Alweer een week zit er een slangenarend in de buurt. Wordt geregeld gezien in de Zodden, bij Westbroek, en een stukje verder naar west in polder Maarsseveen. Nou is een slangenarend allang niet meer wat-ie vroeger was, niet meer een soort waarvoor je onmiddellijk op de fiets, of zoals sommige mensen in de auto springt, zelfs in Utrecht niet, maar na een week vond ik het toch wel tijd worden om ook eens te gaan kijken. Vlak om de hoek immers.
Het was zonnig, het was warm en er was weinig wind: het was weer zomer. Bij aankomst wist men mij te vertellen dat de vogel anderhalf uur geleden voor het laatst gezien was en toen verdwenen was in die bosrand daar in de verte. Daar moest-ie nog wel zitten, veronderstelde men. En het lange wachten kon weer beginnen. Wachten dat, behalve door het aangenaam gezelschap van enkele lokale vogelaars, ook werd veraangenaamd door onder andere twee visarenden die zich af en toe lieten zien, door een bruine kiekendief, af en toe een purperreiger of grote zilverreiger en door de nodige ooievaars in de buurt die ons dwongen elke grote zwever die we in de lucht ontdekten aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Maar toen ontdekte ik hoog in voornoemde bosrand, half verscholen achter het hoogste gebladerte, een roofvogel die er verdacht uitzag. Hij leek fors en had veel wit op keel en borst. Meer zagen we er niet aan maar van een meter of vijftig verderop was het zicht op de vogel ineens veel beter. Grotendeels vrij zichtbaar zat-ie daar bovenin de bosrand. En inderdaad: slangenarend. Fier en indrukwekkend, hoewel ver weg, zat-ie daar om zich heen te kijken.
En het lange wachten kon verder gaan. Wachten tot de vogel zou gaan vliegen en aan alle eventueel nog resterende beetjes twijfel een einde zou maken. Geruime tijd leek hij daar weinig aanstalten toe te maken. In de buurt joeg een boomvalk, af en toe werden we afgeleid door een visarend en toen we weer keken zat-ie er ineens niet meer. Slechts een verre leegte tussen de takken waar zojuist nog een slangenarend had gezeten. Eén moment van verbouwerering maar al gauw vonden we hem terug, precies zoals we al urenlang hadden gehoopt: in majestueuze vlucht boven dezelfde verre bosrand waar we al uren naar hadden staan kijken. Soms met trage vleugelslag en soms roerloos cirkelend maakte hij een einde aan alle eventuele restjes twijfel die er eigenlijk al niet meer waren: een slangenarend in vol ornaat. En ondanks de nivellering die de soort de laatste jaren heeft ondergaan, nog altijd een geweldige gebeurtenis.
5 september 2023
Meer uit het Utrechtse: In de regen
donderdag 7 september 2023
donderdag 24 augustus 2023
Westhoek
Westhoek, dat is wachten. Wachten op het water dat komen gaat, soms uren lang. Met Vogelwacht Utrecht stonden we uren lang te wachten op het water op deze mooie en zonnige augustusdag. Vóór ons nog kilometers aan drooggevallen wad, leeg en gebarsten, en pas in de verte de Waddenzee en de zwermen vogels die daarbij horen. Een tapuit aan de voet van de dijk. Gele kwikstaarten om ons heen. Een eenzame bontbekplevier voor ons, de eerste van vele. Een lepelaar, twee groenpootruiters, een kleine zilverreiger en in de verte, op de grens van water en wad, is een zilverplevier herkenbaar, mooi in zomerkleed. We tellen nog in enkelvoudige getallen, in exacte aantallen. Eén rosse grutto, één watersnip over, een bruine kiekendief jagend boven het riet, een bruine kiekendief jagend boven het wad. Maar niet veel later zijn er al meerdere zilverplevieren herkenbaar. Je ziet het water niet dichterbij komen, je ziet de vogels niet dichterbij komen, het verschil tussen 2000 meter en 1500 meter is vanaf de grond eenvoudigweg niet waarneembaar, maar ongemerkt sluipt de vloedlijn dichterbij en dan zie je ineens meer vogels. Meer vogels op waarneembare afstand, meer herkenbare vogels.
Een boot die vast lag in de ondiepte begint te drijven. We zien de eerste goudplevier en daarna al gauw een groepje van 18. Een boomvalk passeert naar west. Even later nog een boomvalk naar west. Leuke soort, in dit boomloze landschap. De eerste bonte strandloper. De eerste kluut.
Geluidjes van baardman uit het riet achter ons. Voor de meeste van ons blijven ze verborgen. Vlak voor ons op het wad een juveniele kleine plevier, terwijl verderop al groepjes bontbekplevieren foerageren bij de eerste plasjes water die daar zijn ontstaan. Groepjes, aantal niet meer nader te bepalen, in plaats van de eenlingen van zojuist: we zijn in een nieuwe fase aangeland.
De eerste kanoet. Met veel moeite de eerste krombekstrandlopers, ver weg maar nog net herkenbaar. Het gaat langzaam, je vraagt je af of het water en met het water de vogels wel zo dichtbij komen als we gehoopt hadden. Maar van 1500 meter naar 500 meter, dat zie je vanaf hier nauwelijks maar het gebeurt wel, en van 500 naar 50 meter of minder is daarna nog maar een klein stukje maar het is wel dat stukje dat ertoe doet. En uiteindelijk hebben we die 50 meter, en minder. Uiteindelijk wervelen de steltjes in glinsterende zwermen voor ons over het wad, razen ze van links naar rechts, soms hemelverduisterend, soms helder oplichtend. Het is glitter, het is een vorm van vuurwerk. Pure magie. En uiteindelijk komen ze tot rust langs de vloedlijn en zitten ze in dichte drommen op hooguit twintig meter afstand voor ons. Duizenden bonte strandlopers in een verwarrende verscheidenheid aan kleden: adult zomer, adult ruiend naar winter, juvenielen. Tientallen kanoeten, zowel adulten als juvenielen. En tientallen krombekstrandlopers, prachtig in zomerkleed. Sommige al ruiend maar allemaal nog adult. Van deze soort komen de juvenielen altijd een paar weken later langs, als de adulten op zijn. Ertussen ontdekken we enkele kemphanen, één fraaie kleine strandloper en wat bontbekplevieren. Verderop een dichte massa kluten, en aan de andere kant wulpen.
Het is verleidelijk om nu ook het komende laagwater af te wachten en te eindigen zoals we begonnen: met een uitgestrekt drooggevallen wad voor ons, tot kilometers in de verte leeg en gebarsten. Volmaakte symmetrie, een mooi, rond verhaal. Maar dat duurt nog uren, dus we kiezen anders. We eindigen met de uitzichtbult aan de Workumerwaard, met zicht op tientallen reuzensterns op het IJsselmeer. Ze zitten te rusten op een zandplaat en af en toe vliegen er een paar een rondje, soms dicht langs ons heen. Prachtige vogels, een mooie soort om een heerlijke dag mee af te sluiten.
20 augustus 2023
Een boot die vast lag in de ondiepte begint te drijven. We zien de eerste goudplevier en daarna al gauw een groepje van 18. Een boomvalk passeert naar west. Even later nog een boomvalk naar west. Leuke soort, in dit boomloze landschap. De eerste bonte strandloper. De eerste kluut.
Geluidjes van baardman uit het riet achter ons. Voor de meeste van ons blijven ze verborgen. Vlak voor ons op het wad een juveniele kleine plevier, terwijl verderop al groepjes bontbekplevieren foerageren bij de eerste plasjes water die daar zijn ontstaan. Groepjes, aantal niet meer nader te bepalen, in plaats van de eenlingen van zojuist: we zijn in een nieuwe fase aangeland.
De eerste kanoet. Met veel moeite de eerste krombekstrandlopers, ver weg maar nog net herkenbaar. Het gaat langzaam, je vraagt je af of het water en met het water de vogels wel zo dichtbij komen als we gehoopt hadden. Maar van 1500 meter naar 500 meter, dat zie je vanaf hier nauwelijks maar het gebeurt wel, en van 500 naar 50 meter of minder is daarna nog maar een klein stukje maar het is wel dat stukje dat ertoe doet. En uiteindelijk hebben we die 50 meter, en minder. Uiteindelijk wervelen de steltjes in glinsterende zwermen voor ons over het wad, razen ze van links naar rechts, soms hemelverduisterend, soms helder oplichtend. Het is glitter, het is een vorm van vuurwerk. Pure magie. En uiteindelijk komen ze tot rust langs de vloedlijn en zitten ze in dichte drommen op hooguit twintig meter afstand voor ons. Duizenden bonte strandlopers in een verwarrende verscheidenheid aan kleden: adult zomer, adult ruiend naar winter, juvenielen. Tientallen kanoeten, zowel adulten als juvenielen. En tientallen krombekstrandlopers, prachtig in zomerkleed. Sommige al ruiend maar allemaal nog adult. Van deze soort komen de juvenielen altijd een paar weken later langs, als de adulten op zijn. Ertussen ontdekken we enkele kemphanen, één fraaie kleine strandloper en wat bontbekplevieren. Verderop een dichte massa kluten, en aan de andere kant wulpen.
Het is verleidelijk om nu ook het komende laagwater af te wachten en te eindigen zoals we begonnen: met een uitgestrekt drooggevallen wad voor ons, tot kilometers in de verte leeg en gebarsten. Volmaakte symmetrie, een mooi, rond verhaal. Maar dat duurt nog uren, dus we kiezen anders. We eindigen met de uitzichtbult aan de Workumerwaard, met zicht op tientallen reuzensterns op het IJsselmeer. Ze zitten te rusten op een zandplaat en af en toe vliegen er een paar een rondje, soms dicht langs ons heen. Prachtige vogels, een mooie soort om een heerlijke dag mee af te sluiten.
20 augustus 2023
dinsdag 18 juli 2023
Kromslootpark
De lelijkheid van Almere Poort, en dan vooral die van de nabije omgeving van station Almere Poort: het zand dat stuift over de verlaten parkeerplaats, de haveloze vlakte vol verdord onkruid, het troosteloze paviljoentje aan de rand van de bebouwing, met het al even troosteloze pleintje met die paar trieste picknickbanken. Nou ja, die wind, daar kon Almere Poort ook niets aan doen, die haveloze vlakte noemen we buiten de stad ongerepte ruigte, goed voor zeldzame plantjes, voor insecten, voor vogels, en dat troosteloze pleintje: wat als de zon schijnt en er zitten mensen aan die tafels, exotisch uitgedost, afkomstig uit verre streken, kinderen spelend tussen hen in? Maar nu was het er lelijk en die lelijkheid moest dan maar gecompenseerd worden door de schoonheid van het Kromslootpark, waarover ik al zulke mooie verhalen heb gehoord. Is dat gelukt?
Ja, dat is geloof ik wel gelukt. Al was vandaag niet helemaal de dag om die schoonheid ten volle te ervaren, met die wind en die telkens overwaaiende duistere luchten.
Het is eigenlijk een soort Maduroflevoland. Het oude, pas drooggevallen en nog niet gecultiveerde Flevoland zoals je dat verderop vindt in de Oostvaardersplassen, maar dan in het klein. Rietvelden, pioniersbosjes, struikgewas dat ronddreef in die zee van riet, sloten en plasjes. Alles ongerept en onaangeraakt, afgezien van de paden en de bruggetjes die erin zijn aangelegd.
Het ging me ook om witoogeend vandaag, die de soort van het weekend moest worden. Maar toen ik die niet kon vinden vanuit de vogelkijkhut waar-ie het laatst gezien was, kreeg ik er een hard hoofd in. Zoveel water, zoveel sloten en plasjes in het gebied, en zoveel hoge rietbossen die je het zicht op die sloten en die plasjes ontnamen. Zo weinig plekken, daardoor, waar je zicht hebt op dat water. Hij zou vast ergens zitten hoor, maar zou hij nou net ergens gaan zitten waar je zicht op hem hebt?
Ik had het hele park rondgelopen. Veel wind, af en toe zon maar weinig vogels en 0 witoogeenden. Terug bij de ingang dacht ik: nog één keer naar de kijkhut. Veel geloof had ik er niet in maar ik moest het proberen. Wat er net niet zat kon er immers nu wel zitten.
En wat denk je? Hij zat er.
16 juli 2023
Ja, dat is geloof ik wel gelukt. Al was vandaag niet helemaal de dag om die schoonheid ten volle te ervaren, met die wind en die telkens overwaaiende duistere luchten.
Het is eigenlijk een soort Maduroflevoland. Het oude, pas drooggevallen en nog niet gecultiveerde Flevoland zoals je dat verderop vindt in de Oostvaardersplassen, maar dan in het klein. Rietvelden, pioniersbosjes, struikgewas dat ronddreef in die zee van riet, sloten en plasjes. Alles ongerept en onaangeraakt, afgezien van de paden en de bruggetjes die erin zijn aangelegd.
Het ging me ook om witoogeend vandaag, die de soort van het weekend moest worden. Maar toen ik die niet kon vinden vanuit de vogelkijkhut waar-ie het laatst gezien was, kreeg ik er een hard hoofd in. Zoveel water, zoveel sloten en plasjes in het gebied, en zoveel hoge rietbossen die je het zicht op die sloten en die plasjes ontnamen. Zo weinig plekken, daardoor, waar je zicht hebt op dat water. Hij zou vast ergens zitten hoor, maar zou hij nou net ergens gaan zitten waar je zicht op hem hebt?
Ik had het hele park rondgelopen. Veel wind, af en toe zon maar weinig vogels en 0 witoogeenden. Terug bij de ingang dacht ik: nog één keer naar de kijkhut. Veel geloof had ik er niet in maar ik moest het proberen. Wat er net niet zat kon er immers nu wel zitten.
En wat denk je? Hij zat er.
16 juli 2023
Vogelmeer
Wat zijn ze hier toch fanatiek aan het snoeien en aan het kappen, zo midden in de zomer, dacht ik verbaasd toen ik in Overveen over de Zeeweg fietste. Een heel stuk fietspad was afgezet en het gedreun van motorzagen overstemde zelfs het lawaai van het langsrijdend autoverkeer. En ineens begon het me te dagen. Het was de storm geweest. De zomerstorm van enkele dagen eerder had hier enorm huisgehouden. Hetzelfde in de duinen. Forse wonden had-ie daar achtergelaten. Bomen waren afgeknapt als luciferhoutjes, gesneuveld hout lag hier en daar kriskras door elkaar, het was indrukwekkend. Gedachten over de grootheid van de natuur en de kleinheid van de mens, wie heeft ze niet op zo’n moment? Alleen dit al maakte mijn tochtje door de Kennemerduinen de moeite waard. Maar het was dus niet daarom, dat ik dat tochtje maakte. Die storm was ik zojuist immers alweer bijna vergeten.
Het was eerlijk gezegd eigenlijk een soort administratieve onderneming, een verplicht nummer: ik wilde graag nog even mijn wereldwijde jaarlijst spekken. Ik wil niet zeggen dat die een obsessie voor me aan het worden is hoor, maar ik wil ook niet zeggen van niet. Een beetje vogelaars is natuurlijk sowieso een beetje geobsedeerd. En het was ook een beetje een tweede keus: ik was liever naar Doetinchem gegaan, voor zwarte ooievaar. En niet eens zozeer vanwege die zwarte ooievaar, waarschijnlijk was Kennemerduinen tactisch een betere keuze want voor zwarte ooievaar komen er nog kansen genoeg. Maar ik had gewoon meer zin in fietsen in de Achterhoek. Helaas reden de treinen naar Doetinchem dit weekend niet dus werd het het Vogelmeer in de Kennemerduinen. Voor kleine topper, een eclips mannetje dat daar aan het overzomeren is.
Ik moet zeggen, het werd meer dan een verplicht nummer. Het werd zelfs een hele leuke twitch, met alles erop en eraan dat twitchen zo leuk kan maken. Het was even zoeken toen ik bij het duinmeer aankwam. Aanvankelijk geen spoor van de vogel maar ik hield vol. Hij moest er zitten, vond ik, het kon niet zo zijn dat-ie juist vandaag vertrokken was. Niet midden in de zomer, niet in zijn toestand. Druk aan de rui immers, niet het moment om terug naar Amerika te vliegen. Maar toch die twijfel, toch een lichte bezorgdheid, tot het moment dat-ie werd teruggevonden en de euforie losbarstte en zich als een tinteling door heel het lijf verspreidde. Nou ja, dat is dus twitchen, onder andere.
Toen ik achterlangs het meertje gelopen was, kreeg ik hem ook nog prachtig te zien, redelijk dichtbij en met de zon fijn achter. In het wat rommelige eclipskleed waren twee cruciale kenmerken herkenbaar: op het al geruide deel van de bovendelen oogde de marmering, de fijne bandering die de rug van een topper er van een afstand grijs doet uitzien, relatief grof ten opzichte van wat we van onze topper gewend zijn. En de zwarte snavelpunt was beperkt tot louter de nagel: niet meer dan een smal, recht zwart streepje op het uiteinde van de snavel. Daarnaast leek de kop wel degelijk een subtiel puntje te hebben op het achterhoofd, ook een goed kenmerk natuurlijk. De wat grijze tinten op de flanken durf ik dan weer niet als kenmerk te gebruiken: door de rui kan elke topper of kuifeend dat nu ook wel hebben. Maar een onmiskenbare, en ook leerzame kleine topper dus. Misschien moest ik de NS maar dankbaar zijn. Die zwarte ooievaar komt nog wel. Of niet, ook goed.
8 juli 2023
Het was eerlijk gezegd eigenlijk een soort administratieve onderneming, een verplicht nummer: ik wilde graag nog even mijn wereldwijde jaarlijst spekken. Ik wil niet zeggen dat die een obsessie voor me aan het worden is hoor, maar ik wil ook niet zeggen van niet. Een beetje vogelaars is natuurlijk sowieso een beetje geobsedeerd. En het was ook een beetje een tweede keus: ik was liever naar Doetinchem gegaan, voor zwarte ooievaar. En niet eens zozeer vanwege die zwarte ooievaar, waarschijnlijk was Kennemerduinen tactisch een betere keuze want voor zwarte ooievaar komen er nog kansen genoeg. Maar ik had gewoon meer zin in fietsen in de Achterhoek. Helaas reden de treinen naar Doetinchem dit weekend niet dus werd het het Vogelmeer in de Kennemerduinen. Voor kleine topper, een eclips mannetje dat daar aan het overzomeren is.
Ik moet zeggen, het werd meer dan een verplicht nummer. Het werd zelfs een hele leuke twitch, met alles erop en eraan dat twitchen zo leuk kan maken. Het was even zoeken toen ik bij het duinmeer aankwam. Aanvankelijk geen spoor van de vogel maar ik hield vol. Hij moest er zitten, vond ik, het kon niet zo zijn dat-ie juist vandaag vertrokken was. Niet midden in de zomer, niet in zijn toestand. Druk aan de rui immers, niet het moment om terug naar Amerika te vliegen. Maar toch die twijfel, toch een lichte bezorgdheid, tot het moment dat-ie werd teruggevonden en de euforie losbarstte en zich als een tinteling door heel het lijf verspreidde. Nou ja, dat is dus twitchen, onder andere.
Toen ik achterlangs het meertje gelopen was, kreeg ik hem ook nog prachtig te zien, redelijk dichtbij en met de zon fijn achter. In het wat rommelige eclipskleed waren twee cruciale kenmerken herkenbaar: op het al geruide deel van de bovendelen oogde de marmering, de fijne bandering die de rug van een topper er van een afstand grijs doet uitzien, relatief grof ten opzichte van wat we van onze topper gewend zijn. En de zwarte snavelpunt was beperkt tot louter de nagel: niet meer dan een smal, recht zwart streepje op het uiteinde van de snavel. Daarnaast leek de kop wel degelijk een subtiel puntje te hebben op het achterhoofd, ook een goed kenmerk natuurlijk. De wat grijze tinten op de flanken durf ik dan weer niet als kenmerk te gebruiken: door de rui kan elke topper of kuifeend dat nu ook wel hebben. Maar een onmiskenbare, en ook leerzame kleine topper dus. Misschien moest ik de NS maar dankbaar zijn. Die zwarte ooievaar komt nog wel. Of niet, ook goed.
8 juli 2023
vrijdag 7 juli 2023
Jaarlijstrecord
Van de volstrekt onbelangrijke bijzaken (ik schrijf natuurlijk alleen maar over onbelangrijke bijzaken): mijn wereldwijde jaarlijst. Na mijn zeer vogelrijke vogelreisje naar Marokko dacht ik: dan moet ik ook maar mijn wereldwijde jaarlijstrecord gaan verbeteren. Nee, het hoort niet in het rijtje kwijtschelden van de schulden van derde wereldlanden, aardbevingen in het verre oosten en preventie van prostaatkanker (wie dit rijtje herkent verdient mijn eeuwige bewondering, al weet ik niet of veel mensen daarop zitten te wachten), en het stelt ook helemaal niks voor, ik haal nog niet een tiende van wat Arjan Dwarshuis in zijn recordjaar had. Bij lange niet zelfs. En nee, ik hecht er ook niet heel bijzonder aan, maar ik ben wel iemand van getalletjes en nu ik er zo dichtbij ben, wil ik toch wel graag een nieuw getalletje.
Vandaag was witwangstern aan de beurt, neefje van de minder zeldzame zwarte stern met een, de naam zegt het al, witte wangvlek. Zou een relatief gemakkelijke plus voor de lijst moeten zijn. Daarvoor dit keer nou eens niet naar het Zuidlaardermeer en omgeving, maar naar de Onlanden, in Drenthe (maar zo goed als tegen de stad Groningen aan gelegen), in tegenstelling tot het Zuidlaardermeer dat in de provincie Groningen ligt (maar veel verder van de stad vandaan). Helemaal zonder risico was dat niet: in het Zuidlaardermeer is witwangstern in deze tijd zo goed als gegarandeerd en ken ik de plekken. In de Onlanden moest dat nog maar blijken. Misschien niet eens zo’n heel gemakkelijke plus voor de lijst dus.
Maar dat viel nogal mee. De eerste witwangsterns waren gauw gevonden: minstens twee foerageerden er vrij ver boven een watergang en de flankerende rietvelden en eentje kwam prachtig dicht langs me heen gevlogen. Missie volbracht, rust in het hoofd en alle tijd om gewoon een tijdje hier rond te kijken.
‘Natte natuur voor droge voeten’ was te lezen op informatieborden. Het gebied is nog niet zo lang geleden ingericht als nieuwe natuur, niet alleen om nieuwe natuur te ontwikkelen maar ook om in natte tijden overvloedig regenwater uit Groningen naar te kunnen laten afvloeien. Zeeën van rietvelden en kruidenrijke hooilanden zijn het gevolg, waarin hier en daar eilandjes van struikgewas drijven, doorsneden door smalle en soms minder smalle wateren en her en der wat plasdras. Misschien is er daarvan in andere, minder droge tijden wat meer: op diverse plekken zag ik halfkale, grotendeels opgedroogde bodems die in andere tijden best plasdras geweest zouden kunnen zijn. Witwangsterns vond ik terug in een hele andere uithoek van het gebied. Minstens zes foerageerden er boven het gras- en rietland langs de Drentse dijk: minder spits en wat compacter dan de welbekende visdiefjes maar toch rank, toch sierlijk en met een donker leigrijze buik. Er zaten daar ook paapjes, iets minder exclusief maar toch ook geen alledaagse soort in de broedtijd. Ik zag onder andere een moeder met kind dus gebroed is hier zeker. Verderop de fraaie, bijna futuristische uitkijktoren van Natuurmonumenten. Een architectonisch monument zoals natuurmonumenten ze graag heeft maar, misschien lag het aan mij, ik kon met geen mogelijkheid ontdekken hoe je er komen kunt. Best vreemd eigenlijk. Ik zag dan ook niemand op de toren.
Verder de ‘usual suspects’: een paar bruine kiekendieven, af en toe grote zilverreiger, geoorde fuut, lepelaar, een langs vliegende koekoek en de koek was op.
2 juli 2023
Vandaag was witwangstern aan de beurt, neefje van de minder zeldzame zwarte stern met een, de naam zegt het al, witte wangvlek. Zou een relatief gemakkelijke plus voor de lijst moeten zijn. Daarvoor dit keer nou eens niet naar het Zuidlaardermeer en omgeving, maar naar de Onlanden, in Drenthe (maar zo goed als tegen de stad Groningen aan gelegen), in tegenstelling tot het Zuidlaardermeer dat in de provincie Groningen ligt (maar veel verder van de stad vandaan). Helemaal zonder risico was dat niet: in het Zuidlaardermeer is witwangstern in deze tijd zo goed als gegarandeerd en ken ik de plekken. In de Onlanden moest dat nog maar blijken. Misschien niet eens zo’n heel gemakkelijke plus voor de lijst dus.
Maar dat viel nogal mee. De eerste witwangsterns waren gauw gevonden: minstens twee foerageerden er vrij ver boven een watergang en de flankerende rietvelden en eentje kwam prachtig dicht langs me heen gevlogen. Missie volbracht, rust in het hoofd en alle tijd om gewoon een tijdje hier rond te kijken.
‘Natte natuur voor droge voeten’ was te lezen op informatieborden. Het gebied is nog niet zo lang geleden ingericht als nieuwe natuur, niet alleen om nieuwe natuur te ontwikkelen maar ook om in natte tijden overvloedig regenwater uit Groningen naar te kunnen laten afvloeien. Zeeën van rietvelden en kruidenrijke hooilanden zijn het gevolg, waarin hier en daar eilandjes van struikgewas drijven, doorsneden door smalle en soms minder smalle wateren en her en der wat plasdras. Misschien is er daarvan in andere, minder droge tijden wat meer: op diverse plekken zag ik halfkale, grotendeels opgedroogde bodems die in andere tijden best plasdras geweest zouden kunnen zijn. Witwangsterns vond ik terug in een hele andere uithoek van het gebied. Minstens zes foerageerden er boven het gras- en rietland langs de Drentse dijk: minder spits en wat compacter dan de welbekende visdiefjes maar toch rank, toch sierlijk en met een donker leigrijze buik. Er zaten daar ook paapjes, iets minder exclusief maar toch ook geen alledaagse soort in de broedtijd. Ik zag onder andere een moeder met kind dus gebroed is hier zeker. Verderop de fraaie, bijna futuristische uitkijktoren van Natuurmonumenten. Een architectonisch monument zoals natuurmonumenten ze graag heeft maar, misschien lag het aan mij, ik kon met geen mogelijkheid ontdekken hoe je er komen kunt. Best vreemd eigenlijk. Ik zag dan ook niemand op de toren.
Verder de ‘usual suspects’: een paar bruine kiekendieven, af en toe grote zilverreiger, geoorde fuut, lepelaar, een langs vliegende koekoek en de koek was op.
2 juli 2023
Veenhooibeestje
Een prachtige zomerdag met temperaturen tot 28 graden Celsius en weinig wind: het was hoog tijd voor mijn expeditie veenhooibeestje. Een weinig spectaculair vlindertje eerlijk gezegd maar nog nooit gezien en dat is een groot gemis, terwijl ik eigenlijk best weet waar ik die zoeken moet, al worden ze streng geheim gehouden. Dus met de trein naar de grote stad in het noordoosten des lands en op de fiets naar het veen. Aldaar was het nog aan de vroege kant voor vliegende vlinders en bovendien zat ik aan de verkeerde kant van het gebied, wat de veenhooibeestjes betreft. Dus eerst nog even tijd voor iets anders. Voor zingende geelgorzen bijvoorbeeld, veel zingende geelgorzen. En voor twee mooie mannen grauwe klauwier. Ze zaten slechts enkele honderden meters, hooguit een krappe kilometer van elkaar maar zeker gezien het stuk bos ertussen vond ik het toch wat veel voor één territorium. Zingende fluiter, een lepelaar in een plasje en zo bereikte ik het grote veen waar ik wezen moest.
Naast veenhooibeestje had ik nog twee doelsoorten vandaag: slangenarend (daarvan zijn er tegenwoordig zo veel dat ik daarmee de locatie niet prijsgeef) en paapje, want die moet ik nog dit jaar. En ik was nog maar amper op het veen of ik kon één van mijn doelsoorten al wegstrepen: twee fraaie slangenarenden cirkelden boven het veen. Geregeld stonden ze te bidden en zo speurden ze de grond onder zich af op zoek naar een lekker hapje. Slangen konden zich maar beter gedeisd houden. Nadat ze beiden in tegenovergestelde richting huns weegs gegaan waren, vloog er even verderop opnieuw een slangenarend op uit het veld. Een van beide? Of een derde? Het was wel het laatste wat ik vandaag aan slangenarenden zag. Zo gemakkelijk als het even geleken had, is het blijkbaar nog steeds niet.
Verderop zat een paapje te zingen in het veen: mijn tweede doelsoort binnen. Kon ik me verder volledig en ongestoord wijden aan de hooibeestjes. En uiteindelijk waren ook die zo moeilijk niet. Na enig zoeken zag ik er twee vliegen die duidelijk de benodigde kenmerken toonden: een opvallende witte, golvende baan over de vleugels en een rijtje oogjes langs de vleugelrand. Verder is het een vrij onopvallend beestje maar ja, zeer zeldzaam! En een lifer. Verderop zag ik er meer en een paar keer zag ik er eentje mooi dichtbij in de vegetatie hangen. Drie uit drie dus vandaag. Vaak moet je het met minder doen.
Naast veenhooibeestje had ik nog twee doelsoorten vandaag: slangenarend (daarvan zijn er tegenwoordig zo veel dat ik daarmee de locatie niet prijsgeef) en paapje, want die moet ik nog dit jaar. En ik was nog maar amper op het veen of ik kon één van mijn doelsoorten al wegstrepen: twee fraaie slangenarenden cirkelden boven het veen. Geregeld stonden ze te bidden en zo speurden ze de grond onder zich af op zoek naar een lekker hapje. Slangen konden zich maar beter gedeisd houden. Nadat ze beiden in tegenovergestelde richting huns weegs gegaan waren, vloog er even verderop opnieuw een slangenarend op uit het veld. Een van beide? Of een derde? Het was wel het laatste wat ik vandaag aan slangenarenden zag. Zo gemakkelijk als het even geleken had, is het blijkbaar nog steeds niet.
Verderop zat een paapje te zingen in het veen: mijn tweede doelsoort binnen. Kon ik me verder volledig en ongestoord wijden aan de hooibeestjes. En uiteindelijk waren ook die zo moeilijk niet. Na enig zoeken zag ik er twee vliegen die duidelijk de benodigde kenmerken toonden: een opvallende witte, golvende baan over de vleugels en een rijtje oogjes langs de vleugelrand. Verder is het een vrij onopvallend beestje maar ja, zeer zeldzaam! En een lifer. Verderop zag ik er meer en een paar keer zag ik er eentje mooi dichtbij in de vegetatie hangen. Drie uit drie dus vandaag. Vaak moet je het met minder doen.
donderdag 22 juni 2023
Langs de IJssel tussen Zutphen en Deventer
Waar het ook mooi is, is langs de IJssel tussen Zutphen en Deventer. En fietsen van Zutphen naar Deventer is goed te behappen. (En met de hedendaagse e-bikes helemaal geen probleem, neem ik aan.) Neem eerst een kijkje in Zutphen, want dat is echt de moeite waard. De grote Sint Walburgiskerk is indrukwekkend en op de IJsselkade staat Ida Gerhardt in brons gegoten over het water uit te kijken. En sluit af in Deventer, die andere prachtige Hanzestad aan de IJssel, met zijn fraaie marktplein en ook al zo’n indrukwekkende kerk. Altijd bezienswaardig, die oude kerken. Ze vertegenwoordigen iets dat we tegenwoordig nauwelijks meer kennen maar zo goed zouden kunnen gebruiken: de wil om gezamenlijk en eensgezind iets groots tot stand te brengen, en tonen daarmee wellicht aan dat er toch nog iets goeds schuilt in de mensheid. (Of schuilde? Want die eensgezindheid is tegenwoordig een schaars goed. Behalve als het Nederlands voetbalelftal tegen Duitsland voetbalt.) Dat dat was ter meerdere eer en glorie van een schimmige figuur die niemand ooit gezien heeft en die magische krachten wordt toegedicht, nemen we dan maar op de koop toe.
En tussen Zutphen en Deventer is er dus de IJssel die slingert door zijn uiterwaarden. Een zilverkleurig lint tussen groene, hoewel momenteel vooral gele velden. Langs ruige, meest nog ongemaaide hooilanden, langs wateren en rietlanden en bosranden en heggen en hagen en alles wat zo’n landschap afwisselend en aantrekkelijk maakt.
Zwak maar prettig windje achter, schraal zonnetje dat af en toe verscholen ging achter verdichtende wolkenvelden en zelfs nog een paar spetters. Wow! Hoe lang is dat al niet geleden. We passeerden de Rammelwaard, fraai uiterwaardenreservaat met plassen, rietlanden, bosschages en hoog wuivende hooilanden. Zingende braamsluiper tussen de fitissen, de zwartkoppen en de bosrietzangers. Ver weg de prachtige burchtruïne van Nijenbeek. En meer rietlanden, bosschages en hoog wuivende hooilanden, heggen en hagen. Het is natuurlijk bekend, het is bijna een cliché, de diep ingeslepen gelaatstrekken van Nederland rivierenland, restant uit oeroude tijden, product van eeuwen van samengaan van natuur en cultuur, van rivier en boerenleven, maar het blijft mooi. Het blijft een genot om er doorheen te fietsen.
Verderop werd het bossiger, kregen bosranden de overhand waartussen de hooilandjes verscholen lagen en waar geelgorzen zongen. Toen het landschap zich weer opende, zagen we voor ons Deventer liggen.
18 juni 2023
En tussen Zutphen en Deventer is er dus de IJssel die slingert door zijn uiterwaarden. Een zilverkleurig lint tussen groene, hoewel momenteel vooral gele velden. Langs ruige, meest nog ongemaaide hooilanden, langs wateren en rietlanden en bosranden en heggen en hagen en alles wat zo’n landschap afwisselend en aantrekkelijk maakt.
Zwak maar prettig windje achter, schraal zonnetje dat af en toe verscholen ging achter verdichtende wolkenvelden en zelfs nog een paar spetters. Wow! Hoe lang is dat al niet geleden. We passeerden de Rammelwaard, fraai uiterwaardenreservaat met plassen, rietlanden, bosschages en hoog wuivende hooilanden. Zingende braamsluiper tussen de fitissen, de zwartkoppen en de bosrietzangers. Ver weg de prachtige burchtruïne van Nijenbeek. En meer rietlanden, bosschages en hoog wuivende hooilanden, heggen en hagen. Het is natuurlijk bekend, het is bijna een cliché, de diep ingeslepen gelaatstrekken van Nederland rivierenland, restant uit oeroude tijden, product van eeuwen van samengaan van natuur en cultuur, van rivier en boerenleven, maar het blijft mooi. Het blijft een genot om er doorheen te fietsen.
Verderop werd het bossiger, kregen bosranden de overhand waartussen de hooilandjes verscholen lagen en waar geelgorzen zongen. Toen het landschap zich weer opende, zagen we voor ons Deventer liggen.
18 juni 2023
Abonneren op:
Posts (Atom)










