zondag 23 oktober 2016

Van ver

Het was een fijn weekend hoor, het Dutchbirding vogelweekend op Texel. Lekker gevogeld, veel vogels, een paar toffe soorten, allemaal goed voor mekaar. Alle lof voor de organisatie. Maar een moeite dat het af en toe kostte! Het was ook een weekend van veel zwoegen, van eindeloos zoeken, van uren maken en van lang niet altijd loon naar werken. Zo holden we op zaterdagmiddag met zijn allen over smalle bospaadjes of zelfs dat niet op zoek naar de 23e blauwstaart voor Nederland, de vierde voor Texel (en pas mijn tweede, na negen jaar), die zojuist gevonden was in een krap bemeten stukje bos bij De Koog. Het was een klassieke, onvergetelijke megatwitch waarbij we elkaar met 300 man voortdurend voor de voeten liepen en struikelden over elkaars telescooppoten die als een soort ledematen aan ons lichaam hingen. In blinde paniek renden we keer op keer naar de plek waar het beestje volgens de rondzingende geruchten zojuist gezien zou zijn, maar waar die bij aankomst meestal net weer vertrokken was of anders wel onzichtbaar achter de ruggen van mijn gewaardeerde medevogelaars. Uren heeft dat gekost, met als resultaat niet meer dan een paar tellen dat ik de vogel enigszins herkenbaar in beeld had.
De volgende ochtend ging dat overigens een stuk beter: met een bescheiden groepje stonden we rustig te wachten langs het fietspad waar de vogel af en toe langs kwam. Een paar keer kreeg ik de vogel mooi te zien.
Kende dit verhaal uiteindelijk nog een happy end, dat gold niet voor bijvoorbeeld de draaihals die zich moest ophouden in de bosjes bij het NIOZ-complex in het Horntje. Ook daar hebben we aardig wat tijd aan besteed. Drie keer hebben we er gestaan en drie keer was het niks. Of voor de pallas boszanger die ik diverse keren op diverse plekken heb lopen zoeken: voor mij onvindbaar. Over de bruine boszanger wil ik het niet eens hebben: die is door bijna niemand gezien. En die kleine vliegenvanger, in hetzelfde stukje bos als de blauwstaart: drie keer lopen zoeken met als resultaat een vogeltje hoog in een boomkruin, door anderen iets beter gezien en bovendien gehoord dus het zal ‘m heus wel geweest zijn, en een dag later enkele keren een heel zacht rateltje. Het goede geluid, de goede plek: moet je ‘m nog gaan tellen ook.
Nou was het ook weer niet altijd zo moeizaam. Sommige zeldzaamheden werden ons als het ware in de schoot geworpen. Woestijntapuit bijvoorbeeld, toch niet de minste: zat netjes voor ons klaar op een akkertje ten zuiden van De Cocksdorp. Grote pieper: vloog zomaar over ons heen toen we aan het zoeken waren naar kleine vliegenvanger. Pestvogel: vloog op een onbewaakt moment over me heen in ons tuintje in de Krim (al was dat feitelijk het weekend niet meer). En bladkoning: kun je dat nog wel een zeldzaamheid noemen, dezer dagen? Mijn mooiste was het vogeltje dat midden op de Krim fanatiek zat te roepen en toen ineens overging op zang! Zingende bladkoning in Nederland: voor Texelaars misschien gesneden koek, maar voor mij een regelrechte sensatie. Toen-ie ook nog even mooi vrij zichtbaar was, was dit blako-momentje helemaal af.
En vlak voor ons vertrek kon ik ook nog net even een hop meepikken. Dus inderdaad: een paar toffe soorten, allemaal goed voor mekaar.

Nou zijn dit natuurlijk allemaal buitenstaanders, zelfs die blako. Verre reizigers die, in de meeste gevallen, ergens een verkeerde afslag hebben genomen. Behalve misschien die blako’s want daar komen er tegenwoordig zoveel van langs dat je misschien al moet spreken van reguliere doortrekkers. Ecologisch irrelevant: ze zeggen niets over hoe het ervoor staat met natuur en met vogels in Nederland (behalve misschien die blako's …). Maar het is natuurlijk wel oktober: vrijwel alles wat we op het eiland tegenkwamen, was passant, was reiziger. De roodborstjes die af en toe met tientallen langs de bosrand scharrelden, dat waren andere dan die zich van de zomer in onze tuinen ophielden. De talloze goudhaantjes die af en toe tot op een paar meter naderden op hun zwerftocht door het stekelig duinstruweel, die kwamen echt niet allemaal (allemaal niet, vermoedelijk) uit de dennenbossen op onze zandgronden. De koperwieken en de zanglijsters die af en toe met tientallen het veld bevolkten, de graspiepers die af en toe de lucht vervulden met hun schrille piepjes, het sperwertje dat over de akker schoot en alles in wilde paniek de lucht in joeg en de jonge slechtvalk die met krachtige slagen voor ons langs over het strand schoot: allemaal afkomstig van ver. De roodborstjes en de goudhaantjes evengoed als de blauwstaart en de woestijntapuit.

21 oktober 2016





Geen opmerkingen:

Een reactie posten