Het moest een daverende vogeldriedaagse worden. Om te beginnen wilde ik een paar regionale zeldzaamheden oprapen. Bijvoorbeeld op vrijdag de zwarte ibis van de Blauwe Kamer. Aardig lenteweer met geregeld zon tussen de wolkenvelden, koor van fitis, tjiftjaf, zwartkop en zanglijster, en alweer braamsluiper, wat ik best vroeg vond: het voorjaar kwam lekker op gang. En tenslotte de ibis. Niet half zo zeldzaam meer als een paar jaar geleden, maar toch een leuke soort.
Zaterdag moest het de koereiger worden die al enkele dagen verblijf houdt bij Nieuwer ter Aa. Trein naar Breukelen en daarna geprofiteerd van de forse zuidenwind: vrijwel de hele tocht naar Abcoude in de rug. De plek was vlot gevonden. De vogel zelf bleek lastiger maar uiteindelijk kreeg ik ‘m goed in beeld. Een mooie vogel, bijna ralreigerachtig van kleur, met fraaie rossige kruin-, rug- en borstveren. De verdere middag besteed aan een fietstocht naar en wandeling rond Waverhoek, wat vooral een aantal ijslandse grutto’s opleverde die zich tussen de honderden gewone grutto’s ophielden. Prachtige vogels met steenrode borst en mozaïek van oranje en zwartbruin op de bovendelen. Verder onder meer kluten, een paar kemphanen, een of twee zwarte ruiters en diverse zingende blauwborsten. Een daarvan vroeg speciale aandacht. Een paar keer dacht ik toch echt een fitis te horen zingen en een paar keer meende ik loepzuiver een startende snor te horen, die overigens telkens niet doorzette. Moest nog op gang komen, nam ik aan. Snor had ik al genoteerd toen ik die blauwborst zag zitten en om en om de fitis en de snor zag voordragen. Gefopt. Op de terugweg nog even uitgestapt in Maarssen voor de daar zojuist ontdekte ijsduiker.
De derde dag van mijn vogeldriedaagse bracht me met vogelwacht Utrecht naar Winterswijk. Te beginnen te Beekendelle, het ware sprookjesbos van Nederland. Om en om dichte wirwar en open plekken; omgevallen bomen, natte poelen, alles overwoekerd door een saus van lentegroen: meer oerwoud dan dit kennen we niet in Nederland. En een verrukkelijk koor van zwartkop, boomklever, boomkruiper, koperwiek, vuurgoudhaan en meer. En toen: middelste bonte specht! Twee stoeiden er rond de boomstammen verderop in het bos. Doelsoort nr. 1 voor vandaag was binnen, en mooi gezien ook. Later hoorden we er ook een roepen: die wat lijzige, trage variant op de bonte spechtenroep, en zagen we er opnieuw een, prachtig tegen een boomstam aangeplakt. Ook de mauwende baltsroep gehoord, waarmee de eerste etappe van vandaag geslaagd was. Dat we ook nog een boommarter zagen, hollend door de takken boven ons, was meer dan een bonus. Het was misschien wel het hoogtepunt van de dag.
De tweede etappe bracht ons naar de steengroeve, waar we fraai zicht hadden op het nest van de oehoe, met drie jongen erin. Schattige, zij het wat forse verenbollen, tot ze hun kop oprichtten, hun nu al fel oranje ogen openden en de snavel sperden: duiveltjes in schaapskleren. Een beetje zoals in horrorfilms waarin lieve kindertjes zich ontpoppen tot iets heel anders dan we gedacht hadden en heel wat minder lief. Oehoes had ik natuurlijk al vaker gezien maar dit was nieuw voor me. Verderop op de groevewand vonden we ook nog een van de oudervogels.
Tenslotte naar het Meddosche veen geweest en daar onder andere een mooie wandeling gemaakt door een karakteristiek hoogveenlandschap, met bossen die oprijzen uit duistere modderpoelen, met natte veenplakken, gagelstruwelen, zwarte wateren en eenzame berkenboompjes. Blauwborsten, boompiepers, een oranjetipje, maar intussen verontrustende berichten over een forsters stern op Texel, lifer! maar heel ver hier vandaan. Moest de driedaagse straks wellicht een vierdaagse worden?
We waren klaar met Winterswijk maar hadden nog een halve middag te gaan. Besloten werd om op de terugweg nog even de Blauwe Kamer aan te doen, voor zwarte ibis onder andere. Dus stonden we anderhalf uur later in een heerlijk zonnetje uit te kijken over het riviermoeras en de heuvelrug daarachter: een machtig landschappelijk kunststukje. En te genieten van de lepelaars, zingende braamsluiper, ooievaar, twee verre raven en zwarte ibis. Opnieuw zwarte ibis: ik had vrijdag wel thuis kunnen blijven. Al had ik dan mijn eerste braamsluiper pas twee dagen later gehad.
Berichten van buidelmees in de Wageningse Bovenpolder lokten ons naar nog een laatste bestemming. Zo stonden we tenslotte in het zonnetje op een fietspad tussen rietvelden, wateren en bultige weilanden te wachten op de dingen die komen gingen. Ook hier zicht op de stuwwal op de achtergrond. Zojuist de Grebbe-, hier de Wageningse berg. Bekende Nederlander fietst langs, bekende Nederlander fietst terug langs en tenslotte: buidelmees. Eerst iets moeilijk definieerbaars in het riet, maar daarna twee glasheldere buidelmezen overvliegend naar de andere kant van het fietspad. En tenslotte nog een paar keer dat fijne roepje. Ja, het was een fijne dag.
Maar ja, die stern. Gisteren na eind middag niet meer gemeld. Spoorloos. Maar vanmorgen al voor 8 uur de piep: driedaagse werd een vierdaagse.
Opwinding, spanning, gejaagdheid: het is de koorts die sommige mensen overvalt als zich een zeldzame vogel meldt. Haast, maar ja, veel te haasten valt er niet als je twee uur in de trein zit. Het bericht: vogel over de dijk het wad op. Ik zat nog niet eens in de trein toen, en het verontrustte me niet. Was gisteren ook een paar keer gebeurd en uiteindelijk was-ie steeds teruggekeerd. Het duurde dit keer wel tamelijk lang voor-ie werd teruggevonden maar op de boot kwam de volgende piep: weer aanwezig. Helemaal geruststellen deed die me ook niet want het zou nog zeker anderhalf uur duren voor ik ter plaatse zou zijn en voor die tijd zou de vogel vast wel weer vertrokken zijn. Maar op een keer vanmiddag zou hij weer opduiken, veronderstelde ik, en dan kwam alles goed.
Op de fiets, zwoegend schuin tegen de wind in, bleef alsmaar de onheilspiep uit. De enige piep luidde: ‘inmiddels 5 kwartier steady ter plaatse’. Toen was ik al een heel eind op weg. Nog één kwartier en ik had ‘m. Zou het dan toch een inkoppertje worden? De molen van de Bol al achter me. Het bordje ‘Het Noorden’. Het hek bij Utopia. Ik zag ze al staan. Buiten adem gooi ik mijn fiets in de berm en voeg me bij de toeschouwers. ‘Zit-ie er nog?’ Bij een van de aanwezigen mag ik door de zoeker kijken: forsters stern in de pocket!
De last die dan van je bezweette lijf glijdt, die opluchting, die euforie, bijna elke vogelaar weet hoe dat voelt. Telescoop uitgepakt, de vogel eens goed bekeken en toen, amper vijf minuten na mijn aankomst, vloog-ie op en verdween over de dijk. Oei, oog van de naald, denk je dan. Gevalletje timemanagement waar je een puntje aan kunt zuigen. Wat een verhaal!
Het verhaal werd wel wat minder stoer toen de vogel er een kwartier later zomaar weer zat. Geen uren wachten dit keer, en ik kon nu uitgebreid de tijd voor hem nemen. Een mooi sterntje, ja, maar vooral een bijzonder sterntje, met zijn zwarte roverhoofdmannen-oogmasker en zijn forse snavel. Toen-ie opvloog, wat een paar keer gebeurde, was het pas echt een mooi sterntje. Zo lelieblank, zo licht van voorkomen, prachtig.
Waarna ik eindelijk tijd had voor Texel. Tijd voor de duizenden grote sterns hier in Utopia. Via e-mail raakte ik met dochter Renske in discussie over hoeveel meer die forsters stern waard was dan al die grote sterns bij elkaar. Ik kwam er niet helemaal uit maar het was vele malen meer. Hoeveel grote sterns zouden er wel niet nodig zijn om op een doordeweekse dag voor naar Texel te gaan? Maar later vroeg ik me af, wat zou erger zijn: Texel zonder forsters stern of Texel zonder grote sterns? Het eerste is normaal; zo is het altijd geweest. Nog nooit eerder zat er een forsters stern op Texel en niemand heeft ‘m ooit gemist. Maar Texel zonder grote sterns, dat zou een catastrofe zijn.
Restte nog een heerlijke middag op Texel met forsters stern op zak: een feest! Mooie groep rosse grutto’s bij de Schorren, het noordelijk uitzichtpunt over de slufter, met zicht op weer zo’n episch landschap. En groenpootruiters, enkele ijslanders tussen de grutto’s, mooie eiders, kluten, in de polders nog duizenden rotganzen: allemaal zaken waar ik op weg naar de stern de tijd niet voor had genomen. Nu alsnog.
11 april 2016
woensdag 13 april 2016
zondag 3 april 2016
Klaagzang
Een paar weken terug was ik in de Biesbosch en dat was eigenlijk geen succes. De meeste leuke dingen die je daar kunt verwachten, liep ik mis. Dus ik dacht: dat moet beter. Met een hele waslijst aan potentiële nieuwe jaarsoorten plus een mooie zeldzaamheid die al enige tijd op me zat te wachten, ging ik op pad voor een herkansing. Maar eigenlijk liep het vooralsnog ook dit keer niet erg lekker. Natuurlijk, de eerste gele kwikstaarten waren gauw binnen en met enige moeite scoorde ik ook mijn eerste witgatje van het jaar. Maar verder was het sprokkelen. Een flinke opsteker was wel die steenuil: ik ben al zowat een jaar op zoek naar weer eens een mooie steenuil en hier was-ie dan. Zo’n klassieke zoals ik die nog maar zo zelden meemaak: dat je een knobbel ziet in een boom en denkt: het zal toch geen steenuil zijn? En dat het er dan toch een is. Tegenwoordig is het meestal andersom. Maar verder kwam er van mijn ambities vandaag weinig terecht. Kleine geelpootruiter, de afgelopen dagen steevast aanwezig langs de Boomgatweg, was in elk geval voor mij onvindbaar. En intussen wilde ook de beloofde zon maar niet doorbreken en bleef het behoorlijk fris.
Oei, een klaagzang. Mooie waterpiepers prachtig in zomerkleed, een spannende zwerftocht door de polders tussen Werkendam en Hardenhoek die grotendeels tot natuur zijn uitgeroepen en half of helemaal onder water zijn gezet, volop zingende cetti’s zangers natuurlijk, mooie blauwborsten, prachtige gele kwikstaarten, zingende veldleeuweriken en genoemde steenuil: zo erg was het nou ook weer niet. Maar toen, op het uitzichtpunt in de Hardenhoek, de daar beloofde rietzanger en snor allebei hardnekkig bleven zwijgen en de gehoopte zeearend alsmaar uitbleef, kreeg ik toch een lichte neiging tot zelfbeklag. Het was opnieuw allemaal niet voor me weggelegd hier.
Maar toen gebeurde er ineens van alles kort na elkaar. Eerst vloog er een tweede jaars zeearend over. Geruime tijd cirkelde hij op enige afstand maar fraai zichtbaar zijn rondjes en daarna kwam hij bijna recht over me heen, om tenslotte nog geruime tijd in de verte zijn imposante vliegbeeld aan ons te tonen. Een schitterend moment. Vervolgens vlogen er twee zwartkopmeeuwtjes over: heerlijke meeuwtjes altijd weer. Toen zong warempel, heel even, de rietzanger en even later ook de snor. En tenslotte had ik kort maar erg fraai een cetti’s zanger in beeld: ook een gebeurtenis die me zelfs in de Biesbosch meestal niet ten deel valt.
Conclusie: je moet niet te vroeg klagen. Of eigenlijk helemaal niet klagen natuurlijk, tenzij je daar hele goede redenen voor hebt, en als vogelaar heb je die eigenlijk maar zelden. En om dat nog eens te onderstrepen zag ik tijdens een afsluitend rondje Biesboschmuseum - Maltha - Hardenhoek ook nog een mooie visarend in de top van een dode boom. En dat ze dan, ongeveer toen ik op de pont naar de Kop van ’t Land zat, de geelpootruiter bleken te hebben teruggevonden, ergens halverwege Werkendam, ach, dat was dan maar zo. Dat was nu geen optie meer. Was trouwens niet eens een nieuwe jaarsoort voor me.
2 april 2016
Oei, een klaagzang. Mooie waterpiepers prachtig in zomerkleed, een spannende zwerftocht door de polders tussen Werkendam en Hardenhoek die grotendeels tot natuur zijn uitgeroepen en half of helemaal onder water zijn gezet, volop zingende cetti’s zangers natuurlijk, mooie blauwborsten, prachtige gele kwikstaarten, zingende veldleeuweriken en genoemde steenuil: zo erg was het nou ook weer niet. Maar toen, op het uitzichtpunt in de Hardenhoek, de daar beloofde rietzanger en snor allebei hardnekkig bleven zwijgen en de gehoopte zeearend alsmaar uitbleef, kreeg ik toch een lichte neiging tot zelfbeklag. Het was opnieuw allemaal niet voor me weggelegd hier.
Maar toen gebeurde er ineens van alles kort na elkaar. Eerst vloog er een tweede jaars zeearend over. Geruime tijd cirkelde hij op enige afstand maar fraai zichtbaar zijn rondjes en daarna kwam hij bijna recht over me heen, om tenslotte nog geruime tijd in de verte zijn imposante vliegbeeld aan ons te tonen. Een schitterend moment. Vervolgens vlogen er twee zwartkopmeeuwtjes over: heerlijke meeuwtjes altijd weer. Toen zong warempel, heel even, de rietzanger en even later ook de snor. En tenslotte had ik kort maar erg fraai een cetti’s zanger in beeld: ook een gebeurtenis die me zelfs in de Biesbosch meestal niet ten deel valt.
Conclusie: je moet niet te vroeg klagen. Of eigenlijk helemaal niet klagen natuurlijk, tenzij je daar hele goede redenen voor hebt, en als vogelaar heb je die eigenlijk maar zelden. En om dat nog eens te onderstrepen zag ik tijdens een afsluitend rondje Biesboschmuseum - Maltha - Hardenhoek ook nog een mooie visarend in de top van een dode boom. En dat ze dan, ongeveer toen ik op de pont naar de Kop van ’t Land zat, de geelpootruiter bleken te hebben teruggevonden, ergens halverwege Werkendam, ach, dat was dan maar zo. Dat was nu geen optie meer. Was trouwens niet eens een nieuwe jaarsoort voor me.
2 april 2016
zondag 27 maart 2016
Gula
Aanvankelijk waren mijn doelstellingen voor vandaag bescheiden: trein naar Koog Zaandijk en daar ringsnaveleend, en trein naar Obdam en nog één keer naar de roodkeelnachtegaal, hopelijk zingend. Leek me precies te passen in de tijdspanne die me gegeven was. Maar toen ik bij Koog Zaandijk na een kort fietstochtje (oud Hollandse pracht van Zaanse Schans e.o: molens, water, groene houten huisjes en riet) naar de ringsnaveleend stond te kijken, net niet zo dichtbij als ik gehoopt had maar toch fraai, sloeg Gula toe, gulzigheid, een van de zeven hoofdzonden. Want daar was ook Hans van Zummeren, en Hans bood me een lift aan door Noord-Holland. Vouwfiets kon wel achterin. Dat maakte natuurlijk, gezien Hans’ plannen, veel meer mogelijk.
Dus stonden we een half uur later in het alom bekende Hoogwoud te turen naar wat dicht struikgewas in de gemeentelijke groenvoorziening, van waar een zacht gemurmel weerklonk: roodkeelnachtegaal. Zingend, precies zoals ik gehoopt had. Een paar keer zagen we diep in het struikgewas wat stukjes roodkeelnachtegaal over de grond scharrelen en tenslotte kwam-ie tevoorschijn en liet zich enige tijd open en bloot zien. Wat mij betreft een waardige afsluiting van het hoofdstuk roodkeelnachtegaal. Of hij moet daar nog een jaar blijven zitten.
Weer een half uur later stonden we bij Den Oever (ja, een auto, ’t is soms zo gek nog niet) aan de Zuiderhaven te kijken naar een prachtige kleine topper, ook al zeldzaam, ook al (net als ringsnaveleend maar natuurlijk in tegenstelling tot roodkeelnachtegaal) afkomstig uit Amerika, en in tegenstelling tot beide een subtiele determinatie-uitdaging. Maar deze liet zich zo fantastisch, zo uitvoerig en soms zo dichtbij zien, dat de benodigde kenmerken gemakkelijk te onderscheiden waren: grof gemarmerde bovendelen (anders dan de gewone topper die we even verderop ook zagen), weliswaar heel vage maar toch zichtbare grauwe tekening op de witte flanken, punthoofd en heel fijne, smalle zwarte nagel op de snavelpunt. Een fijne waarneming, want niet eerder zo mooi. En intussen vloog een heel erg vroege huiszwaluw over. Twijfels: kon dat wel? Was het geen oever? Maar schoongewassen witte onderzijde, contrastrijk zwart-wit voorkomen en af en toe witte stuit zichtbaar: echt een huiszwaluw.
En nog waren we niet tevreden. We moesten ook nog de buffelkopeend, alweer een zeldzame eend van de overkant van de oceaan. Na enig zoeken vonden we die verderop dicht langs de dijk op het IJsselmeer. Een mooi mannetje, mooi gezien, tot vrij dicht langs de dijk: alles gelukt vandaag. Dat heb je soms, en dat moet je koesteren want zo gaat het lang niet altijd.
En zo was deze dag uitgelopen op een gulzige schranspartij die liefst vier razend zeldzame soorten had opgeleverd. En daarnaast nog leuke soorten als lepelaars, kemphanen, geoorde futen, zwarte roodstaart, kluten en mijn eerste boerenzwaluw van het jaar, ongebruikelijkerwijs enkele uren na mijn eerste huiszwaluw. Onder meer. Gula was dus overvloedig beloond. Een kwalijke zaak, lijkt me.
De foto’s zijn uiteraard niet van mij maar van Hans.
26 maart 2016
Dus stonden we een half uur later in het alom bekende Hoogwoud te turen naar wat dicht struikgewas in de gemeentelijke groenvoorziening, van waar een zacht gemurmel weerklonk: roodkeelnachtegaal. Zingend, precies zoals ik gehoopt had. Een paar keer zagen we diep in het struikgewas wat stukjes roodkeelnachtegaal over de grond scharrelen en tenslotte kwam-ie tevoorschijn en liet zich enige tijd open en bloot zien. Wat mij betreft een waardige afsluiting van het hoofdstuk roodkeelnachtegaal. Of hij moet daar nog een jaar blijven zitten.
Weer een half uur later stonden we bij Den Oever (ja, een auto, ’t is soms zo gek nog niet) aan de Zuiderhaven te kijken naar een prachtige kleine topper, ook al zeldzaam, ook al (net als ringsnaveleend maar natuurlijk in tegenstelling tot roodkeelnachtegaal) afkomstig uit Amerika, en in tegenstelling tot beide een subtiele determinatie-uitdaging. Maar deze liet zich zo fantastisch, zo uitvoerig en soms zo dichtbij zien, dat de benodigde kenmerken gemakkelijk te onderscheiden waren: grof gemarmerde bovendelen (anders dan de gewone topper die we even verderop ook zagen), weliswaar heel vage maar toch zichtbare grauwe tekening op de witte flanken, punthoofd en heel fijne, smalle zwarte nagel op de snavelpunt. Een fijne waarneming, want niet eerder zo mooi. En intussen vloog een heel erg vroege huiszwaluw over. Twijfels: kon dat wel? Was het geen oever? Maar schoongewassen witte onderzijde, contrastrijk zwart-wit voorkomen en af en toe witte stuit zichtbaar: echt een huiszwaluw.
En nog waren we niet tevreden. We moesten ook nog de buffelkopeend, alweer een zeldzame eend van de overkant van de oceaan. Na enig zoeken vonden we die verderop dicht langs de dijk op het IJsselmeer. Een mooi mannetje, mooi gezien, tot vrij dicht langs de dijk: alles gelukt vandaag. Dat heb je soms, en dat moet je koesteren want zo gaat het lang niet altijd.
En zo was deze dag uitgelopen op een gulzige schranspartij die liefst vier razend zeldzame soorten had opgeleverd. En daarnaast nog leuke soorten als lepelaars, kemphanen, geoorde futen, zwarte roodstaart, kluten en mijn eerste boerenzwaluw van het jaar, ongebruikelijkerwijs enkele uren na mijn eerste huiszwaluw. Onder meer. Gula was dus overvloedig beloond. Een kwalijke zaak, lijkt me.
De foto’s zijn uiteraard niet van mij maar van Hans.
26 maart 2016
zaterdag 26 maart 2016
Schiermonnikoog
Wij, vogelaars, nou ja, laat ik voorzichtigheidshalve voor mezelf spreken, af en toe probeer ik te ontsnappen aan de ratrace van het moderne leven. Probeer ik afstand te nemen van de snelheid van de huidige tijd en van de waan van de dag waarin we vooral bezig schijnen te moeten zijn met elkaar de loef af steken, om in plaats daarvan even stil te staan en me te wijden aan iets dat volmaakt nutteloos is en misschien wel zijn waarde juist aan die nutteloosheid ontleent. Maar duik vervolgens onder in die andere ratrace, die van vogelaars onder elkaar waarin we op onze eigen wijze elkaar de loef proberen af te steken en druk zijn met de ene zeldzaamheid na de andere te scoren.
Hier gaat iets niet helemaal goed, denk ik dan.
Nou ja, ik overdrijf natuurlijk maar wat is het heerlijk om af en toe niet bezig te zijn met zeldzaamheden, niet bezig te zijn met wat voor lijstje dan ook en gewoon het veld in te gaan en te genieten van de stilte en van de horizon om je heen en van wat er maar toevalligerwijs op je pad komt, wars van iedere scoringsdwang. En waar kun je dat beter doen dan op een Waddeneiland? Dus afgelopen weekend naar Schiermonnikoog geweest, waar helemaal niets te halen viel en we alleen maar genoten van de stilte en van de horizon om ons heen. En van de landschappen die van het eiland als het ware het aangezicht vormen. Strand en zee, polder en duin en, verscholen achter een doolhof van poelen en drassige laagtes in de luwte van kruipwilgvegetaties en lage duintjes, de Westerplas. En aan de andere kant van het eiland, waar je je begeeft in de ongereptheid van het oostelijke duin, zie je hoe geleidelijk de duinen zich openen en ruimte geven aan natte laagtes, hoe natte laagtes zich aaneensluiten en worden tot drassige kwelders waar je over smalle bruggetjes met slechts aan één kant een leuning, slenken en prielen oversteekt waarin al stukjes Waddenzee wonen, en hoe tenslotte toch nog plotseling de weidsheid voor je staat van waar alleen nog weer en wind zijn, bestrooid door de jubeltonen van de veldleeuwerik. En je herademt: dit is vrijheid, dit is wat mensen zoeken in verre landen of in hoge bergen of in eenzame kloosters en zelfs daar soms niet vinden kunnen terwijl hier de zwaarte van het bestaan vederlicht verwaait in de wind.
En dan denk je: het is toch gelukt.
Het auteursrecht berust hier bij de getijden. Eb en vloed zijn schepper en vormgever, componist en dirigent. En terwijl her en der nog duintjes oprijzen als miniatuurgebergten, eilandjes van duinland, wordt verderop de vegetatie al schaarser en schaarser en voor je het weet, heet het hier wad in plaats van kwelder, Waddenzee in plaats van Schiermonnikoog, om de reikwijdte aan te geven die hier aan de orde is. We hebben het allemaal meegemaakt op onze tocht naar het Willemsduin. Het Willemsduin op Schier, ver weg in die ongerepte kwelder, dat is zoiets als het beklimmen van de Mount Everest, maar dan op Nederlandse schaal. Heel in het klein dus, maar toch een doel, toch een prestatie. Sta je onder het baken, dan heb je toch een soort van top bereikt. Hoewel, nou ja, eigenlijk is het een beetje als de Mount Everest beklimmen en halverwege omkeren. Want er is nog heel wat eiland voorbij het Willemsduin.
De grote uitdaging zat in de terugweg. Heen waren we al gauw het spoor bijster. We belandden langs de stuifdijk en op het strand waar de weg naar het oosten eenvoudig is, en op het juiste moment leidde een smal spoor ons eenvoudig naar het baken. Maar terug volgden we het ‘reguliere’ pad dat we heen niet hadden kunnen vinden. En dat was maar goed ook want ik weet niet of we dan het Willemsduin bereikt hadden. Als de eerste keer dat we dwars door een slenk heen moesten, ons niet had doen terugkeren, dan de tweede keer wel dat we wadend door het water en biddend dat we niet meer dan enkeldiep in het slijk zouden wegzakken, zo’n lokaal stukje Waddenzee overstaken. Maar op de terugweg hadden we geen keus. Ook al zakte Harriët een keer met haar hele laars in de modder en kon ik die er nog maar net uittrekken, naar de overkant moesten we. Maar we haalden het, we bereikten de bewoonde wereld en intussen had ik toch maar een fraaie ruigpootbuizerd boven de kwelder bezig gezien. Want ja, er waren natuurlijk toch ook vogels. Duizenden brandganzen in de polder, en honderden rotganzen, vaak dicht langs het fietspad, die allemaal rustig bleven zitten of hooguit een stukje opschoven als je langs kwam. En tussen die rotganzen onder andere een prachtige zwarte rotgans die op een keer op amper tien meter zat, zo dichtbij dat ik ‘m zonder verrekijker kon aanwijzen. In de polder ook duizenden goudplevieren. In een klein groepje brandganzen een mooie kleine rietgans. Een laag overvliegende slechtvalk. Een bokje opvliegend uit de kwelder. Ja, op een Waddeneiland valt altijd wel wat te halen.
21 maart 2016
Hier gaat iets niet helemaal goed, denk ik dan.
Nou ja, ik overdrijf natuurlijk maar wat is het heerlijk om af en toe niet bezig te zijn met zeldzaamheden, niet bezig te zijn met wat voor lijstje dan ook en gewoon het veld in te gaan en te genieten van de stilte en van de horizon om je heen en van wat er maar toevalligerwijs op je pad komt, wars van iedere scoringsdwang. En waar kun je dat beter doen dan op een Waddeneiland? Dus afgelopen weekend naar Schiermonnikoog geweest, waar helemaal niets te halen viel en we alleen maar genoten van de stilte en van de horizon om ons heen. En van de landschappen die van het eiland als het ware het aangezicht vormen. Strand en zee, polder en duin en, verscholen achter een doolhof van poelen en drassige laagtes in de luwte van kruipwilgvegetaties en lage duintjes, de Westerplas. En aan de andere kant van het eiland, waar je je begeeft in de ongereptheid van het oostelijke duin, zie je hoe geleidelijk de duinen zich openen en ruimte geven aan natte laagtes, hoe natte laagtes zich aaneensluiten en worden tot drassige kwelders waar je over smalle bruggetjes met slechts aan één kant een leuning, slenken en prielen oversteekt waarin al stukjes Waddenzee wonen, en hoe tenslotte toch nog plotseling de weidsheid voor je staat van waar alleen nog weer en wind zijn, bestrooid door de jubeltonen van de veldleeuwerik. En je herademt: dit is vrijheid, dit is wat mensen zoeken in verre landen of in hoge bergen of in eenzame kloosters en zelfs daar soms niet vinden kunnen terwijl hier de zwaarte van het bestaan vederlicht verwaait in de wind.
En dan denk je: het is toch gelukt.
Het auteursrecht berust hier bij de getijden. Eb en vloed zijn schepper en vormgever, componist en dirigent. En terwijl her en der nog duintjes oprijzen als miniatuurgebergten, eilandjes van duinland, wordt verderop de vegetatie al schaarser en schaarser en voor je het weet, heet het hier wad in plaats van kwelder, Waddenzee in plaats van Schiermonnikoog, om de reikwijdte aan te geven die hier aan de orde is. We hebben het allemaal meegemaakt op onze tocht naar het Willemsduin. Het Willemsduin op Schier, ver weg in die ongerepte kwelder, dat is zoiets als het beklimmen van de Mount Everest, maar dan op Nederlandse schaal. Heel in het klein dus, maar toch een doel, toch een prestatie. Sta je onder het baken, dan heb je toch een soort van top bereikt. Hoewel, nou ja, eigenlijk is het een beetje als de Mount Everest beklimmen en halverwege omkeren. Want er is nog heel wat eiland voorbij het Willemsduin.
De grote uitdaging zat in de terugweg. Heen waren we al gauw het spoor bijster. We belandden langs de stuifdijk en op het strand waar de weg naar het oosten eenvoudig is, en op het juiste moment leidde een smal spoor ons eenvoudig naar het baken. Maar terug volgden we het ‘reguliere’ pad dat we heen niet hadden kunnen vinden. En dat was maar goed ook want ik weet niet of we dan het Willemsduin bereikt hadden. Als de eerste keer dat we dwars door een slenk heen moesten, ons niet had doen terugkeren, dan de tweede keer wel dat we wadend door het water en biddend dat we niet meer dan enkeldiep in het slijk zouden wegzakken, zo’n lokaal stukje Waddenzee overstaken. Maar op de terugweg hadden we geen keus. Ook al zakte Harriët een keer met haar hele laars in de modder en kon ik die er nog maar net uittrekken, naar de overkant moesten we. Maar we haalden het, we bereikten de bewoonde wereld en intussen had ik toch maar een fraaie ruigpootbuizerd boven de kwelder bezig gezien. Want ja, er waren natuurlijk toch ook vogels. Duizenden brandganzen in de polder, en honderden rotganzen, vaak dicht langs het fietspad, die allemaal rustig bleven zitten of hooguit een stukje opschoven als je langs kwam. En tussen die rotganzen onder andere een prachtige zwarte rotgans die op een keer op amper tien meter zat, zo dichtbij dat ik ‘m zonder verrekijker kon aanwijzen. In de polder ook duizenden goudplevieren. In een klein groepje brandganzen een mooie kleine rietgans. Een laag overvliegende slechtvalk. Een bokje opvliegend uit de kwelder. Ja, op een Waddeneiland valt altijd wel wat te halen.
21 maart 2016
dinsdag 1 maart 2016
412: Amerikaanse tafeleend
Dik twee uur in de trein, een half uur lopen in een sneeuwstorm, een kwartiertje kijken en weer naar huis, weer een half uur lopen, inmiddels in de regen, en weer dik twee uur in de trein: ja, we hebben een leuke hobby. Maar Zuidhorn met smaakt toch beter dan Zuidhorn zonder. Nu kan ik mijn licht ironische Ik laten spreken, niet wars van een flinke dosis zelfspot, maar ook mijn romantischer inborst die spreekt van schoonheid en van stemmige grijstinten waar een ander slechts regen ziet. Of allebei natuurlijk. Hoe dan ook schuilt er schoonheid in zo’n Gronings kanaal dat strak getrokken tussen hoge populieren kaarsrecht door het grijze Groninger land gaat, zuchtend onder de sneeuwval en de bittere zuidenwind. Anderhalve week geleden stond ik hier ook. Toen vormde zich als vanzelf een licht melancholische vertelling van vergeefsheid en de zinloosheid der dingen. Het is er niet van gekomen. Hoeft niet meer. Hoewel die zinloosheid natuurlijk nog fier overeind staat. Maar dat is alleen achteraf. Op het moment zelf dat ik eindelijk naar die amerikaanse tafeleend sta te kijken die me al weken ‘in de nek hijgt’ (dank, Janneke!), voelt er niks zinloos. Al weken lang achtervolgt me die vraag: wild of niet wild? Of, met andere woorden: te gaan of niet te gaan? Aanvankelijk behoorde ik tot de ongelovigen, ik zal het niet ontkennen: natuurlijk komt dat beest ergens uit een kooitje. Maar uiteindelijk trad ik toe tot de agnosten, een groepering waarbij ik me meestal goed thuis voel. Toen ik tenslotte maar besloot te gaan, bleek de vogel echter onvindbaar. En vervolgens liet hij anderhalve week niet van zich horen. Ik had ‘m dan ook al uit mijn hoofd gezet toen-ie vanmorgen toch weer boven water bleek. Decisiontime: moest ik gaan of moest ik niet gaan? Een betere kans dan nadat de vogel gemeld is, krijg je natuurlijk niet, dus ik ging. Onderweg geen enkel bericht, wat me niet optimistisch stemde, maar eenmaal in het laatste treintje naar Zuidhorn de klassieke piep-in-de-rug en zo stond ik uiteindelijk in de sneeuwval en de bittere zuidenwind te turen naar een tafeleend met de kop in de veren aan de overkant van het kanaal. De vraag of dat nou wel alles waard was, werd beantwoord op het moment dat hij even zijn kop oprichtte en zijn snavel toonde, die op een of andere manier zo anders aan zijn kop geplakt zit dan bij onze eigen tafeleend: ja, dit was toch weer alles waard!
1 maart 2016
Meer: Steltstrandloper
1 maart 2016
Meer: Steltstrandloper
maandag 15 februari 2016
In de regen
Het zou ook af en toe droog zijn, aldus de geruststellende weersvoorspellingen voor vandaag. We hebben er weinig van gemerkt. Heel af en toe misschien bijna. Maar het grootste deel, zo niet de hele dag, druilde er een miezerig druilregentje op ons (nou ja, eerlijk gezegd meestal op onze auto's) neer. Waterkoud, had men ons ook toegezegd, en dat klopte dan weer wel. En met die regen en die kou was elk beetje wind eigenlijk al teveel. En Zeeland, zeedijken, Brouwersdam, dan weet je het wel. Nee, aan het weer viel vandaag weinig lol te beleven. Dan moesten de vogels daar maar voor zorgen.
Om te beginnen daartoe naar Strijen getogen, waar we temidden van duizenden brandganzen een fraai groepje dwergganzen vonden. Die waren maar vast binnen. Ook een zilverreiger, een grote hier nog. Weinig opmerkelijk natuurlijk want waar niet tegenwoordig? Maar verderop in Zeeland zagen we alleen nog maar kleine.
Na een flinke omweg vanwege verkeerde afslag bereikten we Goeree Overflakkee, waar we om te beginnen een tijdje stilstonden in druilerig polderland nabij Nieuwe Tonge, om Erik zijn eerste rode wouw te gunnen. Wat gelukkig mislukte: sommige tradities moet je in ere houden, en zo houdt hij tot het einde der tijden iets om naar uit te kijken. En dat willen we hem natuurlijk niet afnemen. Toen we even later bij Battenoord arriveerden, hadden de andere excursiedeelnemers de europese kanaries die daar al de hele winter verblijven, al mooi in beeld gehad. Wij hoorden ze alleen nog maar zingen (! Waarom zingen die beesten met dit weer?) en zagen ze nog net wegvliegen. We besteedden er verder niet al te veel tijd aan want aan de andere kant van Battenoords eigen zeedijk wachtte ons dé attractie van Battenoord (al verschillen daarover de meningen): de groep van zowat vijftig flamingo’s die daar al jaren overwintert. Aanvankelijk telden we er niet meer dan een kleine twintig. Pas later ontdekten we ver weg de rest van de groep. De meeste van de vogels zijn chileense flamingo’s. Dat zijn zonder discussie exoten en die tellen we niet. Een klein deel van de groep bestaat uit europese flamingo’s en in theorie zouden die (deels) uit Zuid-Europa afkomstig kunnen zijn. Dat zien we immers ook, en steeds meer, bij allerlei andere mediterrane typjes zoals koereigers, zwarte ibissen en ralreigers. In werkelijkheid komen ze natuurlijk uit het Zwillbrockervenn, vlak over de grens met Duitsland, waar ze al vele jaren ‘in het wild’ broeden. Of de europese flamingo’s daar deels een wilde, Zuid-Europese oorsprong hebben, is onbekend. Ondanks die bedenkingen bieden ze natuurlijk een op zijn minst opmerkelijke aanblik, dat schreeuwende roze in het kille en grauwe Zeeuwse land (nee, inderdaad, nog geen Zeeland hier maar wel zo Zeeuws als Zeeland maar zijn kan), vandaag nog meer dan anders. Het zonnetje in huis, zeg maar.
In de nog immer neer druilende druilregen liepen we over een verwilderd dammetje min of meer het Grevelingenmeer op. Op het water de eerste middelste zaagbekken van de dag, een van de vaste gasten op winterse excursies in de Delta en elk jaar weer prachtige vogels. Op een slikje onder andere een paar rotganzen, drie bonte strandlopers en een bontbekplevier. Een ijsvogeltje vloog dichtbij langs: bijna net zo ongepast in deze ambiance als de flamingo's. En in de bosjes aan het eind van de dam vonden we de drie fraters die hier (ook al) al de hele winter verblijven. In al hun oppervlakkige saaiheid (bruin gestreepte niemendalletjes) zijn dat toch heerlijke vogeltjes (met subtiele geelbruine en kaneeltinten en een fijn geel snaveltje). Sommige van de excursiegangers kregen ook nog kortstondig de dwerggors te zien die hier (ook al) … maar de meeste aanwezigen, waaronder helaas ondergetekende, waren minder gelukkig.
Al met al liep het als een trein vandaag en werd aan de opdracht (‘Dan moesten de vogels daar maar voor zorgen’) ruimschoots voldaan. Langs de Brouwersdam werden vlotjes zwarte zeekoet en ijseend opgerold, beide op heel schappelijke afstand, de ijseend nog wel hinderlijk veel duikend maar de zeekoet zelfs dat niet. We ‘ontdekten’ achter het Haventje Noord zelfs een ijsduiker, waarvan ik al een aantal dagen geen meldingen meer had gezien. En verder waren er natuurlijk weer de mooiste middelste zaagbekken, kuifduikers, een geoorde fuut, roodkeelduikers en nog veel meer.
Op Schouwen Duiveland deden we een rondje Prunje e.o: kleine zilverreigers, kluten, lepelaars, een paar zwarte ruiters en meer. Altijd meer. Tussen de duizenden brand- en rotganzen konden we dit keer niets afwijkends vinden maar dat kwam een andere keer dan wel weer.
Bij het schor van Wilhelminadorp kwam er een kleine kink in de kabel: de hier (ook al) overwinterende witkopgors was al anderhalf uur zoek en werd ook gedurende het half uurtje dat wij eraan besteedden niet teruggevonden. Voor de meeste aanwezigen niet zo’n drama omdat ze natuurlijk allang geweest waren, en voor de paar mensen die nog steeds niet waren langs geweest, zal het wel niet zo enorm belangrijk zijn. We sloten de dag positief af met een roodhalsgans die we met grote moeite ontfutselden aan een groep van een dikke duizend rotganzen, en met een verre blik op de ruigpootbuizerd van Ouwerkerk. Een fraaie juveniele slechtvalk aldaar was tenslotte nog verantwoordelijk voor een minder voorspelbaar element.
Op de terugweg hield het op met regenen. En begon het te sneeuwen.
14 februari 2016
Om te beginnen daartoe naar Strijen getogen, waar we temidden van duizenden brandganzen een fraai groepje dwergganzen vonden. Die waren maar vast binnen. Ook een zilverreiger, een grote hier nog. Weinig opmerkelijk natuurlijk want waar niet tegenwoordig? Maar verderop in Zeeland zagen we alleen nog maar kleine.
Na een flinke omweg vanwege verkeerde afslag bereikten we Goeree Overflakkee, waar we om te beginnen een tijdje stilstonden in druilerig polderland nabij Nieuwe Tonge, om Erik zijn eerste rode wouw te gunnen. Wat gelukkig mislukte: sommige tradities moet je in ere houden, en zo houdt hij tot het einde der tijden iets om naar uit te kijken. En dat willen we hem natuurlijk niet afnemen. Toen we even later bij Battenoord arriveerden, hadden de andere excursiedeelnemers de europese kanaries die daar al de hele winter verblijven, al mooi in beeld gehad. Wij hoorden ze alleen nog maar zingen (! Waarom zingen die beesten met dit weer?) en zagen ze nog net wegvliegen. We besteedden er verder niet al te veel tijd aan want aan de andere kant van Battenoords eigen zeedijk wachtte ons dé attractie van Battenoord (al verschillen daarover de meningen): de groep van zowat vijftig flamingo’s die daar al jaren overwintert. Aanvankelijk telden we er niet meer dan een kleine twintig. Pas later ontdekten we ver weg de rest van de groep. De meeste van de vogels zijn chileense flamingo’s. Dat zijn zonder discussie exoten en die tellen we niet. Een klein deel van de groep bestaat uit europese flamingo’s en in theorie zouden die (deels) uit Zuid-Europa afkomstig kunnen zijn. Dat zien we immers ook, en steeds meer, bij allerlei andere mediterrane typjes zoals koereigers, zwarte ibissen en ralreigers. In werkelijkheid komen ze natuurlijk uit het Zwillbrockervenn, vlak over de grens met Duitsland, waar ze al vele jaren ‘in het wild’ broeden. Of de europese flamingo’s daar deels een wilde, Zuid-Europese oorsprong hebben, is onbekend. Ondanks die bedenkingen bieden ze natuurlijk een op zijn minst opmerkelijke aanblik, dat schreeuwende roze in het kille en grauwe Zeeuwse land (nee, inderdaad, nog geen Zeeland hier maar wel zo Zeeuws als Zeeland maar zijn kan), vandaag nog meer dan anders. Het zonnetje in huis, zeg maar.
In de nog immer neer druilende druilregen liepen we over een verwilderd dammetje min of meer het Grevelingenmeer op. Op het water de eerste middelste zaagbekken van de dag, een van de vaste gasten op winterse excursies in de Delta en elk jaar weer prachtige vogels. Op een slikje onder andere een paar rotganzen, drie bonte strandlopers en een bontbekplevier. Een ijsvogeltje vloog dichtbij langs: bijna net zo ongepast in deze ambiance als de flamingo's. En in de bosjes aan het eind van de dam vonden we de drie fraters die hier (ook al) al de hele winter verblijven. In al hun oppervlakkige saaiheid (bruin gestreepte niemendalletjes) zijn dat toch heerlijke vogeltjes (met subtiele geelbruine en kaneeltinten en een fijn geel snaveltje). Sommige van de excursiegangers kregen ook nog kortstondig de dwerggors te zien die hier (ook al) … maar de meeste aanwezigen, waaronder helaas ondergetekende, waren minder gelukkig.
Al met al liep het als een trein vandaag en werd aan de opdracht (‘Dan moesten de vogels daar maar voor zorgen’) ruimschoots voldaan. Langs de Brouwersdam werden vlotjes zwarte zeekoet en ijseend opgerold, beide op heel schappelijke afstand, de ijseend nog wel hinderlijk veel duikend maar de zeekoet zelfs dat niet. We ‘ontdekten’ achter het Haventje Noord zelfs een ijsduiker, waarvan ik al een aantal dagen geen meldingen meer had gezien. En verder waren er natuurlijk weer de mooiste middelste zaagbekken, kuifduikers, een geoorde fuut, roodkeelduikers en nog veel meer.
Op Schouwen Duiveland deden we een rondje Prunje e.o: kleine zilverreigers, kluten, lepelaars, een paar zwarte ruiters en meer. Altijd meer. Tussen de duizenden brand- en rotganzen konden we dit keer niets afwijkends vinden maar dat kwam een andere keer dan wel weer.
Bij het schor van Wilhelminadorp kwam er een kleine kink in de kabel: de hier (ook al) overwinterende witkopgors was al anderhalf uur zoek en werd ook gedurende het half uurtje dat wij eraan besteedden niet teruggevonden. Voor de meeste aanwezigen niet zo’n drama omdat ze natuurlijk allang geweest waren, en voor de paar mensen die nog steeds niet waren langs geweest, zal het wel niet zo enorm belangrijk zijn. We sloten de dag positief af met een roodhalsgans die we met grote moeite ontfutselden aan een groep van een dikke duizend rotganzen, en met een verre blik op de ruigpootbuizerd van Ouwerkerk. Een fraaie juveniele slechtvalk aldaar was tenslotte nog verantwoordelijk voor een minder voorspelbaar element.
Op de terugweg hield het op met regenen. En begon het te sneeuwen.
14 februari 2016
vrijdag 5 februari 2016
Urban birding
De stad is de nieuwe wildernis. Nou ja, nieuw, zo nieuw zijn de meeste steden niet, maar wel zwaar onderschat, qua wildernis. Niet dat ik niet kan genieten van uitgestrekte heidevelden of ongerepte kwelders, maar die vergeten hoekjes in de stad die jarenlang over het hoofd zijn gezien door de stedelijke plantsoenendienst en waar het onkruid welig tiert, die lust ik ook wel.
Ingeklemd tussen de doorgaande autowegen van Leidsche Rijn, op velden waar vermoedelijk nog nooit een grasmaaier is waargenomen, huizen de laatste patrijzen van Utrecht. Noem dat maar geen wildernis. Patrijs wordt elk jaar zeldzamer in Nederland maar hier, midden in de verstedelijking van Utrecht, heb je ze nog. En ze gedragen zich er niet anders dan op stoere akkers in Drenthe. Vanmorgen, tijdens een rondje urban birding, na enig zoeken twee vogels gevonden en toen ik te dichtbij kwam, drukten ze zich plat tegen de grond aan zodat alleen hun ruggen nog zichtbaar waren. Die had je nooit gevonden als je niet geweten had dat ze er zaten. Toen ik me even afwendde en een omtrekkende beweging maakte, richtten ze zich weer op zodat ze even prachtig te zien waren. Maar al gauw gingen ze er in grote haast vandoor, mij enigszins schuldig achterlatend. Vooral toen ze niet al te hoog de weg over vlogen dacht ik: dat had ik misschien toch anders moeten aanpakken. Zo wendbaar zijn patrijzen niet als ze vliegen en er had maar net op het verkeerde moment een tientonner langs hoeven komen, en ik had twee dode patrijzen op mijn geweten gehad. Sowieso wonderlijk dat dat niet af en toe gebeurt. Of misschien gebeurt het wel af en toe. Benieuwd hoe lang ze het hier nog uithouden. Aanvoer van buiten zal er niet zijn dus ze zullen het helemaal zelf moeten bolwerken. En volgens de gangbare biologische theorieën kan dat met deze populatieomvang (meer dan de twee die ik gezien heb, maar ook weer niet zo heel veel meer) nooit eindeloos goed gaan.
Langs vele ongerepte velden en karige bosjes die nog gespaard zijn gebleven voor de vlijtige verstedelijking van Leidsche Rijn, bereik je de oevers van het Amsterdam-Rijnkanaal. En als je in Utrecht aan urban birding doet, kun je moeilijk om het Amsterdam-Rijnkanaal heen. Het is onze eigen meeuwenboulevard. Zomer en winter hangen er tientallen meeuwen rond en vaak zitten daar interessante exemplaren tussen. Vandaag kwam ik niet verder dan een eerste winter geelpootmeeuw. Er zat vast meer spannends tussen de zilvers en de kleine mantelmeeuwen, maar ik kon ze niet vinden. Ben ook geen held wat moeilijke meeuwen betreft. Wel vond ik langs de Leidsche kade, al bijna in de binnenstad, de fraaie adulte pontische meeuw die daar al enige tijd verblijft. Pontische meeuw is nauw verwant aan geelpootmeeuw die overigens nauw verwant is aan zilvermeeuw. Beide zijn als soort nog piepjong en werden tot eind vorige eeuw beschouwd als ondersoort van de zilvermeeuw. Inmiddels weten we beter. Hoewel je nooit weet of we er over dertig jaar niet weer heel anders over denken.
5 februari 2016
Meer Urban Birding: Beijum
Ingeklemd tussen de doorgaande autowegen van Leidsche Rijn, op velden waar vermoedelijk nog nooit een grasmaaier is waargenomen, huizen de laatste patrijzen van Utrecht. Noem dat maar geen wildernis. Patrijs wordt elk jaar zeldzamer in Nederland maar hier, midden in de verstedelijking van Utrecht, heb je ze nog. En ze gedragen zich er niet anders dan op stoere akkers in Drenthe. Vanmorgen, tijdens een rondje urban birding, na enig zoeken twee vogels gevonden en toen ik te dichtbij kwam, drukten ze zich plat tegen de grond aan zodat alleen hun ruggen nog zichtbaar waren. Die had je nooit gevonden als je niet geweten had dat ze er zaten. Toen ik me even afwendde en een omtrekkende beweging maakte, richtten ze zich weer op zodat ze even prachtig te zien waren. Maar al gauw gingen ze er in grote haast vandoor, mij enigszins schuldig achterlatend. Vooral toen ze niet al te hoog de weg over vlogen dacht ik: dat had ik misschien toch anders moeten aanpakken. Zo wendbaar zijn patrijzen niet als ze vliegen en er had maar net op het verkeerde moment een tientonner langs hoeven komen, en ik had twee dode patrijzen op mijn geweten gehad. Sowieso wonderlijk dat dat niet af en toe gebeurt. Of misschien gebeurt het wel af en toe. Benieuwd hoe lang ze het hier nog uithouden. Aanvoer van buiten zal er niet zijn dus ze zullen het helemaal zelf moeten bolwerken. En volgens de gangbare biologische theorieën kan dat met deze populatieomvang (meer dan de twee die ik gezien heb, maar ook weer niet zo heel veel meer) nooit eindeloos goed gaan.
Langs vele ongerepte velden en karige bosjes die nog gespaard zijn gebleven voor de vlijtige verstedelijking van Leidsche Rijn, bereik je de oevers van het Amsterdam-Rijnkanaal. En als je in Utrecht aan urban birding doet, kun je moeilijk om het Amsterdam-Rijnkanaal heen. Het is onze eigen meeuwenboulevard. Zomer en winter hangen er tientallen meeuwen rond en vaak zitten daar interessante exemplaren tussen. Vandaag kwam ik niet verder dan een eerste winter geelpootmeeuw. Er zat vast meer spannends tussen de zilvers en de kleine mantelmeeuwen, maar ik kon ze niet vinden. Ben ook geen held wat moeilijke meeuwen betreft. Wel vond ik langs de Leidsche kade, al bijna in de binnenstad, de fraaie adulte pontische meeuw die daar al enige tijd verblijft. Pontische meeuw is nauw verwant aan geelpootmeeuw die overigens nauw verwant is aan zilvermeeuw. Beide zijn als soort nog piepjong en werden tot eind vorige eeuw beschouwd als ondersoort van de zilvermeeuw. Inmiddels weten we beter. Hoewel je nooit weet of we er over dertig jaar niet weer heel anders over denken.
5 februari 2016
Meer Urban Birding: Beijum
Abonneren op:
Posts (Atom)





