dinsdag 12 februari 2019

Appingedam

Wie wil er niet een keer in Appingedam zijn geweest? Het historische stadje aan het Damsterdiep, vroegere hoofdstad van de Ommelanden. Vele bezienswaardigheden herinneren nog aan die dagen van weleer. In het centrum zijn nog vele van oorsprong middeleeuwse panden te bewonderen. De bekendste bezienswaardigheden zijn de middeleeuwse Nicolaïkerk (opgenomen in de Top 100 van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg), het ertegenaan gebouwde renaissancistische Raadhuis en boven het Damsterdiep drie hangende keukens en twee smalle bruggetjes. Dit komt natuurlijk van Wikipedia, dat begrijpt u wel, maar de werkelijkheid voldeed volmaakt aan de door Wikipedia bezongen schoonheid van deze parel uit het hoge noorden (dat is dan weer, bij mijn weten, geen Wikipedia, maar het had het kunnen zijn). Smalle gekromde straatjes, oude geveltjes, smalle waterloopjes tussen de huizen door met achtertuintjes aan de kade, het had een beetje de sfeer van de Efteling in winter-ambiance. Eén bezienswaardigheid ontbrak er echter aan, deze zaterdagmiddag in Appingedam: ik kon er niet één ringsnaveleend vinden. En dat is er één beneden het gemiddelde van de afgelopen weken. Ben er nog voor helemaal naar het Eemskanaal gefietst, anderhalve kilometer verderop, maar dat mocht niet baten. Gevalletje jammer, dus.
Toen ik me daar uiteindelijk maar bij had neergelegd, met vliegende storm achter naar Delfzijl gesneld. Het idee was om daar op de dijk wat over de Dollard te turen en wat vogeltjes te gaan zoeken op de kwelders en langs het wad. Het was echter niet mijn dag. Uitgebreide dijkwerkzaamheden maakten mijn plannetje onuitvoerbaar. Slechts bij het Dollard-restaurant, half hangend boven het water, kon ik een blikje werpen: hoogwater, niets te beleven. Onverrichterzake keerde ik terug naar Utrecht.
Eigenlijk was het voor een dubbele sof nog een opmerkelijk leuke dag geweest, vond ik. Nooit eerder in Appingedam of Delfzijl geweest immers, en dat maakt zo’n dag toch weer memorabel. Zo hield ik de moed erin maar toen later bleek dat Ajax van Heracles had verloren, ach Ajax, weg kampioenskansen, toen brak ik wel een beetje. Dat er op één dag zoveel mis kan gaan en zo weinig goed! Tijd om te relativeren, want zoveel anderen in deze wereld hebben het zoveel zwaarder enzovoort. Maar dat lukte me niet zo goed zaterdagavond.

Maar het werd een weekend met twee gezichten. Na een onbestemd rondje door de polder op zondagochtend, toen het weliswaar grijs maar nog grotendeels droog was en dat overigens weinig vermeldenswaardigs opleverde (niets eigenlijk, anders had ik het wel vermeld), begon de voorspelde regen en dreigde een volstrekt troosteloze zondag. Maar toen was er ineens die melding van een kleine trap bij Hillegom, en de uitnodiging van Erik om mee te rijden. En dus stond ik een uur of twee later in de regen door de scoop te kijken naar een weliswaar vrij verre maar toch fraaie vrouw en/of eerste winter kleine trap, vogel van de steppes van Spanje of Portugal of daaromtrent, verdwaald in een verlepte bloembollenakker in Zuid Holland, waar ze voor vertrek uit Spanje of Portugal vast en zeker nog nooit van had gehoord. Had ze dat wel, dan was ze waarschijnlijk de andere kant op gevlogen. Mooi beest, druk foeragerend, geen denderend licht, kan worden tegengeworpen maar daar heb ik maling aan, daar hebben alleen fotografen last van. En toen zag het weekend er ineens een stuk vrolijker uit.
Een magistrale en emotionele overwinning van Ireen Wüst op het WK schaatsen verder stonden we in de buurt van Bodegraven te kijken naar drie koereigers. Daar hoefden we gelukkig de auto niet voor uit, want het regende intussen stevig. En toen later bleek dat PSV niet in staat was geweest van FC Utrecht te winnen en daarmee de kampioenskansen van Ajax toch nog niet helemaal verloren waren, was het leven weer zonnig. Voor zolang als het duurt.

11 februari 2019








woensdag 6 februari 2019

Winterdag

Mooie, heldere winterdagen zijn schaars de laatste tijd. Dus als we er weer eens eentje hebben, dient daarvan geprofiteerd. Een dagje Biesbosch leek me daartoe wel geschikt. Treintje naar Dordrecht Stadspolders, fietsje naar de Kop van ’t Land, overvaren en vogelen maar. Zonnetje, weinig wind en in de middag een prettig stel graadjes boven het vriespunt: wat wil je nog meer?
Ik was Dordrecht nog niet uit toen ik langs het Wantij al de eerste cetti’s zanger hoorde, specialiteit van de streek. Doet het goed in het gewarrel van riet en dicht kreupelhout langs de eindeloze wateren in de Biesbosch en omgeving. Toen cetti’s nog een grote zeldzaamheid was in Nederland, tientallen jaren geleden alweer, begonnen ze zich in destijds opmerkelijke aantallen in de Biesbosch te vestigen. Inmiddels kijken we van inventarisaties van honderden broedparen al niet meer op en breidt de soort zich gestadig uit over de rest van het land. Toch iets met klimaatverandering misschien? Ook Utrecht is inmiddels bereikt, al is de dichtheid daar nog niet te vergelijken met die hier in de Biesbosch. Toch heb ik er niet zo erg veel gehoord vandaag, ze waren betrekkelijk zwijgzaam, misschien was het ze als van oorsprong mediterrane vogels te koud. Aan een poging om er eentje in beeld te krijgen, heb ik me maar niet gewaagd.
Een paar uur later stond ik bij Boomgat te kijken naar vier ransuilen die me gewezen waren, verscholen in een struikje aan het water. Zo goed verscholen, dat ik ze nooit gevonden had als ze me niet gewezen waren. Ik heb het al vaker bedacht: je moet als vogelaar niet alleen goed op de vogels letten, maar ook op de vogelaars.
Waar het me vooral om te doen was vandaag, was het gebied ten oosten van hier. Boomgatweg, Lijnoorden, Galeiweg, Noordwaardweg. Kale, half verruigde akkers, oude waterlopen en ondiepe plassen. Hier moest gezocht worden want hier was, als het goed was, een en ander te vinden. Om te beginnen een vrouw bruine kiekendief, niet alledaags in februari. Flinke aantallen brandganzen vlogen heen en weer. Op de akkers ook kolganzen. En toen: ruigpootbuizerd, één van mijn twee doelsoorten voor vandaag. Een paar keer zag ik hem in de buurt rondvliegen, jagen en bidden. Toen-ie op zeker moment bijna recht boven me vloog, was net een auto gestopt en stond een aantal fotografen fanatiek te klikken. ‘Mooi hè’. ‘Ja’, zeiden ze; ‘het zijn er zelfs drie’. Drie? Wacht effe, drie wat? ‘Kijk, drie buizerden’. Waarop ik ze er maar even op wees dat een van de drie een ruigpootbuizerd was, veel zeldzamer dan de andere twee. Ja, ik vind alles goed hoor, en ik hoef mezelf ook echt niet op de borst te kloppen om wat ik allemaal weet wat sommige anderen niet weten, in de wetenschap dat weer anderen heel veel weten dat ik niet weet. Maar ik verbaas me toch wel eens een beetje over het gebrek aan kennis dat gepaard kan gaan met zulke dure apparatuur. Ik bedoel, zulke lenzen maar het verschil tussen buizerd en ruigpootbuizerd? Ach, … En het was helemaal geen lastige hoor: vette polsvlekken, donkerbruine buik, witte staart met donkere eindband, zelfs de aanzet tot een subterminaal bandje. Maar ze leken zelfs amper geïnteresseerd.
Tweede doelsoort van vandaag was natuurlijk zeearend. Een dagje Biesbosch zonder zeearend is niet compleet. En ook die vond ik. Twee volwassen vogels zaten fraai hoog in een forse, kale boom, prachtig zichtbaar vanaf de Boomgatweg. Iconische beesten, pronkstukken van de Nieuwe Natuur in Nederland. Na enige tijd vlogen ze op en cirkelden een tijdje rond. Twee adulte zeearenden zwevend aan hun eindeloze vleugels tegen de achtergrond van enkele opkomende wolkenluchten, mooier bestaat denk ik niet. Toen ook ruigpootbuizerd nog even langs kwam, was een herinnering geboren.
Een klapekster, gisteren in de sneeuw op het Wekeromse zand als hoofddoelsoort nog jammerlijk gemist maar vandaag bijzaak. Een mooi stel nonnetjes. Fraaie grote zaagbekken en onder andere ook kuifduiker op spaarbekken Petrusplaat. Ja, ook na zeearend was er nog een en ander te beleven. En nog altijd scheen de zon.

03 februari 2019

zondag 27 januari 2019

Limmen

Nou nou, het was weer een zware bevalling vandaag. Ik grossier in zware bevallingen, deze eerste weken van het nieuwe jaar: lang wachten, hard zoeken en eindelijk, dat dan weer wel, geduld beloond. Dit keer meenatortel, ondersoort van oosterse tortel, in het Noord Hollandse Limmen. Achtste voor Nederland, zeldzaam dus en afkomstig helemaal uit centraal Azië, maar voor mij alweer mijn derde. Heel veel haast had ik er afgelopen week dan ook niet mee gehad. Vandaag moest het er toch maar van komen. Maar juist vandaag was hij weinig coöperatief. Kun je zeggen, geen halszaak want alweer mijn derde en bovendien, zo’n duifje spreekt nou ook weer niet zo heel erg tot de verbeelding, categorie zeldzame eend zeg maar. Heel erg dringend is-ie dus niet, maar ben je eenmaal naar het pittoreske Limmen afgereisd, met zijn mooie, oude dorpskerkje omgeven door oud en vervallen kerkhofje, dan neemt toch het roofdier in je bezit van je. Dan wil je ‘m niet missen. Dan bijt je je er als een terriër in vast want je wilt niet alleen voor dat mooie, oude dorpskerkje en dat oud en vervallen kerkhofje naar het pittoreske Limmen zijn afgereisd. Dus dan is twee uur wachten, in de overtuiging dat-ie elk moment kan opduiken, een peulenschil. Maar het was een zware bevalling. Bij mijn aankomst was-ie al een uur uit beeld. Met tientallen stonden we verspreid langs de Zuidkerkerlaan de tuintjes, de dakranden en de bomen af te speuren en elke turkse tortel aan een nader onderzoek te onderwerpen, ettelijke keren fietste ik het bescheiden straatje af, van de ene kant naar de andere en weer terug, maar de vogel gaf geen krimp. En heel langzaam begon mijn aanvankelijke overtuiging dat-ie elk moment kon opduiken, plaats te maken voor twijfel. Voor de gedachte aan wat eerst nog ondenkbaar was: dat de vogel, vanmorgen nog gemeld, zich de verdere dag gewoon niet meer zou laten zien en we allemaal onverrichterzake weer op huis aan konden. Ik stond net met Ted H. de verschillende opties te overwegen, gegrepen door een kat? door zwakte het loodje gelegd? vanwege de weersomslag (alle sneeuw van de afgelopen dagen was inmiddels weggesmolten) juist vanmorgen vertrokken? ‘of’, zei Ted, ‘misschien is er niets aan de hand en zit-ie er zo meteen gewoon weer’, toen vogelaars een meter of honderd van ons vandaan heftig naar ons stonden te zwaaien. Het zal toch niet? Wel dus. Ik was blij met mijn vouwfietsje want daardoor kon ik hem nog net mooi zien zitten op een kale tak in de els achter nummer 11, een schattig duifje, nog wat grauw van kleur want jonge vogel, met opvallend patroon van lichte veerranden op zijn bovendelen. Ted zag hem alleen nog maar weg vliegen, anderen hadden hem helemaal gemist.
Gelukkig zat-ie een kwartiertje later opnieuw in de els, en nu zelfs wat langer. Daarna was-ie alleen nog maar ternauwernood te zien diep in een dichte conifeer een paar tuintjes verder. Ik was er wel klaar mee toen en fietste met een prettige omweg terug naar Castricum.

26 januari 2019



zondag 13 januari 2019

Anderhalve tel

Zoveel mogelijk profiteren van de schaarse momenten dat het droog was, dat moest maar mijn belangrijkste doelstelling zijn voor dit weekend. Dat is vanmorgen alvast mislukt. Al toen ik station Amsterdam Zuid uit fietste was het zachtjes aan het regenen. Toen ik op de inmiddels ook mij bekende plek aan de rand van het Amsterdamse bos stond, bij de waterpartij naast restaurant De Veranda, was het af en toe droog maar vaker niet. Meestal regende het zachtjes maar niet altijd. Zo staand in die regen, op die plek, omgeven door de grauwheid en door de onafgebroken ruis van de grootstad, dat was nou niet echt het soort besteding van je zaterdagochtend waar je blij van wordt. Zonder bruine boszanger zou het zelfs ronduit treurig zijn, zeker als het al de tweede keer is dat je daar staat en de eerste keer ook al vergeefs was geweest. Ik stond dan ook, na zowat anderhalf uur wachten in die regen, al te overwegen wat een idiote, zinloze en droevige hobby dit soms toch zijn kan, toen … Anderhalve tel, dat was voldoende om de stemming volledig te doen omslaan. Het miezerde nog steeds, nog steeds was het grijs en treurig maar anderhalve tel was voldoende om die miezer en die treurigheid blijmoedig op de koop toe te nemen want anderhalve tel had ik, op slechts anderhalve meter afstand, bruine boszanger in de kijker. Een onooglijk vogeltje, bruin met vuilwit en een opvallend wenkbrauwstreepje, dat was alles, dat zich al zachtjes smakkend had aangekondigd en toen zomaar ineens uit het niets in het struikje voor me was opgedoken en vervolgens alweer was doorgevlogen naar het kreupelhout verderop en van daar alweer was verdwenen in de kruipruimte onder het restaurant aan het water. Anderhalve tel, en ik was een gelukkig mens en kon eindelijk naar huis. Wat een idiote, zinloze maar leuke hobby hebben we toch.

12 januari 2019








donderdag 10 januari 2019

Tradities

Op het programma stond jaarwisseling op Vlieland, plus nog een paar dagen er achteraan natuurlijk. Tot ieders verbazing haalde iedereen de middagboot. Dus kwamen we gezamenlijk op Vlieland aan, haalden gezamenlijk de sleutel op bij de VVV, eigenden ons gezamenlijk ons tijdelijke onderkomen voor de komende dagen toe, midden in het dorp aan een zijstraatje van de Dorpsstraat, en deden gezamenlijk de boodschappen voor vanavond en morgen. Ook maakten we nog gezamenlijk een klein ommetje, over de Waddendijk achter het dorp en naar de vuurtoren. Meer Vlieland kun je je niet wensen tijdens je eerste uurtje op het eiland. De boot die alweer de veerdam achter zich laat. En mooie luchten: afwisseling van bleek blauw en blozende wolkenflarden en op het eind een mooie, vurige zonsondergang. ’s Nachts leerden we de Vlielandse oudejaarstraditie kennen: vanaf 12 uur zo lang mogelijk, met zoveel mogelijk mensen en met zo veel mogelijk lawaai (erg veel) op brommers en motoren rondjes rijden door het dorp. Brommers en motoren die waarschijnlijk grotendeels door huisvlijt in elkaar geknutseld zijn en 364 dagen per jaar zorgvuldig opgeborgen staan in een schuurtje of, zoals ik een keer zag op een ommetje door steegjes achter de tuintjes langs, liggen op een schuurdak. Het resultaat was oorverdovend en overweldigend in de anders zo rustieke Dorpsstraat.

De volgende ochtend leerden we de Vlielandse nieuwjaarstraditie kennen: de nieuwjaarsduik. Nou ja, die is natuurlijk niet exclusief Vlielands, elke badplaats heeft tegenwoordig wel zijn eigen nieuwjaarsduik. Hoe dan ook, het was wel een evenement: tientallen slechts in zwemkleding geklede mensen die op deze koude januaridag tussen een haagje van kleumende toeschouwers door naar zee renden om daar in de meeste gevallen heel even een teen in zee te steken en daarna gauw weer terug te rennen naar de warmte. Intussen bracht ik mijn eigen nieuwjaarstraditie in praktijk: het opbouwen van de nieuwe vogeljaarlijst. Kauwen in het dorp, tureluurs op het wad, wulpen, scholeksters, houtduif, merel: vlijtig sprokkelde ik mijn nieuwe jaarsoorten bij elkaar. Allemaal zonder fiets vandaag. Die hadden we nog niet nodig. Het oostelijk deel van het eiland is heel goed zonder te doen en is boeiend genoeg voor een dagje struinen. 's Morgens eerst alleen en daarna met Harriët langs het dorp, langs het wad, langs het Westerse veld en door de duinen naar zee. En 's middags eerst met zijn allen en daarna alleen de noordoosthoek gerond: de kade langs de Waddenzee, de jachthaven, de oostelijke duinstrook en langs het strand terug. Er stond een aardig windje, wat leidde tot een prachtige wilde zee met witte schuimkoppen onder mooie buienluchten met tussendoor af en toe zon, vanmorgen meer dan vanmiddag. Hoogtepunten vandaag waren een vrouw blauwe kiekendief, wat jan van genten over zee, een paar drieteenmeeuwen en in het laatste, inmiddels grijze middaglicht een vuurgoudhaan.

Het leven hangt van tradities aan elkaar. Woensdag weer een andere Vlielandse traditie meegemaakt: het jutten. Toen op het gehele strand van Vlieland (en dat van diverse andere eilanden) de inhoud van tientallen zeecontainers was aangespoeld, toog heel Vlieland aan het jutten en gingen op het eiland de gesprekken nergens anders meer over. En daar hebben we dan maar aan meegedaan. Heeft ons nog vier fijne fleecedekentjes opgeleverd en een winterjasje voor Gullie, a.k.a. Caligula, het huisschaap. Het was overigens een bizar en licht absurdistisch tafereel, dat strand kilometer na kilometer na kilometer bezaaid met honderden kuipstoeltjes en met jassen en met fleecedekentjes en allerlei andere rommel. We waren landelijk nieuws en dat heeft natuurlijk wel wat, dat je je in het oog van het wereldnieuws bevindt. In dat nieuws domineerde overigens de afschuw, de verontwaardiging over wat wij mensen de aarde, onze omgeving toch weer hebben aangedaan met onze mateloosheid, met onze tomeloze overvloed. (270 containers! waren overboord gevallen, meldden de journaals, en dan denk je, dat is de halve boot maar nee: er waren er nog zo’n 19 duizend over!) En als je de onafzienbare rommel, de massa prut op de stranden van Terschelling en Schiermonnikoog zag, was dat ook wel te begrijpen. De gevolgen voor natuur en milieu kunnen daar nog weleens hardnekkig zijn. Op Vlieland oogde het anders. Misschien was het niet helemaal zo maar zo zag het er wel uit: grotere objecten maar minder in aantal. Voor elke honderd snufjes en snuisterijtjes daar, de poetsdoekjes, de lapjes, de speelgoedschoentjes, de snippers plastic etcetera, hier één stoel. En dat is qua opruimen beter te behappen en maakt bovendien dat je je op dat strand, omringd door die honderden stoelen, in een openluchtmuseum voor hedendaagse kunst waant. Een vervreemdende ervaring.
Dit alles op de terugweg van onze gezamenlijke fietstocht naar het westen van het eiland. Posthuiswad, Kroonspolders, Posthuis, wie Vlieland kent, weet: het was weer een leuk tochtje, overigens zonder al te bijzondere vogels. Rosse grutto's, pijlstaarten, weer een blauwe kiekendief, slechtvalk, dat soort, en op zee een groep van zeker tweehonderd zwarte zee-eenden.
's Morgens nog een vergeefse poging gedaan tot zeetrek kijken. Teveel wind, teveel waaiend zand, teveel tranende ogen, ik was er binnen een kwartier weg. Daarna wel de stilte in het bos terwijl het 'buiten' zo tekeer ging.

Donderdag ... Wat was er donderdag ook alweer? ’s Morgens effe aan zee gestaan, wat niet veel opleverde. Beetje rondgefietst in het oosten: idem. Een paar van de containers gevonden waar de afgelopen dagen zoveel over te doen is geweest. Stonden gestald bij de jachthaven, gedeukt en gehavend. Een was er volkomen verkreukeld: toonbeeld van de enorme krachten die de zee kan ontketenen? 's Middags ook met zijn allen naar de containers wezen kijken. Daarna naar het Badhuis, op het strand aan het eind van de Badweg, voor ons dagelijkse lekkers. En in mijn eentje een rondje gemaakt door de duinen, de woeste en tomeloze duinen waardoorheen zich in vloeiende lijnen het fietspad slingert, en langs het wad, wat weer leuk was, mooi en heerlijk rustig, ik kwam geen mens tegen, maar (alweer) niet veel opleverde.

En toen was het alweer de dag van vertrek. Opruimen, inpakken en een beetje schoonmaken. Het huisje achter ons gelaten en de sleutels ingeleverd, zodat het definitief ons huisje niet meer was. Altijd een beetje een triest moment: niet meer ons toevluchtsoord, niet meer ons baken van rust en beslotenheid temidden van de getijden op en rond het eiland en daarbuiten. Later vanmiddag liepen we nog even door het straatje en daar stond het huisje, De Steenloper, Betzy Akerslootglop 7, Vlieland: de deur gesloten, geen licht achter de ramen, nee, ons huisje was het niet meer.
De overige tijd aan Vlieland besteed. Beetje lummelen in en om het dorp. En op expeditie met de Vliehorsexpress: met grote, half open vrachtwagen naar de uiterste westpunt van het eiland. Het was de perfecte afsluiting van ons midweekje Vlieland. Die uitgestrektheid, die ongereptheid om je heen, naakt, leeg, nog (of weer?) geheel verschoond van elke menselijke bezoedeling. Zand zo ver je kijken kon. Nou ja, niet alleen maar zand natuurlijk, altijd is er ook een verte en zoals overal in Nederland was er iets in de verte: een baken dat eruit zag als een ufo, een strandvondershuisje, de vuurtoren van Texel. Eerst ver weg, maar op het eind stonden we pal tegenover ons huidige buureiland en stond de Eierlandse vuurtoren bijna op een steenworp van ons vandaan. Grijze zeehonden bijna op aaiafstand, al werd aaien ons ten stelligste ontraden. Dat lieten ze trouwens ook niet toe.
Tenslotte nog wat lummelen in het dorp en de vijf uur-boot terug. Het nieuwe jaar tegemoet.

4 januari 2019











dinsdag 18 december 2018

Sneeuw + mist op Texel

Ik vond het wel weer eens tijd voor zomaar een dagje Texel. Dat doe ik graag af en toe, ook die enkele keer dat er op het eiland niet iets bijzonders te halen valt. Zoals vandaag. Hoewel er nog wel een paar witbuikrotganzen op het eiland zaten en die heb ik nog niet dit jaar. Toch was dat niet waarvoor ik naar Texel ging. Ik ging trouwens ook niet speciaal voor de sneeuw en de mist, maar die kreeg ik er gratis en voor niks bij. Dat was natuurlijk bijzonder om mee te maken, ik herinner me niet dat ik dat al eens eerder heb meegemaakt op Texel: een tot wit en niet-wit gereduceerd landschap, uitgevlakt door een ijle nevel alsof je door vuile brillenglazen kijkt. Maar het was ook wel een beetje hinderlijk. Dat geglibber door de sneeuw en intussen zie je door die mist toch bepaald minder dan je zou willen zien, om het maar eens mild uit te drukken.
Koud was het ook vandaag op Texel. Koud en onherbergzaam. Die sneeuw, die creëert zijn eigen onherbergzaamheid. Als er sneeuw ligt, waar dan ook, krijg je daar altijd zo’n gevoel van dat de natuur ons boven het hoofd groeit. Dat we er niet tegenop kunnen, uiteindelijk. Wat uiteindelijk misschien ook inderdaad wel zo is. Ik was in de Kreeftepolder, waar gele rietflarden het wit doorbraken. En ik was op de Hors, waar besneeuwde duintjes een prachtig mozaïek vormden tegen het gele zand. Erg fotogeniek allemaal. En doodstil, meestal. Ook zoiets: het is altijd net alsof het in de sneeuw nog stiller is dan het toch al zijn kan in de winter. Een winterkoninkje scharrelend in wat nabij kreupelhout, dat was het wel.
Wat er dus ook was vandaag, was die mist. Lange tijd hoopte ik nog dat het daarmee wel goed zou komen als, zoals voorspeld, in de middag de zon af en toe zou doorbreken. Inderdaad was er in de middag 
af en toe door de mist heen een vaag zonneschijnsel zichtbaar, maar tegen de mist kon dat niet op. Er komt dan een moment dat je weet, dit komt niet meer goed. Althans, niet vandaag, niet wat de mist betreft. Het was overigens niet zo’n enorm dichte mist, je kon af en toe nog best een goeie tweehonderd meter zien, maar het was genoeg om me het zicht te ontnemen op een onbekende hoeveelheid vogels. En wat je wel zag, oogde meest als vage contouren, zonder kleur en zonder details. Alsof voortdurend je verrekijker beslagen was. Wat trouwens inderdaad zo was. In de Mokbaai met moeite een paar rosse grutto’s en bonte strandlopers. Langs de waddenkust, vanaf Dijkmanshuizen tot aan Oudeschild, vrijwel geen rotgans kunnen vinden en dat is echt uniek. Zaten ze allemaal net buiten zicht? Maar dan hielden ze zich ook uitermate stil. Eén groepje zag ik, van acht stuks, maar witbuik zat daar niet tussen. Heel wat keren zag ik onderweg witte vlekken die spannend leken maar bij nadering natuurlijk telkens weer sneeuw bleken. Eén keer vloog zo’n witte vlek weg. Sneeuw kan niet vliegen vind ik, dus dat moet een kleine zilverreiger geweest zijn. Verder was het allemaal niet veel maar ach, een bijzondere dag was het zeker.

16 december 2018







donderdag 13 december 2018

Hit-and-Run

Een klassieke ‘Hit-and-Run’ vandaag: ineens vanmorgen de melding van een bonte tapuit in Bodegraven. Een bonte tapuit! In Bodegraven! Wat een plek, voor zo’n soort, en wat een soort, voor zo’n plek. Maar wel lekker makkelijk: twintig minuten met de trein en twintig minuten lopen vanaf het station en je staat in de blubber tussen de bergen sintels, de zandhopen, de stapels pallets en de graafmachines en zandwagens die af en toe rakelings langs je heen bulderen, te kijken naar een fraaie eerste kalenderjaar bonte tapuit. Nou ja, fraai, daar moet je wel oog voor hebben natuurlijk, sommigen vonden hem lelijk naar het schijnt, maar wel een zeldzame dwaalgast uit zuidoost Europa of verder, en dat maakt zo’n beest natuurlijk razend interessant. Minder dan dertig gevallen in Nederland, hoewel de laatste jaren wel vrijwel jaarlijks en dit jaar alweer de derde. Wat me aan de vogel opviel, behalve het weinig spectaculaire, overwegend grijsbruine verenkleed (dat met enige moeite nog wel voor een tapuit had kunnen doorgaan), was het wat ielige voorkomen. Niet zo stoer, niet zo statig en prominent als een tapuit zijn kan. Dat was me bij mijn zelf ontdekte bonte tapuit destijds op de waddendijk van Schiermonnikoog ook al opgevallen. En ook de oostelijke blonde tapuit van Westkapelle een paar jaar terug oogde zo bescheiden. Waar ‘m dat precies in zit is lastig aan te geven. Iets met verhoudingen en houding. Maar leuk: subtiele kenmerken. En leerzaam. Het was hoe dan ook weer genieten, een klein uurtje in de bagger op de bouwplaats.

11 december 2018