Eigenlijk was het op het perron van Utrecht CS al wel duidelijk, nog niet eens in de trein dus ik kon ook nog gewoon niet instappen: dit ging hem niet worden. Alle deskundigen waren het eens en de argumenten waren niet te weerleggen, zeker niet door mij want wat weet ik van troepialen? De troepiaal van Capelle a/d IJssel was niet de gehoopte glanstroepiaal, trekvogel in Noord-Amerika en dus een potentiële dwaalgast in Europa, en was dus geen mogelijke glorieuze toevoeging aan mijn Nederlandse lijst, maar een caribische troepiaal, standvogel van de Cariben die nooit zelfstandig Europa kan bereiken en dus als exoot wordt beschouwd. Ergens uit een kooitje dus, of heel misschien met een boot. Nou sta ik niet onwelwillend tegenover bootreizigers, ik beschouw dat toch als een hedendaagse vorm van natuurlijke verspreiding, maar daarvoor bestaat geen enkel bewijs. Geen +1 dus. Wat deed ik hier dan nog? Waarom zou ik niet terug naar huis gaan, gewoon achter de computer plaats nemen om weer de dagelijkse sleur te ondergaan, in plaats van met de trein mee naar Capelle a/d IJssel te reizen?
Toch stapte ik in en bleef zitten tot Capelle Schollevaar, stapte daar op de fiets en fietste naar het desbetreffende buitenwijkje, het avontuur tegemoet. Want exoot of niet, het werd gewoon weer een heuse twitch. Met alle chaos, ongeduld en opwinding van dien. Met tientallen (jazeker, ondanks zijn gedevalueerde status waren er nog altijd tientallen vogelaars op hem af gekomen) zwierven we door het wijkje, liepen door straatjes en doorgangetjes, langs speelweiden en kinderspeelplaatsjes, holden af en toe elkaar achterna en speurden in tuintjes, op voedertafels, naar dakranden en in bomen vol spreeuwen. Af en toe verbaasd nagestaard door buurtbewoners. En toen we hem eindelijk vonden, leed de euforie totaal niet onder zijn gedevalueerde status. Vooral niet toen we hem zo fraai in beeld kregen, dichtbij op en bij een voedertafel in een van de vele voortuintjes, dat de camera’s om me heen volop ratelden. Een exoot, ja, maar wat een gaaf beest! Die subtiele tinten zwart en grijs, die witte kraaloogjes, die immer verbaasde blik, die lange, licht gekromde dolksnavel. Hij was net even anders dan wij in Nederland kennen, met net even andere verhoudingen, iets tussen een merel en een kraai in maar met het formaat van amper meer dan een spreeuw, wat overigens de determinatie als caribische al grotendeels weggaf. Ja, al met al hield ik er een fijne herinnering aan over en is dat niet waar het bij dat vogelen van ons uiteindelijk om gaat?
27 januari 2026
Mijn weblogkasteel
Guus’ weblog: Over vogels en wat dies meer zij
donderdag 29 januari 2026
zaterdag 17 januari 2026
Hardenberg
Het was vandaag de tweede keer ooit dat ik in Hardenberg uit de trein ben gestapt, en tevens de tweede keer dat dat een stevige dip tot gevolg had. Jaren geleden alweer was ik er vergeefs op zoek naar mijn eerste ringsnaveleend, in de Overijsselse Vecht. Dat is later nog helemaal goed gekomen. Dit keer is dat nog maar de vraag. Want na 10 kilometer fietsen door grauwe velden onder grijze luchten, urenlang vergeefs op zoek geweest naar de hutchins canadese gans die de afgelopen dagen verblijf hield tussen de rietganzen in Het Bovenveld bij Kloosterhaar. Hutchins, ondersoort van kleine canadese gans, is de enige van het cohort canadese ganzen die verondersteld wordt Europa als wilde vogel te kunnen bereiken en daardoor telbaar is. Nou is telbaarheid natuurlijk maar een boekhoudkundig gegeven, maar het gevoel dat je bedwelmt als je kijkt naar een (mogelijk, moet je er altijd bij zeggen) wilde vogel, dat is toch heel anders dan als je naar een vogel kijkt die uit een kooi komt.
Hard gezocht, en ik was niet de enige. Honderden toendrarietganzen, prachtige toendrarietganzen want dat vind ik een fijn gansje, maar we konden er geen canadees tussen vinden. Dat wordt nog even wachten op mijn eerste hutchins, als-ie al ooit komt. Hardenberg intussen blijft zitten met een beroerde reputatie, al weet Hardenberg zelf daar niets van.
Nou stond hutchins canadese gans niet eens heel hoog op mijn verlanglijstje (toegegeven, dat stond brileider ook niet, maar dat was om een heel andere reden). Maar als er dan eentje gemeld wordt, enkele dagen stabiel op een voor mij goed bereikbare locatie (nadat ik hem vorig jaar had laten schieten omdat-ie juist nooit stabiel op een voor mij goed bereikbare locatie zat), ja, dan gaat er op een gegeven moment toch iets kriebelen. Wel een nieuwe soort immers, een echte lifer want ook nog nooit in het buitenland. Dus dan besluit je toch maar te gaan en is dat besluit eenmaal genomen, dan wil je hem natuurlijk hebben ook. Dan ontstaat er een bijna fysiek verlangen naar iets waar je eerder nooit naar verlangd hebt.
Het was me niet gegund maar ik kon daar dus wel mee leven. De troostprijzen waren bovendien meer dan acceptabel. Nog afgezien van de rietganzen. Op en rond de akkers overwinterden geelgorzen en onderweg had ik onder andere grote lijster, groene specht en twee kleine rietganzen tussen de riet- en kolganzen. En toen terug in Hardenberg een rode wouw overvloog, was alles vergeten en vergeven en was het met de reputatie van Hardenberg ook wel weer oké. Want met een rode wouw op zak is klagen natuurlijk verboden.
13 januari 2026
Meer dips: Noordbroek
Mijn weblogkasteel
Hard gezocht, en ik was niet de enige. Honderden toendrarietganzen, prachtige toendrarietganzen want dat vind ik een fijn gansje, maar we konden er geen canadees tussen vinden. Dat wordt nog even wachten op mijn eerste hutchins, als-ie al ooit komt. Hardenberg intussen blijft zitten met een beroerde reputatie, al weet Hardenberg zelf daar niets van.
Nou stond hutchins canadese gans niet eens heel hoog op mijn verlanglijstje (toegegeven, dat stond brileider ook niet, maar dat was om een heel andere reden). Maar als er dan eentje gemeld wordt, enkele dagen stabiel op een voor mij goed bereikbare locatie (nadat ik hem vorig jaar had laten schieten omdat-ie juist nooit stabiel op een voor mij goed bereikbare locatie zat), ja, dan gaat er op een gegeven moment toch iets kriebelen. Wel een nieuwe soort immers, een echte lifer want ook nog nooit in het buitenland. Dus dan besluit je toch maar te gaan en is dat besluit eenmaal genomen, dan wil je hem natuurlijk hebben ook. Dan ontstaat er een bijna fysiek verlangen naar iets waar je eerder nooit naar verlangd hebt.
Het was me niet gegund maar ik kon daar dus wel mee leven. De troostprijzen waren bovendien meer dan acceptabel. Nog afgezien van de rietganzen. Op en rond de akkers overwinterden geelgorzen en onderweg had ik onder andere grote lijster, groene specht en twee kleine rietganzen tussen de riet- en kolganzen. En toen terug in Hardenberg een rode wouw overvloog, was alles vergeten en vergeven en was het met de reputatie van Hardenberg ook wel weer oké. Want met een rode wouw op zak is klagen natuurlijk verboden.
13 januari 2026
Meer dips: Noordbroek
Mijn weblogkasteel
zaterdag 10 januari 2026
Oud en nieuw op Schier
Het is langzamerhand een heuse traditie: oud & nieuw met het hele gezin op een Waddeneiland. Ingeklemd tussen het Noordzeestrand en de Waddendijk; tussen de westpunt in het westen en de oostpunt in het oosten. Daar heb je het mee te doen, daartussen speelt zich alles af, voor zover er zich iets afspeelt. Dit keer was het op Schiermonnikoog en het was weer een fijne week, met alles erop en eraan: zon en wind, veel wind, en buien, veel buien. Wad en polder, duinen en strand. De Westerplas in het westen en Kobbeduinen in het oosten. De lichtjesversieringen aan de gevels van Hotel van der Werff, het karbietschieten op een weiland op oudejaarsdag, de kerstboom in het plantsoen midden in het dorp. Met bonte kraai, al kort na aankomst vanuit het kamerbrede panoramaraam van ons huisje. En met zwarte en witbuikrotgans, inmiddels ook een beetje een traditie rond oud en nieuw.
Met bonte kraai had ik trouwens geluk deze week: het was zowat mijn eerste soort op het eiland, zowat mijn laatste soort, toen we in ons vakantiehuisje zaten te wachten tot het tijd was om de bushalte op te zoeken, en ook nog eens zowat mijn eerste soort in het nieuwe jaar (mijn vierde om precies te zijn). Pech had ik daarentegen met strandleeuwerik: dagelijks en op sommige dagen meerdere keren checkte ik de halfkale akker achter de Waddendijk waar zowat iedereen ze telkens weer had, maar nooit zaten ze er als ik er was.
Dat was ongeveer ons weekje Schiermonnikoog in een notendop.
We zaten in een vakantiehuisje in de duinen aan het eind van de Badweg. Ons kamerbrede panoramaraam gaf uitzicht op de buitenste duinen, op een reepje zee, op het badhotel en dus af en toe op bonte kraai. Het strand was op loopafstand, met een fraaie strook woeste pioniersduinen met stukken riet en bulten met stekelig kreupelhout en verderop naar het westen mooie brede lagunes, en Westerplas, polder, wad en het Baken op fietsafstand (zoals natuurlijk alles op Schier, behalve voorbij Kobbeduinen waar je niet meer fietsen kunt). Al op de eerste dag na aankomst deed ik ze allemaal: wandelen over het strand en fietsen langs de Westerplas, langs het wad en langs de Banckspolder naar het Baken Kobbeduin. En was ik er klaar mee. Al moest ik nog wel even in het nieuwe jaar zwarte en witbuikrotgans binnenhalen, wat lukte, en strandleeuwerik, wat dus niet lukte. En een parade van niet echt bijzondere maar wel altijd weer leuke waddensoorten als brandgans (duizenden), rotgans (honderden), pijlstaart (tientallen), blauwe kiekendief (mooie man jagend bij Kobbeduinen), kanoet en zilverplevier.
We sloten af met hagel en sneeuw. Toen op zaterdag het nieuws doordrong van overvloedige sneeuwval in de rest van het land, waren we wel een beetje jaloers want op Schier bleven we geheel verstoken van dergelijke winterse taferelen. Tot aan het eind van de dag toen ik nog even bij loeiharde wind en met onheilspellende buienluchten in het verre oosten, met Renske het strand op ging en we daar getroffen werden door een hagelbui die in korte tijd het landschap toch nog een wit, winters tintje verschafte.
De volgende ochtend was ook op Schier de wereld wit. Het was een cadeautje. Gewandeld, eerst over het strand en door de buitenste duinen en later door de binnenduinen en langs duinbossen, en gezien hoe het duinlandschap steeds witter kleurde en steeds sprookjesachtiger werd. Zodat ook wij nog even volop konden genieten van de winterse pracht die Nederland deze eerste dagen van het nieuwe jaar in zijn greep hield. Mooier konden we ons weekje Schiermonnikoog niet afsluiten.
4 januari 2026
Meer Wadden? Jaarwisseling
Mijn weblogkasteel
Met bonte kraai had ik trouwens geluk deze week: het was zowat mijn eerste soort op het eiland, zowat mijn laatste soort, toen we in ons vakantiehuisje zaten te wachten tot het tijd was om de bushalte op te zoeken, en ook nog eens zowat mijn eerste soort in het nieuwe jaar (mijn vierde om precies te zijn). Pech had ik daarentegen met strandleeuwerik: dagelijks en op sommige dagen meerdere keren checkte ik de halfkale akker achter de Waddendijk waar zowat iedereen ze telkens weer had, maar nooit zaten ze er als ik er was.
Dat was ongeveer ons weekje Schiermonnikoog in een notendop.
We zaten in een vakantiehuisje in de duinen aan het eind van de Badweg. Ons kamerbrede panoramaraam gaf uitzicht op de buitenste duinen, op een reepje zee, op het badhotel en dus af en toe op bonte kraai. Het strand was op loopafstand, met een fraaie strook woeste pioniersduinen met stukken riet en bulten met stekelig kreupelhout en verderop naar het westen mooie brede lagunes, en Westerplas, polder, wad en het Baken op fietsafstand (zoals natuurlijk alles op Schier, behalve voorbij Kobbeduinen waar je niet meer fietsen kunt). Al op de eerste dag na aankomst deed ik ze allemaal: wandelen over het strand en fietsen langs de Westerplas, langs het wad en langs de Banckspolder naar het Baken Kobbeduin. En was ik er klaar mee. Al moest ik nog wel even in het nieuwe jaar zwarte en witbuikrotgans binnenhalen, wat lukte, en strandleeuwerik, wat dus niet lukte. En een parade van niet echt bijzondere maar wel altijd weer leuke waddensoorten als brandgans (duizenden), rotgans (honderden), pijlstaart (tientallen), blauwe kiekendief (mooie man jagend bij Kobbeduinen), kanoet en zilverplevier.
We sloten af met hagel en sneeuw. Toen op zaterdag het nieuws doordrong van overvloedige sneeuwval in de rest van het land, waren we wel een beetje jaloers want op Schier bleven we geheel verstoken van dergelijke winterse taferelen. Tot aan het eind van de dag toen ik nog even bij loeiharde wind en met onheilspellende buienluchten in het verre oosten, met Renske het strand op ging en we daar getroffen werden door een hagelbui die in korte tijd het landschap toch nog een wit, winters tintje verschafte.
De volgende ochtend was ook op Schier de wereld wit. Het was een cadeautje. Gewandeld, eerst over het strand en door de buitenste duinen en later door de binnenduinen en langs duinbossen, en gezien hoe het duinlandschap steeds witter kleurde en steeds sprookjesachtiger werd. Zodat ook wij nog even volop konden genieten van de winterse pracht die Nederland deze eerste dagen van het nieuwe jaar in zijn greep hield. Mooier konden we ons weekje Schiermonnikoog niet afsluiten.
4 januari 2026
Meer Wadden? Jaarwisseling
Mijn weblogkasteel
dinsdag 16 december 2025
Aan de Pontweg op Texel
‘Nou, dames en heren, het kostte bloed, zweet en tranen, maar we hebben hem.’ Ofwel: we got him. Gaat dit over Saddam Hoessein? Of over Osama Bin Laden? Nee, het gaat over maskergors, onooglijk musje in een tuintje aan de Pontweg op Texel. Onooglijk, maar wel uiterst zeldzaam. En pas de eerste twitchbare voor Nederland, de eerste die voor meer dan een enkeling was weggelegd.
Maar dit gaat natuurlijk vooral over dat bloed, dat zweet en die tranen. Zaterdagochtend werd een maskergors ontdekt bij een huisje aan de Pontweg op Texel. Amper twee kilometer fietsen vanaf de veerhaven, zag ik. Het kostte me enige momenten van overpeinzing maar toen besloot ik dat dit te mooi was om te laten lopen: ik moest gaan. Op de vouwfiets naar het station (daar was het zweet al), met de trein naar Den Helder, overvaren: om twee uur was ik ter plaatse. Te laat, helaas. Deze was alleen weggelegd voor mensen die al dan niet toevallig al op Texel waren. Kort voor 11 uur voor het laatst gezien en daarna de verdere dag onvindbaar. Met honderden hebben we lopen zoeken en staan wachten in het toenmalige winterzonnetje maar het mocht niet baten. Allemaal gingen we onverrichterzake weer naar huis. Het was mijn grootste massadip ooit.
Zondag waren we met vogelwacht Utrecht naar het hoge noorden. Peazemerlannen, met een heerlijke groep van over de honderd fraters en een prachtige velduil, onder andere, en nieuws van Texel: maskergors toch weer aanwezig. Aanvankelijk bood de wetenschap dat de vogel opnieuw na half 11 of zo niet was teruggevonden nog enige troost, maar vanaf een uur of 1 druppelden de onheilsberichten weer binnen: werd herhaaldelijk en door velen gezien. Dat werd opnieuw Texel morgen.
Dus vanochtend om zes uur de trein, om half 9 de boot, en al meteen een eerste melding: maskergors was alweer teruggevonden. Ha, dat kwam wel goed. Waarna we vanaf 9 uur urenlang met tientallen rondhingen rond het huisje en de tuin aan de Pontweg op Texel. Een grauwe lucht, een koude wind, tranende ogen (het bloed moet u er maar zelf bij verzinnen) en vergeefs turen in het tuintje. Turen naar de heg, turen in de kale boompjes, turen in de kale takken boven het mini-kerstboompje in het bloemperk, turen tussen de mussen in het gras maar van maskergors geen spoor. Een passerende houtsnip bood nog enige troost maar eigenlijk was dit niet leuk meer: twee dagen verspillen aan een vogel die zich niet laat zien. En intussen alleen maar kou lijden want die zachte winter waar ze het alsmaar over hebben, die was hier in geen velden of wegen te bekennen. En ik vervloekte mezelf, niet voor het eerst: waarom doe ik mezelf dit aan? Waarom sta ik hier, midden op het prachtige Texel, alleen maar uren lang aan een drukke weg temidden van kale velden te turen in een tuintje? En ik nam mij al voor ermee op te houden, dit nooit meer te gaan doen al wist ik natuurlijk wel dat ik er uiterlijk over een paar dagen weer anders over zou denken.
Het werd veel eerder dan over een paar dagen. Want toen die melding tot ons doordrong: vogel was vanuit de akker de tuin in gevlogen; toen mensen wezen, daar zit-ie, in die kale takken, in de knot-els, in het gras, en ik hem almaar niet vinden kon omdat ik achter een haag van vogelaars stond en tussen de kieren tussen hen in door probeerde af en toe een stukje tuin in beeld te krijgen waar dan alleen een mus rondscharrelde of met veel geluk een roodborst verscheen; maar vooral toen ik na enig dringen ineens op de eerste rij stond en al gauw de vogel in kwestie zag, geheel vrij en in vol ornaat in die kale takken boven dat mini-kerstboompje in het bloemperk en toen dat toch net iets meer bleek dan een onooglijk musje, toen wist ik al: ik ga dit een volgende keer weer doen.
15 december 2025
Meer twitchen: stormvogeltjes
Mijn weblogkasteel
Maar dit gaat natuurlijk vooral over dat bloed, dat zweet en die tranen. Zaterdagochtend werd een maskergors ontdekt bij een huisje aan de Pontweg op Texel. Amper twee kilometer fietsen vanaf de veerhaven, zag ik. Het kostte me enige momenten van overpeinzing maar toen besloot ik dat dit te mooi was om te laten lopen: ik moest gaan. Op de vouwfiets naar het station (daar was het zweet al), met de trein naar Den Helder, overvaren: om twee uur was ik ter plaatse. Te laat, helaas. Deze was alleen weggelegd voor mensen die al dan niet toevallig al op Texel waren. Kort voor 11 uur voor het laatst gezien en daarna de verdere dag onvindbaar. Met honderden hebben we lopen zoeken en staan wachten in het toenmalige winterzonnetje maar het mocht niet baten. Allemaal gingen we onverrichterzake weer naar huis. Het was mijn grootste massadip ooit.
Zondag waren we met vogelwacht Utrecht naar het hoge noorden. Peazemerlannen, met een heerlijke groep van over de honderd fraters en een prachtige velduil, onder andere, en nieuws van Texel: maskergors toch weer aanwezig. Aanvankelijk bood de wetenschap dat de vogel opnieuw na half 11 of zo niet was teruggevonden nog enige troost, maar vanaf een uur of 1 druppelden de onheilsberichten weer binnen: werd herhaaldelijk en door velen gezien. Dat werd opnieuw Texel morgen.
Dus vanochtend om zes uur de trein, om half 9 de boot, en al meteen een eerste melding: maskergors was alweer teruggevonden. Ha, dat kwam wel goed. Waarna we vanaf 9 uur urenlang met tientallen rondhingen rond het huisje en de tuin aan de Pontweg op Texel. Een grauwe lucht, een koude wind, tranende ogen (het bloed moet u er maar zelf bij verzinnen) en vergeefs turen in het tuintje. Turen naar de heg, turen in de kale boompjes, turen in de kale takken boven het mini-kerstboompje in het bloemperk, turen tussen de mussen in het gras maar van maskergors geen spoor. Een passerende houtsnip bood nog enige troost maar eigenlijk was dit niet leuk meer: twee dagen verspillen aan een vogel die zich niet laat zien. En intussen alleen maar kou lijden want die zachte winter waar ze het alsmaar over hebben, die was hier in geen velden of wegen te bekennen. En ik vervloekte mezelf, niet voor het eerst: waarom doe ik mezelf dit aan? Waarom sta ik hier, midden op het prachtige Texel, alleen maar uren lang aan een drukke weg temidden van kale velden te turen in een tuintje? En ik nam mij al voor ermee op te houden, dit nooit meer te gaan doen al wist ik natuurlijk wel dat ik er uiterlijk over een paar dagen weer anders over zou denken.
Het werd veel eerder dan over een paar dagen. Want toen die melding tot ons doordrong: vogel was vanuit de akker de tuin in gevlogen; toen mensen wezen, daar zit-ie, in die kale takken, in de knot-els, in het gras, en ik hem almaar niet vinden kon omdat ik achter een haag van vogelaars stond en tussen de kieren tussen hen in door probeerde af en toe een stukje tuin in beeld te krijgen waar dan alleen een mus rondscharrelde of met veel geluk een roodborst verscheen; maar vooral toen ik na enig dringen ineens op de eerste rij stond en al gauw de vogel in kwestie zag, geheel vrij en in vol ornaat in die kale takken boven dat mini-kerstboompje in het bloemperk en toen dat toch net iets meer bleek dan een onooglijk musje, toen wist ik al: ik ga dit een volgende keer weer doen.
15 december 2025
Meer twitchen: stormvogeltjes
Mijn weblogkasteel
maandag 8 december 2025
Asselse heide
Een voor mij nieuwe locatie, nooit eerder geweest dus dat was alvast binnen. Want dat is een van de leuke dingen aan twitchen: je komt nog eens ergens. Vanuit Apeldoorn met de fiets naar Hoog Soeren. Hoog inderdaad: het was kilometers lang klimmen. Niet echt stijl natuurlijk, het zijn hier de Alpen niet, maar wel aanhoudend duwen en daar wordt je uiteindelijk ook erg moe en bezweet van. Vanaf Hoog Soeren wat op en neer door bos en langs hei tot een uitzichtpunt met groots uitzicht over de Asselse heide, schuilend onder grijze luchten met af en toe een flard blauw. Enkele vogelaars wezen me daar meteen de doelsoort van de dag: ruigpootbuizerd, die zich daar al enkele weken ophoudt en aanstalten lijkt te maken om er te gaan overwinteren. Hij zat heel ver weg in de hei, zelfs door de telescoop nauwelijks meer dan een wit stipje maar als je lang en aandachtig keek ontdekte je toch dat dat stipje een lichte kop was die af en toe naar links of naar rechts draaide en vast zat aan een donker, buizerdachtig vogellijf. Je kon je er een ruigpootbuizerd bij voorstellen, maar dat was dan ook alles. Maar na een tijdje ging-ie vliegen en onthulde hij de klassieke kenmerken die hem tot een ruigpootbuizerd maakten: witte staart met strakke donkere eindband, donkerbruine buik, grote donkere polsvlekken op overwegend lichte ondervleugels en een lichte kop. Ook duidelijke lichte vlekken op de bovenvleugels, wat wijst op een eerste-wintervogel. En ja, het was ver maar het was allemaal goed te zien en dat maakt het tot een mooie waarneming.
Tussendoor vertoonde zich ook een verre kapekster en af en toe een vrouwtje blauwe kiekendief: leuke bonussen. Nog een stukje aan de andere kant over de hei gewandeld (richting ruigpootbuizerd was afgesloten ten gerieve van de jachtlust van onze koning), prachtig dichtbij kuifmees en goudhaantjes, en teruggefietst. Omlaag: voor ik het wist was ik weer in Apeldoorn.
7 december 2025
Mijn weblogkasteel
Tussendoor vertoonde zich ook een verre kapekster en af en toe een vrouwtje blauwe kiekendief: leuke bonussen. Nog een stukje aan de andere kant over de hei gewandeld (richting ruigpootbuizerd was afgesloten ten gerieve van de jachtlust van onze koning), prachtig dichtbij kuifmees en goudhaantjes, en teruggefietst. Omlaag: voor ik het wist was ik weer in Apeldoorn.
7 december 2025
Mijn weblogkasteel
maandag 1 december 2025
In the Dutch Desert
Het zou mijn zevende in Nederland zijn, vorig jaar nog eentje op Texel en het jaar daarvoor diverse in de woestijnen van Marokko en al liggen die laatste niet in Nederland, toch weinig reden om de woestijntapuit in de Coepelduynen tussen Katwijk en Noordwijk aan Zee een al te hoge prioriteit te verlenen. Maar die foto's! Oh die verrukkelijke foto’s op internet. Dus toen-ie vandaag een week na de ontdekking toch weer gemeld werd, meteen alles laten liggen, op de fiets gestapt naar het station, op de trein gestapt naar Leiden en in de bus gestapt naar de Space Expo aan de rand van Katwijk, om van daar de duinen in te gaan. Eindelijk toch maar op zoek naar woestijntapuit.
Nou wil het geval dat die duinen buiten de broedtijd volledig vrij toegankelijk zijn, als je de bordjes bij elke ingang moet geloven, dus al gauw bevond ik me in een wereld van duinbulten, duinpannen, zandduinen en stekelige duindoornstruwelen. De Dutch Desert! Ongerepte natuur, vrij en ongedwongen, zoals we die zo graag maar volgens velen ook maar zo zelden zien in Nederland. Ik klauter duinhellingen op en af, zwoeg door het kale zand en worstel me door het kreupelhout. Die tapuit moet zich hier helemaal thuis voelen. Geen wonder dat-ie al een week van geen wijken weet.
De globale locatie is met google maps prima te vinden maar hij heeft een actieradius van enkele honderden meters dus het wordt zoeken. Duinhellingen op en af klauteren, zwoegen door het kale zand en je worstelen door het kreupelhout. Maar waar moeten we hem zoeken? Gelukkig zijn er diverse vogelaars die deze zoektocht al volbracht hebben en ons wijzen waar we ongeveer moeten wezen en als ik wat vogelaars in het duinland zie staan, sommige met telelenzen strak gericht, weet ik dat ik goed zit. Al gauw krijg ik de vogel in beeld en kan het feest beginnen. En een feest wordt het want hij is precies zo fantastisch als al die foto’s op internet hadden beloofd. Hij zwerft door het duinland, scharrelt in het kale zand en duikt af en toe prominent op in de top van een struikje. En komt af en toe tot op amper tien meter afstand zonder dat we er iets voor hoeven te doen. Gewoon rustig afwachten, dan komt-ie wel, al zijn er altijd mensen die menen dat de vogel achterna lopen de beste manier is. En zo krijgen we allemaal een schitterende woestijntapuit voorgeschoteld, een onvergetelijke vogel. Met zijn zandkleurige grondkleur die hem af en toe bijna in het zand doen opgaan, en zijn daarmee zo prachtig contrasterende zwarte tinten op vleugel en keel. Geweldig! Ik heb misschien wel een uur aan hem besteed en keerde daarna terug naar Katwijk.
Dat was gisteren. Vandaag een heel ander verhaal. Vandaag een zoektocht door straatjes en steegjes in het Soesterkwartier in Amersfoort, ook een soort Dutch Desert, een steenwoestijn. Voor- en achtertuintjes, soms verwilderd maar vaak versteend, schuttingen, een trampoline in een voortuintje, stenen plaatsjes, parkeergarages en al met al nog net voldoende groen om een pestvogel te herbergen. En vogelaars, op zoek naar die pestvogel, net als ik. Soms is het hard en vruchteloos zoeken, soms krijg je hem zomaar cadeau. Uiteindelijk krijgt iedereen hem wel een keer te zien, veronderstel ik. Af en toe vluchtig, af en toe in een boompje boven je maar op het eind staan we met zijn allen in het smalle steegje achter de Schiestraat te kijken naar een prachtige pestvogel die zich dichtbij laag in een struik waagt. Een prachtig moment om deze tweedaagse mee af te sluiten
29 november 2025
Nog een woestijntapuit: Op avontuur in de natuur
Mijn weblogkasteel
Nou wil het geval dat die duinen buiten de broedtijd volledig vrij toegankelijk zijn, als je de bordjes bij elke ingang moet geloven, dus al gauw bevond ik me in een wereld van duinbulten, duinpannen, zandduinen en stekelige duindoornstruwelen. De Dutch Desert! Ongerepte natuur, vrij en ongedwongen, zoals we die zo graag maar volgens velen ook maar zo zelden zien in Nederland. Ik klauter duinhellingen op en af, zwoeg door het kale zand en worstel me door het kreupelhout. Die tapuit moet zich hier helemaal thuis voelen. Geen wonder dat-ie al een week van geen wijken weet.
De globale locatie is met google maps prima te vinden maar hij heeft een actieradius van enkele honderden meters dus het wordt zoeken. Duinhellingen op en af klauteren, zwoegen door het kale zand en je worstelen door het kreupelhout. Maar waar moeten we hem zoeken? Gelukkig zijn er diverse vogelaars die deze zoektocht al volbracht hebben en ons wijzen waar we ongeveer moeten wezen en als ik wat vogelaars in het duinland zie staan, sommige met telelenzen strak gericht, weet ik dat ik goed zit. Al gauw krijg ik de vogel in beeld en kan het feest beginnen. En een feest wordt het want hij is precies zo fantastisch als al die foto’s op internet hadden beloofd. Hij zwerft door het duinland, scharrelt in het kale zand en duikt af en toe prominent op in de top van een struikje. En komt af en toe tot op amper tien meter afstand zonder dat we er iets voor hoeven te doen. Gewoon rustig afwachten, dan komt-ie wel, al zijn er altijd mensen die menen dat de vogel achterna lopen de beste manier is. En zo krijgen we allemaal een schitterende woestijntapuit voorgeschoteld, een onvergetelijke vogel. Met zijn zandkleurige grondkleur die hem af en toe bijna in het zand doen opgaan, en zijn daarmee zo prachtig contrasterende zwarte tinten op vleugel en keel. Geweldig! Ik heb misschien wel een uur aan hem besteed en keerde daarna terug naar Katwijk.
Dat was gisteren. Vandaag een heel ander verhaal. Vandaag een zoektocht door straatjes en steegjes in het Soesterkwartier in Amersfoort, ook een soort Dutch Desert, een steenwoestijn. Voor- en achtertuintjes, soms verwilderd maar vaak versteend, schuttingen, een trampoline in een voortuintje, stenen plaatsjes, parkeergarages en al met al nog net voldoende groen om een pestvogel te herbergen. En vogelaars, op zoek naar die pestvogel, net als ik. Soms is het hard en vruchteloos zoeken, soms krijg je hem zomaar cadeau. Uiteindelijk krijgt iedereen hem wel een keer te zien, veronderstel ik. Af en toe vluchtig, af en toe in een boompje boven je maar op het eind staan we met zijn allen in het smalle steegje achter de Schiestraat te kijken naar een prachtige pestvogel die zich dichtbij laag in een struik waagt. Een prachtig moment om deze tweedaagse mee af te sluiten
29 november 2025
Nog een woestijntapuit: Op avontuur in de natuur
Mijn weblogkasteel
donderdag 20 november 2025
Flevo met vogelwacht Utrecht
Door de blubber, langs plassen, over een plank die over een natte plek was gelegd en door het natte gras baanden we ons een weg naar de vogelkijkhut in het Harderbroek. Daar uitzicht op water, op rietranden, op beboste eilandjes en op wat slikvelden, alles vervagend in nog wat heiige verten en schuilend onder een dun wolkendek waar af en toe een schim van de zon doorheen scheen. De vogels zaten vrij ver maar lang hoefden we desondanks niet te zoeken: kleine geelpootruiter. Ja, hij zat er nog steeds. Hij bleef wel steeds op afstand want zoals ik onderweg ook al gemerkt had was de waterstand hoger dan een week terug toen ik hier in mijn eentje was, waarschijnlijk was het water rond de hut wat dieper. Te diep voor een kleine geelpootruiter om er zijn voedsel bij elkaar te scharrelen. Dus liep die op enige afstand te foerageren, in het gezelschap van wat witgatten, nog steeds een rosse franjepoot en ook een paar late maar onmiskenbare kleine strandlopers. Op afstand, maar door de telescoop waren ze prima te herkennen. Met ook nog een clubje kleine zwanen en een groep kieviten met goudplevieren ertussen kunnen we spreken van een zeer voortvarende start van de excursie met vogelwacht Utrecht naar de Flevo.
Ook het vervolg was behoorlijk succesvol. Tientallen krooneenden vlak langs de dijk op het Veluwemeer. Een mooie man kokardezaagbek ertussen, door de CDNA weliswaar gedegradeerd tot eeuwige exoot maar ik weiger te geloven dat er nooit een vanuit Noord-Amerika deze kant op kan afdwalen. Dwaalgast op onder meer IJsland en de Azoren immers. Al wil ik daarmee niet zeggen dat dit er ook een was. Verderop op het Veluwemeer tientallen kleine en enkele wilde zwanen en op een dam bijna aan de overkant gebroederlijk naast elkaar drie zeearenden, tegenwoordig betrekkelijk alledaags hier maar toch … En op de plas in de Greppelvelden bij Biddinghuizen tenslotte een vrouwtje ijseend. En het was toen nog niet eens 11 uur.
Daarna werd het even wat modaler. Inmiddels in de Oostvaardersplassen telden we bijna vanzelfsprekend diverse zeearenden en onderweg terug van de vogelkijkhut van die naam liet een baardmannetje zich mooi zien, maar verder vertoonde zich weinig opzienbarends en op de Kleine Praambult belemmerde aanhoudende miezerregen het zicht. De dag leek als een nachtkaars uit te gaan maar we besloten het nog even te proberen. We gingen op zoek naar de opklaringen die heel langzaam vanuit het noordwesten leken te naderden. En dat bracht ons weer op het juiste spoor: man toppereend en mooie man witoogeend langs de dijk bij de Blocq van Kuffeler, diverse toppers tussen de kuifeenden in Pampushaven en in de Lage Vaart een mooie groep van elf grote zaagbekken.
Tenslotte verleidde het plotseling toch nog mooie, zonnige weer ons ertoe helemaal terug te rijden en af te sluiten op de Grote Praambult. En dat werd een afsluiting, de geweldige dagopening van vanmorgen waardig. Met diverse zeearenden natuurlijk, waarvan eentje niet al te ver weg in een kaal boompje. Met een mooi mannetje smelleken boven in een weliswaar vrij ver bosje, die op een gegeven moment opvloog en een geweldige jachtvlucht ten beste gaf met steile op- en neergaande duikvluchten alsof-ie een baltsende witbandleeuwerik was. En tenslotte met een geruime tijd boven het gebied rondvliegende velduil. Die zat weliswaar vrij hoog en ver maar was voor wie ‘m vinden kon leuk te zien in de telescoop.
Ja, de Flevo: soms staat het stoplicht op rood, soms staat het op groen.
16 november 2025
Mijn weblogkasteel
Ook het vervolg was behoorlijk succesvol. Tientallen krooneenden vlak langs de dijk op het Veluwemeer. Een mooie man kokardezaagbek ertussen, door de CDNA weliswaar gedegradeerd tot eeuwige exoot maar ik weiger te geloven dat er nooit een vanuit Noord-Amerika deze kant op kan afdwalen. Dwaalgast op onder meer IJsland en de Azoren immers. Al wil ik daarmee niet zeggen dat dit er ook een was. Verderop op het Veluwemeer tientallen kleine en enkele wilde zwanen en op een dam bijna aan de overkant gebroederlijk naast elkaar drie zeearenden, tegenwoordig betrekkelijk alledaags hier maar toch … En op de plas in de Greppelvelden bij Biddinghuizen tenslotte een vrouwtje ijseend. En het was toen nog niet eens 11 uur.
Daarna werd het even wat modaler. Inmiddels in de Oostvaardersplassen telden we bijna vanzelfsprekend diverse zeearenden en onderweg terug van de vogelkijkhut van die naam liet een baardmannetje zich mooi zien, maar verder vertoonde zich weinig opzienbarends en op de Kleine Praambult belemmerde aanhoudende miezerregen het zicht. De dag leek als een nachtkaars uit te gaan maar we besloten het nog even te proberen. We gingen op zoek naar de opklaringen die heel langzaam vanuit het noordwesten leken te naderden. En dat bracht ons weer op het juiste spoor: man toppereend en mooie man witoogeend langs de dijk bij de Blocq van Kuffeler, diverse toppers tussen de kuifeenden in Pampushaven en in de Lage Vaart een mooie groep van elf grote zaagbekken.
Tenslotte verleidde het plotseling toch nog mooie, zonnige weer ons ertoe helemaal terug te rijden en af te sluiten op de Grote Praambult. En dat werd een afsluiting, de geweldige dagopening van vanmorgen waardig. Met diverse zeearenden natuurlijk, waarvan eentje niet al te ver weg in een kaal boompje. Met een mooi mannetje smelleken boven in een weliswaar vrij ver bosje, die op een gegeven moment opvloog en een geweldige jachtvlucht ten beste gaf met steile op- en neergaande duikvluchten alsof-ie een baltsende witbandleeuwerik was. En tenslotte met een geruime tijd boven het gebied rondvliegende velduil. Die zat weliswaar vrij hoog en ver maar was voor wie ‘m vinden kon leuk te zien in de telescoop.
Ja, de Flevo: soms staat het stoplicht op rood, soms staat het op groen.
16 november 2025
Mijn weblogkasteel
Abonneren op:
Reacties (Atom)











