donderdag 29 januari 2026

De troepiaal van Capelle a/d IJssel

Eigenlijk was het op het perron van Utrecht CS al wel duidelijk, nog niet eens in de trein dus ik kon ook nog gewoon niet instappen: dit ging hem niet worden. Alle deskundigen waren het eens en de argumenten waren niet te weerleggen, zeker niet door mij want wat weet ik van troepialen? De troepiaal van Capelle a/d IJssel was niet de gehoopte glanstroepiaal, trekvogel in Noord-Amerika en dus een potentiële dwaalgast in Europa, en was dus geen mogelijke glorieuze toevoeging aan mijn Nederlandse lijst, maar een caribische troepiaal, standvogel van de Cariben die nooit zelfstandig Europa kan bereiken en dus als exoot wordt beschouwd. Ergens uit een kooitje dus, of heel misschien met een boot. Nou sta ik niet onwelwillend tegenover bootreizigers, ik beschouw dat toch als een hedendaagse vorm van natuurlijke verspreiding, maar daarvoor bestaat geen enkel bewijs. Geen +1 dus. Wat deed ik hier dan nog? Waarom zou ik niet terug naar huis gaan, gewoon achter de computer plaats nemen om weer de dagelijkse sleur te ondergaan, in plaats van met de trein mee naar Capelle a/d IJssel te reizen?
Toch stapte ik in en bleef zitten tot Capelle Schollevaar, stapte daar op de fiets en fietste naar het desbetreffende buitenwijkje, het avontuur tegemoet. Want exoot of niet, het werd gewoon weer een heuse twitch. Met alle chaos, ongeduld en opwinding van dien. Met tientallen (jazeker, ondanks zijn gedevalueerde status waren er nog altijd tientallen vogelaars op hem af gekomen) zwierven we door het wijkje, liepen door straatjes en doorgangetjes, langs speelweiden en kinderspeelplaatsjes, holden af en toe elkaar achterna en speurden in tuintjes, op voedertafels, naar dakranden en in bomen vol spreeuwen. Af en toe verbaasd nagestaard door buurtbewoners. En toen we hem eindelijk vonden, leed de euforie totaal niet onder zijn gedevalueerde status. Vooral niet toen we hem zo fraai in beeld kregen, dichtbij op en bij een voedertafel in een van de vele voortuintjes, dat de camera’s om me heen volop ratelden. Een exoot, ja, maar wat een gaaf beest! Die subtiele tinten zwart en grijs, die witte kraaloogjes, die immer verbaasde blik, die lange, licht gekromde dolksnavel. Hij was net even anders dan wij in Nederland kennen, met net even andere verhoudingen, iets tussen een merel en een kraai in maar met het formaat van amper meer dan een spreeuw, wat overigens de determinatie als caribische al grotendeels weggaf. Ja, al met al hield ik er een fijne herinnering aan over en is dat niet waar het bij dat vogelen van ons uiteindelijk om gaat?

27 januari 2026

zaterdag 17 januari 2026

Hardenberg

Het was vandaag de tweede keer ooit dat ik in Hardenberg uit de trein ben gestapt, en tevens de tweede keer dat dat een stevige dip tot gevolg had. Jaren geleden alweer was ik er vergeefs op zoek naar mijn eerste ringsnaveleend, in de Overijsselse Vecht. Dat is later nog helemaal goed gekomen. Dit keer is dat nog maar de vraag. Want na 10 kilometer fietsen door grauwe velden onder grijze luchten, urenlang vergeefs op zoek geweest naar de hutchins canadese gans die de afgelopen dagen verblijf hield tussen de rietganzen in Het Bovenveld bij Kloosterhaar. Hutchins, ondersoort van kleine canadese gans, is de enige van het cohort canadese ganzen die verondersteld wordt Europa als wilde vogel te kunnen bereiken en daardoor telbaar is. Nou is telbaarheid natuurlijk maar een boekhoudkundig gegeven, maar het gevoel dat je bedwelmt als je kijkt naar een (mogelijk, moet je er altijd bij zeggen) wilde vogel, dat is toch heel anders dan als je naar een vogel kijkt die uit een kooi komt.
Hard gezocht, en ik was niet de enige. Honderden toendrarietganzen, prachtige toendrarietganzen want dat vind ik een fijn gansje, maar we konden er geen canadees tussen vinden. Dat wordt nog even wachten op mijn eerste hutchins, als-ie al ooit komt. Hardenberg intussen blijft zitten met een beroerde reputatie, al weet Hardenberg zelf daar niets van.
Nou stond hutchins canadese gans niet eens heel hoog op mijn verlanglijstje (toegegeven, dat stond brileider ook niet, maar dat was om een heel andere reden). Maar als er dan eentje gemeld wordt, enkele dagen stabiel op een voor mij goed bereikbare locatie (nadat ik hem vorig jaar had laten schieten omdat-ie juist nooit stabiel op een voor mij goed bereikbare locatie zat), ja, dan gaat er op een gegeven moment toch iets kriebelen. Wel een nieuwe soort immers, een echte lifer want ook nog nooit in het buitenland. Dus dan besluit je toch maar te gaan en is dat besluit eenmaal genomen, dan wil je hem natuurlijk hebben ook. Dan ontstaat er een bijna fysiek verlangen naar iets waar je eerder nooit naar verlangd hebt.
Het was me niet gegund maar ik kon daar dus wel mee leven. De troostprijzen waren bovendien meer dan acceptabel. Nog afgezien van de rietganzen. Op en rond de akkers overwinterden geelgorzen en onderweg had ik onder andere grote lijster, groene specht en twee kleine rietganzen tussen de riet- en kolganzen. En toen terug in Hardenberg een rode wouw overvloog, was alles vergeten en vergeven en was het met de reputatie van Hardenberg ook wel weer oké. Want met een rode wouw op zak is klagen natuurlijk verboden.

13 januari 2026


Meer dips: Noordbroek
Mijn weblogkasteel

zaterdag 10 januari 2026

Oud en nieuw op Schier

Het is langzamerhand een heuse traditie: oud & nieuw met het hele gezin op een Waddeneiland. Ingeklemd tussen het Noordzeestrand en de Waddendijk; tussen de westpunt in het westen en de oostpunt in het oosten. Daar heb je het mee te doen, daartussen speelt zich alles af, voor zover er zich iets afspeelt. Dit keer was het op Schiermonnikoog en het was weer een fijne week, met alles erop en eraan: zon en wind, veel wind, en buien, veel buien. Wad en polder, duinen en strand. De Westerplas in het westen en Kobbeduinen in het oosten. De lichtjesversieringen aan de gevels van Hotel van der Werff, het karbietschieten op een weiland op oudejaarsdag, de kerstboom in het plantsoen midden in het dorp. Met bonte kraai, al kort na aankomst vanuit het kamerbrede panoramaraam van ons huisje. En met zwarte en witbuikrotgans, inmiddels ook een beetje een traditie rond oud en nieuw.
Met bonte kraai had ik trouwens geluk deze week: het was zowat mijn eerste soort op het eiland, zowat mijn laatste soort, toen we in ons vakantiehuisje zaten te wachten tot het tijd was om de bushalte op te zoeken, en ook nog eens zowat mijn eerste soort in het nieuwe jaar (mijn vierde om precies te zijn). Pech had ik daarentegen met strandleeuwerik: dagelijks en op sommige dagen meerdere keren checkte ik de halfkale akker achter de Waddendijk waar zowat iedereen ze telkens weer had, maar nooit zaten ze er als ik er was.
Dat was ongeveer ons weekje Schiermonnikoog in een notendop.
We zaten in een vakantiehuisje in de duinen aan het eind van de Badweg. Ons kamerbrede panoramaraam gaf uitzicht op de buitenste duinen, op een reepje zee, op het badhotel en dus af en toe op bonte kraai. Het strand was op loopafstand, met een fraaie strook woeste pioniersduinen met stukken riet en bulten met stekelig kreupelhout en verderop naar het westen mooie brede lagunes, en Westerplas, polder, wad en het Baken op fietsafstand (zoals natuurlijk alles op Schier, behalve voorbij Kobbeduinen waar je niet meer fietsen kunt). Al op de eerste dag na aankomst deed ik ze allemaal: wandelen over het strand en fietsen langs de Westerplas, langs het wad en langs de Banckspolder naar het Baken Kobbeduin. En was ik er klaar mee. Al moest ik nog wel even in het nieuwe jaar zwarte en witbuikrotgans binnenhalen, wat lukte, en strandleeuwerik, wat dus niet lukte. En een parade van niet echt bijzondere maar wel altijd weer leuke waddensoorten als brandgans (duizenden), rotgans (honderden), pijlstaart (tientallen), blauwe kiekendief (mooie man jagend bij Kobbeduinen), kanoet en zilverplevier.
We sloten af met hagel en sneeuw. Toen op zaterdag het nieuws doordrong van overvloedige sneeuwval in de rest van het land, waren we wel een beetje jaloers want op Schier bleven we geheel verstoken van dergelijke winterse taferelen. Tot aan het eind van de dag toen ik nog even bij loeiharde wind en met onheilspellende buienluchten in het verre oosten, met Renske het strand op ging en we daar getroffen werden door een hagelbui die in korte tijd het landschap toch nog een wit, winters tintje verschafte.
De volgende ochtend was ook op Schier de wereld wit. Het was een cadeautje. Gewandeld, eerst over het strand en door de buitenste duinen en later door de binnenduinen en langs duinbossen, en gezien hoe het duinlandschap steeds witter kleurde en steeds sprookjesachtiger werd. Zodat ook wij nog even volop konden genieten van de winterse pracht die Nederland deze eerste dagen van het nieuwe jaar in zijn greep hield. Mooier konden we ons weekje Schiermonnikoog niet afsluiten.

4 januari 2026


Meer Wadden? Jaarwisseling
Mijn weblogkasteel