maandag 30 april 2018

Vogelreis Extremadura april 2018

Om te beginnen een herinnering. Een van de vele. Het is nog vroeg in de ochtend als we nabij Trujillo op de steppe staan. De zon komt net boven de horizon uit. Een grote bal van vuur die de laatste mistflarden wegblaast die op de steppe rustten, afijn, men kent dat wel, al oogt dat in de Hollandse polder toch altijd wat alledaagser. Een stevige, nogal frisse wind maakt dat het koud aanvoelt, iets dat we nog niet eerder hebben meegemaakt deze week. Maar! Overal zingende kalanderleeuweriken, zo talrijk als bij ons de veldleeuweriken allang niet meer zijn. Dichtbij baltsende kleine trappen, boven het veld een jagende grauwe kiekendief, in de verte roepende hop: meer heb je niet nodig om de kou te vergeten. We zijn op zoek naar zwartbuikzandhoen, twee dagen terug gemist en daardoor nog ontbrekend op de lijst. En voor mij een lifer: nooit eerder gezien. Dat zoeken duurt even maar uiteindelijk vinden we er twee, ver weg in het veld en ternauwernood herkenbaar. Dan verschijnt er een vos ten tonele en of het een met het ander te maken heeft weten we niet, maar ineens vliegen er een stuk of vijftien zwartbuikzandhoenders fraai voor ons boven de steppe. Ook zwartbuikzandhoen gelukt! Zoals vrijwel alles gelukt is deze week.
Het is een bijna magische ochtend. Kleine trap, kalanderleeuwerik, zwartbuikzandhoen: daar wordt een vogelaar heel erg gelukkig van. En dan, we horen ze achter ons aankomen: witbuikzandhoen! Een stuk of zeventig liefst vliegen laag over ons heen! Ja, het is een magische ochtend. Even later vinden we ook nog twee zwartbuiken een stuk dichterbij in het veld, en op de terugweg vanuit de auto een stuk of dertig vale gieren, op korte afstand rustend en met één monniksgier erbij. Het maakt de ochtend, het maakt in feite deze week in Extremadura helemaal af.

Het was zomaar een ochtend in Extremadura. Nou ja, niet helemaal zomaar een ochtend natuurlijk, het was onze laatste en die was wel enigszins exemplarisch voor deze vogelreis. We waren een week op stap met BirdingBreaks en deze week lukte vrijwel alles. Ik heb er de papieren nog even op nageslagen die we voorafgaand aan de reis kregen toegestuurd. Daarin ook een dagprogramma met de soorten die we mochten verwachten. Wat we daarvan gemist hebben? IJsvogel. Nou ja, ijsvogel … Overwinterende alpenheggenmus maar dat was een foutje want het is natuurlijk allang geen winter meer. De enige relevante soort die we niet hebben kunnen vinden was steenarend. Daar kunnen we mee leven want daartegenover stonden bijvoorbeeld wel vier spaanse keizerarenden, endemisch op het Iberisch schiereiland en voor mij (ook al) een lifer. Vier spaanse keizerarenden en ik weet echt niet welke daarvan de meeste indruk maakte. De eerste, een juveniele vogel onderweg vanuit de auto, omdat het de eerste was? De tweede, een adulte vogel ver weg in vlucht toen ik met Peter naar kleine torenvalken stond te kijken bij de stierenarena in Trujillo, omdat het de zelf ontdekte was? De derde omdat die er zo indrukwekkend bij zat, hoog in een boom in Monfragüe? Of toch de vierde, omdat het misschien wel de mooiste was: een adulte vogel die heel rustig dichtbij langs vloog?
Het was de perfecte reis, dat kan niet vaak genoeg gezegd worden. Perfect gezelschap, perfecte begeleiding (Godfried wist alles, zag alles en kende alles), perfect weer (de week voor onze aankomst had het nog volop geregend en de zaterdag na ons vertrek werden weer buien verwacht. Wij hadden welgeteld één dag met wat lichte regen) en perfecte vogels. Het was een vogelreis, daarover geen twijfel, dus vogels waren de hoofdzaak. Over vogels gaat het hier in de eerste plaats en wie dat saai vindt kan beter vertrekken. Maar ook de oude stad van Trujillo die hoog boven de vlakte verrees, kreeg onze aandacht, met smalle straatjes die vanaf fraaie pleinen omhoog voeren tussen oeroude, uit grove steen gemetselde muren en bogen en torens en oude kerken naar het oude kasteel op de top van de heuvel, dat uitziet over de wijde omgeving. En ook het oude Romeinse aquaduct van Merida kreeg onze aandacht. En niet alleen omdat daar ooievaars op broedden. Niet alleen vanwege de fantastische kleine torenvalkjes die rondvlogen boven het oude Trujillo. Niet alleen vanwege de zwarte spreeuwen die ik zag vanuit het raam van mijn luxe tweepersoons hotelkamer voor mij alleen, zwarte spreeuwen zingend met wapperende vleugels op de antennes op de daken aan de overkant van het smalle straatje. Niet alleen daarom, al wil ik het wel even gezegd hebben.














Maar vraag me later wat me van deze reis het meest is bijgebleven en ik zal denk ik de grote trappen noemen. Eindelijk grote trappen want grote trap is een iconische soort. Soort van de ongerepte Europese steppen maar zeldzaam geworden omdat die ongerepte steppen in Europa zo zeldzaam zijn geworden omdat daar in de moderne op overproductie gerichte landbouw eigenlijk geen plaats meer voor is. Maar in Extremadura heb je ze nog volop, de eindeloze golvende half natuurlijke, half verwilderde vlaktes waar de kalanderleeuweriken zingen, waar overal de grauwe gorzen en de kuifleeuweriken en waar af en toe bendes gieren de velden afstruinen op zoek naar overleden have. Waar af en toe het rotsgesteente door de overigens grazige oppervlakte breekt en waar in de verte de besneeuwde toppen zweven van de Sierra de Gredos. In die steppe was het dat we op een grijze ochtend, de enige grijze ochtend van de week, in de verte hoog op de heuvelrug een grote trap zagen staan. Er ging een schok door me heen. Vogel uit het boekje, mythe gematerialiseerd tot werkelijkheid. Hij bestaat echt, hij ziet er echt zo uit als-ie in de vogelgids getekend staat.
Het was overigens lang niet de laatste keer deze week dat een dergelijk gevoel van overweldiging me overkwam.
En het werd nog veel mooier. Een paar honderd meter verderop vonden we wel vijftien grote trappen in het veld. Diverse mannen stonden zich daar enorm uit te sloven voor de ogenschijnlijk tamelijk ongeïnteresseerde vrouwtjes, en zoals die mannen zich daarbij soms schijnbaar binnenstebuiten keren, dat tart iedere verbeelding. Terwijl intussen rondom de kalanderleeuweriken zongen.
De steppen van de Extremadura, die zijn voor een vogelaar de hemel op aarde. Het overkwam ons hier dat we stopten voor een slangenarend op een elektriciteitsmast (ja, half natuurlijk hè, de mens is ook hier nooit ver weg), vervolgens op de draden twee scharrelaars zagen, een man grauwe kiekendief zagen jagen boven het veld en aan de andere kant een kleine trap ontdekten, meest half verscholen in de vegetatie maar soms aardig en grotendeels vrij zichtbaar. Intussen vlogen er een paar grote trappen over, zongen ook hier de kalanderleeuweriken, was er een kleine torenvalk in de buurt en werden ook nog eens beneden ons twee fraaie grielen ontdekt. Ik bedoel maar, niet weten waar te kijken was nog nooit zo reëel. In de verte riepen hop en steenuil










Dat was de steppe. Een ander karakteristiek landschap in de Extremadura wordt gevormd door de rivieren. Echt ongeschonden, vrijuit stromende rivieren zijn helaas ook hier schaars. De meeste zijn gekooid, omgevormd tot een aaneenschakeling van stuwmeren. Maar je hebt ze nog wel, riviertjes die vrijelijk dartelen door het rotsige landschap, ondiep en ongevaarlijk als het daar de tijd of de juiste plek voor is, maar elders of op een ander moment een machtige stroom die alles in zijn vaart meeneemt. Een mooie vrije rivier is bijvoorbeeld de Almonte. Even onder Jaraicejo zijn bij elkaar drie bruggen die het riviertje oversteken. De moderne brug waar de nieuwe snelweg naar Madrid overheen gaat, de oude brug met de oude weg en de nog veel oudere Romeinse brug. Drie tijdperken in één blik verenigd. De Romeinse is uiteraard de mooiste, de indrukwekkendste. Heeft zowat tweeduizend jaar doorstaan en staat er nog steeds. Onder die bruggen door dartelt het riviertje door zijn stenige bedding, verzonken in groene glooiingen. Nachtegaal zong, grauwe gors uiteraard ook, langs de oever verbleven wat spaanse mussen en af en toe barstte de cetti’s zanger uit. Rotszwaluwen, blauwe ekster, Need I say more? We stonden op de Romeinse brug toen een blauwe rotslijster langs vloog. Hij zat prachtig bovenop een soort oude stenen steunbeer toen Godfried riep: ‘otters!’ Twee otters zwommen langs de oever, nog redelijk ver maar ze kwamen steeds dichterbij. En zelfs ik had geen oog meer voor blauwe rotslijster, toch een fijne soort.
Zelfs voor Godfried was dit uniek. Keer op keer verzekerde hij ons dat hij in geen tien jaar zo mooi otters had gezien. Ze zwommen langs de kant naar de brug toe, spelend, duikend, vissend en soms golvend als dolfijnen, en zwommen uiteindelijk vrijwel recht onder ons. Een moment om nooit te vergeten. Waarna een groep van zeker dertig vale gieren onze aandacht vroeg, met ertussen één monniksgier. Het was pas onze tweede dag dus we waren daarvan nog behoorlijk onder de indruk. Twee hoog naar noord trekkende grauwe kiekendieven, twee slangenarenden ter plaatse, het kon weer eens niet op.
Een heel andere rivier was de Guadiana, die we ontmoetten bij Merida, hoofdstad van Extremadura. Deze was breed en schreed traag door het omringende land. Vlak bij een parkje op de oever van de rivier is een vogeleilandje waar met tientallen de koereigers broeden en diverse kwakken en lepelaars en waar af en toe tientallen zwarte ibissen tegelijk over de rivier kwamen aanvliegen. Zwarte ibissen waren ook geregeld fraai zichtbaar langs de rietrand of op een struikje. Het zijn wondere wezens. Het predicaat zwart is erg onverdiend want in het zonlicht zijn ze allesbehalve zwart. Subtiele tinten paars en donkergroen glimmen je tegemoet.
Verderop was alweer een oude Romeinse brug. Massaal vlogen daar de gierzwaluwen rond. Alpengierzwaluwen waren erbij en die zijn zeer indrukwekkend. Groot, het lijken wel valken, met opvallende witte buiken. Ook vlogen er wat vale gierzwaluwen tussen, meer als gewone gierzwaluwen maar bruiner van kleur. Als je ze goed in beeld had, viel ook de wat lichtere kop op waar een donker oogmaskertje in afstak. Beide, zowel alpen- als vale gierzwaluw, in Nederland slechts zeer zeldzame dwaalgasten. Wij hebben alleen de gewone, die hier trouwens ook het talrijkst is. In de rietrand beneden zagen we prachtig buidelmees, woudaapje en cetti’s zanger, maar vooral: purperkoet. Ook al zo’n iconische soort, ook al voor mij een grote wenssoort, een reusachtig waterhoen maar dan knalblauw met rode poten en rode snavel en voorhoofd. Heel subtiel. Eerder in de week waren we die nog misgelopen dus ik was erg blij. Hij kwam geregeld het riet uit om aan de rand van de rietkraag merg te verzamelen om aan zijn jongen te voeren, en was dan prachtig zichtbaar.




Vaker waren de rivieren gekooid tot stuwmeren. Ook die zagen er indrukwekkend uit, maar het verlies aan natuurwaarden, aan subtiele schakeringen, afwisseling van nat en droog en hoog en laag, weelderige vegetaties en noem maar op, dat verlies is natuurlijk dramatisch. Veel van die stuwmeren zijn uitgestrekt en diep en bevatten weinig leven. Al zagen we boven het Embalse de Alange wel fraai lachsterns (en op de rotswand erboven zwarte tapuiten, plus nog daarbij bergfluiter, grijze gors, blauwe rotslijster, uitvoerige zingende theklaleeuwerik, in de lucht onder andere een havikarend en aan de stuwdam tientallen broedende alpengierzwaluwen die formidabel pal voor ons hoog boven de diepte rondvlogen. Need I say more?). Het interessantst waren de stuwmeren als ze ondiep waren, stuwmeren in het wat vlakkere heuvelland, met oevervegetaties en drassige graslanden. Zo zagen we op het fraaie Embalse de Alcollarin een mooie verzameling typisch Hollandse eenden en meeuwen met onder meer pijlstaart, zomertaling en slobeend. Koereigers, roodkopklauwier, kuifleeuweriken, een stel groenpootruiters, geoorde futen, steltkluten, maar het mooist hier waren drie vorkstaartplevieren. Ach jongens, die had ik al meer dan dertig jaar niet gezien! Prachtig waren ze toen ze langs de oever foerageerden, en zeker zo mooi toen ze zaten te rusten op een nabij eilandje. Weer zo’n heerlijk en onvergetelijk moment.



De rivieren leiden vanzelf naar de bergen, die vooral de steile, rotsige wanden zijn van de kloven die door de rivieren gedurende honderdduizenden jaren zijn uitgesleten. Woonplaats van gieren en arenden, van zwarte ooievaars, van grijze gors en blauwe rotslijster, rotszwaluwen en van zwarte roodstaart natuurlijk, die een Nederlander iets minder tot de verbeelding spreekt maar wel helemaal thuishoort op het rotsgesteente. Dé plek voor dit landschapstype in Extremadura is natuurlijk Monfragüe, het vermaarde nationaal park in het noorden van de deelstaat. Steile rotsen, diepe kloven, verre zichten, je hebt het er allemaal, in alle soorten en maten. Breed en machtig slingert zich daar de Taag rond steile hellingen en grillige, loodrechte wanden. We stonden er tegenover de Salto del Gitano, het beroemdste uitkijkpunt van Monfragüe waar aan de overkant van de rivier met tientallen de vale gieren op de rotsen zitten. En het was er zoals we inmiddels wel verwachten konden: dat je nauwelijks weet waar te kijken. Want niet alleen vale gieren, ook af en toe een monniksgier, ook een zwarte ooievaar die af en toe laag over de Taag vloog en fraai weerspiegeld werd in het roerloze water. Zwarte ooievaar vonden we ook rustend op het reusachtige klif tegenover en zelfs een op het nest op een richel in een diepe spleet in de rotsen. Rotszwaluwen ook hier, uiteraard, had ik die nog niet genoemd? En zwarte wouwen. Dichterbij op een rots een prachtig zingende blauwe rotslijster, en geen otters nu om de aandacht af te leiden. Cirlgors, grijze gors, europese kanarie, slechtvalk, roodstuitzwaluw, dwergarend, teveel om op te noemen.
Verderop hadden we lunchpauze bij net zo’n steile rotswand langs de rivier. Aasgieren hier, een monniksgier laag over, volop zwarte wouwen, we stonden het allemaal ademloos aan te kijken toen ineens een schreeuw van Godfried. ‘Havikarend!’ Maar voor ik hem in beeld had was-ie alweer verdwenen. Dat was wel even zuur want deze wilde ik zo graag. Want nooit eerder overtuigend gezien. Gelukkig kwam-ie even later weer tevoorschijn en toen liet-ie zich geruime tijd schitterend zien. Dat aparte vliegbeeld, beetje wespendief, beetje havik, lange kop, lange staart. Dat opvallende patroon op de onderzijde: witte buik, grotendeels donkere ondervleugels. En als-ie voldoende kantelde ook luid en duidelijk de lichte plek op de rug. Onmiskenbaar dus.
We zagen in Monfragüe ook nog een adulte spaanse keizerarend, rustend hoog in een boom hoog op de helling. We zagen blonde tapuit, een mooie groep bijeneters, slangenarend, roodkopklauwier en kleine bonte specht. We eindigden hoog op het Castillo de Monfragüe, oude burchtruïne vanwaar je neerkijkt op de hoogste top van de Salto del Gitano en waar in de diepte de Taag zich slingert door het bergland. Gieren vlogen af en aan en ineens was daar die gele flits: wielewaal, wie weet op weg naar de Hollandse polderpopulieren in het verre noorden. Al zou je hem dat willen ontraden.








Er waren ook nog bossen. De dehesa’s, de kurkeiken en steeneiken die in eindeloze natuurlijke plantages sommige dalen vullen en helling na helling overspoelen. Nee, dit reisverslag is natuurlijk nog lang niet compleet. Ik heb het nog niet eens gehad over de wouwen, de tientallen zwarte wouwen vrijwel iedere dag. De eerste paar, die waren nog heel wat maar daarna kijk je er nauwelijks meer naar om. Boven de steppe, boven de rotsen, boven de rivier, overal zwarte wouwen en af en toe een rode wouw ertussen, misschien wel de mooiste van alle roofvogels. Ik heb het nog niet gehad over de vele blauwe eksters her en der. De eerste, bij Madrigalejo, geregeld heen en weer vliegend over een moerassig gebiedje met cetti’s zangers en koereigers en meer en ook af en toe vrij zichtbaar boven in een struik of boompje, die waren ook al zo onvergetelijk want nooit eerder fatsoenlijk gezien. Niet over die kuifkoekoek onderweg op de eerste dag. We waren nog maar nauwelijks begonnen en daar zat-ie al, in wat struikjes naast een parkeerplaats langs de snelweg. Godfried zei nog, kijk maar goed, misschien wordt dit de enige van de reis want zo gemakkelijk is-ie niet. En inderdaad, de verdere week niet meer gezien. Nauwelijks heb ik het gehad over de ooievaars die vrijwel overal alom tegenwoordig zijn, over de bijeneters die af en toe in groepjes over ons heen vlogen en zich een enkele keer lekker dichtbij vertoonden. Nauwelijks over de cetti's zangers, de graszangers, de roodkopklauwieren en de klapeksters die hier trouwens iberische zijn en wat donkerder dan de onze. De westelijke orpheusgrasmus die we hoorden zingen in Monfragüe, de fraaie kortteenleeuwerikjes langs de kant van de weg, de rotsmussen langs een akker op de terugweg, de spaanse mussen op allerlei locaties, de rode patrijzen, de hoppen natuurlijk enzovoorts enzovoorts enzovoorts. Ik heb het nog niet half zoveel als ik wel zou willen, gehad over de kleine torenvalken, over de dwergarenden en de slangenarenden. En de planten, die heb ik nog helemaal niet genoemd. De wolzweverorchis bij de Embalse de Arrocampo Almaraz (waar we ook zo mooi woudaapjes zagen), de prachtige italiaanse orchissen in menige wegberm, de hoge kalkweiden met diverse zeldzame orchideeënsoorten, de spaanse irissen die zich in de middag openen en dan zeeën van blauw vormen. Allemaal hebben ze hier lang niet de aandacht gehad die ze verdienen en die ze ter plekke gelukkig wel hebben gehad. Nee, dit verslag is lang niet volledig. Dat kan ook niet, we hebben gewoonweg teveel gezien. Als het volledig was, zou het er alleen maar saai van zijn, veel saaier nog dan het nu misschien al is. Dus laat ik het hier maar bij laten.




3 opmerkingen:

  1. Heel mooi verhaal Guus, ik krijg meteen de kriebels om er weer heen te gaan.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Volgende keer eens in mei met een tentje Guuscamping Monfraque , een aanrader.Moorse Nachtzwaluw ,die je s nachts wakker houdt .Een geluid dat je eeuwig zal bijblijven.Ook Sierra de Gredos ligt dan binnen een dagreis afstand.

    BeantwoordenVerwijderen