zaterdag 14 september 2013

Definitie van niets

‘Er vliegt niet veel’, werd me te kennen gegeven toen ik bij hotel Savoy de telpost betrad. ‘Helemaal niets eigenlijk’. ‘Nou, dan gaat het vast nu beginnen’, antwoordde ik, terwijl ik de toch best stevige noordwester polste die inmiddels was opgestoken. Dat vond men rijkelijk optimistisch. Na een minuut of vijf wensten de drie heren me succes en vertrokken.
Een minuut of tien daar weer na passeerde een juveniele jan van gent. Vermoedelijk valt dat bij ervaren zeetrektellers nog wel binnen de definitie van niets, maar ik vind ze altijd weer mooi. Verder moest ik ze gelijk geven. Er vloog, als je het begrip maar ruim genoeg neemt, helemaal niets, na die gent.
Toen enige tijd later Rein Genuït arriveerde, herhaalde zich min of meer het gesprek van zojuist. Of er nog wat vloog. ‘Nee, niet veel. Vrijwel niets eigenlijk. Alleen één juveniele gent.’ ‘Nee, dat is niets’, beaamde Rein. Ja, gesprekken tussen vogelaars kunnen nogal voorspelbaar zijn. ‘Maar ach, je weet het niet hè, er kan zomaar een vaaltje langs komen’, zei Rein. ‘Of een kleine jager’, zei ik, ‘zou nog een nieuwe jaarsoort voor me zijn’. Want wij vogelaars tellen in jaren. ‘Nou’, zei Rein achteloos, ‘dan moet je nu kijken want daar gaat er een’. Het kostte me enige tijd voor ik ‘m te pakken had, maar toen had ik mijn nieuwe jaarsoort binnen.
Maar in ruime zin valt een eenzame, verre kleine jager boven zee in september nog wel binnen de definitie van niets. Ook vier rosse grutto’s, drie smienten, twee bontjes en drie dwergmeeuwen waren slechts rimpelingen in het ledige universum van het niets. Plus nog het een en ander dat Rein omriep maar dat ik niet vinden kon. Ik blijf een kluns, wat zeetrek kijken betreft. Maar ach, ik heb er lol in.
Toen kreeg Rein een berichtje: kleine jager ter plaatse in de monding van de buitenwatering.
Een kleine jager ter plaatse, dat is iets, vind ik. Na even zoeken hadden we de vogel gevonden, drijvend tussen de golven. Wel een nogal grijsbruin beestje, vonden we allebei, het zou toch geen … Toen vloog-ie op en was het onmiskenbaar een kleinste jager. Opvallende streping op witachtige ondergrond op boven- en onderstaart en slechts twee witte schachtstrepen langs de vleugelboeg: klopte helemaal. Ook was van hieraf vaag iets te zien van het patroon van witachtige veerranden op de bovendelen, wat trouwens later op foto’s die van het strand af gemaakt zijn, veel duidelijker te zien was. Nee, dit was verre van niets. Ook de bouw van de vogel en de kop- en snavelvorm wezen eenduidig op kleinste jager. Het scheelt maar twee letters maar veel schaarser en veel leuker dan kleine.
Geruime tijd bleef de vogel ter plaatse, vlak voor het strand afwisselend op het water en rondvliegend boven de branding. Even joeg hij achter een stel meeuwen aan. Zo maakte hij ook enkele toegestroomde lokale vogelaars gelukkig. En die zijn hier wel wat gewend, dus dat is niet niets.

14 september 2013


Meer aan zee: Pelagisch

dinsdag 10 september 2013

Na regen …

Na regen kwam zonneschijn, om maar weer eens met een heerlijk cliché te beginnen. Een verrassing was dat wel, na de onheilspellende vooruitzichten zoals die gisteren nog werden afgekondigd. Misschien dat in de middag in het zuidwesten nog heel af en toe de zon zou doorbreken, beloofde men heel zuinigjes, maar eerst zou er nog heel veel regen vallen.
Het mooie was, dat die regen eigenlijk al over was toen ik in Dordrecht Stadspolders uit de trein stapte. Het was nog wel grijs toen ik met het vouwfietsje onderweg was naar de pont bij de Kop van 't Land, maar blauw was al in aantocht. Nou is de Biesbosch wel een beetje zuidwest, maar een oude wijsheid werd weer eens in ere hersteld: blijf nooit thuis voor regen die alleen maar voorspeld is.
Dat viel dus mee. Wat een beetje tegenviel was dat toen ik arriveerde op het betreffende dammetje in polder Hardenhoek, er daar van de buidelmezen die er alle afgelopen dagen waren gezien, nog niets was vernomen. En wat ook tegenviel was dat men mij wist te vertellen dat de steppekiekendief die ook vanmorgen nog verbleef in de akkers ten noorden van polder Maltha, hoog was weggevlogen en inmiddels alweer enige uren onvindbaar was. Dat was weer fraai allemaal: een dubbele nul dreigde.
Nou ja, dat was dan maar zo, voorlopig andere vogels dan maar. Die waren er voldoende. Want veel droogte vandaag in Hardenhoek, en dat betekent altijd ook veel vogels. Ontstellend veel ruiende eenden bijvoorbeeld. Meest natuurlijk wilde eenden, slob- en krakeenden en wintertalingen, maar ook heel wat smienten die alweer uit hun noordelijke broedgebieden waren teruggekeerd. Daarnaast ontdekte ik onder andere zomertaling en pijlstaart. Wat steltjes betreft vooral kieviten en watersnippen. Maar daartussen is het altijd prettig zoeken en dat leverde wat kemphanen op, bonte strandlopers, bontbekplevieren, twee kleine strandlopers en één kanoet. En daarnaast waren er natuurlijk de zilverreigers die voor wat afleiding zorgden: heel wat grote en ook een paar kleine, die ik zelf nog mooier vind. Echte engeltjes zijn dat. Een visarend vloog mooi laag over en ver en hoog verscheen een juveniele zeearend aan de inmiddels al behoorlijk blauwe hemel. Natuurlijk, allemaal te verwachten hier, allemaal vaste gasten in deze tijd van het jaar, maar toch voldoende om een mens weer wat op te vrolijken. Zeker toen de zeearend al cirkelend bijna recht boven ons aanlandde, weliswaar nog altijd hoog maar erg indrukwekkend, en daar bovendien werd lastiggevallen door een buizerd die ‘m stevig op de huid zat: wat een dwerg! Maar wel dapper.

Al die tijd al waren er regelmatig gele kwikstaarten in de buurt. Aan de andere kant van Hardenhoek, nabij het boomgat, leek het wel een verkeersplein van gele kwikstaarten. Het wemelde ervan. Hier ook een groene specht, en zicht op liefst twee zeearenden in de bomen aan de andere kant van de polder. Een juveniel en een adult, niet erg dichtbij maar vooral de adulte vogel zat er mooi bij vond ik.
Toen was het tijd om me toch nog maar te mengen in de zoektocht naar de juveniele steppekiek. Verschillende groepjes vogelaars stonden her en der in de polder te wachten op diens terugkeer. Vergeefs, tot zover. Een vrouw blauwe kiek zorgde nog even voor opwinding, maar dat duurde niet lang. In de akker een paar tapuiten; een groenpootruiter en een grote zilverreiger vlogen langs.
Ach, zeearenden, grote zilverreigers: ik herinner me nog de tijd dat één van beide al voldoende was om een gelukzalige glimlach op je gezicht te toveren die de eerste dagen niet meer zou verdwijnen. Maar toen ineens een paar auto’s die een onverhard weggetje in reden, naar verderop waar de telescopen al opgesteld stonden en de telelenzen al uit de autoraampjes staken. Nauwelijks meer verwacht maar wat ik hoopte, wat we allemaal al urenlang hoopten, was gebeurd: steppekiek was teruggevonden. Hij had ons lang in spanning gehouden, maar daar zat-ie dan toch, tegen een ruig stukje in de akker aan. Poetsend, af en toe een vleugel strekkend en wat om zich heen kijkend. Fraai. Misschien niet de meest prominente boa en halsring die je je kunt voorstellen, maar daar moesten we het dan maar mee doen. Het oogmasker was prachtig, met net wat meer wit onder het oog dan erboven. Na enige tijd vloog-ie op en vloog een tijdje mooi dichtbij rond: een klein ogende, wat compacte kiekendief met smal uitlopende, bijna puntige vleugels. Ongestreept roodachtig bruin van onderen, met wat zwakke en onregelmatige bandering op de witte handpennen en een open vleugelachterrand. Dat leek me voldoende voor een zekere determinatie. Tenslotte steeg de vogel samen met een vrouwtje blauwe kiekendief hoog op en leek naar het noorden te vertrekken.

8 september 2013

zaterdag 31 augustus 2013

Tot slot

Tenslotte een dag besteed aan het oude Lissabon. Lissabon is één van die vermaarde wereldsteden die je niet zonder ontzag betreedt; een stad als neerslag van vele eeuwen geschiedenis, uitgespreid over haar zeven heuvelen. Eén dag is natuurlijk ontoereikend om die stad, die geschiedenis, werkelijk te leren kennen, in al zijn finesses te ondergaan. Niets van het echte leven maak je mee, vrijwel niets van de le­ven­de cultuur die zo'n stad inhoud geeft, vrijwel niets van al die dingen die een stad maken tot een bezield organisme waaraan schrijvers hun inspiratie ontlenen en waarover dichters hun in wel­luidende volzinnen gegoten liefde uitstorten. Noodgedwongen beperkten we ons tot de uiter­lijke verschijningsvorm van die stad: het Lissabon van de dagjesmens en van de toeristische wan­delroutes, de façade van grootstedelijke allure en reisgidsenheroïek.
Te beginnen met het prestigieuze Praça do Commercio, met imposante beelte­nissen van generaals op paarden, pompeuze prestigearchitectuur en schaduwrijke arcade langs dure win­kels en hooggeplaatste instituten. We hebben Porto gezien, en we hebben Lissabon gezien, en nergens zie je het verschil tussen beide zo duidelijk als op het Praça do Commercio. Porto is compact. Het is prachtig, indrukwekkend, een machtige oude stad, maar nergens heeft het de grandeur die je ervaart als je vanuit het metrostation Terreiro do Paço het Praça do Commercio betreedt. Lissabon is grootser, weidser dan Porto en dat verschil wordt volmaakt belichaamd door dit eindeloos grote plein. De zon doet er pijn aan je ogen en aan drie kanten zie je in de verte de statige en kleurrijke gevelwanden die in volmaakte symmetrie het plein omarmen. Waarachter de stad verrijst, onder andere tot aan de oude burcht die van hoog neerziet. In de vierde richting is het plein open. Daar stroomt de Taag, en ook die karakteriseert het verschil met Porto: waar in Porto de Douro in zijn nauwe bedding tussen steile hellingen door stroomt, is de Taag in Lissabon een brede zeearm. De overkant is er slechts een verre horizon.
Achter de oostelijke zijde van het plein zetelt boven de huizen de stoere kathedraal: robuust van buiten, sober van binnen. Het belichaamt nog een ander opvallend verschil tussen Porto (of moeten we zeggen: noord Portugal?) en Lissabon: in Porto waren de kerken voor zover we ze van binnen gezien hebben uitbundig en rijk geornamenteerd. Het bladgoud blonk je er van alle kanten tegemoet en een overvloed aan vaak buitenissig aangeklede beelden verbeeldde alle denkbare episodes uit het nieuwe testament. In Lissabon waren de kerken die we van binnen gezien hebben sober en duister en vrij van iedere buitenissigheid.
Een geweldige attractie van Lissabon zijn de trammetjes die heuvelop en heuvelaf door nauwe straatjes door de jungle van Lissabon bewegen. Hier is de stad niet groots en weids maar compact. Hier is Lissabon eigenlijk niet veel anders dan de kleinere stadjes die je in het binnenland ziet. Net als zo vaak in de provincie waanden we ons af en toe nog in het Portugal van vroeger eeuwen. Er zijn fraaie herenhuizen, rijkelijk bete­geld met azuurblauwe azulejos langs de hele flank, en dure lanen met trendy souvenirwinkels en chique restaurants. Maar elders aan stillere straatjes zijn hoge huizenblokken met afbladde­rende verf en verveloze balkons en de was die te drogen hangt, de eeuwige was die eeuwig te drogen hangt. Ineens kan die jungle zich openen en ruimte bieden aan bijvoorbeeld de prachtige Basilicu da Estrela, een rijkelijk versierde witmarmeren kolos met torens en een koepel, van binnen overigens net zo sober als de kathedraal. Na weer wat smalle en steile straatjes vonden we het parlementsgebouw, waar Lissabon zich weer van zijn grootstedelijke kant liet zien. Zo enorm, zo overweldigend, dat kan alleen maar bedoeld zijn om het gewone volk tot diepe nederigheid te brengen.

Die avond wandelden we vanuit Bart-Jans flat een stukje de naastgelegen wijk in. Dat was ook weer een bijzondere ervaring. Bevind je je bij Bart-Jan nog in een betrekkelijk moderne grote stad, amper tien minuten lopen daar vandaan waan je je op het Portugese platteland. Eerst waren er een paar straatjes met stoepen en lantaarnpalen maar zonder huizen, kronkelend door braakliggend terrein waar de al jaren geplande huizen nog altijd gebouwd moeten worden. Daarna ging het over landweggetjes en klinkerstraatjes langs oude, glasbeslagen muren waarachter een ontoegankelijk landgoed dat al die jaren uit de greep van de oprukkende stad is gebleven en alles wat die stad met zich meebrengt succesvol buiten de poort heeft weten te houden. Stille dorpsstraatjes en een ijsje op een idyllisch dorpspleintje: ook dat is Lissabon.

12 augustus 2013


Porto



Lissabon

De laatste paar dagen in Portugal sleten we bij Bart-Jan en Ines in hun flat in een buitenwijk van Lissabon. En net als jaren geleden was er daar beneden nog altijd hetzelfde vergeten paardenweitje met hetzelfde bosje hoog opgaand riet met net als toen kleine zwartkop en graszanger, midden in Lissabon. Met zwarte spreeuwen in de buurt en van tijd tot tijd rondvliegende vale gierzwaluwen, prachtige vale gierzwaluwen weer. Met hetzelfde uitzicht op de containeropslag daarachter en op het kerkhofje aan de andere kant. En met nog altijd hetzelfde uitzicht op de grootstad verderop en tot in de verte die verspreid over haar zeven heuvelen de regie weer overneemt, met wouden van torenflats en wit bebouwde hellingen.
Op zaterdag was Bart-Jan jarig en hield hij op de warmste dag van onze vakantie een picknick in een park in de buurt. Dat was eigenlijk helemaal geen slechte manier om die snikhete dag te doorstaan. Veel schaduw in dat park en ook al was het ook in de schaduw nog heel warm, in de zon was het niet langer dan vijf minuten uit te houden. Behalve veel schaduw ook veel Portugezen op de picknick. Eindelijk echte Portugezen, en al vormden die geen doorsnee van de Portugese bevolking, de gesprekken waren dat vermoedelijk wel. Die gesprekken gingen vanzelfsprekend vaak over de crisis, en ze stemden niet vrolijk, zo aan het eind van de vakantie. Het verhaal van de vrouw die nadat ze haar eerste kind had gekregen van hogerhand werd weggepest uit het bedrijf waar ze werkte en die ook bij de rechter haar gelijk niet kon halen, was wellicht kenmerkend. Sindsdien is ze lerares en daar is ze op zich heel gelukkig mee, maar elke zomer opnieuw is het onzeker of en waar ze het komende schooljaar werk heeft. En voor de zomermaanden krijgt ze niets betaald.
Veel te vogelen viel er overigens niet in het park, ook al vlogen ook hier af en toe vale gierzwaluwen boven ons rond en hielden zich er ook wat eurokanaries op.

Dat was gisteren. Vandaag verdeelden we onze tijd tussen een bomen- en vogelexcursie in het parkje van het Museu Gulbenkian, een bezoek aan het museum zelf, en een paar uurtjes strand.
In het parkje wezen de Portugeestalige excursieleider, zijn Portugeestalige vogelhulpje en hun wulpse Portugeestalige assistente / landschapsarchitecte ons onder andere waterhoen (‘heel bijzonder hier, en alleen in augustus’), wilde eend, gaai en houtduif, terwijl (alweer) af en toe vale gierzwaluwen overvlogen waar (bijna) niemand oog voor had. Een juveniele kwak die onverstoorbaar langs een slootkant stond, kreeg van allen de aandacht die hij verdiende.
In het museum herontdekten we de schilder Amadeo de Sousa Cardoso (1889-1918) die we twintig jaar geleden ook al waren tegengekomen in een museum in Amarante (‘Die bleek, wat mij betreft, heel wat meer dan het overschatte slachtof­fer van nietsontziend plaatselijk chauvinisme.’, schreef ik toen) en die inmiddels (en misschien ook toen al) een nationale en wellicht ook internationale grootheid blijkt.
En op het strand stond ik midden tussen het zonnebadende strandpubliek met verrekijker over zee te turen. Dat was niet voor niets want al gauw zag ik de eerste vale pijlstormvogel die zich met driftige vleugelslag over zee naar noord spoedde. En niet veel later zag ik een wat forsere pijlstormvogel in veel kalmere vlucht en af en toe zeilend naar noord bewegen: kuhls pijlstormvogel! Binnen een kwartier mijn missie volbracht! En de overige twee uur zag ik nog diverse vale en kuhls pijlen vliegen, allemaal naar noord en sommige wat dichterbij. Vooral die kuhls pijlstormvogels op het eind waren prachtig: afwisselend donker en wit oplichtend dwaalden ze rustig wat over zee, sloegen even met de vleugel, zeilden even een stukje aan roerloze vleugels, namen even een kijkje hier en een kijkje daar en bewogen zich zo zonder haast naar verderop. En tussendoor ook een paar spectaculaire jan van genten ver boven zee. Ja, wat mij betreft twee zeer vruchtbare uurtjes, en ook de anderen hadden het erg naar hun zin gehad.

11 augustus 2013


Tot slot



donderdag 29 augustus 2013

Vogels


Een vakantie zonder vogels is natuurlijk geen vakantie, dus ook bij Valbom vogels. Rond de camping de gebruikelijke maar altijd aangename verzameling zuidelijke soorten waar je in Nederland zo ontzettend je best voor moet doen. Hier voor het oprapen: europese kanarie, cirlgors, af en toe kleine zwartkop, en roodstuitzwaluw: prachtige roodstuitzwaluwen hier al vlak boven de camping. En hop! Jawel, we hebben hier hop. Af en toe zie je ‘m vliegen en meestal is-ie dan al snel weer verdwenen, maar een enkele keer gunt hij je een iets langduriger blik op de schoonheid van een hop, die toch een beetje staat voor al het goede dat het leven in Zuid-Europa in petto heeft.
Van een heel andere orde zijn de turkse tortels. Ook hier hebben die de zomertortels zo goed als vervangen. En dat voelt natuurlijk als verlies, als teloorgang. Maar hoezo eigenlijk? Vroeger had je zomertortels en geen turkse tortels. Nu heb je turkse tortels en vrijwel geen zomertortels. Kun je dan spreken van verlies? Hooguit omdat wij zomertortels mooier vinden. Omdat we gehecht zijn aan de zomertortel als echte cultuurvogel die we nog kennen van vroeger. Als ooit een voorbeeld dat de mens bepaalt wat natuur is, welke natuur van waarde is, dan dit wel. Waarde van natuur is geheel gerelateerd aan menselijke smaak.
Trouwens, er zijn hier wel zomertortels, ze zijn alleen nogal schaars. Er is dus onomstotelijk sprake van vooruitgang, wat dat betreft.
Spreeuwen zijn er trouwens ook, en ook hier zijn dat zwarte spreeuwen, maar ook die zijn hier nogal schaars.

Vroeg op de eerste ochtend na aankomst, een kleine week geleden inmiddels, maakte ik al meteen mijn eerste wandeling de bergen in. Het was een stralende ochtend en een prachtige wandeling. Door bos en over stenige hoogtes, tussen rotsblokken in alle soorten en maten en langs prachtige vergezichten. Wat vogels betreft viel het echter een klein beetje tegen. Het bergland hier oogt hoger en spectaculairder dan bij Candemil, en dat hoop je natuurlijk meteen uitbetaald te krijgen in een paar mooie soorten. Ik kwam die ochtend echter niet verder dan wat ik bij Candemil al gewend was. Provençaalse grasmus, kleine zwartkop en orpheusspotvogel. Al was die prachtige grijze gors natuurlijk niet verkeerd. En helemaal boven vloog ineens een groep van zeker vijftig vale gierzwaluwen boven me rond. Als je hier gierzwaluwen ziet, is de vraag allang niet meer of er vale tussen zitten, nee, de vraag is of er nog wel gewone tussen zitten. Maar iets nieuws voor de vakantielijst leverde het niet op.
Vandaag ongeveer dezelfde wandeling. Midden op de dag, grijs en grauw en miezerig en met twee kakelende meiden erbij die ons voortdurend bestoken met citaten uit de Harry Potter-boeken, maar wel ineens langdurig zicht op een prachtige baardgrasmus. Weliswaar een vrouwtje en dus niet zo intens gekleurd, maar wel mooi zacht rossig van onderen en met duidelijke baardstreep. En boven, tussen de rotsen, ineens een groepje rode patrijzen. Dus toch een paar vogels hier, die dit feestelijke landschap waard zijn.

7 augustus 2013


Lissabon

dinsdag 27 augustus 2013

Neus in de boter

Drie dwergsterntjes vlak langs de kade boven het Marsdiep en een bruinvis voor de monding van de veerhaven. Ze vormden de opmaat van wat een geweldige zomerdag op Texel moest worden. Want er waren de afgelopen dagen nogal wat leuke soorten gevonden op het eiland, met name op de noordpunt, en ik hoopte daar een graantje van mee te pikken.
Bij aankomst in ’t Horntje warempel regen, en de eerste kilometers fietsen richting Oudeschild druppelde het nog een beetje na. Daarna werd het droog. Vervolgens brak de zon door en tenslotte werd het warm. En dat is het de verdere dag gebleven. Een plasje met een paar kluten en rosse grutto’s, mooie groepen goudplevieren bij de Ottersaat, een tapuit langs de dijk en onder meer fraaie zomerkleed rosse grutto’s, een paar zwarte ruiters en wat juveniele krombekstrandlopers in Utopia: dat verliep allemaal voorspoedig. Maar van de grauwe franjepoot daar helaas geen spoor.
Met Utopia had ik zo’n beetje het noorden bereikt en kon de jacht beginnen. Naast de franjepoot waren het grauwe fitis, draaihalzen en vooral sperwergrasmus die me naar Texel hadden gelokt. Maar de grauwe fitis was net als de franjepoot vandaag niet meer gemeld, speuren naar trekkertjes achter het reddingsboothuisje leverde slechts een gekraagde roodstaart op en speuren rond de veldjes naast camping de Robbenjager zelfs dat niet. Geen spoor van sperwergrasmus of draaihals, beide daar nog deze ochtend gemeld. Zo dreigde het vandaag toch nog op een sof uit te draaien en ik werd daar eerlijk gezegd wel een klein beetje chagrijnig van.
Ik belandde bij de tuintjes, maar ook daar bleef de grote vondst uit. Leuk waren de paar zeer actieve bonte vliegenvangers en prachtig het paapje hoog in een struikje, en ik nam me al voor vandaag genoegen te nemen met gewonere aangenaamheden toen het bericht langs kwam dat de roodpootvalk die hier vanmorgen aanwezig was geweest, nog ter plaatse was op het strand.
En inderdaad! Neus in de boter deel 1: geweldige juveniele roodpootvalk, allereerst bovenop een richtingbord van Staatsbosbeheer hoog op het strand. Daarna uitgebreid rondvliegend en jagend boven strand en zeereep en af en toe op hekje of paaltje. Schitterende vogel, schitterend gezien, zowel vliegend als zittend en soms heel dichtbij. Heel mooi, en ook heel leerzaam. Details zoals natuurlijk de blonde kruin maar ook de fijne roestkleurige bandering op de bovendelen en de opvallend gestreepte bovenstaart waren prachtig te zien, details die beslissend zijn voor het onderscheid met juveniele boomvalk.
Wat volgde was neus in de boter deel 2: toen ik nog een laatste poging wilde wagen om bij de Robbenjager een sperwergrasmus te vinden, zag ik op de naastliggende dijk een groepje vogelaars aandachtig bijeen, kijkers en telescopen gericht. Belangrijke les voor de vogelaar: wil je vogels vinden, let dan ook op de vogelaars. Dus ik de dijk op en naar ze toe. Ze gebaarden me echter driftig naar opzij. Ik niet begrijp maar toen zag ik ‘m: een jager, plat op zijn buik in het gras vlak voor de heren (en een enkele dame). Toen ik me (via een omweg) bij hen had gevoegd bleek het nog een kleinste ook: scherp begrensde donkere kopkap, roomwitte wangen, lange staartpennen, fijne snavel. Even hief hij zijn vleugels en zagen we de bandering op de ondervleugels. Verder was zo goed als alles adult aan de vogel: een derde kalenderjaar, werd besloten. Een schitterende vogel, en zo mak als een lammetje. Hij was zelfs tot enkele meters benaderbaar, al heb ik dat niet uitgeprobeerd. Maar wat een plaatje! Nooit eerder zoiets meegemaakt. Uiteindelijk vloog de vogel op, zodat we ook nog uitgebreid konden genieten van een kleinste jager in vlucht: klein, tenger, veerkrachtig, en met die eindeloos lange verlengde staartpennen. Een ervaring om een leven lang te koesteren.
Dat ik daarna opnieuw geen sperwergrasmus of draaihals kon vinden bij de robbenjager, kon de pret niet drukken. Ik was vertrokken met vier leuke soorten in gedachten die ik alle vier heb gemist. Maar kwam thuis met twee fantastische en volkomen onverwachte waarnemingen. Daar moet je wel een soort van les uit kunnen trekken, al weet ik nog niet precies welke.


25 augustus 2013

Guimaraes

Plan je een dagje cultuur, een dagje stad, wordt je juist op die dag getrakteerd op zowat de leukste vogels van de vakantie tot nu toe. Want in Gandarela wachtend op de bus naar Guimaraes ineens een fraaie dwergarend boven ons. Eindelijk de dwergarend waar ik al anderhalve week vergeefs naar had uitgekeken. Eindelijk zo´n echte klasbak. En een schitterende vogel was het, een lichte fase met alles erop en eraan.
En op zomaar een toeristisch pleintje midden in het centrum van Guimaraes vlogen zomaar ineens een paar rotszwaluwen rond. Prachtig boven de toeristische drukte, boven de volle terrasjes. Stond ik daar, midden tussen de massa, door mijn verrekijker te turen.
Verder vlogen ook in Guimaraes de vale gierzwaluwen rond en cirkelde boven de stad een wespendief. Onder meer.

Maar een mens gaat natuurlijk niet naar de voormalige culturele hoofdstad van Europa om naar vogels te kijken. Zelfs een vogelaar niet, al kan die het natuurlijk niet laten. Wat Guimaraes zelf betreft: ook daaraan zou je gemakkelijk duizend woorden kunnen wijden, al zouden het andere woorden zijn dan die duizend woorden die voor Porto bestemd waren. Want Guimaraes is een heel andere stad, kleiner, bescheidener, landelijker bijna. Op veel plaatsen zie je de omringende heuvels en velden waar het arcadische Portugal stand houdt tegen de oprukkende stad. Maar ook Guimaraes heeft zijn glorieuze stadcentrum, zijn statige pleinen en brede boulevards, zijn monumentale kerken, zijn torens en zijn kastelen. Nou ja, één fraai oud kasteel, of wat daarvan over is: een robuuste vesting zonder franje, en één wat minder oud kasteelachtig geval met hoge schoorstenen als ornamenten. De straatjes achter de pleinen en de boulevards zijn smal en hoog, met smalle balkonnetjes met smeedijzeren hekwerk. Precies zoals we ze kennen van overal in Portugal, van kleine plattelandsdorpjes tot sommige buurten in wereldsteden als Porto en Lissabon. Een dag lang liepen we erin rond, genoten van de sfeer, van de drukte en van de overweldigende schoonheid die de menselijke beschaving heeft voortgebracht. Wat best wel een bemoedigend gegeven is: zo slecht kan de mens niet zijn als-ie zulke mooie dingen kan maken.
En we keerden weer terug naar ons eigen, tijdelijke Arcadië.

5 augustus 2013


Vogels