maandag 20 januari 2020

Velduilen

Een leuke twitch die aanleiding is tot een mooi tochtje: dat is hoe ik het graag heb. De aanleiding was niet eens zo zeldzaam dit keer, staat in Waarneming.nl gekwalificeerd als slechts vrij algemeen, maar was wel zeer gewenst want vorig jaar gemist en sowieso een hele fijne soort: velduil. En het tochtje: vanuit Baarn langs de Eem naar Eemdijk en langs het Eemmeer naar Bunschoten-Spakenburg en verder en weer terug. Onderweg alvast, vanaf om en nabij Eemdijk, een zeearend ver weg vliegend naar west. Ook vanaf deze afstand een reus temidden van wat buizerden en meeuwen. Grappig was dat nog drie andere vogelaars de vogel vanuit verschillende locaties hebben waargenomen.
Op het Eemmeer brilduikers. Tamelijk veel brilduikers en daarbij twee alweer fanatiek baltsende mannetjes die duidelijk het voorjaar alweer in hun hoofd hadden. Gezien het overvloedige zonlicht dat op het water versplinterde, was dat wel begrijpelijk. Ook een enkele man grote zaagbek op het meer. En toen ineens: velduil. Vloog vlak langs ons heen over het water en verdween een paar honderd meter verderop in het riet. Ziezo, die was binnen.
Een klein half uur later even verderop langs het Eemmeer de tweede velduil van de dag. Deze maakte zichzelf onvergetelijk. In vederlichte cadans begaf-ie zich van hier naar daar naar weer ergens anders en weer terug, als aan de touwtjes van een marionettenpoppenspe­ler. Vloog rondjes boven het Eemmeer, boven de dijk, boven de polder en weer boven het Eemmeer (wat had-ie daar eigenlijk te zoeken? Drijfmuizen?), naderde af en toe tot amper tien meter afstand en leek me daarbij soms recht aan te kijken. Oh die ogen, wat hebben uilen toch een ogen, je zou op allemaal verliefd willen worden. Tenslotte streek-ie neer langs een soort van greppel op misschien 25 meter afstand en was daar korte tijd geweldig en helemaal vrij zichtbaar voor-ie zich drukte en vrijwel onzichtbaar was zoals velduilen zo knap vrijwel onzichtbaar kunnen zijn.
De derde velduil zag ik pas veel later, na mijn tochtje naar Bunschoten-Spakenburg en verder en weer terug. Dijk, polders, Eemmeer, rietlanden, torenhoge elektriciteitsmasten. Af en toe wat bosjes krullend boven de dijk. Het oude haventje van Bunschoten, of is het Spakenburg? Allemaal klassiek Hollands, oud (het haventje) zowel als hedendaags (de elektriciteitsmast en trouwens ook het woud van windmolens aan de overkant). In een stukje rietland met bos aan het Eemmeer een apart klinkend getik waarop ineens een cetti’s zanger een paar tellen lang vol in beeld. Hoe algemeen de soort ook langzamerhand aan het worden is, een dergelijke ontmoeting blijft in mijn ervaring toch behoorlijk zeldzaam. Uitgestrekte plasdras in Arkemheen met tussen de duizenden kieviten en smienten onder andere enkele kemphanen. En terug bij de velduilen: eentje zat er vrij ver maar door de telescoop toch aardig zichtbaar in het veld, vloog een stukje en zat daarna nog net iets beter zichtbaar in het veld. Onvergelijkbaar met die van vanmorgen maar zonder die zou ik met deze ook best tevreden zijn geweest.

19 januari 2020

woensdag 15 januari 2020

Jaarwisseling

Oud en nieuw op een Waddeneiland: een geweldig concept. Struinen over het eiland, weer en winter doorstaan, de rust en de stilte ondergaan omgeven door horizons van Waddendijk of duincontour en terugkeren in de knusheid van ons tijdelijke thuis waar het lekker warm is en de kerstboom brandt. (Dat wil zeggen: de lampjes, niet de kerstboom zelf natuurlijk. Dat was trouwens een kunstboom dus dat zou nog niet meevallen.) En intussen het jaar zijn werk laten doen, dan gaat het vanzelf over.
Thuis was in dit geval Landerum, op Terschelling ingeklemd tussen Midsland en Formerum. Vlak langs de hoofdweg dus de rust en de stilte van het eiland waren niet altijd gegarandeerd. Maar dat mocht de pret niet drukken.
Twee dagen stralend winterweer, helder, zonnig en lekker koud. Op maandag tijdens de overtocht en de eerste verkenningen van de Jumbo van Formerum. En op dinsdag tijdens mijn eerste echte tochtje over het eiland. De polders, het wad, de kwelders, ze lagen er stralend bij en het was er fijn kijken naar de kanoeten, de zilverplevieren en de rosse grutto’s, de duizenden brand- en rotganzen en nog veel meer. Tussen de ganzen nog hard gezocht naar afwijkende typjes, zoals dat gebruikelijk is op dit soort locaties in de winter, maar vergeefs, zoals dat meestal ook gebruikelijk is. Bij ‘De Plaat’, zoals de grote baai ten oosten van de veerhaven blijkt te heten, ging ik op zoek naar nog een allerlaatste nieuwe jaarsoort op deze laatste dag van het jaar. Met succes: twee roodhalsfuten dreven op de Waddenzee. Weliswaar tamelijk ver weg maar herkenbaar.
Tijdens de jaarwisseling was het grijs, al zag je dat toen niet meer zo goed, en mistig. En tamelijk rustig naar hedendaagse begrippen. Het deed me denken aan heel vroeger thuis, toen ik zo’n beetje voor het eerst mocht opblijven om het vuurwerk te kijken: hier een pijl, daar nog een en kijk, nog een, het kon niet op. Van het grotere vuurwerkgeweld, goed hoorbaar vanuit Midsland vlak om de hoek, was door de mist niets te zien.

Nieuwjaarsdag was grijs, af en toe miezerig en bijna mistig. Dat weerhield me er uiteraard niet van weer flink nieuwe jaarsoorten te gaan sprokkelen. Dat is mijn nieuwjaarstraditie. En ze vielen als rijpe appeltjes: de goudplevieren en de wulpen in de Terschellingerpolder, de bonte strandlopers en de kanoeten, zilverplevieren, rosse grutto’s enzovoort op het wad, mooie slechtvalk op een hekje. Wederom tussen de brand- en de rotganzen naar afwijkende typjes gezocht, en wederom vergeefs. Vijf kleine zwanen op de Plaat. Door het dorp, langs de Brandaris, stukje Noordvaarder en terug over de hoofdweg. En daar vond ik dan toch het afwijkende typje tussen de ganzen: een mooie zwarte rotgans, overigens lang niet zo zwart als zijn naam doet vermoeden, ging half schuil tussen de tientallen rotganzen om hem heen maar kwam af en toe even helemaal bloot.
Thuis de kerstboom, in de Koffiemolen van Formerum cranberrygebak met slagroom (vandaag het traditionele taartje, gisteren heb ik het cranberrykwarkgebak geprobeerd), en weer thuis bij de kerstboom Pandemic gespeeld.

Wat verder nog vermeld moet worden? Ik was nog niet aan zee geweest dus dat donderdagochtend even geprobeerd. Totaal foute wind (zuidwest en dat is hier aflandig) en nog maar net niet mistig, dus dat had niet vermeld hoeven worden. Door de duinen naar Oosterend en door de polder terug. Koude miezerwind tegen, weer diverse groepen ganzen vergeefs afgespeurd maar wel drie prachtige wilde zwanen op een ondergelopen duinvalleitje en thuis weer de warmte en de kerstboom. En vrijdag tenslotte, inmiddels zonder tijdelijk thuis, in afwachting van de boot terug in de regen door West gedwaald. Lang in een restaurant gezeten waar we weer een ander soort cranberrygebak hebben geproefd. We hebben er deze week vier op: twee in de Koffiemolen, een in de Rustende Jager en nu hier. Alle vier anders. Zelf nog op het kerkhofje geweest (nu pas mijn eerste koperwieken op het eiland) en in de druilregen door de Noordvaarder gelopen. Nat. Miezerig maar op een bepaalde manier onuitsprekelijk mooi. En vlakbij een kanoet, honderden bontjes en rosse grutto's, krooneend naast de veerhaven en toen moesten we het eiland alweer af.

3 januari 2020

















dinsdag 14 januari 2020

Van hot naar her

Het plan was vandaag maar eens die buidelmezen te doen bij Berkel en Rodenrijs. Fijne soort, buitenkansje. Maar toen er gisteren ineens een melding binnenkwam van een mogelijke siberische tjiftjaf langs de Kooidijk, moest het plan toch even worden aangepast. Want ja, zeker lokaal een hele leuke soort natuurlijk en bovendien alweer drie jaar geleden voor het laatst. Ontdekt door Pieter H en diens foto’s zagen er heel goed uit. Dus eerst maar even een flinke omweg gemaakt voor ik me naar het station begaf. Tijdje lopen zoeken in de koude ochtendwind, vergeefs, niks van belang kunnen vinden. Slechts koolmees, pimpelmees, roodborst en winterkoning, dat soort. Dus op naar het station dan maar. Ik kijk nog één keer naar het struikje waar op Waarneming de pointer staat en warempel (zoals dat soms gaat maar meestal niet): daar zat-ie! En jawel, zoals de foto’s eigenlijk al hadden laten zien: vogel uit het boekje. Zeer bleke tjiftjaf zonder enige groen- of geeltinten behalve wat dunne randjes langs de handpennen en de tertials; koud grijs van boven, vuilwit van onderen, vaag vleugelstreepje, bruinachtige oorstreek. Riep helaas niet, dat was het enige dat eraan ontbrak.

Dat was het voorafje. Daarna mijn oorspronkelijke plan uitgevoerd: naar het station, met de trein naar Zoetermeer en van daar met de vouwfiets richting Berkel en Rodenrijs gefietst. Aangekomen bij een watertje met riet- en lisdoddevelden erlangs, zag ik de mannen staan. Sommige stonden hier naar een lisdoddeveldje te turen, andere honderd meter verderop, een paar aan de overkant en weer andere stonden zich vooral met elkaar bezig te houden. Het was duidelijk: de vogels waren even niet in beeld. Dat werd wachten, beetje rondfietsen, hier naar een lisdoddeveldje turen, honderd meter verderop naar een lisdoddeveldje turen, aan de overkant naar een lisdoddeveldje turen en me een beetje met elkaar bezighouden. Getinkel van baardmannetjes en toen, het had nog amper een half uur geduurd: reuring aan de overkant. Mannen die stonden te turen, telelenzen gericht, andere die gehaast aan kwamen lopen en na enig zoeken: buidelmezen. Prachtig hoog in de lisdoddes, druk bezig de halmen uit te pluizen. Letterlijk. Uit het boekje. En wat een fijne knuffelbeertjes zijn het toch.
Let ook altijd op je medevogelaars als je op zoek bent naar een zeldzame vogel.
Nadeel is wel dat je elkaar daar bij die buidelmezen staat te verdringen. Vijftig man op een paar meter oever, loerend over elkaars schouder: niet iedereen is daar liefhebber van. Zelf vind ik die buidelmezen veel te leuk om het ervoor te laten. Ik zie die immers niet ieder jaar, mijn vorige waren alweer bijna vier jaar geleden. En daarbij: ik stoor me eerlijk gezegd nooit zo aan die drukte. Vind dat ergens ook wel een boeiend evenement. En als je er genoeg van hebt, dan ga je gewoon weer ergens anders heen. Ergens waar het minder druk is. Ergens waar je met een man of vijf (ja, man, alsmaar man, het zijn ook bijna alleen maar mannen) staat te kijken naar een kokardezaagbek. Ook een doodzonde, volgens de wat meer kritische vogelaar of vogelfotograaf maar toch: een fraai eendje. En zeldzaam, als-ie tenminste niet uit een kooitje komt. Volgens de wat meer kritische vogelaars komen zo’n beetje alle zeldzame eenden in Nederland uit een kooitje (waarom de minder zeldzame eigenlijk niet?) maar zelf denk ik dat juist een eend de overtocht van over de oceaan gemakkelijk moet kunnen volbrengen. Die kan immers onderweg even op het water uitrusten als-ie daar aan toe is. Dus als er verder niks op de vogel is aan te merken, ongeringd, geen vleugelbeschadigingen, geen verdacht gezelschap, niet al te tam, dan neem ik zo’n kokar toch graag serieus. En laat het verder aan de deskundigen over om hun oordeel te vellen. Het is hoe dan ook een prachtige vogel en na afloop was het prettig fietsen langs de Rottemeren terug naar Zoetermeer, met sibtjif, buidelmees en kokar op zak.

11 januari 2020









dinsdag 7 januari 2020

Delta

Veel, heel veel is te doen met openbaar vervoer en (al dan niet) fiets. Maar wat echt niet lukt zonder auto, is zo’n fijne dagtocht door de Delta. Stellendam, Goedereede, Brouwersdam, Prunje enzovoort. Echte helden doen dat nog wel per fiets, maar hoeveel tijd houd je dan over om te vogelen? En hoe krijg je je telescoop meegesleept? Dat is waarom ik de jaarlijkse excursie met vogelwacht Utrecht naar de Zeeuwse en Zuid Hollandse eilanden zo enorm waardeer en geen jaar zou willen missen. Vandaag was het weer zover. We hadden hem dit keer al in januari gepland. In andere jaren doen we hem altijd in februari en misschien is dat er de oorzaak van dat we ons vertrek net als andere jaren om 7 uur hadden gepland. In februari kan dat wel maar op 5 januari is het dan nog donker als je je eerste bestemming bereikt. Dus stonden we in het allereerste schemerlicht nabij Brielle te turen over de schemerige akkers, op zoek naar en hopelijk in afwachting van de plaatselijke grote trap. Het eerste, karige licht onthulde slechts hazen in het veld, een paar reeën en wat grauwe ganzen. Van de trap nog geen spoor. Maar toen, ineens, stond-ie daar.
Grote trap: normaal gesproken een magistrale soort, een mega van jewelste en reden tot feestelijkheden vergelijkbaar met die bij de kleine regenwulp vorige week. Maar deze had ik tot nu toe genegeerd. Afkomstig namelijk van een Oost-Duits herintroductieproject en uitgebroed in een broedmachine: dat maakt hem toch minder magisch. Komt niet in aanmerking voor goedkeuring door de CDNA en voelt ook niet zoals mijn eerste echte grote trap in Nederland voelen zou, maar toch een indrukwekkend beest. Toch een ‘must-see’, al blijft het nog dromen van mijn eerste wilde in Nederland.

De excursie van vandaag vond plaats onder een gelukkig gesternte, al ging dat gesternte meest schuil achter een dik wolkendek. Maar dat wolkendek kon niet voorkomen dat we de memorabele momenten, de topwaarnemingen aan elkaar regen. We gingen naar de Brielsegatdam en kopten daar bijna meteen de sneeuwgorzen binnen die zich ophielden op het groene strand langs de dam. We gingen naar de Brouwersdam en daar lag de zwarte zeekoet al voor ons klaar. Die was al enkele dagen spoorloos dus vanzelfsprekend was dat niet, maar vandaag liet-ie zich voortreffelijk bekijken in het Haventje Noord, aan het begin van de dam als je vanuit Zuid Holland komt. Verderop de gebruikelijke roodkeelduikers, kuifduikers en geoorde futen, de middelste zaagbekken, brilduikers, eiders en zwarte zee-eenden. Vogels die er altijd wel zitten maar die we rond Utrecht meestal moeten ontberen. En ik zie ze zo graag. Ook zaten er enkele ijseenden, vorige winter hier nog opvallend afwezig. En we vonden, hoewel met nogal wat moeite, de roodhalsfuut, een soort waarmee ik de laatste paar jaar sowieso erg veel moeite heb. Deze dook af en toe redelijk dichtbij voor ons op al was-ie meestal ook zo weer verdwenen.
Na de Brouwersdam schoten we door naar de Oosterscheldekering, waar we in de zogenaamde Mattenhaven ook al moeiteloos ijsduiker, parelduiker en kuifaalscholver opstreken. Op zeker moment gedrieën in één telescoopbeeld. Vooral kuifali was een bijzonder geval: prachtig in zomerkleed, zelfs met goed zichtbaar kuifje, wat je in Nederland maar zelden ziet.
Kleine alk op het Veerse Meer zorgde voor een kleine trendbreuk. Die kostte ons erg veel moeite. We stonden aan deze kant en we stonden aan de overkant en speurden het water af maar vonden slechts geoorde futen en een paar kuifduikers. En we stonden weer aan deze kant maar het verhaal bleef hetzelfde. We hadden het al bijna opgegeven toen-ie, zoals dat soms gaat maar meestal niet, toch werd teruggevonden, ver op het meer. Uiteindelijk kregen we hem toch nog aardig en goed herkenbaar in beeld, af en toe, als-ie niet verdwenen was achter de golfjes. Hij is ook zo klein.
We sloten af op Schouwen-Duiveland. Met ganzen in de polder Burgh- en Westland waaronder een paar kleine rietganzen en een gave zwarte rotgans. En met fraai namiddaglicht aan de Prunje waar duizenden goudplevieren het op de heupen hadden en zonder voor ons aanwijsbare reden telkens weer massaal opwolkten. Met ook nog kemphaan, kleine zilverreiger, een paar lepelaars en een groep kluten beëindigden we de Delta-excursie van 2020 in stijl en gingen gelukkig en blij weer naar huis.

5 januari 2020







Terugblik

Als ik aan het eind van het jaar terugkijk naar het afgelopen jaar, denk ik altijd aan de vogels. Dat mag wat eenzijdig zijn, maar het is altijd een feest. Hoe moeten we afgelopen jaar beoordelen? Als wisselvallig, lijkt me, al kijk ik daarbij alleen naar mijn eigen waarnemingen. Prachtige soorten gezien, ik noem een kalanderleeuwerik, een grijskopkievit, zelf ontdekte steppekiek op Texel, dwergaalscholver, fraaie zingende man cirlgors en natuurlijk die idiote papegaaiduiker in een vijver in Dordrecht. Maar ook prachtige soorten misgelopen, al heb ik daar geen actieve herinnering meer aan.
Exemplarisch voor dit jaar was misschien wel mijn weekje Estland met Birding Breaks. Vooropgesteld: een heel fijn weekje weer, diep in de binnenlanden van een nieuw, vreemd maar tegelijkertijd zo gewoon land. Maar niet alles liep naar wens, wat vogels betreft. Spechten werkten maar matig mee al was grijskop fraai. Uilen ook, aanvankelijk, maar uiteindelijk was er die bijna mythische ontmoeting met dwerguil. En stellers eiders waren geweldig, auerhoenen indrukwekkend, baltsende korhoenders prachtig en steenarend plotseling laag boven ons, de kroon op het werk. Met daarbij nog volop zeearenden en kraanvogels, en eland!: een heel fijn weekje.
Exemplarisch was misschien ook onze vakantie in Schotland. Een geweldige vakantie die ons alle aspecten toonde van een fantastisch land, maar de droomsoorten bleven uit. Al was ik best gelukkig met zwarte zeekoeten, noordse pijlstormvogels, een fraaie juveniele kleinste jager en, misschien wel de soort van de vakantie: misschien wel mijn eerste echt overtuigend wilde rotsduiven ooit.
De herfst maakte, als dat nog nodig was, alles goed! Vier lifers: bosgors, eindelijk bosgors; een spectaculaire grote vale spotvogel, nieuw voor Nederland; een heerlijke bruine lijster op een legendarische dag op Vlieland en op diezelfde dag op datzelfde eiland eindelijk mijn eerste officiële Nederlandse vale gierzwaluw. En drie ‘tweede keertjes’ waarvan twee duidelijke verbeterwaarnemingen: provençaalse grasmus op de Maasvlakte en struikrietzanger op Texel, en een die ook boeiend was: vrouwtje blauwvleugeltaling op Texel. Voeg daarbij onder andere kuifleeuwerik en roze pelikaan (de lijst is nog lang niet compleet) en het jaar was alweer bijna om. Een sensationele kleine regenwulp eind december, misschien wel de soort van het jaar al komen daar meer soorten voor in aanmerking, maakte het helemaal af.

In het Utrechtse e.o. waren onder andere een zelf ontdekte witoogeend, dwerggors, liefst twee orpheusspotvogels, roze spreeuw, pestvogels en natuurlijk weer enkele fraaie blako’s, dit keer in het Griftpark, het vermelden waard.
Verder blonk het jaar uit in ‘dubieuze’ soorten: de schildraaf die door noord Nederland zwierf is vrijwel zeker met de boot deze kant op gekomen, en de azuurmees in Bergen, vermoedelijk van een verre oostelijke ondersoort, kan vrijwel onmogelijk van wilde herkomst zijn geweest. De fraaie man carolinaeend op Texel past ook wel in dit rijtje, hoewel eerder in omgekeerde zin: waarom zou die niet wild zijn geweest?
Tenslotte blonk dit jaar uit in spectaculaire insecten. Liefst negen nieuwe vlindersoorten had ik, waaronder veld-, bos-, grote en kleine parelmoer en dambordje. En wat libellen betreft onder andere (weer!) zadellibel, zuidelijke keizerlibel en blauwe glazenmaker.

De jaren 10
En dan nog iets over het afgelopen decennium, de jaren 10. De jaren 10 waren toch vooral het decennium van de mega’s, de ‘onmogelijke’ soorten: langstaartklauwier, groene bijeneter, kroonboszanger, oosterse vorkstaartplevier, grote kanoet, grijskopkievit, kleine regenwulp. Mijn zeven zeldzaamste soorten ooit, allemaal in deze tien jaar. De jaren 10 waren dan ook de jaren van (alweer) verdere intensivering van het twitchen, de jaren waarin ik in elk geval als het maar enigszins mogelijk was op alles afging wat nieuw voor me was, en verder op nog veel meer. Dat het in de jaren 0 nog gebeurde dat ik haakbekken liet lopen omdat ik daarvoor echt niet naar een buitenwijk helemaal in Groningen ging: in de jaren 10 ondenkbaar. Het is dan ook niet vreemd dat mijn tienjarig soortenaantal in Nederland groeide van 354 (jaren 0) naar liefst 426 (jaren 10). Al had dat er natuurlijk ook mee te maken dat er steeds meer ontdekt wordt. Doordat we met veel meer mensen in het veld zijn, met veel meer kennis, betere apparatuur en snellere communicatie.
De jaren 10 waren ook het decennium van de buitenlandse (vogel)reizen. Natuurlijk, elke één a twee jaar maken we wel een buitenlandse reis, ook al voor 2010, maar in de jaren 10 maakte ik mijn eerste echte buitenlandse vogelreizen. De vogelaarsorgie naar Extremadura in 2018 en de iets bescheidener maar ook erg fijne reis naar Estland dit jaar. Voor herhaling vatbaar. En daarnaast was er natuurlijk de reis naar Kaapverdië in 2015, weliswaar geen echte vogelreis maar toch ook erg succesvol wat dat betreft.

zondag 29 december 2019

Kleine regenwulp revisited

De euforie was groot en het feest feestelijk, afgelopen dinsdag, maar de waarneming kon beter. Daarom vandaag terug naar Schagen. Koude winterdag. Min of meer onbewolkt, hoewel met gedempt zonlicht door vage sluierbewolking. Maar hoe anders dan dinsdag! Bij aankomst te Schagen nog geen nieuws. Daarom eerst naar de plek bij Haringhuizen waar we hem toen gezien hebben. Daar mooie groepen wulpen, kieviten en goudplevieren met ertussen ook een paar kemphanen. Kleine regenwulp kon ik er niet tussen ontdekken. Daarna met wat omwegen die ook niets opleverden naar de plek bij Kolhorn waar hij gisteren voor het laatst gezien was en waar ongetwijfeld tientallen vogelaars al aan het zoeken waren. Daar aangekomen eindelijk nieuws: de vogel was aangetroffen bij Oudesluis maar daar inmiddels ook weer weggevlogen. Eerst maar eens die kant op. Ruim 5 kilometer fietsen. En onderweg het bericht dat je wilt horen: vogel nu in beeld bij Grote Sloot, ietsje verderop. Daar aangekomen de inmiddels bekende drukte van vogelaars met telescopen die elkaar bijna verdringen (nee hoor, iedereen gaf elkaar alle mogelijke ruimte maar die ruimte was wel een beetje beperkt, met de spoorwegovergang pal naast ons), turend in het weiland aan de andere kant van de spoorlijn. In dat weiland kieviten, een paar stormmeeuwen, een paar kemphanen, een steenloper en daartussen: kleine regenwulp! Vele malen dichterbij dan afgelopen dinsdag, precies zoals ik gehoopt had.
Ik heb er wel een uur gestaan denk ik, gemeten aan het aantal treinen dat ik heb zien passeren. Ik kon me nauwelijks losrukken want wat een verschil met dinsdag: zagen we toen een vogel waarbij je uit moeizaam bijeengescharrelde kenmerken kon afleiden dat het een kleine regenwulp moest zijn waarnaar je stond te kijken, nu zagen we gewoon luid en duidelijk een kleine regenwulp foerageren in het grasland. Zo anders dan onze wulpen en onze regenwulpen. Nog wel niet heel dichtbij, maar het was afdoende. Prachtig, prachtig, prachtig. Alsof je een blik wordt gegund op de oost Siberische steppen! Zo’n vogel te mogen aanschouwen in een Hollandse polder, het is fantastisch!

Veel mensen schijnen dat niet te kunnen begrijpen, dat je voor één vogel zoveel moeite doet. Ik had dat zelf vroeger ook. Het idee om speciaal naar één bepaalde soort op zoek te gaan, dat was fout. Soortenjagen! Iets fouters bestond niet, voor een vogelaar. Je moest gewoon de natuur in en je laten verrassen, afwachten wat je zou meemaken. Dat is hoe het hoorde. Maar op een gegeven moment ken je wel zo'n beetje alle gangbare soorten in Nederland en dan kan er een moment komen dat je meer wilt. Zal niet voor iedereen opgaan maar voor sommige mensen werkt dat zo. Dat je daar in de Hollandse polder staat te kijken naar iets dat je nog nooit eerder gezien hebt en waarschijnlijk ook nooit meer zult zien, dat afwijkt van alles dat je kende en dat afkomstig is van zo ver weg, dat is pure magie. Het vereist wel dat je de gebruikelijke alternatieven kent, dat je ziet dat je naar iets anders kijkt. Voorkennis is van belang. Zoals het ook goed is om iets van de context te weten als je naar de Nachtwacht staat te kijken. Wat ik een beetje lastig vind om te begrijpen is dat het volkomen geaccepteerd is om naar Amsterdam te reizen om de Nachtwacht te gaan zien of naar Parijs om Mona Liza in de ogen te kijken, maar dat het voor sommige mensen volkomen idioot is om naar Schagen te gaan voor een kleine regenwulp. Maar goed, ieder zijn ding en ik het mijne.
(Overigens, de Nachtwacht heb ik ook gezien, evenals Mona Liza. Allebei prachtig.)

28 december 2019

donderdag 26 december 2019

Kleine regenwulp

Wat bezielt toch de vogelaar die op andere dagen net als de meeste mensen zich zorgen maakt over oorlog en vrede, over klimaat, over geweld en over armoede in de wereld, die zich betrokken voelt bij de mensen die het minder hebben getroffen, die het beste voor heeft met de wereld enzovoort (ja, het is kerstmis mensen), maar die op het moment dat er, ik noem maar wat, een kleine regenwulp wordt ontdekt in Noord Holland, dat alles van zich af laat glijden en met nog maar één ding bezig is: die kleine regenwulp in Noord Holland?
Maandagmiddag was er een kleine regenwulp ontdekt in Noord Holland, de zoveelste vogelsensatie in dit sensationele vogeljaar, en dat leidde ertoe dat veel vogelaars alles van zich af lieten glijden want er telde nog maar één ding. De dinsdag voor kerst werd dus een ouderwets jongensboekverhaal. Een avonturenroman in een notendop. (Ach, gun mij dat, ik weet heus wel dat het avontuur van een twitcher in het niet valt bij waar avontuur, want avontuur is goedkoop als je niets te verliezen hebt en wat heb je als twitcher uiteindelijk te verliezen?) De kansen wisselden en telkens werd een ander verhaal geschreven. Lange tijd zag het uit naar een droevig dipverhaal vol wat-nu?-momenten. Het regende, het was overal nat en modderig, met tientallen doorkruisten we de verzopen velden ten oosten van Schagen, toerden over modderige landweggetjes die helemaal niet berekend waren op honderden vogelaars op zoek naar een kleine regenwulp, en parkeerden met tientallen in blubberige wegbermen waar daarvoor nauwelijks ruimte was. Met alle gevolgen van dien. Af en toe was het droog en speurden we de akkers af, checkten vele van de honderden wulpen her en der in het land maar van kleine regenwulp geen spoor. En geen berichten ook, na enkele meldingen van een wegvliegende vogel vanmorgen vroeg. Zodat we ons steeds harder begonnen af te vragen: zat-ie er nog wel? En dat deed wel een beetje zeer, want wat een soort! Grote zeldzaamheid uit het verre oosten, eerste voor Nederland dus voor iedereen nieuw op zijn NL-lijst, negende voor de WP, een droomsoort, wat zeg ik, misschien we de ultieme droomsoort voor de Nederlandse twitcher maar helaas hardnekkig onvindbaar. En keer op keer stonden we op een kruising, waren uitgekeken op een zoveelste groep wulpen en vroegen ons af: wat nu?
Tsja, wat nu?
Wel werd er een kleine trap gevonden. Notabene! Ben je met 200 tot 300 man op zoek naar een kleine regenwulp, wordt er een kleine trap gevonden. Je vraagt je dan af hoeveel kleine trappen zich in Nederland ophouden waar we niet met 200 tot 300 man op zoek zijn naar kleine regenwulp. Mooie soort, zeldzame dwaalgast van de Spaanse steppe en pas de 49e voor Nederland: verdient meer waardering dan-ie kreeg. Hij hing rond in een verruigd stukje verderop in het weiland en was geregeld mooi vrij zichtbaar. Op andere dagen een soort om gelukkig en blij mee thuis te komen, maar vandaag vooralsnog een hele schrale troost. Dus na een karig half uurtje kleine trap zochten we verder. We zagen nog vele wulpen en pauzeerden in een zeer bruine kroeg in Schagen waar een paar bebaarde mannen aan de bar zaten en de bijpassende muziek uit de radio schalde, het was eigenlijk een stukje cultureel erfgoed, en waar we ons nog eens voornamen tot donker te blijven zoeken, de gifbeker helemaal leeg te drinken want het zal je maar gebeuren dat-ie weer wordt teruggevonden net als jij bij Volendam naar een kleine topper staat te zoeken.

Af en toe een waterig zonnetje, dan toch weer regen. Nog meer wulpen. Nog meer bagger. De middag vorderde. Was alweer halverwege en de hoop ontglipte ons. Was al bijna op. We speurden nog maar een stuk weiland af, reden nog maar weer naar een melding van een spannende groep wulpen, maar alles vergeefs. Nee, dit werd niks meer, dat voelde je aan alles.
Maar toen, om 15.02, toch nog, eindelijk het bevrijdende bericht: ‘nu in beeld door Fred Visscher’. Hij was teruggevonden! En het was alsof de grauwsluiers die over deze dag hadden gehangen, als bij toverslag werden weggeblazen. Zelfs de zon leek weer te gaan schijnen. Zo leek alles toch nog goed te komen. Wij bevonden ons op dat moment aan het eind van een smal doodlopend weggetje, hemelsbreed amper een kilometer van de plek en met de auto maar weinig meer dan vijf. Maar keren op dat smalle weggetje kost op zo'n moment ongelooflijk veel tijd. In de paniek een verkeerde afslag genomen, eindeloos moeten wachten tot de stroom passerende vogelaars was opgedroogd en ons toestond om om te draaien, de auto geparkeerd op honderden meters afstand maar uiteindelijk waren we ter plaatste. En werd ons een groep wulpen gewezen op een kleine honderd kilometer afstand waartussen de kleine momenteel niet zichtbaar was. Stonden we dan. Afwachten maar. Ik zag het toen toch weer uitdraaien op een somber dipverhaal maar toen een nieuwe melding, wellicht een volgende wending: nu anderhalve kilometer verderop mooi in beeld. We lopen zo snel als we kunnen die kant op, worden gepasseerd door een eindeloze stoet auto’s maar eindeloze minuten later staan we dan toch met 200 man langs een landweggetje bij Haringhuizen te kijken naar een kleine regenwulp, na vele aanwijzingen over drinkbakken en elektriciteitsmasten teruggevonden tussen de wulpen daar in het weiland. Ver weg maar als je hem eenmaal gevonden hebt, door de telescoop nog net herkenbaar: een klein dwergwulpje met gemankeerd wulpensnaveltje en, ternauwernood zichtbaar, markante koptekening. Even in vlucht is ook het geheel ontbreken van wit op de bovenstaart en de vleugel opvallend. En het feest barst los! De collectieve euforie, de gemeenschappelijke blijheid die op dat moment uitbreekt, die alleen al maakt zo’n twitch heerlijk om mee te maken. Maar wat ons bezielt? Ik zou het niet weten. Ik hoef het ook helemaal niet te weten.

24 december 2019