maandag 2 november 2015

Waddenmarathon

De start was voortvarend: fraaie juveniele grauwe franjepoot dicht langs het Hoornderslag in de plasjes in het Groote Vlak. Mijn tiende alweer dit jaar! ook voor mij een exceptioneel aantal. Ook minimaal twee blauwe kiekendieven hier, en groepen koperwieken over. Ja, het Dutchbirding Texelweekend was ook voor ons begonnen. In de Slufter vonden we twee mooie groepen strandleeuweriken. Die had ik al lang niet meer zo mooi gezien. En een prachtige slechtvalk. En een ijsvogel! Nota bene een ijsvogel, midden op de kwelder! Rosse grutto’s, zilverplevieren, drie kleine zilverreigers: de start was voortvarend. En intussen was de regen voorbij, dreigde af en toe de zon door te breken en zat het eiland tjokvol met trekvogels.
Maar daarna werd het sprokkelen, en achter de feiten aan hollen. We stonden net achter De Cocksdorp een bosrand af te speuren, zwartkop, tjiftjaf, keep, goudhaantje, toen die melding kwam: zwartkeellijster bij camping Loodmansduinen, helemaal aan de andere kant van het eiland. Natuurlijk meteen terug naar de auto en in snelle vaart naar het zuiden. Het mocht niet baten: we waren te laat. We mochten ons daarover niet al te hard beklagen want we waren bepaald niet de enigen. Slechts vijftien mensen hadden de vogel te zien gekregen voordat die uit beeld was verdwenen om nooit meer te worden teruggevonden. Maar ook een bladkoning aan het begin van het pad zweeg toen wij er waren. Het was de eerste van liefst vier blako’s die we dit weekend misliepen: op zaterdag nog eentje in de Tuintjes en eentje in De Cocksdorp, en op zondag eentje op vakantiepark De Krim. In Dorpzicht waren de witkopstaartmezen voor ons niet weggelegd en bij de robbenjager kreeg ik alsmaar de siberische tjiftjaf niet in beeld die daar door een struikje scharrelde, hoewel vrijwel iedereen ernaar stond te kijken.
Maar ach, af en toe moet je je verlies nemen en genieten van al wat wel voorhanden is. Een ongelooflijk afgesleten cliché natuurlijk maar het werkt wel! Want Texel lag er feestelijk bij, schitterend opgetuigd door een kleurrijke herfsttooi. Met geelgekroonde berkenbosranden, wit uitgeslagen abelenbosjes en nog veel meer. En ondertussen ondergingen we de fantastische dynamiek die op zo’n dag over het eiland waart, als een windloze herfststorm. Lijsters vlogen af en aan, koperwieken, kramsvogels, zanglijsters, merels. Roodborsten zaten zowat op iedere straathoek, in ieder bosje en in iedere slootkant en sommige waren zo tam dat je moest oppassen dat je niet op ze ging staan. Goudhaantjes trokken met tientallen door het kreupelhout. Naast de Robbenjager foerageerden ze volop in het gras.
We sloten de dag af met enkele mooie momenten in de Tuintjes. Met een fraaie klapekster, met een beflijster, liefst drie velduilen waarvan twee weliswaar hoog in de lucht maar prachtig klapwiekend en een schitterende ruigpootbuizerd uitvoerig jagend en biddend en af en toe in één beeld met de beide velduilen. Zodat we al met al nog helemaal niet ontevreden ons huisje aan de Slufterweg opzochten.

Na een gezellige avond in het Eierlandse huis in De Cocksdorp begon de zondag regenachtig. Wind was er nog altijd nauwelijks en dat maakte weliswaar de regen draaglijker, maar ons plannetje om te beginnen met een uurtje over zee kijken bij Westerslag werd daardoor natuurlijk wel een beetje kansloos. Toch maar doorgezet, en daar kregen we geen spijt van. Want ineens ontdekte ondergetekende volkomen onverwacht (maar is zo’n ontdekking ooit verwacht?) een mooie grauwe pijlstormvogel die geruime tijd over zee heen en weer vloog voor-ie in noordelijke richting verdween. Verder onder andere roodkeelduiker, zwarte zee-eend en jan van gent, en bij de parkeerplaats vlakbij twee strandleeuweriken.
Maar na deze opnieuw voortvarende start werd het opnieuw sprokkelen. De regen hield voorlopig aan zodat we vanuit de auto wat soortjes bij elkaar probeerden te scharrelen. Daarvoor leek vooral de waddenkant van het eiland geschikt. Ottersaat, Wagejot en de Bol verrichten echter geen Grote Daden. Kluten, watersnippen, wat bontjes, dat was het wel. En tussen de honderden rotganzen in de polder konden we ook al niets afwijkends vinden. Het klinkt een beetje als een treurzang maar dat was het natuurlijk niet. Want zeggen oeroude filosofieën niet: het is de weg erheen die vreugde schenkt, meer dan het einddoel zelf? Het was heerlijk om tussen de kluten, de watersnippen en de bontjes te speuren naar iets zeldzaams, ook al zat het er niet. Het was fijn om tussen de rotganzen te zoeken naar die ene zwarte, ook al konden we die niet vinden. En uiteindelijk vonden we toch die bonte kraai in Zuid Eierland, tegenwoordig een soort om te twitchen. En uiteindelijk beleefden we weer mooie momenten in de tuintjes, met weer klapekster en weer een hoge velduil. En uiteindelijk vonden we bij Oosterend toch nog die zwarte rotgans tussen de rotganzen. Zodat we al met al nog helemaal niet ontevreden naar huis terugkeerden. Het was al donker toen we terug waren in Utrecht.

De volgende ochtend meteen met de trein naar Groningen, met de bus naar Lauwersoog en met de boot naar Schiermonnikoog voor een klassieke herfstvakantie op de Wadden. Iets mooiers dan dat bestaat er voor mij niet. Al op de boot brak de zon door. Groepen eiders en rotganzen patrouilleerden over de Waddenzee en al bijna aan de overkant verwelkomde ons een slechtvalk die laag over ons heen vloog.
Het was op Schier al net als op Texel. Het was een feest van herfst, vol van uitzinnige kleuren, van geel uit­geschoten duinweiden, oranje rietwaaiers, zilverglinsterende abelenbosjes en goud bestrooide berkenbosranden. Alsof de zon zelf uit het duin­land omhoog scheen. Bosjes boordevol lijsters en vinken, in struiken groepjes spreeuwen die als ze opvlogen zich ineens vertienvoudigden, velden vol ganzen die met gekromde ruggen het grasland be­graasden en zwermen trekvogels die als vloedgolven over het eiland gingen. Die dynamiek, die massaliteit, dat voortdurende bewegen om je heen: de herfst is mij lief. Zeker in deze tijd van het jaar staat hij steevast in de top vier van mijn meest geliefde seizoenen.
Ik herinner me het eind van mijn eerste dag op het eiland. Ik was zojuist bij Kobbeduinen geweest waar het baken uitrees boven de laatste duintjes die blonken in het lage zonlicht. In beginnende schemering was ik op weg naar het dorp toen ik boven me koperwieken hoorde. Niet voor het eerst maar dit keer zag ik op enige hoogte een groep strak naar zuid vliegen. En aan die groep leek geen einde te komen. Steeds maar meer koperwieken vlogen over me heen, als zwarte sneeuw, het moeten er zowat wel duizend geweest zijn, in één groep. Het was adembenemend. En toen ze eindelijk voorbij waren en ik was doorgefietst: weer geroep van koperwieken boven me, en net zo’n groep als zojuist, net zo zonder einde, vloog opnieuw op hoogte dwars het eiland over naar zuid. Nog nooit zoiets meegemaakt.
Het was trouwens alweer een jaar of zes geleden dat ik op Kobbeduinen stond en zag hoe het baken, dat driehoekige geraamte met zijn kruisende rechte lijnen, de grilligheid van het laatste duinland doorbrak. Het baken van Kobbeduinen: beeldmerk van Schier dat we al vanmiddag, nog midden op het wad, aan de horizon hadden zien opdoe­men. En het voelde als thuiskomen. Die burcht van duinland als laatste bolwerk van vasteland temidden van de kwelders. Voorpost van droge voeten temidden van de omringende willekeur van eb en vloed. Met lijsters, lijsters en nog eens lijsters. Een paar beflijsters vond ik er. Goudhaantjes op het plankier en een verre kiekendief. En een keer vloog daar een leeuwerik over, die klonk zo helder en zo scherp, zo bijna vrolijk en ook zo doordringend, dat leek bijna wel een kalanderleeuwerik. Maar zal toch wel een veldleeuwerik geweest zijn.

De volgende ochtend fietste ik in het eerste schemerlicht het dorp uit, toen temidden van de massaal overtrekkende koperwieken en zanglijsters ineens een pieperroepje klonk. Ik stopte, luisterde en hoorde het nog een keer. Twee keer, daar moest ik het mee doen. Maar ik heb niet voor niets de afgelopen jaren en vooral de afgelopen weken zo veel geoefend op roepjes van siberische boompieper. Deze riep precies wat-ie roepen moest, vond ik: schel, hoog, boompieperachtig maar niet zo strak, niet zo rechtlijnig. Explosief beginnend maar daarna met een zeker verval, zowel in intensiteit als in toonhoogte. Alles natuurlijk in een fractie van een seconde. Een beetje richting roodkeelpieper maar dan natuurlijk heel anders, lang niet zo langgerekt, lang niet zo fijn, lang niet zo glad. Geen opname uiteraard, dus ik kan niets bewijzen, maar voor mij was het er wel een.
Het onverwachte, de verrassende soort, de hoop op een zeldzaamheid, dat is ook een van de charmes van herfst op een Waddeneiland, wanneer immers alles mogelijk is. Op Texel had ik hem gemist, die zeldzaamheid, op Schiermonnikoog vond ik ‘m zelf. Al was ik nog niet meteen overtuigd toen ik aan het eind van een wat uitgelopen expeditie naar Kobbeduinen op de waddendijk bij de jachthaven die afwijkende tapuit vond. Overwegend grijs van kleur, vrijwel geen koptekening en klein van stuk: het had misschien voldoende moeten zijn maar op zo’n moment ga je als vogelaar enorm aan jezelf gaat twijfelen. Ik in elk geval. Zat ik er niet helemaal naast? Was het niet iets heel gewoons? Niemand wil de hoon van de algehele vogelaarsgemeenschap over zich heen dus thuis een en ander nageslagen en terug op de dijk de vogel samen met collega-ontdekker Jos Welbedacht min of meer afgemaakt. Al had de determinatie ook daarna nog heel wat voeten in de aarde. Uiteindelijk concludeerde de algehele vogelaarsgemeenschap: bonte tapuit. Terug thuis, droge kleren aan, verwarming hoog en de Schiermonikoger kruidenbitter binnen handbereik, was de herinnering aan het kille miezerweer van vanmiddag gauw verdwenen en bleef alleen die aan de 21e bonte tapuit voor Nederland over (indien aanvaard, moeten we er dan altijd bij zeggen).
Minder zeldzaam en zeker minder verrassend (want al bekend en bovendien jaarlijks aanwezig) waren de roodhalsganzen die zich ophielden tussen de brandganzen in de schaarse polders op het eiland. Het was soms nog best lastig om die er tussenuit te halen, meestal omdat je naar de verkeerde groep stond te kijken, maar als het uiteindelijk lukte waren ze wel heel mooi. Eén keer telde ik er vijf, het maximale aantal dat gemeld is dezer dagen. Zo’n groep op zo’n Waddeneiland, dat voelt toch anders dan een enkele verdwaalde vogel ergens in een polder op het vasteland. Daar kleeft er altijd de gedachte aan een ontsnappeling aan. Alles is mogelijk natuurlijk, maar vijf ontsnapte roodhalsganzen die alle vijf de Waddenzee zijn overgestoken en op Schiermonnikoog zijn aangeland? Dit voelt toch veel meer als een echte familiegroep uit ergens diep in Noordoost-Europa, en dat maakt ze er een stuk mooier op.

De zee leverde deze week weinig spannends op. Weinig wind en slechts groepen eiders, zwarte zee-eenden en rotganzen, plus een enkele jan van gent of roodkeelduiker. De jonge, ruige vegetatie op het strand was eigenlijk veel spannender. Sowieso is dat natuurlijk een fascinerend verschijnsel op Schiermonnikoog: hoog op die enorm brede stranden die Schier bij zeetrektellers wat minder populair maakt, is langs de hele Noordzeekust een piepjong duinlandschap ontstaan waar lage duintjes afwisselen met drassige kweldervegetatie, soms dicht en soms half open met af en toe ondiepe plasjes of slenken. Daar wil nog weleens wat spannends schuilen, weet ik uit ervaring, al kwam ik deze keer niet verder dan een boel graspiepers, een jagende blauwe kiekendief, een jagende slechtvalk, een paar ijsgorzen, putters en kneuen en twee overvliegende sneeuwgorzen. Maar het is hoe dan ook een belevenis op zich om door de jaren heen het landschap zo te zien groeien. Ik herinner me nog dat je vanaf de duinen gewoon over het zand naar zee kon lopen, al was dat altijd wel een heel eind. Dat is dus in amper tientallen jaren, in termen van landschapsontwikkeling een oogwenk, radicaal veranderd.
Wat al die jaren hetzelfde gebleven is, is de Westerplas die aan de westkant van het eiland tussen de lage duintjes rust. Maar wat dan weer in al die jaren is veranderd, zijn de zilverreigers. Vroeger, ja, als je ver genoeg teruggaat was dat in heel Nederland een zeldzaamheid natuurlijk. Tegenwoordig heb je volop zilverreigers in de Westerplas, grote en kleine. Maar zaten er nou vooral kleine, of vooral grote? Op dinsdag telde ik minimaal vijftien kleine. Maar op donderdag, op een regenachtige ochtend net terug van de tapuit, zaten er juist zestien grote. Onbeslist dus.
Daarna volgde vrijdag, de dag die je wist dat zou komen, zoals dat in modern Nederlands heet. Het dagelijks leven wachtte: we moesten naar huis.

Sluiten we mijn Waddenmarathon af, diametraal aan de andere kant van ons ook weer niet zo heel kleine landje, met een dip van formaat: de vorkstaartplevier die gedurende ons gehele verblijf op Schier in de Autrichepolder bij Westdorpe had gezeten, was daar juist op zaterdag vertrokken. Pijnlijk. De lange reis (trein naar Goes, bus met vouwfiets naar Terneuzen en door naar Axel, en op de vouwfiets naar Westdorpe) was vergeefs geweest. Nou ja, vergeefs, op een of andere manier laat-ie toch een leuke herinnering na. Aan fietsen door Zeeuws Vlaanderen, langs akkers en langs oude kreken. Aan urenlang met enkele lotgenoten wachten bij de plasjes waar de vogel zich tot gisteren had opgehouden, elke zwerm kieviten afspeurend in de hoop dat-ie er toch nog tussen zou zitten. Even opwinding als een van de aanwezigen hem meent te hebben zien vliegen maar daarna toch weer alleen maar kieviten, en goudplevieren en op het water een geoorde fuut. Bruine kiekendief over, toendrarietgans ter plaatse maar nee, echt geen vorkstaartplevier meer. Het is de prijs van een weekje Schier. En ach, dat is die prijs eigenlijk best waard.

24 oktober 2015

Geen opmerkingen:

Een reactie posten