vrijdag 27 september 2013

Multitwitch

Noordse boszanger op de Maasvlakte kon ik nog negeren, immers geen nieuwe soort voor me. Arendbuizerd echter niet! En terwijl ik nog, vooralsnog vruchteloos, bezig was te proberen een tochtje naar de Maasvlakte te organiseren, met openbaar vervoer nauwelijks haalbaar, kwam daar ineens een 24 karaats rosse waaierstaart bij Petten de gemoedsrust verstoren: nieuw voor Nederland! Een simpel determinatievraagje op het forum van Waarneming.nl (dat daarmee zijn waarde wel weer bewees) bracht honderden vogelaars op de been. Was dit nou een gekraagde roodstaart? vroeg iemand. Nee, dit was geen gekraagde roodstaart, zo wezen de foto’s ondubbelzinnig uit. En voor die honderden vogelaars bestond er even niets anders meer dan rosse waaierstaart.
Oei, na maanden van relatieve rust kwam ineens alles tegelijk. Dat vroeg om een bijzondere actie.
Nou is Petten met openbaar vervoer prima te doen dus om te beginnen ’s morgens vroeg de trein naar Alkmaar genomen, van daar de bus naar Camperduin en te voet naar de oude manege achter de Putten. Daar stond het ontvangstcomité al klaar: tientallen vogelaars waren op zoek naar een glimp van de vogel. Die bleek momenteel te foerageren in een hoekje achterin het terrein, naast een schuurtje en voor een betonnen muurtje, en was daar maar heel af en toe zichtbaar. En dan nog alleen als je goed stond: als je tussen de schuur en een nabije schutting door tegen eens stukje van dat muurtje aan kon kijken. Stond je een meter opzij, dan zag je niks. Dus verdrongen we ons met zijn allen rond dat kleine stukje weg dat net het goede uitzicht bood en daar konden we uiteraard niet met honderd tegelijk staan. Eerder op de dag, en ook later, was-ie makkelijker, heb ik begrepen, maar op dat moment was het een hele toer om je in een kansrijke positie te manoeuvreren. Eén keer lukte me dat, op de schuine oever van de sloot tussen de weg en de manege, en kreeg ik de vogel enige tijd mooi te zien, boven op het muurtje zelfs. Rossig bruin vogeltje, lange meest opgewipte staart, koptekening, alles, terwijl ik me intussen schrap zette om niet in de sloot te glijden. Ha, hebbes! En de spanning die dit onooglijke vogeltje had teweeg gebracht, vloeide weg als water in een afvoerputje. Ik kon weer ademhalen. Intussen was de vogel weer uit beeld en liet zich geruime tijd daar althans niet meer zien.

Rosse waaierstaart binnen. Tijd voor verdere actie: arendbuizerd. Vandaag zou ik worden ingewijd in het echte autotwitchen. Stad en land afrijden om een paar leuke soorten te scoren. Want ik was intussen Pim tegengekomen en met hem kon ik meerijden naar de Maasvlakte. Twee uur rijden, aldus TomTom: om 12 uur ter plaatse. De euforie omtrent de waaierstaart maakte geleidelijk plaats voor spanning om de arendbuizerd. Zou-ie er nog zijn als we aankwamen? Zou hij een beetje meewerken? De gebruikelijke vragen. Op de Maasvlakte was het nog even zoeken naar de juiste plek. Ondertussen zagen we al een heel verdachte buizerd, rossig bruin met opvallend lichte kop, die in trage vleugelslag over de dijk van ons af vloog. Van achteren viel vooral het wit aan de staartbasis op. Waren we nou meteen al tegen de hoofdprijs aan geblunderd?
Even later vonden we de juiste plek. Diverse vogelaars stonden er te kijken naar een roofvogel die vrij ver rond cirkelde. Een kolossale buizerd, zo bleek bij de eerste blik door de telescoop, die de vogel opmerkelijk fraai in beeld bracht. Het was niet zozeer de grootte die opviel, want die was van deze afstand moeilijk in te schatten, hoewel een andere buizerd af en toe dicht in de buurt vloog. Het waren vooral de vleugels die opvielen: lang en breed en helemaal niet die wat ingesnoerde vorm die je van gewone buizerd gewend bent. Inderdaad bijna arendachtig. Rossige grondkleur, lichte kop, duidelijke polsvlekken, wat donker aan de onderbuik en lichte staart. Iets van een lichte plek op de bovenvleugels maakte de determinatie zo nodig helemaal af: ook arendbuizerd was binnen.
Overigens: geen wit aan de staartbasis.

Tenslotte stond nog de noordse boszanger op het programma. De berichten daaromtrent waren niet erg hoopgevend: de vogel was al uren niet gezien. Ter plaatse werd ons dat nog eens bevestigd. Een groepje vogelaars stond wat mismoedig in de bosjes te turen en checkte elk afwijkende, of minder afwijkende roepje, maar dat was tot nu toe zonder resultaat gebleven. De komende twee uren werden dan ook een oefening in geduld, en hoe langer hoe meer ook een oefening in acceptatie. Het wachten was niet onplezierig: het was spannend en het was gezellig met al die vogelaars onder elkaar. We hoorden af en toe een tjiftjaf. We zagen zwermen van duizenden spreeuwen over ons heen komen. Er passeerden een sperwer en een torenvalk en in de bosjes hielden zich onder andere wat zanglijsters op. Maar het resultaat was karig: één keer hoorden we een tijdje herhaald een afwijkend roepje dat mij aanvankelijk in verwarring bracht maar dat bij nader inzien wel degelijk de nobo was geweest. De vogel liet zicht echter niet zien.


26 september 2013

woensdag 25 september 2013

Werk

Men hoeft met ons natuurlijk geen medelijden te hebben maar soms kan vogelen echt wel hard werken zijn. Hard werken dat bovendien lang niet altijd de gewenste resultaten brengt. Zo stonden we vandaag bij de Ottersaat eindeloos te speuren tussen de goudplevieren op zoek naar een aziatische goudplevier die zich in die menigte zou moeten bevinden. We vonden genoeg kandidaten maar met wel tien mogelijke aziaten zit je natuurlijk niet zo goed want er zit er maar één. Het enige dat je kunt vaststellen is dat er blijkbaar nogal wat variatie bestaat tussen goudplevieren onderling. En zo bleef een uur werk zonder resultaat. Al waren natuurlijk die twee kleine strandlopers een aardige troostprijs.
In de noordelijke duinen gingen we vervolgens op zoek naar de daar gisteren ontdekte aziatische roodborsttapuit. Nu was zelfs het vinden van de juiste plek al een probleem. De GPS op de diverse mobieltjes bracht ons slechts kale duinen en karige bosjes. Geen vogels en vooral: geen vogelaars! Het kon toch niet zo zijn dat er nu al, pas één dag na de ontdekking, geen belangstelling meer was voor deze zeldzaamheid? Nee, hier ging iets niet goed met de moderne technologie. Na enige omzwervingen vonden we toch nog de plek en enkele vogelaars die er net vandaan kwamen stelden ons gerust: de vogel hield zich op in de vegetatie aan de rand van het duinmeertje. Maar eenmaal daar was de vogel natuurlijk net even uit beeld. En dat bleef zo. Waar we ook zochten, aan de ene kant van het meertje waar we over het wapperende riet heen stonden te turen of helemaal aan de andere kant waar we recht tegen het felle zonlicht in keken, roodborsttapuiten genoeg maar geen enkele aziatische. Wel paapjes, een tapuit, een gekraagde roodstaart maar geen spoor van de vogel die we zochten. Twee nullen op rij: ging weer lekker zo! Nog even een blik vanaf een naastgelegen duintje maar vergeefs, vergeefs, altijd weer … En ineens had ik ’m! luid en duidelijk in de top van een rietstengel aan de rand van de vegetatie, prachtig in de telescoop. Snelle actie was geboden want de vogel kon zo weer verdwenen zijn. Ik probeerde zo goed mogelijk uit te leggen waar hij zat, liet anderen door mijn telescoop kijken en volgde de vogel intussen met de verrekijker. Die vloog op, ging weer zitten, dook weg en kwam weer tevoorschijn, tot we ineens naar een paapje stonden te kijken. Uiteindelijk heeft iedereen dan toch nog de juiste vogel gezien, maar gemakkelijk was het niet geweest.
Ook de bladkoning in een boompje naast het restaurantje van de Robbenjager kregen we niet cadeau. Een tijdje stonden we vruchteloos te speuren tussen de blaadjes en de twijgjes om vervolgens eerst maar eens op het terrasje van het warme nazomerzonnetje te gaan genieten, onder het genot van een drankje en een hapje. Daarna nog even de blako geprobeerd en toen had ik ‘m dan toch, enkele keren mooi vrij zichtbaar tussen diezelfde blaadjes en twijgjes waartussen we zojuist nog zo vruchteloos hadden staan speuren. Maar hoe leg je nou uit waar je in zo’n boom precies aan het kijken bent? Uiteindelijk is het niet iedereen gelukt het beestje in beeld te krijgen.
En zo bleef het maar zwoegen, werken en sprokkelen. In Zuid Eierland probeerden we vergeefs een andere bladkoning te vinden en bij de golfbaan achter de Krim gingen we op zoek naar de roodpootvalk die daar was gemeld. We bestudeerden diverse biddende en jagende torenvalkjes en vonden verrassend snel de roodpoot: een heel ander type valkje zonder roodbruine kleuren, dat weliswaar geregeld stond te bidden maar niet zo aanhoudend als de torenvalken. Zo fantastisch als een paar weken terug was-ie niet, maar wel leerzaam.
Tenslotte probeerden we nog één keer de aziatische goudplevier in de Ottersaat, die daar inmiddels weer was gemeld. We vonden een goede kandidaat, met echt heel veel zwart in zijn verenkleed, een algeheel grijs voorkomen en een duidelijke wenkbrauw. Maar de vogel zat ineengedoken dus bouw en grootte waren niet te beoordelen, en van de ondervleugel kregen we weinig te zien. We lieten het erbij.

De opbrengst was al met al niet slecht maar het was hard werken geweest vandaag. Gelukkig waren we op Texel, dat scheelt. Dat scheelt zelfs aanzienlijk.

22 september 2013

zaterdag 14 september 2013

Definitie van niets

‘Er vliegt niet veel’, werd me te kennen gegeven toen ik bij hotel Savoy de telpost betrad. ‘Helemaal niets eigenlijk’. ‘Nou, dan gaat het vast nu beginnen’, antwoordde ik, terwijl ik de toch best stevige noordwester polste die inmiddels was opgestoken. Dat vond men rijkelijk optimistisch. Na een minuut of vijf wensten de drie heren me succes en vertrokken.
Een minuut of tien daar weer na passeerde een juveniele jan van gent. Vermoedelijk valt dat bij ervaren zeetrektellers nog wel binnen de definitie van niets, maar ik vind ze altijd weer mooi. Verder moest ik ze gelijk geven. Er vloog, als je het begrip maar ruim genoeg neemt, helemaal niets, na die gent.
Toen enige tijd later Rein Genuït arriveerde, herhaalde zich min of meer het gesprek van zojuist. Of er nog wat vloog. ‘Nee, niet veel. Vrijwel niets eigenlijk. Alleen één juveniele gent.’ ‘Nee, dat is niets’, beaamde Rein. Ja, gesprekken tussen vogelaars kunnen nogal voorspelbaar zijn. ‘Maar ach, je weet het niet hè, er kan zomaar een vaaltje langs komen’, zei Rein. ‘Of een kleine jager’, zei ik, ‘zou nog een nieuwe jaarsoort voor me zijn’. Want wij vogelaars tellen in jaren. ‘Nou’, zei Rein achteloos, ‘dan moet je nu kijken want daar gaat er een’. Het kostte me enige tijd voor ik ‘m te pakken had, maar toen had ik mijn nieuwe jaarsoort binnen.
Maar in ruime zin valt een eenzame, verre kleine jager boven zee in september nog wel binnen de definitie van niets. Ook vier rosse grutto’s, drie smienten, twee bontjes en drie dwergmeeuwen waren slechts rimpelingen in het ledige universum van het niets. Plus nog het een en ander dat Rein omriep maar dat ik niet vinden kon. Ik blijf een kluns, wat zeetrek kijken betreft. Maar ach, ik heb er lol in.
Toen kreeg Rein een berichtje: kleine jager ter plaatse in de monding van de buitenwatering.
Een kleine jager ter plaatse, dat is iets, vind ik. Na even zoeken hadden we de vogel gevonden, drijvend tussen de golven. Wel een nogal grijsbruin beestje, vonden we allebei, het zou toch geen … Toen vloog-ie op en was het onmiskenbaar een kleinste jager. Opvallende streping op witachtige ondergrond op boven- en onderstaart en slechts twee witte schachtstrepen langs de vleugelboeg: klopte helemaal. Ook was van hieraf vaag iets te zien van het patroon van witachtige veerranden op de bovendelen, wat trouwens later op foto’s die van het strand af gemaakt zijn, veel duidelijker te zien was. Nee, dit was verre van niets. Ook de bouw van de vogel en de kop- en snavelvorm wezen eenduidig op kleinste jager. Het scheelt maar twee letters maar veel schaarser en veel leuker dan kleine.
Geruime tijd bleef de vogel ter plaatse, vlak voor het strand afwisselend op het water en rondvliegend boven de branding. Even joeg hij achter een stel meeuwen aan. Zo maakte hij ook enkele toegestroomde lokale vogelaars gelukkig. En die zijn hier wel wat gewend, dus dat is niet niets.

14 september 2013


Meer aan zee: Pelagisch

dinsdag 10 september 2013

Na regen …

Na regen kwam zonneschijn, om maar weer eens met een heerlijk cliché te beginnen. Een verrassing was dat wel, na de onheilspellende vooruitzichten zoals die gisteren nog werden afgekondigd. Misschien dat in de middag in het zuidwesten nog heel af en toe de zon zou doorbreken, beloofde men heel zuinigjes, maar eerst zou er nog heel veel regen vallen.
Het mooie was, dat die regen eigenlijk al over was toen ik in Dordrecht Stadspolders uit de trein stapte. Het was nog wel grijs toen ik met het vouwfietsje onderweg was naar de pont bij de Kop van 't Land, maar blauw was al in aantocht. Nou is de Biesbosch wel een beetje zuidwest, maar een oude wijsheid werd weer eens in ere hersteld: blijf nooit thuis voor regen die alleen maar voorspeld is.
Dat viel dus mee. Wat een beetje tegenviel was dat toen ik arriveerde op het betreffende dammetje in polder Hardenhoek, er daar van de buidelmezen die er alle afgelopen dagen waren gezien, nog niets was vernomen. En wat ook tegenviel was dat men mij wist te vertellen dat de steppekiekendief die ook vanmorgen nog verbleef in de akkers ten noorden van polder Maltha, hoog was weggevlogen en inmiddels alweer enige uren onvindbaar was. Dat was weer fraai allemaal: een dubbele nul dreigde.
Nou ja, dat was dan maar zo, voorlopig andere vogels dan maar. Die waren er voldoende. Want veel droogte vandaag in Hardenhoek, en dat betekent altijd ook veel vogels. Ontstellend veel ruiende eenden bijvoorbeeld. Meest natuurlijk wilde eenden, slob- en krakeenden en wintertalingen, maar ook heel wat smienten die alweer uit hun noordelijke broedgebieden waren teruggekeerd. Daarnaast ontdekte ik onder andere zomertaling en pijlstaart. Wat steltjes betreft vooral kieviten en watersnippen. Maar daartussen is het altijd prettig zoeken en dat leverde wat kemphanen op, bonte strandlopers, bontbekplevieren, twee kleine strandlopers en één kanoet. En daarnaast waren er natuurlijk de zilverreigers die voor wat afleiding zorgden: heel wat grote en ook een paar kleine, die ik zelf nog mooier vind. Echte engeltjes zijn dat. Een visarend vloog mooi laag over en ver en hoog verscheen een juveniele zeearend aan de inmiddels al behoorlijk blauwe hemel. Natuurlijk, allemaal te verwachten hier, allemaal vaste gasten in deze tijd van het jaar, maar toch voldoende om een mens weer wat op te vrolijken. Zeker toen de zeearend al cirkelend bijna recht boven ons aanlandde, weliswaar nog altijd hoog maar erg indrukwekkend, en daar bovendien werd lastiggevallen door een buizerd die ‘m stevig op de huid zat: wat een dwerg! Maar wel dapper.

Al die tijd al waren er regelmatig gele kwikstaarten in de buurt. Aan de andere kant van Hardenhoek, nabij het boomgat, leek het wel een verkeersplein van gele kwikstaarten. Het wemelde ervan. Hier ook een groene specht, en zicht op liefst twee zeearenden in de bomen aan de andere kant van de polder. Een juveniel en een adult, niet erg dichtbij maar vooral de adulte vogel zat er mooi bij vond ik.
Toen was het tijd om me toch nog maar te mengen in de zoektocht naar de juveniele steppekiek. Verschillende groepjes vogelaars stonden her en der in de polder te wachten op diens terugkeer. Vergeefs, tot zover. Een vrouw blauwe kiek zorgde nog even voor opwinding, maar dat duurde niet lang. In de akker een paar tapuiten; een groenpootruiter en een grote zilverreiger vlogen langs.
Ach, zeearenden, grote zilverreigers: ik herinner me nog de tijd dat één van beide al voldoende was om een gelukzalige glimlach op je gezicht te toveren die de eerste dagen niet meer zou verdwijnen. Maar toen ineens een paar auto’s die een onverhard weggetje in reden, naar verderop waar de telescopen al opgesteld stonden en de telelenzen al uit de autoraampjes staken. Nauwelijks meer verwacht maar wat ik hoopte, wat we allemaal al urenlang hoopten, was gebeurd: steppekiek was teruggevonden. Hij had ons lang in spanning gehouden, maar daar zat-ie dan toch, tegen een ruig stukje in de akker aan. Poetsend, af en toe een vleugel strekkend en wat om zich heen kijkend. Fraai. Misschien niet de meest prominente boa en halsring die je je kunt voorstellen, maar daar moesten we het dan maar mee doen. Het oogmasker was prachtig, met net wat meer wit onder het oog dan erboven. Na enige tijd vloog-ie op en vloog een tijdje mooi dichtbij rond: een klein ogende, wat compacte kiekendief met smal uitlopende, bijna puntige vleugels. Ongestreept roodachtig bruin van onderen, met wat zwakke en onregelmatige bandering op de witte handpennen en een open vleugelachterrand. Dat leek me voldoende voor een zekere determinatie. Tenslotte steeg de vogel samen met een vrouwtje blauwe kiekendief hoog op en leek naar het noorden te vertrekken.

8 september 2013

zaterdag 31 augustus 2013

Tot slot

Tenslotte een dag besteed aan het oude Lissabon. Lissabon is één van die vermaarde wereldsteden die je niet zonder ontzag betreedt; een stad als neerslag van vele eeuwen geschiedenis, uitgespreid over haar zeven heuvelen. Eén dag is natuurlijk ontoereikend om die stad, die geschiedenis, werkelijk te leren kennen, in al zijn finesses te ondergaan. Niets van het echte leven maak je mee, vrijwel niets van de le­ven­de cultuur die zo'n stad inhoud geeft, vrijwel niets van al die dingen die een stad maken tot een bezield organisme waaraan schrijvers hun inspiratie ontlenen en waarover dichters hun in wel­luidende volzinnen gegoten liefde uitstorten. Noodgedwongen beperkten we ons tot de uiter­lijke verschijningsvorm van die stad: het Lissabon van de dagjesmens en van de toeristische wan­delroutes, de façade van grootstedelijke allure en reisgidsenheroïek.
Te beginnen met het prestigieuze Praça do Commercio, met imposante beelte­nissen van generaals op paarden, pompeuze prestigearchitectuur en schaduwrijke arcade langs dure win­kels en hooggeplaatste instituten. We hebben Porto gezien, en we hebben Lissabon gezien, en nergens zie je het verschil tussen beide zo duidelijk als op het Praça do Commercio. Porto is compact. Het is prachtig, indrukwekkend, een machtige oude stad, maar nergens heeft het de grandeur die je ervaart als je vanuit het metrostation Terreiro do Paço het Praça do Commercio betreedt. Lissabon is grootser, weidser dan Porto en dat verschil wordt volmaakt belichaamd door dit eindeloos grote plein. De zon doet er pijn aan je ogen en aan drie kanten zie je in de verte de statige en kleurrijke gevelwanden die in volmaakte symmetrie het plein omarmen. Waarachter de stad verrijst, onder andere tot aan de oude burcht die van hoog neerziet. In de vierde richting is het plein open. Daar stroomt de Taag, en ook die karakteriseert het verschil met Porto: waar in Porto de Douro in zijn nauwe bedding tussen steile hellingen door stroomt, is de Taag in Lissabon een brede zeearm. De overkant is er slechts een verre horizon.
Achter de oostelijke zijde van het plein zetelt boven de huizen de stoere kathedraal: robuust van buiten, sober van binnen. Het belichaamt nog een ander opvallend verschil tussen Porto (of moeten we zeggen: noord Portugal?) en Lissabon: in Porto waren de kerken voor zover we ze van binnen gezien hebben uitbundig en rijk geornamenteerd. Het bladgoud blonk je er van alle kanten tegemoet en een overvloed aan vaak buitenissig aangeklede beelden verbeeldde alle denkbare episodes uit het nieuwe testament. In Lissabon waren de kerken die we van binnen gezien hebben sober en duister en vrij van iedere buitenissigheid.
Een geweldige attractie van Lissabon zijn de trammetjes die heuvelop en heuvelaf door nauwe straatjes door de jungle van Lissabon bewegen. Hier is de stad niet groots en weids maar compact. Hier is Lissabon eigenlijk niet veel anders dan de kleinere stadjes die je in het binnenland ziet. Net als zo vaak in de provincie waanden we ons af en toe nog in het Portugal van vroeger eeuwen. Er zijn fraaie herenhuizen, rijkelijk bete­geld met azuurblauwe azulejos langs de hele flank, en dure lanen met trendy souvenirwinkels en chique restaurants. Maar elders aan stillere straatjes zijn hoge huizenblokken met afbladde­rende verf en verveloze balkons en de was die te drogen hangt, de eeuwige was die eeuwig te drogen hangt. Ineens kan die jungle zich openen en ruimte bieden aan bijvoorbeeld de prachtige Basilicu da Estrela, een rijkelijk versierde witmarmeren kolos met torens en een koepel, van binnen overigens net zo sober als de kathedraal. Na weer wat smalle en steile straatjes vonden we het parlementsgebouw, waar Lissabon zich weer van zijn grootstedelijke kant liet zien. Zo enorm, zo overweldigend, dat kan alleen maar bedoeld zijn om het gewone volk tot diepe nederigheid te brengen.

Die avond wandelden we vanuit Bart-Jans flat een stukje de naastgelegen wijk in. Dat was ook weer een bijzondere ervaring. Bevind je je bij Bart-Jan nog in een betrekkelijk moderne grote stad, amper tien minuten lopen daar vandaan waan je je op het Portugese platteland. Eerst waren er een paar straatjes met stoepen en lantaarnpalen maar zonder huizen, kronkelend door braakliggend terrein waar de al jaren geplande huizen nog altijd gebouwd moeten worden. Daarna ging het over landweggetjes en klinkerstraatjes langs oude, glasbeslagen muren waarachter een ontoegankelijk landgoed dat al die jaren uit de greep van de oprukkende stad is gebleven en alles wat die stad met zich meebrengt succesvol buiten de poort heeft weten te houden. Stille dorpsstraatjes en een ijsje op een idyllisch dorpspleintje: ook dat is Lissabon.

12 augustus 2013


Porto



Lissabon

De laatste paar dagen in Portugal sleten we bij Bart-Jan en Ines in hun flat in een buitenwijk van Lissabon. En net als jaren geleden was er daar beneden nog altijd hetzelfde vergeten paardenweitje met hetzelfde bosje hoog opgaand riet met net als toen kleine zwartkop en graszanger, midden in Lissabon. Met zwarte spreeuwen in de buurt en van tijd tot tijd rondvliegende vale gierzwaluwen, prachtige vale gierzwaluwen weer. Met hetzelfde uitzicht op de containeropslag daarachter en op het kerkhofje aan de andere kant. En met nog altijd hetzelfde uitzicht op de grootstad verderop en tot in de verte die verspreid over haar zeven heuvelen de regie weer overneemt, met wouden van torenflats en wit bebouwde hellingen.
Op zaterdag was Bart-Jan jarig en hield hij op de warmste dag van onze vakantie een picknick in een park in de buurt. Dat was eigenlijk helemaal geen slechte manier om die snikhete dag te doorstaan. Veel schaduw in dat park en ook al was het ook in de schaduw nog heel warm, in de zon was het niet langer dan vijf minuten uit te houden. Behalve veel schaduw ook veel Portugezen op de picknick. Eindelijk echte Portugezen, en al vormden die geen doorsnee van de Portugese bevolking, de gesprekken waren dat vermoedelijk wel. Die gesprekken gingen vanzelfsprekend vaak over de crisis, en ze stemden niet vrolijk, zo aan het eind van de vakantie. Het verhaal van de vrouw die nadat ze haar eerste kind had gekregen van hogerhand werd weggepest uit het bedrijf waar ze werkte en die ook bij de rechter haar gelijk niet kon halen, was wellicht kenmerkend. Sindsdien is ze lerares en daar is ze op zich heel gelukkig mee, maar elke zomer opnieuw is het onzeker of en waar ze het komende schooljaar werk heeft. En voor de zomermaanden krijgt ze niets betaald.
Veel te vogelen viel er overigens niet in het park, ook al vlogen ook hier af en toe vale gierzwaluwen boven ons rond en hielden zich er ook wat eurokanaries op.

Dat was gisteren. Vandaag verdeelden we onze tijd tussen een bomen- en vogelexcursie in het parkje van het Museu Gulbenkian, een bezoek aan het museum zelf, en een paar uurtjes strand.
In het parkje wezen de Portugeestalige excursieleider, zijn Portugeestalige vogelhulpje en hun wulpse Portugeestalige assistente / landschapsarchitecte ons onder andere waterhoen (‘heel bijzonder hier, en alleen in augustus’), wilde eend, gaai en houtduif, terwijl (alweer) af en toe vale gierzwaluwen overvlogen waar (bijna) niemand oog voor had. Een juveniele kwak die onverstoorbaar langs een slootkant stond, kreeg van allen de aandacht die hij verdiende.
In het museum herontdekten we de schilder Amadeo de Sousa Cardoso (1889-1918) die we twintig jaar geleden ook al waren tegengekomen in een museum in Amarante (‘Die bleek, wat mij betreft, heel wat meer dan het overschatte slachtof­fer van nietsontziend plaatselijk chauvinisme.’, schreef ik toen) en die inmiddels (en misschien ook toen al) een nationale en wellicht ook internationale grootheid blijkt.
En op het strand stond ik midden tussen het zonnebadende strandpubliek met verrekijker over zee te turen. Dat was niet voor niets want al gauw zag ik de eerste vale pijlstormvogel die zich met driftige vleugelslag over zee naar noord spoedde. En niet veel later zag ik een wat forsere pijlstormvogel in veel kalmere vlucht en af en toe zeilend naar noord bewegen: kuhls pijlstormvogel! Binnen een kwartier mijn missie volbracht! En de overige twee uur zag ik nog diverse vale en kuhls pijlen vliegen, allemaal naar noord en sommige wat dichterbij. Vooral die kuhls pijlstormvogels op het eind waren prachtig: afwisselend donker en wit oplichtend dwaalden ze rustig wat over zee, sloegen even met de vleugel, zeilden even een stukje aan roerloze vleugels, namen even een kijkje hier en een kijkje daar en bewogen zich zo zonder haast naar verderop. En tussendoor ook een paar spectaculaire jan van genten ver boven zee. Ja, wat mij betreft twee zeer vruchtbare uurtjes, en ook de anderen hadden het erg naar hun zin gehad.

11 augustus 2013


Tot slot



donderdag 29 augustus 2013

Vogels


Een vakantie zonder vogels is natuurlijk geen vakantie, dus ook bij Valbom vogels. Rond de camping de gebruikelijke maar altijd aangename verzameling zuidelijke soorten waar je in Nederland zo ontzettend je best voor moet doen. Hier voor het oprapen: europese kanarie, cirlgors, af en toe kleine zwartkop, en roodstuitzwaluw: prachtige roodstuitzwaluwen hier al vlak boven de camping. En hop! Jawel, we hebben hier hop. Af en toe zie je ‘m vliegen en meestal is-ie dan al snel weer verdwenen, maar een enkele keer gunt hij je een iets langduriger blik op de schoonheid van een hop, die toch een beetje staat voor al het goede dat het leven in Zuid-Europa in petto heeft.
Van een heel andere orde zijn de turkse tortels. Ook hier hebben die de zomertortels zo goed als vervangen. En dat voelt natuurlijk als verlies, als teloorgang. Maar hoezo eigenlijk? Vroeger had je zomertortels en geen turkse tortels. Nu heb je turkse tortels en vrijwel geen zomertortels. Kun je dan spreken van verlies? Hooguit omdat wij zomertortels mooier vinden. Omdat we gehecht zijn aan de zomertortel als echte cultuurvogel die we nog kennen van vroeger. Als ooit een voorbeeld dat de mens bepaalt wat natuur is, welke natuur van waarde is, dan dit wel. Waarde van natuur is geheel gerelateerd aan menselijke smaak.
Trouwens, er zijn hier wel zomertortels, ze zijn alleen nogal schaars. Er is dus onomstotelijk sprake van vooruitgang, wat dat betreft.
Spreeuwen zijn er trouwens ook, en ook hier zijn dat zwarte spreeuwen, maar ook die zijn hier nogal schaars.

Vroeg op de eerste ochtend na aankomst, een kleine week geleden inmiddels, maakte ik al meteen mijn eerste wandeling de bergen in. Het was een stralende ochtend en een prachtige wandeling. Door bos en over stenige hoogtes, tussen rotsblokken in alle soorten en maten en langs prachtige vergezichten. Wat vogels betreft viel het echter een klein beetje tegen. Het bergland hier oogt hoger en spectaculairder dan bij Candemil, en dat hoop je natuurlijk meteen uitbetaald te krijgen in een paar mooie soorten. Ik kwam die ochtend echter niet verder dan wat ik bij Candemil al gewend was. Provençaalse grasmus, kleine zwartkop en orpheusspotvogel. Al was die prachtige grijze gors natuurlijk niet verkeerd. En helemaal boven vloog ineens een groep van zeker vijftig vale gierzwaluwen boven me rond. Als je hier gierzwaluwen ziet, is de vraag allang niet meer of er vale tussen zitten, nee, de vraag is of er nog wel gewone tussen zitten. Maar iets nieuws voor de vakantielijst leverde het niet op.
Vandaag ongeveer dezelfde wandeling. Midden op de dag, grijs en grauw en miezerig en met twee kakelende meiden erbij die ons voortdurend bestoken met citaten uit de Harry Potter-boeken, maar wel ineens langdurig zicht op een prachtige baardgrasmus. Weliswaar een vrouwtje en dus niet zo intens gekleurd, maar wel mooi zacht rossig van onderen en met duidelijke baardstreep. En boven, tussen de rotsen, ineens een groepje rode patrijzen. Dus toch een paar vogels hier, die dit feestelijke landschap waard zijn.

7 augustus 2013


Lissabon