Het was mijn beste zelf ontdekte soort ooit, al moet ik ‘m delen met Jos Welbedacht die de vogel zelfs nog eerder had opgemerkt dan ik, net als ik gealarmeerd was maar net als ik in eerste instantie nog geen alarm had geslagen. Wat mij betreft verdient dat wel enige toelichting. Het was aan het eind van een tochtje met vrouw en kinderen naar Kobbeduinen en een wandeling door de Oosterkwelder. Het was al wat later dan ik in gedachten had gehad en ik was wel toe aan een lunch toen ik op de waddendijk vlak bij de jachthaven die tapuit opmerkte. Wat was dat een rare tapuit, dacht ik. Zo grijs, zo klein en ielig, bijna als een roodborst, en zo weinig getekend ook. Hij verdween uit beeld en al gauw verscheen er opnieuw een tapuit op de dijk. En nu was ik toch minder gealarmeerd. De vogel had bij nader inzien toch wel de proporties van een tapuit en ook de koptekening was wat prominenter dan ik in eerste instantie gezien meende te hebben. Hij verdween weer, kwam weer tevoorschijn en hé, hij zag er toch wel verdacht uit, vond ik nu weer. Zo ging het een paar keer. Eén keer noteerde ik: ‘donkere teugel en weliswaar vage maar goed zichtbare wenkbrauwstreep’. Maar toen ik nog een keer keek, streepte ik dat weer door: hij had helemaal geen wenkbrauwstreep en die teugel, daar was niks donkers aan. Pas later werd me duidelijk dat er twee tapuiten zaten, waarvan een weliswaar wat flets, maar toch een gewone. Op dat moment was ik in de war. Ik had honger en ik ging naar huis.
Ach, het is natuurlijk een slappe smoes, maar op zo’n moment ga je enorm aan jezelf twijfelen. Ik in elk geval. Zat ik er niet helemaal naast met mijn gedachten aan iets zeldzaams? Was het niet iets heel gewoons? Niemand wil de hoon van de algehele vogelaarsgemeenschap over zich heen dus ik wilde zekerheid. Na de lunch de vogelgids erbij gepakt, even goed gestudeerd en vastgesteld dat vooral de tekening van de staart van belang was. Dat wist ik natuurlijk al, maar hoe het precies zat, dat had ik zojuist nog niet paraat. Nu wel: ik moest opletten of de zwarte eindband aan de rand langs de staartzijde omhoog liep. Dat zou wijzen op bonte of blonde tapuit. (Woestijntapuit kwam al niet meer in aanmerking. Daarvoor had de vogel veel te veel wit in de staart gehad.)
Met die kennis op zak terug naar de dijk. Daar al gauw de tapuit teruggevonden. Echt geen gewone hoor, hoe kon ik dat nou toch gedacht hebben? Maar ik wilde zekerheid. Ik ontmoette een andere vogelaar, later gedetermineerd als Jos Welbedacht, die de vogel ook al eerder had opgemerkt. Samen de vogel bestudeerd. Af en toe liet die zich prachtig en van nabij zien maar die staart moesten we hebben, en die staart wilde hij maar niet goed laten zien. Niet in geopende toestand. Alleen als-ie opvloog ging die staart open en dat gebeurde weliswaar vaak, het beestje was erg rusteloos, maar dat ging steeds zo snel, om dat dan goed te beoordelen was haast niet te doen. Dat lukte pas met behulp van enkele foto’s van Jos. En die toonden onomstotelijk een staartband die langs de staartzijde omhoog liep. De vlag kon uit; we durfden eindelijk alarm te slaan.
Bonte of blonde tapuit, dat was nu nog de vraag. De nauwelijks geschubde rug en overwegend zandbruine kleur met zowel warme als grijszwarte tinten, deden mij aanvankelijk aan blonde denken. Ook de vrijwel ongetekende keel, het relatief egale kleed en de weinig ‘stoere’ gestalte kwamen meer overeen met mijn beeld van blonde tapuit, zoals ik die bijvoorbeeld gezien heb bij Westkapelle in mei 2014, dan met bonte. Dat moest dan wel oostelijke zijn, voor westelijke was-ie echt te koud van kleur. Genoemde indrukken blijken echter niet echt hard en handpenprojectie lijkt voor blonde toch iets te lang, langer dan 100%, wat duidt op bonte want oostelijke blonde hoort volgens de boekjes maximaal 100% te hebben (westelijke nog iets minder). Al vind ik dat zowel op foto's van deze vogel als op foto's van andere bonte en oostelijke blonde tapuiten niet altijd even gemakkelijk vast te stellen. Ondersteunend voor bonte zouden onder andere nog de brede lichte randen zijn aan vooral de middelste en kleine dekveren: ‘bij blonde tapuit in najaar geen of smalle lichte randen aan middelste en kleine dekveren’, aldus Van Duivendijks kenmerkengids.
Inmiddels is er overeenstemming dat het inderdaad een bonte tapuit betrof. Het zou de 21e voor Nederland zijn en zo zeldzaam heb ik ze nooit eerder zelf gevonden. Een gebeurtenis van formaat dus, wat mij betreft. De vogel verbleef nog enkele dagen op de dijk bij de jachthaven en werd vandaag, 25 oktober 2015, helaas dood gevonden. Triest einde van een prachtige vogel.
25 oktober 2015
zondag 25 oktober 2015
woensdag 7 oktober 2015
Raadsels van de vogeltrek
Sommige dingen zijn logisch, begrijpelijk en daarom volstrekt voorspelbaar. Zo woei er vandaag voor het eerst sinds weken een weliswaar zwak maar onmiskenbaar windje uit zuidwest. En als op afspraak vlogen de graspiepers in groepjes laag over me heen. Dat is geheel volgens de theorie: met meewind (en noordoost is momenteel meewind voor ze) vliegen ze hoog, veelal buiten bereik van spiedende trektellersogen zodat je vaak niet meer van de trek meekrijgt dan af en toe een piepje. Mooie maar rustige ochtenden levert dat op, met ogenschijnlijk weinig trek. Maar bij tegenwind, zuidwest dus, vliegen ze lager want daar waait het minder hard en dan maak je er als toeschouwer veel meer van mee. En valt er voor de trekteller ook veel meer te tellen.
Andere dingen, de vogeltrek aangaande, zijn in elk geval voor mij nog altijd een raadsel. In al die jaren heb ik het al een aantal keren meegemaakt dat de vogels massaal naar het noorden of het noordoosten vlogen, wat me in de herfst toch bepaald de verkeerde kant op lijkt. Hoe dat te verklaren? Compensatietrek, krijg je weleens te horen. Klinkt natuurlijk zeer geleerd maar niemand heeft mij nog kunnen uitleggen waar dat nou eigenlijk goed voor is. Wat zou een vogel die op weg is naar het verre zuiden, te compenseren hebben? Waarom zou-ie terug naar het noorden moeten? Is-ie te ver naar het zuiden gevlogen? Welnee, de volgende dag vliegt-ie gewoon weer verder naar het zuiden. Dat stukje naar noord was gewoon energieverspilling.
Wigle, collega-vogelaar, vertelde me laatst in dit kader iets interessants. Een Zweedse ornitholoog had aan de hand van satellietbeelden en gedetailleerde weerrapporten vastgesteld dat precies op het moment dat boven het Iberisch schiereiland een flinke depressie ontstond, grote groepen vogels boven Scandinavië drastisch hun koers verlegden. Alsof ze de weersverandering een paar duizend kilometer zuidelijker konden waarnemen. Daar gaf hij geen verklaring voor. Daar had hij ook geen verklaring voor. Maar het was hoe dan ook een opmerkelijke samenloop van gebeurtenissen.
Vandaag iets gezien van iets bescheidener aard dat ik toch ook wel intrigerend vond. Terwijl diverse groepjes graspiepers en wat zanglijsters, leeuweriken en rietgorzen allemaal netjes min of meer naar het zuiden vlogen, vlogen enkele groepjes koperwieken bijna pal naar het oosten. Kan een keer gebeuren, denk je dan, maar waarom dan net al die koperwieken? Is er iets in de weersomstandigheden dat vogels ertoe brengt naar het oosten te vliegen? Maar waarom dan alleen de koperwieken en geen enkele graspieper? Wat weten zij wat anderen niet weten?
Wie het weet mag het zeggen.
7 oktober 2015
Meer uit het Utrechtse: Thuis
Andere dingen, de vogeltrek aangaande, zijn in elk geval voor mij nog altijd een raadsel. In al die jaren heb ik het al een aantal keren meegemaakt dat de vogels massaal naar het noorden of het noordoosten vlogen, wat me in de herfst toch bepaald de verkeerde kant op lijkt. Hoe dat te verklaren? Compensatietrek, krijg je weleens te horen. Klinkt natuurlijk zeer geleerd maar niemand heeft mij nog kunnen uitleggen waar dat nou eigenlijk goed voor is. Wat zou een vogel die op weg is naar het verre zuiden, te compenseren hebben? Waarom zou-ie terug naar het noorden moeten? Is-ie te ver naar het zuiden gevlogen? Welnee, de volgende dag vliegt-ie gewoon weer verder naar het zuiden. Dat stukje naar noord was gewoon energieverspilling.
Wigle, collega-vogelaar, vertelde me laatst in dit kader iets interessants. Een Zweedse ornitholoog had aan de hand van satellietbeelden en gedetailleerde weerrapporten vastgesteld dat precies op het moment dat boven het Iberisch schiereiland een flinke depressie ontstond, grote groepen vogels boven Scandinavië drastisch hun koers verlegden. Alsof ze de weersverandering een paar duizend kilometer zuidelijker konden waarnemen. Daar gaf hij geen verklaring voor. Daar had hij ook geen verklaring voor. Maar het was hoe dan ook een opmerkelijke samenloop van gebeurtenissen.
Vandaag iets gezien van iets bescheidener aard dat ik toch ook wel intrigerend vond. Terwijl diverse groepjes graspiepers en wat zanglijsters, leeuweriken en rietgorzen allemaal netjes min of meer naar het zuiden vlogen, vlogen enkele groepjes koperwieken bijna pal naar het oosten. Kan een keer gebeuren, denk je dan, maar waarom dan net al die koperwieken? Is er iets in de weersomstandigheden dat vogels ertoe brengt naar het oosten te vliegen? Maar waarom dan alleen de koperwieken en geen enkele graspieper? Wat weten zij wat anderen niet weten?
Wie het weet mag het zeggen.
7 oktober 2015
Meer uit het Utrechtse: Thuis
maandag 5 oktober 2015
Pelagisch
‘Vale pijl, Jeroen, vale pijl’, had ik geappt in onze vogel-WhatsAppgroep nadat Jeroen vanwege het rustige weer en de zwakke oostenwinden van de afgelopen week onze kansen op echt leuke soorten op onze pelagische tocht de volgende dag, nogal laag had ingeschat. Vale pijlstormvogel is een soort die met zulk weer juist nog wel te verwachten is. Het is een vogel van het westelijke middellandse zeegebied en de Atlantische kusten van het Iberisch schiereiland, die in de nazomer in klein aantal naar het noorden zwerft en dan soms ook in de Noordzee terecht komt. In tegenstelling tot de meeste van zijn verwanten is dat niet afhankelijk van harde westenwinden dus deze wordt ook bij rustig weer nog wel af en toe gezien. Maar wel heel af en toe, zelden meer dan één per dag en de meeste dagen geen, want hij is zeldzaam en voor de doorgewinterde zeevogelaar een van de lekkerste, maar ook een van de lastigst te bemachtigen snoepjes.
Nou schat ik mijn voorspellende gaven niet bijzonder hoog in, maar wat gebeurde er toen alweer op de terugweg richting Den Helder het laatste uur van onze tocht was aangebroken? Toen wellicht bij sommigen de concentratie even verslapte, toen de een het zich meende te kunnen veroorloven om binnen even een gehaktbal te gaan eten en een ander langs de verkeerde kant van de kajuit naar het voordek wandelde? Een donkere, tengere vogel kwam over zee op de boot toegesneld. Een onmiskenbare pijlstormvogel zeilde op amper twintig meter langs de boot en liet gedurende enkele momenten alle relevante kenmerken zien: vaalbruine bovenzijde, vuilwitte onderzijde, lichte maar donker omrande ondervleugels, donkere onderstaart en vage begrenzing tussen de donkere en de lichte delen. ‘Vale pijl! Vale pijl!’ werd er geroepen, terwijl de vogel zich alweer uit de voeten maakte. De consternatie was groot. Het duurde bij elkaar amper een halve minuut maar voor degenen die op het juiste moment op de juiste plaats hadden gestaan en in de juiste richting hadden gekeken, was dit het hoogtepunt van de tocht. Er waren er echter ook die net even iets anders te doen hadden of de verkeerde kant op keken en zij moesten genoegen nemen met de talloze jan van genten, in alle kleden van juveniel tot en met volledig adult, die de hele tocht lang en af en toe met tientallen rond de boot hingen en ons geregeld spectaculaire demonstraties voorschotelden. Die telkens dat tijdloze gebaar maakten, als een acteur die na zijn laatste rol op theatrale wijze het publiek groet en het toneel verlaat: de vleugels spreiden zich, het lichaam kantelt, de vleugels wringen zich in een hoek en plotseling duikt de vogel omlaag en verdwijnt in de golven.
Of met de fraaie noordse stormvogel die geruime tijd rond de boot vloog en af en toe zo dichtbij kwam dat je hem bijna had kunnen grijpen. Of met de grote jager die korte tijd stoeide met enkele van de vele meeuwen die achter de boot hingen. Of met de talloze zeekoeten die op zee dreven en de paar alken die we daar tussen ontdekten. Allemaal min of meer gebruikelijke types af en toe op een goede dag aan zee, maar ook allemaal symbolen van de onbegrensdheid van de wereldzeeën, die je een beetje deelgenoot maken van de mythe van de oceaan. Die je op een gewone dag alleen maar aan de horizon ziet, ver buiten bereik van de toeschouwer. Om die zo fraai en zo dichtbij te zien te krijgen, moet je zelf de zee op. En dat maakt zo’n pelagische tocht altijd tot een onvergetelijke gebeurtenis, met of zonder vale pijl.
4 oktober 2015
Meer aan zee: Zee
Nou schat ik mijn voorspellende gaven niet bijzonder hoog in, maar wat gebeurde er toen alweer op de terugweg richting Den Helder het laatste uur van onze tocht was aangebroken? Toen wellicht bij sommigen de concentratie even verslapte, toen de een het zich meende te kunnen veroorloven om binnen even een gehaktbal te gaan eten en een ander langs de verkeerde kant van de kajuit naar het voordek wandelde? Een donkere, tengere vogel kwam over zee op de boot toegesneld. Een onmiskenbare pijlstormvogel zeilde op amper twintig meter langs de boot en liet gedurende enkele momenten alle relevante kenmerken zien: vaalbruine bovenzijde, vuilwitte onderzijde, lichte maar donker omrande ondervleugels, donkere onderstaart en vage begrenzing tussen de donkere en de lichte delen. ‘Vale pijl! Vale pijl!’ werd er geroepen, terwijl de vogel zich alweer uit de voeten maakte. De consternatie was groot. Het duurde bij elkaar amper een halve minuut maar voor degenen die op het juiste moment op de juiste plaats hadden gestaan en in de juiste richting hadden gekeken, was dit het hoogtepunt van de tocht. Er waren er echter ook die net even iets anders te doen hadden of de verkeerde kant op keken en zij moesten genoegen nemen met de talloze jan van genten, in alle kleden van juveniel tot en met volledig adult, die de hele tocht lang en af en toe met tientallen rond de boot hingen en ons geregeld spectaculaire demonstraties voorschotelden. Die telkens dat tijdloze gebaar maakten, als een acteur die na zijn laatste rol op theatrale wijze het publiek groet en het toneel verlaat: de vleugels spreiden zich, het lichaam kantelt, de vleugels wringen zich in een hoek en plotseling duikt de vogel omlaag en verdwijnt in de golven.
Of met de fraaie noordse stormvogel die geruime tijd rond de boot vloog en af en toe zo dichtbij kwam dat je hem bijna had kunnen grijpen. Of met de grote jager die korte tijd stoeide met enkele van de vele meeuwen die achter de boot hingen. Of met de talloze zeekoeten die op zee dreven en de paar alken die we daar tussen ontdekten. Allemaal min of meer gebruikelijke types af en toe op een goede dag aan zee, maar ook allemaal symbolen van de onbegrensdheid van de wereldzeeën, die je een beetje deelgenoot maken van de mythe van de oceaan. Die je op een gewone dag alleen maar aan de horizon ziet, ver buiten bereik van de toeschouwer. Om die zo fraai en zo dichtbij te zien te krijgen, moet je zelf de zee op. En dat maakt zo’n pelagische tocht altijd tot een onvergetelijke gebeurtenis, met of zonder vale pijl.
4 oktober 2015
Meer aan zee: Zee
dinsdag 29 september 2015
Startpremie
Een herfstdag uit het boekje: zon, beetje wind uit het oosten en een prikkelende kou in de ochtend maar daarna boterzacht. Thuisblijven is op zo’n dag geen optie. Dus stond ik om kwart over 10 in Den Helder te kijken naar drie europese kanaries, af en toe mooi dichtbij foeragerend in het struikgewas en op en langs het pad bij fort Dirksz. Admiraal, een fraai, verwilderd stukje 19e-eeuwse geschiedenis. Het was een prettig half uurtje daar, kijkend en af en toe luisterend naar drie vogels van een soort die in Nederland langzamerhand behoorlijk zeldzaam is geworden. Schaarser dan bladkoning, zei ik nog tegen mijn beide metgezellen ter plaatse. Het was een mooi begin van de dag.
Maar moet je nou ook al voor drie eurokanaries het halve land afreizen? vroeg ik me af.
Mijn antwoord had ik natuurlijk al gegeven, want ik stond er. En waarom ook niet? Het kost me niks: ik reis in het weekend gratis en de tijd in de trein weet ik wel te benutten. Aan de zaterdagkrant dit keer, of wat daar nog van over was. En als je dan eenmaal die kanaries binnen hebt, kun je de verdere dag besteden aan het zelf vinden van een leuke zeldzaamheid.
Het eerste was me dus lekker vlot gelukt. Het tweede helaas niet. Naar Huisduinen gefietst, aan zee geweest, door de duinen gezworven, de Oude Vuilnisbelt aan een uitgebreid onderzoek onderworpen, op de uitkijktoren gestaan, ondergelopen bollenveldjes gezocht (net zo schaars als zeldzame vogels vandaag) en tenslotte Mariëndal afgespeurd. Met als resultaat: boel steenlopers, een paarse strandloper, een kanoet, wat rotganzen over zee, wat roodborsttapuiten (ik deed m’n best, gezien de ontwikkelingen van de afgelopen dagen, maar ik kon er niets anders van maken dan gewone) en twee tapuiten. Onder meer. Het leukst was nog die man sperwer die bijna een graspieper te grazen nam maar zich uiteindelijk vlak langs me heen onverrichterzake uit de voeten maakte.
Mager dus, maar ach, het was een leuke dag en die europese kanaries had ik binnen, en dat was toch alweer een paar jaar geleden. Dat is (ook) zo leuk aan twitchen: dat je als het ware een startpremie meekrijgt. Is die eenmaal binnen, dan kan het vogelen echt beginnen. Moet het wel een beetje lukken natuurlijk.
27 september 2015
Maar moet je nou ook al voor drie eurokanaries het halve land afreizen? vroeg ik me af.
Mijn antwoord had ik natuurlijk al gegeven, want ik stond er. En waarom ook niet? Het kost me niks: ik reis in het weekend gratis en de tijd in de trein weet ik wel te benutten. Aan de zaterdagkrant dit keer, of wat daar nog van over was. En als je dan eenmaal die kanaries binnen hebt, kun je de verdere dag besteden aan het zelf vinden van een leuke zeldzaamheid.
Het eerste was me dus lekker vlot gelukt. Het tweede helaas niet. Naar Huisduinen gefietst, aan zee geweest, door de duinen gezworven, de Oude Vuilnisbelt aan een uitgebreid onderzoek onderworpen, op de uitkijktoren gestaan, ondergelopen bollenveldjes gezocht (net zo schaars als zeldzame vogels vandaag) en tenslotte Mariëndal afgespeurd. Met als resultaat: boel steenlopers, een paarse strandloper, een kanoet, wat rotganzen over zee, wat roodborsttapuiten (ik deed m’n best, gezien de ontwikkelingen van de afgelopen dagen, maar ik kon er niets anders van maken dan gewone) en twee tapuiten. Onder meer. Het leukst was nog die man sperwer die bijna een graspieper te grazen nam maar zich uiteindelijk vlak langs me heen onverrichterzake uit de voeten maakte.
Mager dus, maar ach, het was een leuke dag en die europese kanaries had ik binnen, en dat was toch alweer een paar jaar geleden. Dat is (ook) zo leuk aan twitchen: dat je als het ware een startpremie meekrijgt. Is die eenmaal binnen, dan kan het vogelen echt beginnen. Moet het wel een beetje lukken natuurlijk.
27 september 2015
woensdag 9 september 2015
Sibstreep
‘Ziezo, sibstreep binnen, nazomerdepressie over’, appte ik in onze Utrechtse vogel-appgroep. Het was het slot van een enerverende dag die me om te beginnen om 7 uur vanochtend samen met Erik plus een paar ervaren zeetrektellers op de zeetrektelpost op de Maasvlakte bracht. De straffe noordwestenwind van de afgelopen dagen, ook voor vandaag nog voorspeld, had ons op het idee gebracht om een paar uur op een geschikte plek aan zee door te brengen. En dat bleek een goed idee: een woeste zee en al binnen vijf minuten een kleine jager naar zuid. Er volgden er de daaropvolgende twee uur nog minimaal tien, onder andere eentje mooi dichtbij over de branding en een spectaculair groepje van vier tegelijk. Verder nog een middelste jager, een kleinste jager die met een kleine meevloog zodat het verschil in formaat goed te zien was, en tenslotte een juveniele vorkstaartmeeuw die weliswaar vrij ver maar toch goed herkenbaar over zee vloog. Alles naar zuid. En om ons bij de les te houden geregeld jan van genten, grote sterns, een zwarte stern en een juveniele drieteenmeeuw. Onder meer.
Al met al een zeer bevredigende opbrengst waarna, om een uur of half 10, de boel volkomen stilviel en er helemaal niks meer vloog. We probeerden nog wat op de Maasvlakte zelf maar dat leverde niet al te veel op. Het was er stil, en wellicht woei het er te hard. Dat kon echter geenszins ons goede gevoel wegnemen. Toen echter het bericht binnenkwam van een siberische strandloper bij Camperduin, was dat goede gevoel ineens helemaal verdwenen. Want wat is een vorkstaartmeeuw waard, vergeleken met een siberische strandloper?
Siberische strandloper is zeldzaam, en niet zo’n beetje: slechts acht keer eerder in Nederland. Nieuw zou-ie niet zijn voor me: acht jaar geleden had ik ‘m al eens toen we toevallig een weekje herfstvakantie hielden op Ameland, juist toen er daar een gevonden was. Maar volgens de berichten en de eerste foto’s liet deze zich vele malen beter zien dan de vogel destijds.
Sta je dan op de Maasvlakte. Erik moest tijdig thuis zijn en is sowieso niet zo van het twitchen dus nee, met de auto ging ik er niet komen. Om kwart over twee waren we terug bij stadion Galgenwaard. Wat te doen?
Om te beginnen maar eens naar het station gefietst. Zou ik daar wel zien of ik er een trein ging nemen.
Op het station toch maar in een trein gestapt. En in Uitgeest toch maar in de bus gestapt die vanwege spoorwerkzaamheden, ook dat nog, was ingezet om ons naar Alkmaar te brengen. Dit was natuurlijk gekkenwerk, bedacht toen ik in Alkmaar een uur moest wachten op de bus naar Camperduin. Zondagmiddag: één bus per uur, en de vorige was net een paar minuten weg. Sta je dan te wachten op een winderig busstation, terwijl je je, vanochtend immers om half 5 opgestaan, nog zo had verheugd op een welverdiende luie middag en avond thuis. Het zou laat worden vanavond, had ik het thuisfront inmiddels gemeld.
Maar kort voor 5 uur in de middag was daar dan toch de bus naar Camperduin, en even na kwart over 5 stapte ik uit aan de Hondsboschse weg te Camperduin.
Grijs, miezerig, winderig. Dreigende luchten pakten samen achter het dijklichaam. Het oogde als een cliché, als een mooi maar ook wat onheilspellend oudhollands schilderij. Maar verderop een enigszins geruststellend groepje vogelaars, ja, dit ging warempel goed komen, begon ik te geloven. In één ruk van Maasvlakte naar Camperduin: meer iets voor autovogelaars maar ook (half, moet ik er eerlijkheidshalve aan toevoegen) met OV kan het. Want om even over half 6 stond ik naar een werkelijk schitterende siberische strandloper te kijken, zo zeldzaam en zo anders dan de omringende bonte strandlopers. Kijk toch dat roodachtige petje, kijk toch die lichte wenkbrauwstreep. Rossig bruine kleuren, mooie snipstrepen over de rug en vooral subtiele pijlpuntjes op de flanken. Ik geef toe, het zijn details, je moet er oog voor hebben, maar een vogel uit het boekje. Wat was ik blij dat ik niet thuis van een welverdiende luie middag en avond zat te genieten.
Niets is zo heerlijk als teruglopen van een succesvolle toptwitch. Als alle spanning, alle onrust zijn weggewaaid en je alleen maar met een big smile op je gezicht loopt na te genieten. Ik kan dat iedereen aanraden. Zelfs in de regen. Het leven kan zo simpel zijn: geef mij zo’n siberische strandloper en ik ben weer een week gelukkig.
6 september 2015
Al met al een zeer bevredigende opbrengst waarna, om een uur of half 10, de boel volkomen stilviel en er helemaal niks meer vloog. We probeerden nog wat op de Maasvlakte zelf maar dat leverde niet al te veel op. Het was er stil, en wellicht woei het er te hard. Dat kon echter geenszins ons goede gevoel wegnemen. Toen echter het bericht binnenkwam van een siberische strandloper bij Camperduin, was dat goede gevoel ineens helemaal verdwenen. Want wat is een vorkstaartmeeuw waard, vergeleken met een siberische strandloper?
Siberische strandloper is zeldzaam, en niet zo’n beetje: slechts acht keer eerder in Nederland. Nieuw zou-ie niet zijn voor me: acht jaar geleden had ik ‘m al eens toen we toevallig een weekje herfstvakantie hielden op Ameland, juist toen er daar een gevonden was. Maar volgens de berichten en de eerste foto’s liet deze zich vele malen beter zien dan de vogel destijds.
Sta je dan op de Maasvlakte. Erik moest tijdig thuis zijn en is sowieso niet zo van het twitchen dus nee, met de auto ging ik er niet komen. Om kwart over twee waren we terug bij stadion Galgenwaard. Wat te doen?
Om te beginnen maar eens naar het station gefietst. Zou ik daar wel zien of ik er een trein ging nemen.
Op het station toch maar in een trein gestapt. En in Uitgeest toch maar in de bus gestapt die vanwege spoorwerkzaamheden, ook dat nog, was ingezet om ons naar Alkmaar te brengen. Dit was natuurlijk gekkenwerk, bedacht toen ik in Alkmaar een uur moest wachten op de bus naar Camperduin. Zondagmiddag: één bus per uur, en de vorige was net een paar minuten weg. Sta je dan te wachten op een winderig busstation, terwijl je je, vanochtend immers om half 5 opgestaan, nog zo had verheugd op een welverdiende luie middag en avond thuis. Het zou laat worden vanavond, had ik het thuisfront inmiddels gemeld.
Maar kort voor 5 uur in de middag was daar dan toch de bus naar Camperduin, en even na kwart over 5 stapte ik uit aan de Hondsboschse weg te Camperduin.
Grijs, miezerig, winderig. Dreigende luchten pakten samen achter het dijklichaam. Het oogde als een cliché, als een mooi maar ook wat onheilspellend oudhollands schilderij. Maar verderop een enigszins geruststellend groepje vogelaars, ja, dit ging warempel goed komen, begon ik te geloven. In één ruk van Maasvlakte naar Camperduin: meer iets voor autovogelaars maar ook (half, moet ik er eerlijkheidshalve aan toevoegen) met OV kan het. Want om even over half 6 stond ik naar een werkelijk schitterende siberische strandloper te kijken, zo zeldzaam en zo anders dan de omringende bonte strandlopers. Kijk toch dat roodachtige petje, kijk toch die lichte wenkbrauwstreep. Rossig bruine kleuren, mooie snipstrepen over de rug en vooral subtiele pijlpuntjes op de flanken. Ik geef toe, het zijn details, je moet er oog voor hebben, maar een vogel uit het boekje. Wat was ik blij dat ik niet thuis van een welverdiende luie middag en avond zat te genieten.
Niets is zo heerlijk als teruglopen van een succesvolle toptwitch. Als alle spanning, alle onrust zijn weggewaaid en je alleen maar met een big smile op je gezicht loopt na te genieten. Ik kan dat iedereen aanraden. Zelfs in de regen. Het leven kan zo simpel zijn: geef mij zo’n siberische strandloper en ik ben weer een week gelukkig.
6 september 2015
woensdag 2 september 2015
Nazomerdepressie
Terug in Nederland na drie fantastische weken Kaapverdië ging ik om te beginnen op zoek naar een waterrietzanger in Waverhoek: niets. Daarna ging ik op zoek naar een waterrietzanger in de Groene Jonker: noppes. Een draaihals dan, gevonden nabij de Hoogekampse plas: nada. Kwartelkoning in hartje Utrecht: njet. Kon ook niet waar zijn natuurlijk, maar toch: op de foto stond er een. Lachstern bij Petten dan: ook al niet. Hier tekende zich een forse nazomerdepressie af. De excursie met vogelwacht Utrecht naar de kop van Noord-Holland moest helpen die te boven te komen, maar ook dat lukte niet helemaal. Geen vale pijl over zee bij Camperduin, oké, kan gebeuren. Maar daarna: opnieuw de lachsterns gedipt, draaihals en sperwergrasmus misgelopen in de duinen bij Den Helder en geen reuzensterns meer bij de Kinseldam. Het moest verdorie niet gekker worden. Dat roodpootvalk gevlogen was, daar had het de vorige dag al naar uit gezien dus technisch gezien was dat geen dip. Maar toch. En dat achteraf ook nog een late waterrietzanger was gemeld, zien we dan maar door de vingers. Maar het mag duidelijk zijn: het nieuwe seizoen komt nog niet echt lekker op gang.
Gelukkig wel liefst vijf grauwe franjepoten bij elkaar in de Nollen van Abbestede, ten noorden van Callantsoog. Nooit eerder zoveel bij elkaar gezien: prachtig. Ook de paar juveniele krombekstrandlopers in een grote groep kieviten, kemphanen en watersnippen waren het genieten waard. En toen in de duinen van de Oude Vuilnisbelt bij Den Helder ineens die twee zwarte ibissen laag over ons heen vlogen, waren al die dips van de afgelopen weken voor even weer vergeten. Want die mogen dan de afgelopen jaren een flinke inflatie hebben ondergaan, om er zomaar spontaan tegenaan te lopen, dat vind ik toch nog steeds een belevenis. Bovendien gewoon mooie vogels. Maar verder hier slechts braamsluiper, grasmus, zwartkop en dergelijke. Van de hier gisteren nog gemelde draaihals en sperwergrasmus geen spoor.
Een nazomerdepressie dus. Ik dacht ‘m krachtig te bestrijden door dan maar een bijna niet te missen draaihals in Rijswijk te gaan twitchen. Bijna niet te missen? Sta je dan, met een man of tien, langs een drukke straat te wachten op een draaihals die niet kwam. Urban birding: leuk hoor, maar niet als de vogel zich niet vertoont. Na dik een uur onverrichterzaken maar weer naar het werk gegaan.
Uitzieken, dat is het enige dat erop zit, zegt de dokter dan. Rustig afwachten, gaat wel over.
Het is een kwestie van evenwicht, van balans. Alle wereldgodsdiensten en levensfilosofieën reppen erover. Zelfs in de bijbel staat het. Na zeven jaren, of drie weken van overvloed volgen even zovele weken van schaarste. Drie weken schraalhans dus, gemeten vanaf onze terugkeer van Kaapverdië, daarna zou het over moeten zijn. Vanaf komend weekend zal het beter gaan.
2 september 2015
Gelukkig wel liefst vijf grauwe franjepoten bij elkaar in de Nollen van Abbestede, ten noorden van Callantsoog. Nooit eerder zoveel bij elkaar gezien: prachtig. Ook de paar juveniele krombekstrandlopers in een grote groep kieviten, kemphanen en watersnippen waren het genieten waard. En toen in de duinen van de Oude Vuilnisbelt bij Den Helder ineens die twee zwarte ibissen laag over ons heen vlogen, waren al die dips van de afgelopen weken voor even weer vergeten. Want die mogen dan de afgelopen jaren een flinke inflatie hebben ondergaan, om er zomaar spontaan tegenaan te lopen, dat vind ik toch nog steeds een belevenis. Bovendien gewoon mooie vogels. Maar verder hier slechts braamsluiper, grasmus, zwartkop en dergelijke. Van de hier gisteren nog gemelde draaihals en sperwergrasmus geen spoor.
Een nazomerdepressie dus. Ik dacht ‘m krachtig te bestrijden door dan maar een bijna niet te missen draaihals in Rijswijk te gaan twitchen. Bijna niet te missen? Sta je dan, met een man of tien, langs een drukke straat te wachten op een draaihals die niet kwam. Urban birding: leuk hoor, maar niet als de vogel zich niet vertoont. Na dik een uur onverrichterzaken maar weer naar het werk gegaan.
Uitzieken, dat is het enige dat erop zit, zegt de dokter dan. Rustig afwachten, gaat wel over.
Het is een kwestie van evenwicht, van balans. Alle wereldgodsdiensten en levensfilosofieën reppen erover. Zelfs in de bijbel staat het. Na zeven jaren, of drie weken van overvloed volgen even zovele weken van schaarste. Drie weken schraalhans dus, gemeten vanaf onze terugkeer van Kaapverdië, daarna zou het over moeten zijn. Vanaf komend weekend zal het beter gaan.
2 september 2015
dinsdag 1 september 2015
Bart-Jan
Ik ben geen held, wat vliegen betreft. Ook niet wat allerlei andere dingen betreft, bijvoorbeeld diepe afgronden en dochters die over muurtjes heen in die diepe afgronden willen kijken, maar dat doet er even niet toe. Maar vliegen, dat zal nooit een hobby van me worden. Ik keek het afgelopen half jaar erg uit naar onze vakantie naar Kaapverdië, maar er was één aspect waar ik wel wat tegenop zag: de vliegreis. En dan niet eens zozeer het neerstorten want ach, dan was toch alles afgelopen en trouwens, ik moest toegeven: het afgelopen half jaar was er in de wijde omtrek van Kaapverdië niet een vliegtuig neergestort dus dat zou wel erg toevallig zijn. Maar die overstap in Lissabon (zowel heen als terug, maar terug was van latere zorg) … We hadden ongeveer een uur en dat was zelfs volgens onze contactpersoon bij Fly Caboverde best krap. Ik zag ons dus al die aansluiting missen en drie weken lang dwalen van het kastje in de ene vliegveldhal naar de muur in een andere. Zouden we wel ooit Kaapverdië bereiken?
Drie weken later en een keur aan herinneringen rijker, ook aan allerlei zaken waar ik nog niet eens over geschreven heb, zoals de straatverkoopsters in Mindelo, de vele vrouwen die rondlopen met zwaarbeladen mand op hun hoofd, over Afrika gesproken …, en bulwers stormvogels, jawel, nota bene bulwers stormvogels vanaf de boot naar São Nicolau, vliegende vissen ook en dartelende dolfijnen op zee en de zeeschildpadden in de branding waar Harriët zo blij van werd, al die dingen later is inmiddels wel duidelijk dat het allemaal is goed gekomen. Zoals iedereen me vooraf had verzekerd.
In Lissabon stond al een dame in uniform klaar om de passagiers voor Sal naar de juiste hal te dirigeren. Paspoortcontrole dreigde nog even roet in het eten te gooien maar uiteindelijk zaten we in ons vliegtuig. ‘Cabo Verde here we come’, schreef ik in mijn aantekeningenboekje, refererend aan de teksten die op Schiphol op de slurven waren aangebracht, zij het met iets gangbaarder bestemmingen, Milaan en Berlijn bijvoorbeeld. Zo reisden we onze reis, of eerder: zo reisde de reis onze reis voor ons. Die reis wordt als het ware aan je opgelegd. Daar heb je eigenlijk geen omkijken naar. Je kunt niet veel meer doen dan simpelweg wat van je verwacht wordt. Het grootste deel van de reis is dat niet meer dan stil in je stoel blijven zitten en de tijd vullen met je gedachten en dat is zo ingewikkeld niet. En uiteindelijk komt alles goed: op Sal zagen we de volgende ochtend zelfs een van onze rugzakken boven op het bagagekarretje liggen dat naar ons volgende vliegtuig gereden werd. Dan zouden de andere er ook wel liggen. Daarmee was een van mijn laatste zorgen weggenomen.
Eén keer ging het mis: op de terugweg in Lissabon misten we onze aansluiting. En achteraf was dat het beste wat ons op dat moment kon overkomen. Om half negen ’s morgens stonden we op het vliegveld, en pas om 8 uur ’s avonds ging er een vliegtuig naar Schiphol dat plek voor ons had: we hadden een gratis dagje Lissabon cadeau gekregen! In de zon op het Praca do Commercio gestaan, aan de Taag gezeten, vele vale gierzwaluwen gezien, de oude burcht die achter de huizen verrijst, en de kathedraal: spoedcursusje Lissabon voor eendagstoeristen.
En trouwens ook: meeuwen! En spreeuwen en merels en parkieten!
Toeval bestaat niet, naar het schijnt, maar toch: juist die dag was Bart-Jan jarig, onze reisleider op afstand, jongste broer van Harriët die vele jaren geleden naar Portugal is vertrokken en met zijn Kaapverdische bruid in Lissabon woont. Een echte expat, in Nederland gestudeerd en in Lissabon werkzaam op een geografisch instituut. We hebben heel wat contact gehad met Bart-Jan de afgelopen weken, per telefoon en per WhatsApp, en nu konden we hem nog net even in levende lijve ontmoeten en de eerste vakantieverhalen delen. Op Martin Moniz, mooi pleintje op een van de heuvelen van de stad, met fontein en met vele eetkraampjes waar je naar keuze je eten kon uitzoeken om het waar je maar wilt in de schaduw aan een tafeltje te gaan opeten. Na onze lunch door kleine en wat grotere straatjes door mooi en tamelijk karakteristiek stukje Lissabon met hoge, soms afbladderende huizen met smalle balkonnetjes met sierlijk ijzeren smeedwerk, omhoog gewandeld naar een parkje met druk bezochte zwembak en met uitzicht over half Lissabon waar we het moment afwachtten dat we weer naar het vliegveld moesten. Waar we natuurlijk veel te vroeg waren maar ook dat is vliegen: wachten, heel veel wachten. Nee, mijn hobby is het niet.
Drie weken later en een keur aan herinneringen rijker, ook aan allerlei zaken waar ik nog niet eens over geschreven heb, zoals de straatverkoopsters in Mindelo, de vele vrouwen die rondlopen met zwaarbeladen mand op hun hoofd, over Afrika gesproken …, en bulwers stormvogels, jawel, nota bene bulwers stormvogels vanaf de boot naar São Nicolau, vliegende vissen ook en dartelende dolfijnen op zee en de zeeschildpadden in de branding waar Harriët zo blij van werd, al die dingen later is inmiddels wel duidelijk dat het allemaal is goed gekomen. Zoals iedereen me vooraf had verzekerd.
In Lissabon stond al een dame in uniform klaar om de passagiers voor Sal naar de juiste hal te dirigeren. Paspoortcontrole dreigde nog even roet in het eten te gooien maar uiteindelijk zaten we in ons vliegtuig. ‘Cabo Verde here we come’, schreef ik in mijn aantekeningenboekje, refererend aan de teksten die op Schiphol op de slurven waren aangebracht, zij het met iets gangbaarder bestemmingen, Milaan en Berlijn bijvoorbeeld. Zo reisden we onze reis, of eerder: zo reisde de reis onze reis voor ons. Die reis wordt als het ware aan je opgelegd. Daar heb je eigenlijk geen omkijken naar. Je kunt niet veel meer doen dan simpelweg wat van je verwacht wordt. Het grootste deel van de reis is dat niet meer dan stil in je stoel blijven zitten en de tijd vullen met je gedachten en dat is zo ingewikkeld niet. En uiteindelijk komt alles goed: op Sal zagen we de volgende ochtend zelfs een van onze rugzakken boven op het bagagekarretje liggen dat naar ons volgende vliegtuig gereden werd. Dan zouden de andere er ook wel liggen. Daarmee was een van mijn laatste zorgen weggenomen.
Eén keer ging het mis: op de terugweg in Lissabon misten we onze aansluiting. En achteraf was dat het beste wat ons op dat moment kon overkomen. Om half negen ’s morgens stonden we op het vliegveld, en pas om 8 uur ’s avonds ging er een vliegtuig naar Schiphol dat plek voor ons had: we hadden een gratis dagje Lissabon cadeau gekregen! In de zon op het Praca do Commercio gestaan, aan de Taag gezeten, vele vale gierzwaluwen gezien, de oude burcht die achter de huizen verrijst, en de kathedraal: spoedcursusje Lissabon voor eendagstoeristen.
En trouwens ook: meeuwen! En spreeuwen en merels en parkieten!
Toeval bestaat niet, naar het schijnt, maar toch: juist die dag was Bart-Jan jarig, onze reisleider op afstand, jongste broer van Harriët die vele jaren geleden naar Portugal is vertrokken en met zijn Kaapverdische bruid in Lissabon woont. Een echte expat, in Nederland gestudeerd en in Lissabon werkzaam op een geografisch instituut. We hebben heel wat contact gehad met Bart-Jan de afgelopen weken, per telefoon en per WhatsApp, en nu konden we hem nog net even in levende lijve ontmoeten en de eerste vakantieverhalen delen. Op Martin Moniz, mooi pleintje op een van de heuvelen van de stad, met fontein en met vele eetkraampjes waar je naar keuze je eten kon uitzoeken om het waar je maar wilt in de schaduw aan een tafeltje te gaan opeten. Na onze lunch door kleine en wat grotere straatjes door mooi en tamelijk karakteristiek stukje Lissabon met hoge, soms afbladderende huizen met smalle balkonnetjes met sierlijk ijzeren smeedwerk, omhoog gewandeld naar een parkje met druk bezochte zwembak en met uitzicht over half Lissabon waar we het moment afwachtten dat we weer naar het vliegveld moesten. Waar we natuurlijk veel te vroeg waren maar ook dat is vliegen: wachten, heel veel wachten. Nee, mijn hobby is het niet.
Abonneren op:
Posts (Atom)

