maandag 5 oktober 2015

Pelagisch

‘Vale pijl, Jeroen, vale pijl’, had ik geappt in onze vogel-WhatsAppgroep nadat Jeroen vanwege het rustige weer en de zwakke oostenwinden van de afgelopen week onze kansen op echt leuke soorten op onze pelagische tocht de volgende dag, nogal laag had ingeschat. Vale pijlstormvogel is een soort die met zulk weer juist nog wel te verwachten is. Het is een vogel van het westelijke middellandse zeegebied en de Atlantische kusten van het Iberisch schiereiland, die in de nazomer in klein aantal naar het noorden zwerft en dan soms ook in de Noordzee terecht komt. In tegenstelling tot de meeste van zijn verwanten is dat niet afhankelijk van harde westenwinden dus deze wordt ook bij rustig weer nog wel af en toe gezien. Maar wel heel af en toe, zelden meer dan één per dag en de meeste dagen geen, want hij is zeldzaam en voor de doorgewinterde zeevogelaar een van de lekkerste, maar ook een van de lastigst te bemachtigen snoepjes.
Nou schat ik mijn voorspellende gaven niet bijzonder hoog in, maar wat gebeurde er toen alweer op de terugweg richting Den Helder het laatste uur van onze tocht was aangebroken? Toen wellicht bij sommigen de concentratie even verslapte, toen de een het zich meende te kunnen veroorloven om binnen even een gehaktbal te gaan eten en een ander langs de verkeerde kant van de kajuit naar het voordek wandelde? Een donkere, tengere vogel kwam over zee op de boot toegesneld. Een onmiskenbare pijlstormvogel zeilde op amper twintig meter langs de boot en liet gedurende enkele momenten alle relevante kenmerken zien: vaalbruine bovenzijde, vuilwitte onderzijde, lichte maar donker omrande ondervleugels, donkere onderstaart en vage begrenzing tussen de donkere en de lichte delen. ‘Vale pijl! Vale pijl!’ werd er geroepen, terwijl de vogel zich alweer uit de voeten maakte. De consternatie was groot. Het duurde bij elkaar amper een halve minuut maar voor degenen die op het juiste moment op de juiste plaats hadden gestaan en in de juiste richting hadden gekeken, was dit het hoogtepunt van de tocht. Er waren er echter ook die net even iets anders te doen hadden of de verkeerde kant op keken en zij moesten genoegen nemen met de talloze jan van genten, in alle kleden van juveniel tot en met volledig adult, die de hele tocht lang en af en toe met tientallen rond de boot hingen en ons geregeld spectaculaire demonstraties voorschotelden. Die telkens dat tijdloze ge­baar maakten, als een acteur die na zijn laat­ste rol op theatrale wijze het publiek groet en het toneel verlaat: de vleugels spreiden zich, het lichaam kantelt, de vleugels wringen zich in een hoek en plotse­ling duikt de vogel om­laag en verdwijnt in de golven.
Of met de fraaie noordse stormvogel die geruime tijd rond de boot vloog en af en toe zo dichtbij kwam dat je hem bijna had kunnen grijpen. Of met de grote jager die korte tijd stoeide met enkele van de vele meeuwen die achter de boot hingen. Of met de talloze zeekoeten die op zee dreven en de paar alken die we daar tussen ontdekten. Allemaal min of meer gebruikelijke types af en toe op een goede dag aan zee, maar ook allemaal symbolen van de onbegrensdheid van de wereldzeeën, die je een beetje deelgenoot maken van de mythe van de oceaan. Die je op een gewone dag alleen maar aan de horizon ziet, ver buiten bereik van de toeschouwer. Om die zo fraai en zo dichtbij te zien te krijgen, moet je zelf de zee op. En dat maakt zo’n pelagische tocht altijd tot een onvergetelijke gebeurtenis, met of zonder vale pijl.

4 oktober 2015


Meer aan zee: Zee

dinsdag 29 september 2015

Startpremie

Een herfstdag uit het boekje: zon, beetje wind uit het oosten en een prikkelende kou in de ochtend maar daarna boterzacht. Thuisblijven is op zo’n dag geen optie. Dus stond ik om kwart over 10 in Den Helder te kijken naar drie europese kanaries, af en toe mooi dichtbij foeragerend in het struikgewas en op en langs het pad bij fort Dirksz. Admiraal, een fraai, verwilderd stukje 19e-eeuwse geschiedenis. Het was een prettig half uurtje daar, kijkend en af en toe luisterend naar drie vogels van een soort die in Nederland langzamerhand behoorlijk zeldzaam is geworden. Schaarser dan bladkoning, zei ik nog tegen mijn beide metgezellen ter plaatse. Het was een mooi begin van de dag.
Maar moet je nou ook al voor drie eurokanaries het halve land afreizen? vroeg ik me af.
Mijn antwoord had ik natuurlijk al gegeven, want ik stond er. En waarom ook niet? Het kost me niks: ik reis in het weekend gratis en de tijd in de trein weet ik wel te benutten. Aan de zaterdagkrant dit keer, of wat daar nog van over was. En als je dan eenmaal die kanaries binnen hebt, kun je de verdere dag besteden aan het zelf vinden van een leuke zeldzaamheid.
Het eerste was me dus lekker vlot gelukt. Het tweede helaas niet. Naar Huisduinen gefietst, aan zee geweest, door de duinen gezworven, de Oude Vuilnisbelt aan een uitgebreid onderzoek onderworpen, op de uitkijktoren gestaan, ondergelopen bollenveldjes gezocht (net zo schaars als zeldzame vogels vandaag) en tenslotte Mariëndal afgespeurd. Met als resultaat: boel steenlopers, een paarse strandloper, een kanoet, wat rotganzen over zee, wat roodborsttapuiten (ik deed m’n best, gezien de ontwikkelingen van de afgelopen dagen, maar ik kon er niets anders van maken dan gewone) en twee tapuiten. Onder meer. Het leukst was nog die man sperwer die bijna een graspieper te grazen nam maar zich uiteindelijk vlak langs me heen onverrichterzake uit de voeten maakte.
Mager dus, maar ach, het was een leuke dag en die europese kanaries had ik binnen, en dat was toch alweer een paar jaar geleden. Dat is (ook) zo leuk aan twitchen: dat je als het ware een startpremie meekrijgt. Is die eenmaal binnen, dan kan het vogelen echt beginnen. Moet het wel een beetje lukken natuurlijk.

27 september 2015

woensdag 9 september 2015

Sibstreep

‘Ziezo, sibstreep binnen, nazomerdepressie over’, appte ik in onze Utrechtse vogel-appgroep. Het was het slot van een enerverende dag die me om te beginnen om 7 uur vanochtend samen met Erik plus een paar ervaren zeetrektellers op de zeetrektelpost op de Maasvlakte bracht. De straffe noordwestenwind van de afgelopen dagen, ook voor vandaag nog voorspeld, had ons op het idee gebracht om een paar uur op een geschikte plek aan zee door te brengen. En dat bleek een goed idee: een woeste zee en al binnen vijf minuten een kleine jager naar zuid. Er volgden er de daaropvolgende twee uur nog minimaal tien, onder andere eentje mooi dichtbij over de branding en een spectaculair groepje van vier tegelijk. Verder nog een middelste jager, een kleinste jager die met een kleine meevloog zodat het verschil in formaat goed te zien was, en tenslotte een juveniele vorkstaartmeeuw die weliswaar vrij ver maar toch goed herkenbaar over zee vloog. Alles naar zuid. En om ons bij de les te houden geregeld jan van genten, grote sterns, een zwarte stern en een juveniele drieteenmeeuw. Onder meer.
Al met al een zeer bevredigende opbrengst waarna, om een uur of half 10, de boel volkomen stilviel en er helemaal niks meer vloog. We probeerden nog wat op de Maasvlakte zelf maar dat leverde niet al te veel op. Het was er stil, en wellicht woei het er te hard. Dat kon echter geenszins ons goede gevoel wegnemen. Toen echter het bericht binnenkwam van een siberische strandloper bij Camperduin, was dat goede gevoel ineens helemaal verdwenen. Want wat is een vorkstaartmeeuw waard, vergeleken met een siberische strandloper?
Siberische strandloper is zeldzaam, en niet zo’n beetje: slechts acht keer eerder in Nederland. Nieuw zou-ie niet zijn voor me: acht jaar geleden had ik ‘m al eens toen we toevallig een weekje herfstvakantie hielden op Ameland, juist toen er daar een gevonden was. Maar volgens de berichten en de eerste foto’s liet deze zich vele malen beter zien dan de vogel destijds.

Sta je dan op de Maasvlakte. Erik moest tijdig thuis zijn en is sowieso niet zo van het twitchen dus nee, met de auto ging ik er niet komen. Om kwart over twee waren we terug bij stadion Galgenwaard. Wat te doen?
Om te beginnen maar eens naar het station gefietst. Zou ik daar wel zien of ik er een trein ging nemen.
Op het station toch maar in een trein gestapt. En in Uitgeest toch maar in de bus gestapt die vanwege spoorwerkzaamheden, ook dat nog, was ingezet om ons naar Alkmaar te brengen. Dit was natuurlijk gekkenwerk, bedacht toen ik in Alkmaar een uur moest wachten op de bus naar Camperduin. Zondagmiddag: één bus per uur, en de vorige was net een paar minuten weg. Sta je dan te wachten op een winderig busstation, terwijl je je, vanochtend immers om half 5 opgestaan, nog zo had verheugd op een welverdiende luie middag en avond thuis. Het zou laat worden vanavond, had ik het thuisfront inmiddels gemeld.
Maar kort voor 5 uur in de middag was daar dan toch de bus naar Camperduin, en even na kwart over 5 stapte ik uit aan de Hondsboschse weg te Camperduin.

Grijs, miezerig, winderig. Dreigende luchten pakten samen achter het dijklichaam. Het oogde als een cliché, als een mooi maar ook wat onheilspellend oudhollands schilderij. Maar verderop een enigszins geruststellend groepje vogelaars, ja, dit ging warempel goed komen, begon ik te geloven. In één ruk van Maasvlakte naar Camperduin: meer iets voor autovogelaars maar ook (half, moet ik er eerlijkheidshalve aan toevoegen) met OV kan het. Want om even over half 6 stond ik naar een werkelijk schitterende siberische strandloper te kijken, zo zeldzaam en zo anders dan de omringende bonte strandlopers. Kijk toch dat roodachtige petje, kijk toch die lichte wenkbrauwstreep. Rossig bruine kleuren, mooie snipstrepen over de rug en vooral subtiele pijlpuntjes op de flanken. Ik geef toe, het zijn details, je moet er oog voor hebben, maar een vogel uit het boekje. Wat was ik blij dat ik niet thuis van een welverdiende luie middag en avond zat te genieten.
Niets is zo heerlijk als teruglopen van een succesvolle toptwitch. Als alle spanning, alle onrust zijn weggewaaid en je alleen maar met een big smile op je gezicht loopt na te genieten. Ik kan dat iedereen aanraden. Zelfs in de regen. Het leven kan zo simpel zijn: geef mij zo’n siberische strandloper en ik ben weer een week gelukkig.

6 september 2015

woensdag 2 september 2015

Nazomerdepressie

Terug in Nederland na drie fantastische weken Kaapverdië ging ik om te beginnen op zoek naar een waterrietzanger in Waverhoek: niets. Daarna ging ik op zoek naar een waterrietzanger in de Groene Jonker: noppes. Een draaihals dan, gevonden nabij de Hoogekampse plas: nada. Kwartelkoning in hartje Utrecht: njet. Kon ook niet waar zijn natuurlijk, maar toch: op de foto stond er een. Lachstern bij Petten dan: ook al niet. Hier tekende zich een forse nazomerdepressie af. De excursie met vogelwacht Utrecht naar de kop van Noord-Holland moest helpen die te boven te komen, maar ook dat lukte niet helemaal. Geen vale pijl over zee bij Camperduin, oké, kan gebeuren. Maar daarna: opnieuw de lachsterns gedipt, draaihals en sperwergrasmus misgelopen in de duinen bij Den Helder en geen reuzensterns meer bij de Kinseldam. Het moest verdorie niet gekker worden. Dat roodpootvalk gevlogen was, daar had het de vorige dag al naar uit gezien dus technisch gezien was dat geen dip. Maar toch. En dat achteraf ook nog een late waterrietzanger was gemeld, zien we dan maar door de vingers. Maar het mag duidelijk zijn: het nieuwe seizoen komt nog niet echt lekker op gang.
Gelukkig wel liefst vijf grauwe franjepoten bij elkaar in de Nollen van Abbestede, ten noorden van Callantsoog. Nooit eerder zoveel bij elkaar gezien: prachtig. Ook de paar juveniele krombekstrandlopers in een grote groep kieviten, kemphanen en watersnippen waren het genieten waard. En toen in de duinen van de Oude Vuilnisbelt bij Den Helder ineens die twee zwarte ibissen laag over ons heen vlogen, waren al die dips van de afgelopen weken voor even weer vergeten. Want die mogen dan de afgelopen jaren een flinke inflatie hebben ondergaan, om er zomaar spontaan tegenaan te lopen, dat vind ik toch nog steeds een belevenis. Bovendien gewoon mooie vogels. Maar verder hier slechts braamsluiper, grasmus, zwartkop en dergelijke. Van de hier gisteren nog gemelde draaihals en sperwergrasmus geen spoor.

Een nazomerdepressie dus. Ik dacht ‘m krachtig te bestrijden door dan maar een bijna niet te missen draaihals in Rijswijk te gaan twitchen. Bijna niet te missen? Sta je dan, met een man of tien, langs een drukke straat te wachten op een draaihals die niet kwam. Urban birding: leuk hoor, maar niet als de vogel zich niet vertoont. Na dik een uur onverrichterzaken maar weer naar het werk gegaan.
Uitzieken, dat is het enige dat erop zit, zegt de dokter dan. Rustig afwachten, gaat wel over.
Het is een kwestie van evenwicht, van balans. Alle wereldgodsdiensten en levensfilosofieën reppen erover. Zelfs in de bijbel staat het. Na zeven jaren, of drie weken van overvloed volgen even zovele weken van schaarste. Drie weken schraalhans dus, gemeten vanaf onze terugkeer van Kaapverdië, daarna zou het over moeten zijn. Vanaf komend weekend zal het beter gaan.

2 september 2015

dinsdag 1 september 2015

Bart-Jan

Ik ben geen held, wat vliegen betreft. Ook niet wat allerlei andere dingen betreft, bijvoorbeeld diepe afgronden en dochters die over muurtjes heen in die diepe afgronden willen kijken, maar dat doet er even niet toe. Maar vliegen, dat zal nooit een hobby van me worden. Ik keek het afgelopen half jaar erg uit naar onze vakantie naar Kaapverdië, maar er was één aspect waar ik wel wat tegenop zag: de vliegreis. En dan niet eens zozeer het neerstorten want ach, dan was toch alles afgelopen en trouwens, ik moest toegeven: het afgelopen half jaar was er in de wijde omtrek van Kaapverdië niet een vliegtuig neergestort dus dat zou wel erg toevallig zijn. Maar die overstap in Lissabon (zowel heen als terug, maar terug was van latere zorg) … We hadden ongeveer een uur en dat was zelfs volgens onze contactpersoon bij Fly Caboverde best krap. Ik zag ons dus al die aansluiting missen en drie weken lang dwalen van het kastje in de ene vliegveldhal naar de muur in een andere. Zouden we wel ooit Kaapverdië bereiken?
Drie weken later en een keur aan herinneringen rijker, ook aan allerlei zaken waar ik nog niet eens over geschreven heb, zoals de straatverkoopsters in Mindelo, de vele vrouwen die rondlopen met zwaarbeladen mand op hun hoofd, over Afrika gesproken …, en bulwers stormvogels, jawel, nota bene bulwers stormvogels vanaf de boot naar São Nicolau, vliegende vissen ook en dartelende dolfijnen op zee en de zeeschildpadden in de branding waar Harriët zo blij van werd, al die dingen later is inmiddels wel duidelijk dat het allemaal is goed gekomen. Zoals iedereen me vooraf had verzekerd.
In Lissabon stond al een dame in uniform klaar om de passagiers voor Sal naar de juiste hal te dirigeren. Paspoortcontrole dreigde nog even roet in het eten te gooien maar uiteindelijk zaten we in ons vliegtuig. ‘Cabo Verde here we come’, schreef ik in mijn aantekeningenboekje, refererend aan de teksten die op Schiphol op de slurven waren aangebracht, zij het met iets gangbaarder bestemmingen, Milaan en Berlijn bijvoorbeeld. Zo reisden we onze reis, of eerder: zo reisde de reis onze reis voor ons. Die reis wordt als het ware aan je opgelegd. Daar heb je eigenlijk geen omkijken naar. Je kunt niet veel meer doen dan simpelweg wat van je verwacht wordt. Het grootste deel van de reis is dat niet meer dan stil in je stoel blijven zitten en de tijd vullen met je gedachten en dat is zo ingewikkeld niet. En uiteindelijk komt alles goed: op Sal zagen we de volgende ochtend zelfs een van onze rugzakken boven op het bagagekarretje liggen dat naar ons volgende vliegtuig gereden werd. Dan zouden de andere er ook wel liggen. Daarmee was een van mijn laatste zorgen weggenomen.

Eén keer ging het mis: op de terugweg in Lissabon misten we onze aansluiting. En achteraf was dat het beste wat ons op dat moment kon overkomen. Om half negen ’s morgens stonden we op het vliegveld, en pas om 8 uur ’s avonds ging er een vliegtuig naar Schiphol dat plek voor ons had: we hadden een gratis dagje Lissabon cadeau gekregen! In de zon op het Praca do Commercio gestaan, aan de Taag gezeten, vele vale gierzwaluwen gezien, de oude burcht die achter de huizen verrijst, en de kathedraal: spoedcursusje Lissabon voor eendagstoeristen.
En trouwens ook: meeuwen! En spreeuwen en merels en parkieten!
Toeval bestaat niet, naar het schijnt, maar toch: juist die dag was Bart-Jan jarig, onze reisleider op afstand, jongste broer van Harriët die vele jaren geleden naar Portugal is vertrokken en met zijn Kaapverdische bruid in Lissabon woont. Een echte expat, in Nederland gestudeerd en in Lissabon werkzaam op een geografisch instituut. We hebben heel wat contact gehad met Bart-Jan de afgelopen weken, per telefoon en per WhatsApp, en nu konden we hem nog net even in levende lijve ontmoeten en de eerste vakantieverhalen delen. Op Martin Moniz, mooi pleintje op een van de heuvelen van de stad, met fontein en met vele eetkraampjes waar je naar keuze je eten kon uitzoeken om het waar je maar wilt in de schaduw aan een tafeltje te gaan opeten. Na onze lunch door kleine en wat grotere straatjes door mooi en tamelijk karakteristiek stukje Lissabon met hoge, soms afbladderende huizen met smalle balkonnetjes met sierlijk ijzeren smeedwerk, omhoog gewandeld naar een parkje met druk bezochte zwembak en met uitzicht over half Lissabon waar we het moment afwachtten dat we weer naar het vliegveld moesten. Waar we natuurlijk veel te vroeg waren maar ook dat is vliegen: wachten, heel veel wachten. Nee, mijn hobby is het niet.

1 september 2015




Meer lezen over Kaapverdië: https://guuspeterse.blogspot.com/2015/08/mussen.html






donderdag 27 augustus 2015

Antonia

Het was Antonia zelf die ons naar Santo Antão vergezelde, naar haar landhuis aan de voet van de bergen in de Ribeira Grande in het noorden van het eiland. Antonia, onze aangetrouwde schoontante. Er bestaat geloof ik geen naam voor wat zij van ons is. Ze is feitelijk niets van ons, behalve dan onze gastvrouw voor twee weken, die eerst haar appartement in Mindelo met ons deelde en daarna haar huis op Santo Antão. In Mindelo was dat nog best krap. Ze bood ons haar slaapkamer aan en sliep zelf op de slaapbank in de huiskamer. Hoe zeer we haar ook verzekerden dat we echt wel met slaapzakken en matjes in de logeerkamer bij Renske en Esther pasten, daar was geen discussie over. Gastvrijheid is een erezaak in Kaapverdië, zoals ze ons ten overvloede verzekerde.
Op Santo Antão was ruimte geen probleem: haar landhuis herbergde onder meer vijf badkamers en vier slaapkamers, en een dakterras met fantastisch zicht op de omringende bergen. Op onmetelijke rotswanden die aan beide zijden hoog boven ons uittorenden, kaal en grillig zoals alle bergen hier, en op de Ribeira beneden, de vallei die werd gedomineerd door de droge, stenige rivierbedding die naar verluidt soms, in nattere tijden, plaats biedt aan een woeste waterloop die de toegang tot het huis soms wel voor een week onmogelijk kan maken. Dat kan ons dus ook nog overkomen: een week lang vastzitten in een landhuis op Santo Antão. Een straf zou dat eigenlijk niet eens zijn, met de uitzichten, de tropische fruitbomen, de bananenpalmen, de volle voorraadkasten en de zeven Harry Potters die de dames bij zich hadden.

Santo Antão wordt geroemd en geprezen als het mooiste van alle Kaapverdische eilanden. Woeste bergketens doorklieven er de hoge luchten en steile afgronden voeren tot grondeloze diepten. Het is er groener dan op enig ander van de eilanden. Nou zijn we maar op drie geweest, maar op basis daarvan kan ik me de kwalificaties wel voorstellen.
Een voorproefje van al het moois kregen we toen we met het busje van het haventje van Porto Novo aan de zuidkant van het eiland, naar het landhuis reden. Dwars door de bergen: langs hoge kale pieken en diepe afgronden, soms aan beide kanten van de weg. Een fotomomentje werd ons gegund op de rand van een enorme oude vulkaankrater waar diep onder ons, aan de voet van grillige, bijna loodrechte rotswanden, een vlakte sluimerde met graslanden en schapen.
De wandeling die hier door iedereen wordt aanbevolen, van reisboekjes tot ons familienetwerk, is die langs de kust van Ponta do Sol eerst naar Fontainhas en van daar naar Cruzinha. Dit is je reinste reisboekenheroïek. In een groots en ontzagwekkend decor van rots en oceaan tot zo ver (en bijna zo hoog) als het oog reikt, van kloven en afgronden en hemelbestormende rotswanden, kruipt het wandelpad nietig en klein langs zee. Soms beneden langs een keienstrand dat rammelt in de branding, maar meest hoog over de rotsen die eigenlijk nauwelijks ruimte bieden aan de mens en zijn onbedwingbare hang naar exploratie zodat het pad over grote delen in de rotsen moest worden uitgehakt. De tocht is inderdaad van een duizelingwekkende schoonheid maar tegelijk, wat mij betreft, van een griezeligheid die op den duur als het ware in je botten gaat zitten. Het pad voelde een beetje als een gevangenis, vond ik. Er waren slechts twee opties: vooruit en terug, en beide voerden langs griezelige dieptes, langs loodrechte afgronden waar de oceaan honderden meters onder je ruist en schuimt rond rotsplateaus aan de voet van de bergwand. En hoewel het altijd veilig is, voldoende breed en met bijna altijd een muurtje om de diepte op afstand te houden, kon ik die diepte maar moeilijk uit mijn hoofd zetten.
Af en toe passeer je een eenzame, schaars begroeide Ribeira, als een diepe wond in het bergland, af en toe een bergdorpje, wankelend tussen de rotswanden, dat steevast de vraag oproept hoe men hier het contact met de buitenwereld weet te onderhouden. Door glooiende heuvels en woestijnachtige glooiingen, halfkaal en met wat karig, stekelig kreupelhout, daal je tenslotte af naar het veilige Cruzinha, dat beneden aan de oceaan ligt en zicht biedt op weer nieuwe, loodrechte bergwanden die oprijzen uit de oceaan.

De reisboeken voor Kaapverdië staan vol met dit soort wandelingen op Santo Antão die je, aldus de reisboekenschrijvers, niet mag missen. Wij hadden daar geen boodschap aan en hadden, afgezien van deze ene, voldoende aan de tochtjes in de nabijheid van ons huis. Die waren al indrukwekkend genoeg. Zo gingen we met Antonia, na een korte stop in Pouvoisau (het stadje aan de monding van de Ribeira Grande dat in de reisboekjes vermoedelijk ten onrechte Ribeira Grande wordt genoemd en waar Antonia rondloopt als een koningin, mensen aanspreekt, door mensen wordt begroet en steeds haar ondoorgrondelijke gang gaat), naar een smalle Ribeira diep in de bergen. Die Ribeira's, langgerekte dalen die in de bergen verzonken liggen, zijn werelden op zich. Groen, soms met akkerlandjes en veldjes, schuurtjes en kleine dorpjes, mensen, tropisch ogende vlinders, af en toe wat weelderig struikgewas en soms zelfs stukjes van wat je bijna bos zou durven noemen, alles in de schaduw van het kale en ongenaakbare bergland dat soms als een immense muur boven je uitrijst. Ook dit was weer zo’n paradijselijke kloof met suikerriet en palmbomen, die werd overweldigd door het grauwe rotsgebergte rondom. Hier kaapverdische gierzwaluwen, en hoog enkele buizerden waar ik verder niets bijzonders aan zien kon maar die kaapverdische buizerden geweest moeten zijn, een endeem die beperkt is tot Santo Antão en Santiago.
Zulke plekken waren er meer op het eiland, zij het zonder die buizerden want die waren ook op Santo Antão best zeldzaam. Wat we ook veel zagen, of dachten te zien, waren oeroude muurstructuren in de bergen. Soms waren het overduidelijke muurrestanten maar vaak konden we niet goed uitmaken of ze geen natuurlijke oorsprong hadden. Maar met een beetje fantasie kon je er restanten van oeroude, lang verdwenen culturen in zien. Oude beschavingen waar wij geen weet meer van hebben.

27 augustus 2015



Verder lezen over Kaapverdië? http://guuspeterse.blogspot.nl/2015/09/bart-jan.html





donderdag 20 augustus 2015

José

Onze gids op São Nicolau was José Cabral, een vriend van Antonia. José is een veelzijdig man. Hij is onder andere directeur van het visserijmuseum in Tarrafal, vrijwilliger bij de zeeschildpaddenbescherming, leraar en schrijver van een aantal boeken over de Kaapverdiaanse cultuur. Een gestudeerd man en een idealist. Weet alles over natuur, cultuur en geschiedenis van Kaapverdië en heeft ook nog eens twee weken lang ‘ons’ zeilmeisje, Laura Dekker, te gast gehad voor ze overstak naar het Caraïbisch gebied. Ze heeft hier gevoetbald met de plaatselijke dorpsjeugd en had het daarnaast druk met studeren, vertelde José.
José heeft ons op São Nicolau twee dagen mee op stap genomen in zijn auto met open laadbak, het soort auto waarmee bijna iedereen hier rondrijdt en waarmee toeristen, meestal tegen een geringe betaling, over het eiland worden rondgereden. (Deze ‘Aluguers’ verdienen misschien wel een eigen blog want ze vormen het belangrijkste transport op de eilanden. Overal in de stadjes en dorpen staan ze voor je klaar en als de chauffeur vindt dat hij voldoende klanten aan boord heeft, brengt hij je naar een stadje of dorp verderop. En als je dan vraagt of hij je nog een stukje verder wil brengen, dan doet hij dat graag voor je maar dan vraagt hij wel tien keer zoveel want dan is het een taxi geworden. Overigens is tien keer zo veel nog steeds bijna niks.)
Met Renske, Esther en ik achterin vervoerde José ons langs de mooiste plekjes van westelijk São Nicolau. Een schildpaddenstrandje waar de sporen van de schildpadden die zich elke nacht naar zee slepen, nog zichtbaar waren. Een oude vulkaankegel die hoog uit een soort maanlandschap verrees. Nou weet ik wel dat maanlandschap een begrip is dat nog weleens wat al te gemakkelijk van stal wordt gehaald, maar meer maanlandschap dan hier, heb ík het nog nooit meegemaakt. Roodzandige kliffen, kale keienvlaktes, rimpelloze glooiingen, alleen heel sporadisch een nietig boompje dat in dit landschap verdwaald was geraakt: die zul je op de maan wel niet aantreffen, veronderstel ik. Verderop was een prachtige plek aan zee waar duizenden jaren aan zeewind de kliffen volmaakt hadden gladgeschoren en geboetseerd tot kunstige, gelaagde sculpturen en waar ook nog eens, speciaal om mij extra te plezieren, een schitterende bruine gent rondvloog. En aan de voet van de oude vulkaankegel die we al die tijd al tot de hemel hadden zien reiken, vond ik in een dorre steenwoestijn liefst vier renvogels. Sprakeloos was ik daarvan. Met ook nog helmparelhoen en met kaapverdische mus, bruinnekraaf en kaapverdische gierzwaluw (die laatste drie zag ik zowat elke dag maar had ik tot een week daarvoor alle drie nog nooit gezien), was dit wel mijn ‘finest hour’. De hoge slingerende bergweg, met zicht op onder andere kolossale, torenhoge kliffen, een bergwand die honderden meters loodrecht uit zee verrees, eindigde in een stukje paradijs op aarde: verspreid over de hellingen boven een diepe, verrassend groene kloof, lag een dorpje waar de moderne tijd ongemerkt aan voorbij leek gegaan. Eenvoudige huisjes tegen de afgrond aangeplakt, terrasjes waar wat suikerriet werd verbouwd, karige groenteakkertjes, een goed gevuld waterbassin, en beneden een droge, stenige beekbedding, allemaal in een decor van grillige, steile rotswanden. We waren te gast bij het plaatselijke winkeltje annex kroegje, waar we plaatselijk gestookte grogue kregen aangeboden en waar de oeroude uitbater ons verraste met een paar woordjes Nederlands. Hij had jarenlang op Nederlandse schepen gevaren, vertelde hij, en was na zijn pensioen teruggekeerd naar zijn geboortedorp.

São Nicolau oogde van de eilanden die we gezien hebben (voor zover ik daar iets van mag zeggen) misschien wel het meest Afrikaans, met zijn robuuste, hoge bergwanden achter de oceaankust, roodachtig van kleur, gruizig en kaal en onaanraakbaar. Met zijn vulkaankegels die in volmaakte symmetrie uit het landschap verrezen. Met zijn kuststrook met keienstrandjes en zwart zand en met kale, verzengende halfwoestijnen glooiend tot aan de voet van de bergen. En met zijn oeroude drakenbloedbomen, een soort prehistorische schepselen in het halfkale bergland. Die zagen we vooral op onze tweede dag met José, toen hij ons diep de Monte Gordo in bracht, de bergketen met toppen tot 1500 meter die een groot deel van het westelijke deel van São Nicolau beslaat. Niet alleen maakten we kennis met oude vulkaankegels en vulkaankraters en diepe kloven en verrassend groene dalen met diep daarin verscholen oeroude dorpjes, maar ook met José’s broer die woonde in het ouderlijk huis waar ook José was opgegroeid, een eenvoudig onderkomen in een fantastische vallei diep in de Monte Gordo. Hij hield er twee honden en een vlucht postduiven en verbouwde onder andere bananen en suikerriet, die laatste voor de zelf gemaakte grogue die we natuurlijk even moesten proeven. En met zijn broer gingen we op bezoek bij een vriend van zijn broer, iets hogerop op de hellingen van diezelfde vallei, in een fraai huis met geweldig dakterras met zicht op de omringende gronden die terrasvormig glooiden naar de bergwanden en die zo’n beetje heen en weer bewogen tussen schrale akkertjes en keienvelden, en waar in de tuin een bonte verzameling van tropische vruchtbomen: papaja’s, mango’s, ananassen, bananen en avocado’s, en suikerriet voor de zelf gemaakte grogue die ons ook hier werd aangeboden. Ook José sloeg er meer dan één achterover, wat ons wel enige zorgen baarde gezien de spectaculaire afdaling, slingerend langs diepe afgronden, die ons nog te wachten stond. We ontmoetten nog een oude Kaapverdiaan die Nederlands sprak want hij had op een Nederlands schip gevaren en die zijn vaardigheid gebruikte om Renske en Esther keer op keer te vragen of ze soms dochters waren (‘natuurlijk’, zei Esther, ‘wat zouden we anders zijn?’) en mij waarom ik toch zo weinig sprak. En we ontmoetten nog iemand, die de vader van de gastheer bleek te zijn, die zelf overigens leraar geschiedenis was op het plaatselijke dorpsschooltje. Ook hadden nog twee jongetjes uit de buurt ons over de hellingen naar een plek gebracht waar we van dichtbij een prachtige man brilgrasmus te zien kregen, die we daarna overigens ook heel mooi zagen vanaf het dakterras van de vriend van de broer van José (die zelf dus weer een vriend is van de moeder van de echtgenote van de broer van Harriët). Zodat we weer geweldig geïntegreerd hebben met de plaatselijke bevolking van Kaapverdië.

Ook wat vogels betreft was het trouwens best nog een interessante middag, met naast die brilgrasmussen onder meer ook een mooie groep kaapverdische mussen bij het huisje van de broer van José, waartussen ook een paar spaanse mussen. En hoog in het bergland, waar ik toevallig even geen postduiven zag, enkele duiven die er heel toevallig allemaal tamelijk zuiver als rotsduiven uitzagen. En laat ik ook de torenvalken hier niet onvermeld laten. Die waren zwaar gebandeerd op de bovendelen en zwaar gestreept op de onderdelen, terwijl het bruin op de rug veel grauwer, veel kouder van kleur was dan we in Nederland kennen. Ondersoort neglectus, endemisch op enkele van de eilanden hier. De Helm zegt daar onder andere over: ‘more like a merlin than a common kestrel’. En inderdaad: ik vond ze wat gedrongener, met kortere en puntiger vleugels, dan onze torenvalken.

De afdaling overigens, als een soort achtbaan vanuit het best frisse, wat grijze en druilerige hooggebergte naar het warme en zonnige Tarrafal, die ging helemaal goed. We zijn weer veilig bij ons hotelletje afgeleverd.

20 augustus 2015


Meer lezen over Kaapverdië? http://guuspeterse.blogspot.nl/2015/08/antonia.html