus toch de gok maar gewaagd: de volgende ochtend storten Hans en ik ons in de hectiek van alweer een memorabele twitch. Rijen wachtenden voor de deur, dichte drommen vogelaars die zich opstellen rond groenvoorzieningen en achter elk gerucht aanhollen, we hebben het vaker gezien en natuurlijk vormen ze aanleiding tot zure commentaren op diverse internetfora. Ook dat hebben we vaker gezien. Maar uiteindelijk valt het allemaal reuze mee. Natuurlijk: een fraai stukje straattheater. Met honderden vogelaars op jacht naar de roodkeelnachtegaal. We lijken (lijken?) wel gek! Tv-ploegen storten zich erop als vliegen op de stroop en buurtkinderen pikken een centje mee door ons voor een euro koffie met koek te verkopen. Maar inmiddels is vastgesteld dat de vogel met zekerheid ongeringd is, waarmee een belangrijke horde is genomen op weg naar aanvaarding. (Meer dan dat wordt het niet: de veronderstelling dat de vogel wild zou kunnen zijn. Zeker zullen we het wel nooit weten.) En wanneer we ons om half tien aansluiten bij de rij wachtenden, mogen we zo doorlopen. Want verreweg de meeste wachtenden hebben de vogel al gezien en staan voor de tweede keer in de rij, en als nieuwkomers krijgen we voorrang. Dit gaat bijna te goed, na al onze twijfels en bedenkingen onderweg. Zo gemakkelijk zal het niet zijn, toch?

En inderdaad, zo gemakkelijk wordt het niet: als we in de keuken staan en op de ruggen kijken van de mensen die voor het raam naar de eerste roodkeelnachtegaal voor Nederland staan te kijken, ontstaat er een lichte paniek. Een kat heeft de vogel de tuin uitgejaagd, zodat er toch weer een beproeving volgt, een klassieke oefening in geduld.
Tijdje gewacht en toen, op basis van geruchten, toch maar weer naar buiten, achter de meute aan, het is even niet anders, worstelend om een beetje zicht op een stukje van een tuintje waar de vogel zich mogelijk zou bevinden. Aanvankelijk leverde dat niet meer op dan een wegvliegende flits van wat de vogel geweest zou zijn. Nee, heb je niks aan. Naar een ander tuintje, waar de groep intensief door verrekijkers staat te loeren, en terug naar het eerste tuintje, waar hij nu weer heen gevlogen zou zijn, het zijn licht frustrerende minuten en ik kan iedereen die zegt zich verre van dit soort taferelen te willen houden, prima begrijpen. Maar dan ineens: een vogel op de schutting. Oei! Het rode keeltje, geflankeerd door die strakke tekening van wenkbrauw- en mondstreep: alle scepsis, alle bedenkingen zijn weg want het is ‘m! Weliswaar heel even maar het was ‘m: roodkeelnachtegaal! Na twee tellen was-ie alweer weg en liet ons in extase achter. Roodkeelnachtegaal in Nederland: het ondenkbare toch denkbaar.
Korte tijd later dook-ie weer op in ‘het’ tuintje en genoot ik in de huiskamer nog eens de toegestane 10, 15 tellen van de vogel. Die liet niets te wensen over. Dat rood, die tekening op de kop, wat een fantastisch beest en wat een historische twitch weer.

16 januari 2016


Meer: Amerikaanse tafeleend

Hoogwoud revisited




maandag 11 januari 2016

Dagje Castricum en Texel

Opgejaagd door alle leuke soorten die ook de eerste dagen van het nieuwe jaar weer overal opduiken, besloot ik op weg naar Texel eerst even uit te stappen in Castricum vanwege een fraaie taigaboomkruiper in een buitenwijk aldaar. Je moet immers ook zelf af en toe van al dat leuks iets meepikken. Of niet? (Soms denk ik weleens … Nou ja, laat ook maar, ik zal de lezer maar niet teveel vermoeien met wat ik soms denk.) Zoveel echte familiarissen heb ik nog niet gezien, eigenlijk nog maar één goede: de vogel destijds van Hoogt van ’t Kruis bij Hilversum, en dat was alweer ruim tien jaar geleden dus hij was de kleine moeite meer dan waard. En als het een beetje wilde vlotten zou het me niet meer dan één boot kosten.
En het wilde een beetje vlotten: na drie keer heen en weer fietsen (het is maar een kort laantje) had ik beet en liet de vogel zich prachtig zien. Hij foerageerde van boom tot boom en poseerde af en toe op korte afstand. Alle details waren zichtbaar: sneeuwwitte onderzijde, prominente wenkbrauwstreep en vooral: het juiste trapjeskenmerk. Daarmee was dit mijn beste familiaris (subsp.) ooit, en een van mijn beste familiarissen (spec.).

Maar op Texel geen gejaag, had ik besloten. Ik had me al bijna voorgenomen me te gaan beperken tot de zuidwestelijke kant van het eiland en soorten als zwarte en witbuikrotgans en roodhalsgans maar voor een andere gelegenheid te bewaren, en de snoeiharde zuidwestenwind was bepaald geen aanleiding om van gedachten te veranderen. Weliswaar was je in een mum van tijd in het noorden, maar daarna ... Nou ja, da’s duidelijk. En toen de versnellingskabel van de vouwfiets knapte en ik alleen nog op de grootste versnelling verder kon, toen was de zaak beklonken. Op de grote met windkracht 6 of meer tegen terug, dat was echt geen optie: verder dan halverwege Den Burg ging ik vandaag niet komen. Zwarte en witbuikrotgans en roodhalsgans, die kwamen nog wel een keer.
Ik moet zeggen, ik heb me op dat kleine stukje Texel prima vermaakt. Vooral met het oprapen van nieuwe jaarsoorten, die natuurlijk zoals te verwachten was nog rijkelijk voor handen waren. Als je nog tureluur, bergeend en wulp moet, dan gaat het snel. Dat vind ik altijd een van de leuke bijkomstigheden van een nieuw jaar: dat het elk jaar weer aanleiding is om ook weer eens tijd te besteden aan de gewonere soorten. Bontbekplevieren, zilverplevieren en na enig zoeken ook een paar kanoeten en kluten in de Mokbaai, bijvoorbeeld. Natuurlijk ook bontjes en drieteenstrandlopers, pijlstaarten en een massa grote mantelmeeuwen, maar die had ik al. Een groepje sneeuwgorzen achter een waas van stuivend zand op de Hors. Enkele blauwe kiekendieven ver weg balancerend op de stormwind. Goudplevieren in de polders tussen Den Hoorn en Den Burg. En tussen de kleine zwanen daar (die had ik natuurlijk al) ook twee wilde zwanen. Die blijken op Texel zodanig zeldzaam, dat een regionale Waarneming-admin me een verzoek stuurde om nadere details. Ik snap dat natuurlijk goed, ook zelf admin immers, maar zo’n vraag heeft altijd iets onheilspellends: ze geloven je niet. Altijd goed om ook eens de andere kant van zo’n vraag te ervaren. Later heeft de betreffende admin zijn verzoek overigens ingetrokken, toen hij de vogels ook zelf had gevonden. Toch een leuke ontdekking. Niet alleen landelijke zeldzaamheden tellen.

10 januari 2016

maandag 4 januari 2016

Nieuwjaarsexcursie

De traditionele nieuwjaarsexcursie van vogelwacht Utrecht kende vandaag twee gezichten. Eerst een uiterst succesvolle ochtend. Dat was geen uitgemaakte zaak, gezien de natte weersvoorspellingen. En ook gezien de stevige wind uit zuidwest. Al gauw liet een van de kuifaalscholvers die zich al enkele weken in de buurt ophouden, zich heel mooi zien, dichtbij op het water voor het eerste lichtbaken, zodat alle karakteristieken die deze soort onderscheiden van onze eigen aalscholvers, goed zichtbaar waren. Maar daarna was natuurlijk het uiteinde van de pier ons doel en daar spatten de golven af en toe meters hoog op. Dat bracht sommige deelnemers lichtelijk in twijfel: was het wel verstandig om helemaal tot het eind te gaan? We besloten het erop te wagen en sommige deelnemers werden daarvoor beloond met een nat pak door een wat al te hoog over de pier spattende golf: de volle laag! Soms kan het lot wreed zijn. Maar aan het uiteinde van de pier, in de luwte van het vuurtorentje, werden alle deelnemers rijkelijk beloond. Want niet alleen hielden zich verderop boven zee tientallen drieteenmeeuwen op die af en toe tot vrij dicht naderden, en niet alleen passeerden af en toe fraaie jan van genten, maar ook verscheen er een grote jager in beeld. Grote jager vind ik zelfs op het toppunt van de herfst een mooie soort, als ze met tientallen gezien worden langs de Nederlandse kust. In januari is het bijna een zeldzaamheid. Geruime tijd zat een op dat moment nog twijfelachtige jager op de verre golven en was grootste deel van de tijd onzichtbaar achter die golven en daardoor voor de meeste deelnemers lastig of zelfs onvindbaar. Maar na enige tijd vloog-ie op en kon toen door bijna alle deelnemers worden opgepikt. En toen was ook ineens alles duidelijk: een donker beest met opvallende witte ‘flashes’ op de vleugels, compact gebouwd en met relatief korte, brede vleugels. Grote jager dus.
Er was nog veel meer te zien deze ochtend: roodkeelduikers, eiders, zwarte zee-eenden, en naast deze gebruikelijke ook een paar veel minder gebruikelijke passanten. Vijf pijlstaarten over zee: die heb ik hier nog niet erg vaak gehad. En wat te zeggen van de watersnip die zomaar uit volle zee kwam aangevlogen. Cadeautjes waren nog op de terugweg die volwassen jan van gent die ineens vlak langs de pier opdook voor een partijtje ravotten met een paar meeuwen om een stukje vis, een schattige jonge zeehond vlak boven het water rustend op de blokken en een adulte geelpootmeeuw op de pier.

Na deze succesvolle ochtend volgde een minder succesvolle middag, toen diverse pogingen om een leuke soort binnen te vissen vergeefs waren. In het havencomplex vonden we slechts een zwarte roodstaart en was er van grote burgemeester en rode patrijs geen spoor. En in de Amsterdamse waterleidingduinen geen spoor van de waterspreeuw die er de afgelopen weken gezien is. Maar mooi wandelen was het er wel en met mooie grote zaagbekken, sperwer en havik en een ijsvogeltje kunnen we ook wel leven. En bovendien was het, en dat gold trouwens voor allebei de gezichten, de hele tijd zo goed als droog gebleven. En dat was wel hét wonder van deze dag en een kostelijke triomf op de nationale weermannen.

3 januari 2016