maandag 26 oktober 2026

Texel: een lappendeken van herinneringen

Texel is geplaveid met herinneringen, met locaties waar we allemaal nog die ene geweldige soort voor ons zien. Van de braambosjes langs het Hoornderslag waar nog maar enkele weken geleden een veldrietzanger te zien was tot de akker in de Staatsbossen waar alweer meer dan twintig jaar geleden een scharrelaar verbleef: onophoudelijk passeren we plekjes die aan voorgaande zeldzaamheden herinneren want zo is Texel: vol van herinneringen aan geweldige soorten uit het verleden. Tijdens zo’n Dutchbirdingweekend ga je dan ook van de ene herinnering naar de andere. Leg je over dat rooster, die lappendeken van herinneringen nieuwe tochtjes, met natuurlijk de bedoeling om nieuwe herinneringen, nieuwe plekjes aan die lappendeken toe te voegen. Aanvankelijk wilde dat overigens nog niet zo lukken. Het was zwoegen, het was hard werken; een echt topweekend leek het niet te gaan worden. Want het was rustig op het eiland. Moeizaam sprokkelden we onze soortjes bij elkaar.
Nou begon het weekend met een soort die er best mocht wezen maar punt was, dat we die helemaal niet te zien kregen. Op vrijdag direct na aankomst stonden we zowat een uur in de miezer aan het struwelenwoud langs het westelijke Horsmeertje (brilzee-eend april 2010) aandachtig te speuren en te luisteren maar alle inspanning en geduld leverde niet meer op dan enkele zachte roepjes van raddes boszanger. De vogel bleef stijf onzichtbaar. Nou is dat natuurlijk, veel meer dan de volmaakte waarneming enkele jaren geleden in Amersfoort, kenmerkend voor de soort dus op een bepaalde manier is dat ook wel bevredigend, maar voor een plekje in de lappendeken is dat wel bezwaarlijk. Waarna de miezer regen werd, we daarom eerst maar boodschappen gingen doen waarna de regen nog niet over was en we verder alleen nog wat over onze camping gezworven hebben (Loodsmansduinen, witkopgors december 2016), met wel nog een mooi dekentje van kepen tot gevolg.
Zaterdag was het weer veel beter: volop zon en droog, al woei er wel een forse vooral noordelijke wind. Een nieuw plekje op de lappendeken leverde dat echter niet op. We probeerden het aan zee, wat aangenaam was maar niet meer opleverde dan enkele standaardsoorten al waren daar wel tientallen geweldige jan van genten bij, plus een mooi groepje strandleeuweriken kortstondig voor ons op het strand. We probeerden het bij het renvogelveldje, op zich een vooraanstaande plek op de lappendeken al zijn er nog maar weinig vogelaars die zich de naamgever van die plek daadwerkelijk nog kunnen herinneren. Ik in elk geval niet. We probeerden het in de Tuintjes en in Dorpzicht, locaties die ook goed zijn voor vele herinneringen (onder andere mijn eerste kleine vliegenvanger, oktober 2012) maar ook die leverden geen nieuwe op. Het dichtst bij kwam nog die (vooralsnog vermoedelijke) siberische braamsluiper in de Bleekersvallei (turkestaanse klauwier, augustus 2002). Ach, siberische braamsluiper, … Maar hij kwam wel van ver en kwam uiteindelijk erg dichtbij, af en toe tot op amper twee meter afstand. Toch wel een kleine herinnering waard.
Maar klapester wilde daar niet lukken, bonte tapuit in de Tuintjes had zomaar de soort van het weekend kunnen zijn maar was voor niemand anders dan de ontdekker weggelegd en kuifaalscholver op de Eierlandse dam was toen we ter plaatse waren alweer vertrokken en bleek bovendien een aalscholver geweest. Een bescheiden krentje was nog de pestvogel in Den Hoorn maar daarvan staan er al diverse ingetekend in de lappendeken dus die laat ook al geen onuitwisbare herinnering na.
Voor zondag waren de weersvooruitzichten tamelijk dramatisch, maar het was nog droog toen we in ’t Horntje de excursiegangers van de dag opwachtten: één auto met welgeteld twee mensen. We begonnen de excursie dan maar met opnieuw een dip: beflijster was in en om ’t Horntje (zwartkeellijster, november 2009) nergens te vinden. De Mokbaai leverde naast de gebruikelijke typjes als rosse grutto, zilverplevier en kanoet een in oktober best opmerkelijke kleine strandloper op. In de Staatsbossen konden we weliswaar de klapekster opnieuw niet vinden, maar hoorden we wel een kleine bonte specht roepen, op Texel een soort van betekenis. En zo waren we alweer in de Nederlanden aangeland, op weg naar een aardig versleten lapje van zomerkleed kaspische plevier, vijftien jaar geleden alweer, toen de melding binnenkwam die alles goedmaakte: izabeltapuit in polder Wassenaar! We braken er onze wandeling onmiddellijk voor af en stonden een uur later in de miezerregen te kijken naar een fraaie izabeltapuit: soort van het weekend, soort die zo’n weekend verdient en die zo’n weekend tot een topweekend maakt. Want pas mijn derde ooit. Aanvankelijk was het nog wel spannend: eerst was de vogel zoek, daarna was er verwarring met een ook aanwezige gewone tapuit en toen de determinatie vaststond bleef-ie op afstand en veelal verscholen. Maar toen enkele heren die al die tijd beneden in het terrein hadden gestaan zich eindelijk hadden teruggetrokken, kwam-ie bijna onmiddellijk dichterbij en foerageerde af en toe vlak onder de dijk.
Dat we daarna ijsgors misliepen in Eierland deed niet ter zake en dat in de Waal en Burg zowel kleine als temmincks strandloper van de partij waren, was een prettige bijkomstigheid en leuk einde van een geslaagde excursie maar intussen ook slechts bijzaak.
De volgende ochtend deden we izabeltapuit nog even over. Na tussenstop in (opnieuw) de Waal en Burg (mooie groep ganzen met onder andere twee kleine riet), (opnieuw) de Nederlanden (flinke groep barmsijzen, lang niet de eerste dit weekend) en kijkpunt Het Diepe gat (uitzicht op de Slufter en op onder andere oeverpieper, rosse grutto en zilverplevier) belandden we opnieuw op de Waddendijk nabij het Reddingsboothuisje. En beleefden daar het mooiste uur van het weekend. Het was rustig op de dijk, in tegenstelling tot gisteren. De zon scheen, in tegenstelling tot gisteren. En izabel foerageerde uitvoerig in het zonnetje tot vlak onder de dijk. En niet alleen waren nu de harde kleedkenmerken helder zichtbaar, het bleke, contrastarme verenkleed, de opvallende zwarte duimvleugel, de bescheiden oog- en wenkbrauwstreep (alleen vóór het oog) en het staartpatroon, maar ook het subtiele verschil in bouw en houding. Fier rechtop, hoog op de poten en eerlijk gezegd ook wat minder slank dan onze tapuit. Het is lastig uit te leggen en iedereen ziet er iets anders in maar hij oogt gewoon net even anders. En bovenal waren er natuurlijk de zonnige, izabelkleurige tinten. Wat een prachtige vogel en wat een prachtige toevoeging aan al die herinneringen die Texel tekenen!

19 oktober 2026


Meer DBA op Texel? Dutchbirdingweekend op Texel
Mijn weblogkasteel







Geen opmerkingen:

Een reactie posten